Rechtspraak
Raad van State
2020-06-24
ECLI:NL:RVS:2020:1481
Bestuursrecht; Omgevingsrecht
Hoger beroep
2,405 tokens
Inleiding
201904788/1/R2.
Datum uitspraak: 24 juni 2020
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant], wonend te Valkenswaard,
tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 13 mei 2019 in zaak nr. 18/1900 in het geding tussen:
[appellant]
en
het college van burgemeester en wethouders van Valkenswaard.
Procesverloop
Bij besluit van 22 juni 2018 heeft het college aan [vergunninghouder] omgevingsvergunning verleend voor het bouwen van een vrijstaand bijgebouw voor een kinderdagverblijf als nevenactiviteit op het perceel [locatie 1] te Valkenswaard (hierna: het perceel).
Bij uitspraak van 13 mei 2019 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
[appellant] heeft nadere stukken ingediend.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 11 februari 2020, waar [appellant], en het college, vertegenwoordigd door V. Theunissen, werkzaam voor de gemeente, zijn verschenen.
Voorts is [vergunninghouder] ter zitting als partij gehoord.
Overwegingen
1. Het bouwplan voorziet in het realiseren van een kinderdagverblijf in een vrijstaand bijgebouw waar voorheen een varkensstal was gevestigd. Vergunninghouder wil in het kinderdagverblijf dagopvang bieden voor maximaal 32 kinderen in de leeftijdscategorie van 0 tot 4 jaar.
De kinderopvang vindt plaats op de begane grond en op de eerste verdieping van het bijgebouw, dat bestaat uit 368 m² bruto vloeroppervlak. In het gebouw zal tevens een stalling voor landbouwhuisdieren met een hooi- en stro-opslag worden gerealiseerd.
2. [appellant] woont tegenover het perceel op het perceel [locatie 2]. Hij vreest dat de realisering van het bouwplan zijn woon- en leefomgeving zal aantasten.
3. Ingevolge het geldende bestemmingsplan "Buitengebied" rust ter plaatse van het bijgebouw de bestemming "Agrarisch met waarden", met de aanduiding "intensieve veehouderij". Het gebruik van dit bijgebouw voor een kinderdagverblijf is strijdig met deze bestemming. Het college heeft daarom met toepassing van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a en c, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: Wabo) de gevraagde vergunning verleend.
4. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het college zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat de effecten van de schaduwwerking en de daglichttoetreding op het perceel van [appellant], met inbegrip van zijn vijver, niet onevenredig zijn. Hij voert daartoe aan dat het bijgebouw waarin het kinderdagverblijf is voorzien, gezien de lengte en hoogte ervan, een sterke vermindering van zonlicht op zijn vijver tot gevolg zal hebben. Volgens [appellant] heeft het college ten onrechte van belang geacht dat de bomen op zijn perceel ook een schaduw werpen op zijn vijver, omdat hij bezig is die bomen te verwijderen. Verder heeft het college volgens [appellant] ten onrechte van belang geacht dat hij campingplaatsen wil realiseren op de locatie van de vijver, omdat volgens hem de beoogde locatie van deze plaatsen ergens anders is. Voorts heeft de rechtbank bij zijn oordeel ten onrechte betekenis gehecht aan de op grond van het bestemmingsplan toegestane bouwmogelijkheden omdat zich op zijn perceel geen bebouwing bevindt, maar een vijver, aldus [appellant].
4.1. Aan het bestreden besluit is een Tabel schaduwwerking ten grondslag gelegd. Hierin is een vergelijking gemaakt tussen de schaduwhinder als gevolg van de bouwmogelijkheden die op grond van het bestemmingsplan zijn toegestaan, de schaduwhinder ten gevolge van de werktuigenloods annex varkens- en paardenstal zoals die reeds is vergund en de schaduwhinder als gevolg van het bouwplan dat hier aan de orde is. Geconcludeerd wordt dat het vergunde kinderdagverblijf leidt tot een toename van schaduw op het perceel van [appellant]. De rechtbank heeft met juistheid, onder verwijzing naar de uitspraken van de Afdeling van 21 oktober 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:3222) en 14 juni 2017 (ECLI:NL:RVS:2017:1565), overwogen dat het college bij de beoordeling van de schaduwhinder mag uitgaan van een vergelijking van de op grond van het bestemmingsplan toegestane bouwmogelijkheden met de door de omgevingsvergunning ter afwijking van het bestemmingsplan toegestane overschrijdingen van de bouwvlakten en -hoogten. Niet in geschil is dat de schaduwhinder van het vergunde kinderdagverblijf niet groter is dan de hinder die wordt ondervonden van de bebouwing die volgens de bouwregels van het bestemmingsplan reeds is toegestaan. Gelet hierop heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat het college zich reeds hierom in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de effecten van de schaduwwerking en de daglichttoetreding op het perceel van [appellant] niet onevenredig zijn. Dat [appellant] heeft gesteld dat hij bomen aan het verwijderen is op zijn perceel, dat hij campingplaatsen op een andere plaats zal realiseren dan op de locatie van de vijver en dat er bij hem geen sprake is van bebouwing, maar van een vijver, leidt daarom niet tot een ander oordeel.
