Rechtspraak
Raad van State
2020-06-03
ECLI:NL:RVS:2020:1340
Bestuursrecht
Eerste aanleg - meervoudig
3,219 tokens
Inleiding
201803397/2/A2.
Datum uitspraak: 3 juni 2020
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak in het geding tussen:
[appellant], wonend te Venlo,
appellant,
en
de minister van Infrastructuur en Waterstaat,
verweerder.
Procesverloop
Bij besluit van 19 januari 2015 heeft de minister van Infrastructuur en Milieu een verzoek van [appellant] om schadevergoeding afgewezen.
Bij besluit van 21 april 2015 heeft de minister het besluit van 19 januari 2015 ingetrokken en het verzoek om schadevergoeding opnieuw afgewezen.
Bij besluit van 25 juni 2015 heeft de minister het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 8 september 2016 heeft de rechtbank Limburg, voor zover thans van belang, het door [appellant] tegen het besluit van 25 juni 2015 ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en de minister opgedragen een nieuw besluit op het door [appellant] gemaakte bezwaar te nemen met inachtneming van deze uitspraak.
Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.
De minister heeft incidenteel hoger beroep ingesteld.
Bij besluit van 7 april 2017 heeft de minister, gevolg gevend aan de uitspraak van de rechtbank, het bezwaar van [appellant] opnieuw ongegrond verklaard.
[appellant] heeft gronden van beroep tegen dat besluit ingediend.
Bij uitspraak van 18 oktober 2017 (ECLI:NL:RVS:2017:2805) heeft de Afdeling, voor zover thans van belang, het hoger beroep van [appellant] ongegrond verklaard, het incidenteel hoger beroep van de minister eveneens ongegrond verklaard, de uitspraak van de rechtbank, voor zover aangevallen, bevestigd, het besluit van 7 april 2017 vernietigd, de minister opgedragen om binnen twintig weken na de verzending van deze uitspraak met inachtneming van hetgeen daarin is overwogen een nieuw besluit te nemen en bepaald dat tegen dat besluit slechts bij de Afdeling beroep kan worden ingesteld.
Bij besluit van 12 maart 2018 heeft de minister van Infrastructuur en Waterstaat het verzoek van [appellant] om schadevergoeding opnieuw afgewezen.
Tegen dit besluit heeft [appellant] beroep ingesteld.
De minister heeft een verweerschrift ingediend.
[appellant] heeft een nader stuk ingediend.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 16 mei 2019, waar [appellant], bijgestaan door mr. R.A.M. Verkoijen, advocaat te Deurne, en de minister, vertegenwoordigd door mr. J.P. Gerits en ir. P.S.J. Flapper, zijn verschenen.
Bij tussenuitspraak van 3 juli 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:2192) heeft de Afdeling het college opgedragen om binnen dertien weken na de verzending van de tussenuitspraak met inachtneming van de overwegingen ervan het gebrek in het besluit van 12 maart 2018 te herstellen, de Afdeling de uitkomst mede te delen en een eventueel gewijzigd besluit op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend te maken. Deze tussenuitspraak is aangehecht.
Bij beschikking van 30 oktober 2019 heeft de Afdeling de bij haar tussenuitspraak bepaalde termijn tot en met 29 januari 2020 verlengd.
Bij besluit van 24 januari 2020 heeft de minister, gevolg gevend aan de tussenuitspraak, het door [appellant] gemaakte bezwaar gegrond verklaard, het verzoek om schadevergoeding opnieuw afgewezen en [appellant] een vergoeding toegekend voor de kosten die hij in verband met de behandeling van het bezwaar heeft gemaakt.
[appellant] heeft gronden van beroep tegen dat besluit ingediend.
Met toepassing van artikel 8:57, tweede lid, aanhef en onder c, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) heeft de Afdeling bepaald dat een tweede onderzoek ter zitting achterwege blijft en het onderzoek gesloten.
Overwegingen
1. [appellant] is eigenaar van de in de buurt van de A73-Zuid gelegen woning aan de [locatie] te Venlo (hierna: de woning). Hij heeft de minister verzocht om schadevergoeding krachtens artikel 22 van de Tracéwet in verband met de aanleg van de A74 en de aanpassingen van de A73-Zuid conform het Tracébesluit Rijksweg A74 (hierna: het Tracébesluit). Het Tracébesluit is op 16 augustus 2010 bekend gemaakt en heeft de aanleg van de A74 tussen de A73-Zuid en de Duitse grens en de aanpassingen aan de A73 tussen de aansluiting Maasbree tot aan de verdiepte ligging ter hoogte van de Kaldenkerkerweg te Tegelen mogelijk gemaakt.
2. [appellant] heeft aan het verzoek ten grondslag gelegd dat hij als gevolg van het Tracébesluit schade in de vorm van een vermindering van de waarde van de woning heeft geleden. In dit verband heeft hij gesteld dat de geluidoverlast in en buiten de woning is toegenomen, dat hij uitzicht op hoge geluidschermen heeft en dat de luchtkwaliteit in de buurt van de woning is afgenomen door een toename van fijnstof en uitlaatgassen.
tussenuitspraak
3. De Afdeling heeft overwogen dat in een taxatierapport van 28 januari 2018 een onjuiste omschrijving is gegeven van de bij de woning behorende tuin. Niet valt uit te sluiten dat dit gebrek ook betekenis heeft voor de door de Schadecommissie Rijkswaterstaat (hierna: de schadecommissie) in een advies van 22 februari 2018 gemaakte planologische vergelijking en dat die vergelijking niet deugdelijk is. De Afdeling heeft verder overwogen dat het vastgestelde gebrek in de omschrijving van de bij de woning behorende tuin met zich brengt dat deze taxatie niet inzichtelijk is. Dit betekent dat de minister onvoldoende draagkrachtig heeft gemotiveerd dat de door [appellant] geleden schade, bestaande uit een waardevermindering van de woning, niet hoger is dan 2 procent van de waarde van de woning onmiddellijk voorafgaand aan de inwerkingtreding van het Tracébesluit en dat die schade reeds daarom voor rekening van [appellant] blijft.
