Rechtspraak
Raad van State
2021-08-04
ECLI:NL:RVS:2021:1734
Bestuursrecht
Hoger beroep
3,707 tokens
Inleiding
202004548/1/A3.
Datum uitspraak: 4 augustus 2021
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
SDW Beheergroep B.V., gevestigd te Rotterdam,
appellante,
tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 2 juli 2020 in zaak nr. 19/101 in het geding tussen:
SDW
en
het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam.
Procesverloop
Bij besluit van 20 februari 2018 heeft het college op verzoek van SDW een aantal documenten geheel of gedeeltelijk openbaar gemaakt.
Bij besluit van 27 november 2018 heeft het college het door SDW daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 2 juli 2020 heeft de rechtbank het door SDW daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft SDW hoger beroep ingesteld.
SDW heeft de Afdeling toestemming, als bedoeld in artikel 8:29, vijfde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), verleend.
Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 7 juli 2021, waar SDW, vertegenwoordigd door mr. D.C. van Genderen, advocaat te Rotterdam, en [gemachtigde], en het college, vertegenwoordigd door mr. A.J.J. van der Vlist, zijn verschenen.
Overwegingen
Inleiding
1. SDW is een leer-werkbedrijf dat zich richt op de begeleiding van mensen met een afstand tot de arbeidsmarkt. Zij heeft het college op 5 oktober 2017 op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (hierna: Wob) verzocht om openbaarmaking van de overeenkomsten, contracten en afspraakdocumenten van de gemeente Rotterdam met het leer-werkbedrijf Magis010 over de periode 2012-2017. Daarnaast heeft SDW om openbaarmaking verzocht van de aanbesteding of tender op basis waarvan contracten aan Magis010 zijn gegund en alle facturen, bedragen, betalingen, subsidiebeschikkingen en daarmee samenhangende documenten, welke gedurende de hiervoor genoemde periode gaan over Magis010. Tot slot heeft SDW verzocht om openbaarmaking van een overzicht van personen die door de gemeente Rotterdam bij Magis010 zijn gedetacheerd of geplaatst. Het college heeft na onderzoek 44 documenten aangetroffen en besloten om documenten 1 tot en met 19, 21 tot en met 38 en 40 tot en met 44 of delen daarvan openbaar te maken. Documenten 20 en 39 waren al openbaar. Het college heeft SDW gewezen op de online vindplaatsen van beide documenten.
Hoger beroep
2. SDW betoogt dat het college het besluit van 20 februari 2018 niet integraal heeft heroverwogen, terwijl het college dit besluit in bezwaar juist vol moet toetsen op recht- en doelmatigheid. Daarnaast heeft het college volgens SDW ten onrechte bepaalde weigeringsgronden uit de Wob ingeroepen om delen van de documenten niet openbaar te hoeven maken. De rechtbank heeft dit miskend, aldus SDW.
Wettelijk kader
3. Het wettelijk kader is opgenomen in een bijlage en maakt deel uit van deze uitspraak.
Beoordeling
Heroverweging van het college in de bezwaarprocedure
4. SDW betoogt dat het college bij heroverweging van het besluit van 20 februari 2018 een volwaardige bestuurlijke recht- en doelmatigheidstoets moet uitvoeren, met een kenbare en draagkrachtige motivering. De verwijzing in het besluit op bezwaar naar het advies van de Algemene bezwaarschriftencommissie kamer IV (hierna: bezwaarschriftencommissie) voldoet niet aan het vereiste van een integrale heroverweging, omdat de bezwaarschriftencommissie in dat advies niet ingaat op de gronden van bezwaar, aldus SDW.
4.1. Cluster Werk en Inkomen, het functioneel betrokken onderdeel van de gemeentelijke organisatie, heeft in de bezwaarprocedure namens het college een verweerschrift ingediend, waarin het de toepassing van de weigeringsgronden uit de Wob nader motiveert. De bezwaarschriftencommissie heeft dit verweer verwoord in haar advies van 18 september 2018 en heeft overwogen dat zij de inhoud van het verweerschrift onderschrijft. Verder heeft de bezwaarschriftencommissie in haar advies overwogen dat zij op grond van wat in bezwaar en ter zitting naar voren is gebracht geen aanleiding ziet om te twijfelen over de juistheid van het besluit van het college. In het besluit op bezwaar van 27 november 2018 heeft het college te kennen gegeven het advies van de bezwaarschriftencommissie in het geheel over te nemen en heeft het de bezwaren ongegrond verklaard.
4.2. De rechtbank heeft gelet op het voorgaande terecht geoordeeld dat uit het besluit op bezwaar volgt dat er een heroverweging op grond van de door SDW ingediende bezwaargronden heeft plaatsgevonden en dat die heroverweging gemotiveerd is.
Het betoog faalt.