5. Verder voert [appellant] aan dat de rechtbank niet heeft onderkend dat hij geluidsoverlast van kinderen zal ondervinden. Volgens [appellant] moet het college een akoestisch onderzoek uitvoeren om te kunnen vaststellen dat zijn woon- en leefklimaat niet onaanvaardbaar wordt aangetast.
Voor zover het college zich op het standpunt heeft gesteld dat volgens de Wet geluidhinder het geluid van kinderen vanaf een open plein geen aspect is dat beoordeeld moet worden, betoogt [appellant] dat het hier niet gaat om een open maar om een omsloten speelterrein. Volgens [appellant] moet er een geluidscherm worden geplaatst om de geluidoverlast te beperken.
5.1. In paragraaf 5.4.2. van de ruimtelijke onderbouwing die aan het bestreden besluit ten grondslag is gelegd, wordt rekening gehouden met de ruimtelijke inpasbaarheid van het plan, waaronder de mogelijke overlast die door het kinderdagverblijf zal worden veroorzaakt. [appellant] betoogt daarom tevergeefs dat in dat besluit geen rekening is gehouden met eventuele geluidoverlast door kinderen.
Als richtlijn is de brochure "Bedrijven en milieuzonering" van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (hierna: de VNG-brochure) gehanteerd. In de VNG-brochure wordt een kinderopvang gerekend tot milieucategorie 2. Daarvoor geldt een richtafstand van 30 meter tot een woning in het omgevingstype "rustige woonwijk en rustig buitengebied". Ter plaatse is sprake van het omgevingstype "rustig buitengebied". Op grond van de VNG-brochure mag daarom worden uitgegaan van een aan te houden richtafstand voor geluid van 30 meter. Indien voldaan wordt aan de toepasselijke richtafstand uit de VNG-brochure is in beginsel sprake van een aanvaardbare geluidbelasting. Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling, bijvoorbeeld de uitspraak van 2 april 2014 (ECLI:NL:RVS:2014:1173), gelden de richtafstanden volgens de VNG-brochure tussen enerzijds de grens van de bestemming die bedrijven (of andere milieubelastende functies) toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een woning die volgens het bestemmingsplan of via vergunningvrij bouwen mogelijk is.
5.2. Niet in geschil is dat de afstand tussen de uiterste situering van de gevel van de woning van [appellant] en de grens van het vlak waarop het bestreden besluit ziet in ieder geval 40 meter bedraagt. Er wordt dus ruimschoots aan de richtafstand van 30 meter voor geluid voldaan. [appellant] heeft geen omstandigheden aangevoerd op grond waarvan desondanks moet worden geoordeeld dat ter plaatse van zijn woning sprake zal zijn een onaanvaardbaar woon- en leefklimaat. De stelling van [appellant] dat de wind meestal uit het westen komt waardoor er sprake is van meer geluidoverlast, kan niet leiden tot het ermee door hem beoogde doel. Deze omstandigheid komt zo vaak voor in Nederland, dat daarmee moet worden geacht te zijn rekening gehouden bij de in de VNG-brochure gehanteerde richtafstanden.
De rechtbank heeft daarom terecht geoordeeld dat het college zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de gevolgen van het kinderdagverblijf voor wat betreft het maken van geluid aanvaardbaar zijn. Voor het oordeel dat het college een geluidscherm moet laten plaatsen, heeft de rechtbank dan ook terecht geen aanleiding gezien.
6. Voorts voert [appellant] aan dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het college onvoldoende heeft aangetoond dat negatieve effecten van stikstofdeposities kunnen worden uitgesloten op habitattypen in deelgebied "De Malpie" van het Natura 2000-gebied "Leenderbos, Groote Heide & De Plateaux". [appellant] voert daartoe aan dat door het vervallen van de varkensrechten op het perceel en het afsluiten van de Molenweg ter hoogte van de ingang van de Malpie, de stikstofuitstoot op de Molenweg vanwege het gemotoriseerde verkeer van- en naar het beoogde kinderdagverblijf toeneemt en de uitgevoerde Aeriusberekening onjuist is.
Dictum
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. D.A.C. Slump, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J.A.W. van Leeuwen, griffier.
Het lid van de enkelvoudige kamer is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.
De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.
Uitgesproken in het openbaar op 24 juni 2020
543.