Verzoek om openbaarmaking documenten
5. Het college heeft bij het besluit van 20 februari 2018 een inventarislijst van de door SDW opgevraagde documenten overgelegd. SDW voert per weigeringsgrond uit de Wob aan om welke reden die weigeringsgrond volgens haar niet van toepassing is op de desbetreffende documenten van de inventarislijst. De Afdeling zal hierna per weigeringsgrond beoordelen of de rechtbank terecht tot het oordeel is gekomen dat het college een beroep heeft mogen doen op de betreffende weigeringsgronden. De Afdeling heeft hiervoor met toepassing van artikel 8:29 van de Awb kennisgenomen van de door het college vertrouwelijk overgelegde documenten.
Bedrijfs- en fabricagegegevens
6. Artikel 10, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wob bepaalt dat het verstrekken van informatie achterwege blijft voor zover dit bedrijfs- en fabricagegegevens betreft, die door natuurlijke personen of rechtspersonen vertrouwelijk aan de overheid zijn meegedeeld. SDW betoogt dat het college ten onrechte met een beroep op deze bepaling delen van de documenten 8, 12, 15, 32, 33, 34 en 44 niet openbaar heeft gemaakt. Deze documenten gaan volgens SDW over de overeenkomst tussen de gemeente en Magis010 over de privatisering van drie gemeentelijke organisaties en gaan dus niet over privaatrechtelijke activiteiten van de gemeente in het reguliere economische verkeer. Het is niet aannemelijk dat uit de documenten wetenswaardigheden zijn af te leiden met betrekking tot de technische bedrijfsvoering of het productieproces dan wel met betrekking tot de afzet van producten of de kring van afnemers en leveranciers. Gelet op het feit dat de documenten eigenlijk om de uitoefening van een publieke taak door Magis010 gaan en gezien het belang van kennisneming van de informatie voor een democratische controle op de integriteit van het handelen van de gemeentelijke overheid, kan de informatie volgens SDW niet worden geacht te zijn omgeven met een redelijke verwachting van vertrouwelijkheid. Daarnaast bestaat Magis010 niet meer, zodat niet is in te zien waarom de documenten niet openbaar gemaakt kunnen worden, aldus SDW.
6.1. Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling (onder meer de uitspraak van 22 mei 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1675) dient artikel 10, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wob naar zijn aard restrictief te worden uitgelegd. Van bedrijfs- en fabricagegegevens is slechts sprake, indien en voor zover uit die gegevens wetenswaardigheden kunnen worden afgelezen of afgeleid met betrekking tot de technische bedrijfsvoering of het productieproces dan wel met betrekking tot de afzet van de producten of de kring van afnemers en leveranciers. De weigeringsgrond is bedoeld om te voorkomen dat de bedrijfsgegevens die bedrijven met het oog op concurrentie geheim willen houden, maar wel genoodzaakt zijn aan bestuursorganen te verstrekken, openbaar moeten worden gemaakt. Voor de vraag of informatie vertrouwelijk is meegedeeld, is voldoende dat de gegevens zijn verstrekt in een contact dat een onderneming redelijkerwijs als vertrouwelijk mocht beschouwen.
6.2. Het gaat in de deels geweigerde documenten om de waarde van gesloten contracten en de overgenomen contracten, de waarde van diensten, afspraken inzake de overname, afspraken inzake het premiestelsel, de huurprijzen, de constructie van een reorganisatie, detacheringsafspraken, informatie over opdrachten, omzetgegevens, financiële vergoedingen en interne documenten over de loopbaanontwikkeling, het vervoersreglement en het verzuimprotocol. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat het college openbaarmaking van deze documenten deels heeft mogen weigeren, omdat het om bedrijfsgegevens van Magis010 gaat waaruit wetenswaardigheden kunnen worden afgelezen of afgeleid met betrekking tot de technische bedrijfsvoering of het productieproces dan wel met betrekking tot de afzet van de producten of de kring van afnemers en leveranciers. Gezien de aard en inhoud van de gegevens mochten de betrokkenen het contact waarin de gegevens zijn verstrekt, redelijkerwijs als vertrouwelijk beschouwen. Artikel 10, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wob biedt geen grondslag voor het oordeel dat de vertrouwelijkheid moet wijken als het gaat om overeenkomsten of andere documenten waarmee een publiek belang gemoeid is, zoals door SDW betoogd. Voor een dergelijke belangenafweging is geen plaats. Of de documenten daarnaast wel of niet over de privaatrechtelijke activiteiten van de gemeente in het reguliere economische verkeer gaan, is voor toepassing van artikel 10, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wob niet relevant. Dat Magis010 is geliquideerd, is evenmin van belang, alleen al omdat Magis010 onderdeel was van het concern Radar, dat nog altijd in dezelfde branche werkzaam is.
Het betoog faalt.
Economische en financiële belangen
7. Artikel 10, tweede lid, aanhef en onder b, van de Wob bepaalt dat het verstrekken van informatie achterwege blijft voor zover het belang daarvan niet opweegt tegen de economische en financiële belangen van het college. SDW betoogt dat het college ten onrechte met een beroep op deze bepaling delen van de documenten 1, 12, 22, 28, 32, 33 en 44 niet openbaar heeft gemaakt. Volgens SDW gaan deze documenten niet over de privaatrechtelijke activiteiten van de gemeente in het reguliere economische verkeer en kan openbaarmaking van de documenten geen risico opleveren voor de onderhandelingspositie van de gemeente Rotterdam. Als dat wel zo is, dan had het college dit moeten motiveren, aldus SDW.
7.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in haar uitspraak van 27 februari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:616, kunnen de economische en financiële belangen betrekking hebben op de onderhandelingspositie van een bestuursorgaan. Een beroep op deze weigeringsgrond kan in elk geval worden gedaan voor de duur van het onderhandelingsproces. Daarnaast kan onder omstandigheden ook de onderhandelingspositie van het bestuursorgaan in de toekomst een reden zijn om deze uitzonderingsgrond van toepassing te achten.
7.2. De documenten gaan over de hoogte van de afgesproken omzetgarantie, detacheringsafspraken, financiële vergoedingen, omzetgegevens, aantallen gedetacheerden, afspraken inzake het premiestelsel, huurprijzen, procesafspraken inzake de overname, intenties en monitoring van de omzetgarantie.
Conclusie
10. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
11. Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Dictum
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. E. Helder, voorzitter, en mr. F.D. van Heijningen en mr. A. ten Veen, leden, in tegenwoordigheid van mr. J. de Vries, griffier.
De voorzitter is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.
De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.
Uitgesproken in het openbaar op 4 augustus 2021
582-960.
BIJLAGE | WETTELIJK KADER
Artikel 8:29, eerste en vijfde lid, van de Awb
1. Partijen die verplicht zijn inlichtingen te geven dan wel stukken over te leggen, kunnen, indien daarvoor gewichtige redenen zijn, het geven van inlichtingen dan wel het overleggen van stukken weigeren of de bestuursrechter mededelen dat uitsluitend hij kennis zal mogen nemen van de inlichtingen onderscheidenlijk de stukken.
5. Indien de bestuursrechter heeft beslist dat de beperking van de kennisneming gerechtvaardigd is, kan hij slechts met toestemming van de andere partijen mede op de grondslag van die inlichtingen onderscheidenlijk die stukken uitspraak doen. Indien de toestemming wordt geweigerd, wordt de zaak verwezen naar een andere kamer.
Artikel 1, aanhef en onder c en f, van de Wob
In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
c. intern beraad: het beraad over een bestuurlijke aangelegenheid binnen een bestuursorgaan, dan wel binnen een kring van bestuursorganen in het kader van de gezamenlijke verantwoordelijkheid voor een bestuurlijke aangelegenheid;
f. persoonlijke beleidsopvatting: een opvatting, voorstel, aanbeveling of conclusie van een of meer personen over een bestuurlijke aangelegenheid en de daartoe door hen aangevoerde argumenten.
Artikel 3, eerste en vijfde lid, van de Wob
1. Een ieder kan een verzoek om informatie neergelegd in documenten over een bestuurlijke aangelegenheid richten tot een bestuursorgaan of een onder verantwoordelijkheid van een bestuursorgaan werkzame instelling, dienst of bedrijf.
5. Een verzoek om informatie wordt ingewilligd met inachtneming van het bepaalde in de artikelen 10 en 11.
Artikel 10, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wob
Het verstrekken van informatie ingevolge deze wet blijft achterwege voor zover dit: bedrijfs- en fabricagegegevens betreft, die door natuurlijke personen of rechtspersonen vertrouwelijk aan de overheid zijn meegedeeld.
Artikel 10, tweede lid, aanhef en onder b en g, van de Wob
Het verstrekken van informatie ingevolge deze wet blijft eveneens achterwege voor zover het belang daarvan niet opweegt tegen de volgende belangen:
b. de economische of financiële belangen van de Staat, de andere publiekrechtelijke lichamen of de in artikel 1a, onder c en d, bedoelde bestuursorganen;
g. het voorkomen van onevenredige bevoordeling of benadeling van bij de aangelegenheid betrokken natuurlijke personen of rechtspersonen dan wel van derden.
Artikel 11, eerste en tweede lid, van de Wob
1. In geval van een verzoek om informatie uit documenten, opgesteld ten behoeve van intern beraad, wordt geen informatie verstrekt over daarin opgenomen persoonlijke beleidsopvattingen.
2. Over persoonlijke beleidsopvattingen kan met het oog op een goede en democratische bestuursvoering informatie worden verstrekt in niet tot personen herleidbare vorm. Indien degene die deze opvattingen heeft geuit of zich erachter heeft gesteld, daarmee heeft ingestemd, kan de informatie in tot personen herleidbare vorm worden verstrekt.