De Afdeling heeft de minister opgedragen advies van een deskundige in te winnen. De deskundige dient, op basis van een juiste omschrijving van de bij de woning behorende tuin, een vergelijking te maken tussen de voor [appellant] meest ongunstige invulling van de mogelijkheden van het oude en het nieuwe planologische regime. Indien uit de vergelijking de conclusie wordt getrokken dat [appellant] als gevolg van de inwerkingtreding van het Tracébesluit in een nadeliger planologische positie is komen te verkeren, dient vervolgens te worden onderzocht of de verslechtering tot schade in de vorm van een vermindering van de waarde van de woning heeft geleid. Indien dat het geval is, mag de minister geen hogere drempel dan 2 procent van de waarde van de woning, onmiddellijk voorafgaand aan de inwerkingtreding van het Tracébesluit, hanteren.
eerste conclusie
4. Uit de tussenuitspraak volgt dat het door [appellant] tegen het besluit van 12 maart 2018 ingestelde beroep gegrond is. De Afdeling zal dat besluit wegens strijd met de artikelen 3:2 en 7:12, eerste lid, van de Awb vernietigen.
definitieve beslechting van het geschil
5. De minister heeft naar aanleiding van de tussenuitspraak advies gevraagd aan de schadecommissie.
In een advies van 7 januari 2020 heeft de schadecommissie een vergelijking gemaakt tussen de voor [appellant] meest ongunstige invulling van de planologische mogelijkheden van het oude en het nieuwe planologische regime. In het advies is vermeld dat op grond van die vergelijking advies is gevraagd aan ing. P.E. Bakker (hierna: Bakker), rentmeester-taxateur te Almkerk, heeft gevraagd en dat Bakker in een taxatierapport van 19 november 2019 tot de conclusie is gekomen dat de inwerkingtreding van het Tracébesluit ertoe heeft geleid dat de waarde van de woning op de peildatum is gedaald van € 320.000,00 naar € 315.000,00. De schade is € 5.000,00. Op grond van de tussenuitspraak wordt bij het toekennen van een tegemoetkoming in die schade een drempel van 2 procent van de waarde van de woning onmiddellijk vóór het ontstaan van de schade toegepast. De drempel is gelijk aan € 6.400,00. De schade is niet hoger dan de drempel. De schade valt dus geheel onder het normale maatschappelijke risico van [appellant] en blijft voor zijn rekening.
De minister heeft het advies van de schadecommissie aan het besluit van 24 januari 2020 ten grondslag gelegd.
6. Het besluit van 24 januari 2020 is, gelet op artikel 6:19 van de Awb, voorwerp van dit geding.
7. [appellant] heeft bij brief van 17 februari 2020 gronden van het beroep tegen het besluit van 24 januari 2020 aangevoerd. Hij stelt zich op het standpunt dat dat besluit is genomen op basis van een ondeugdelijk advies en een ondeugdelijk taxatierapport. Ter toelichting hiervan heeft hij in die brief het volgende aangevoerd. Bakker heeft, in het kader van verscheidene procedures over nadeelcompensatie wegens het Tracébesluit, in totaal twaalf taxaties verricht, waarbij hij in negen gevallen, ongeacht de waarde van de desbetreffende woning en ongeacht de toename van de geluidbelasting, tot de conclusie is gekomen dat de waardevermindering van de desbetreffende woning € 5.000,00 is. Bakker heeft ten onrechte geen aandacht besteed aan de toename van de geluidbelasting. In redelijkheid valt niet vol te houden dat de waardevermindering bij een woning met een waarde van € 450.000,00 en een toename van de geluidbelasting van 8,35 dB net zo groot is als bij een woning met een waarde van € 275.000,00 en een toename van de geluidbelasting van 3,61 dB. Met het advies en het daarop gebaseerde besluit is geen gevolg gegeven aan de tussenuitspraak.
7.1. Bij de waardering van onroerende zaken spelen niet alleen de taxatiemethode, maar ook de kennis en ervaring van de deskundige een rol. De bestuursrechter beoordeelt daarom slechts of het bestuursorgaan de taxatie in redelijkheid aan zijn besluit ten grondslag heeft mogen leggen. Verder moet de besluitvorming voldoen aan de eisen die het recht aan de zorgvuldigheid en de motivering stelt en moet de rechter toetsen of de besluitvorming aan die eisen voldoet.
7.2. [appellant] heeft bij brief van 10 december 2019 gereageerd op het taxatierapport van Bakker. Naar aanleiding daarvan heeft de schadecommissie in het advies van 7 januari 2020 onder meer het volgende vermeld.
Bakker heeft benadrukt dat de toename van de geluidbelasting niet extreem is ten opzichte van de uitgangssituatie. De aanwezigheid van de rijksweg zorgde in de oude situatie al voor een minder positieve leefomgeving. De situatie was onder het oude planologische regime al behoorlijk nadelig. Het nieuwe planologische regime heeft een maximale geluidtoename van 5,12 dB op een gevel tot gevolg. Bakker heeft ook rekening gehouden met de geluidbelasting in de tuin van [appellant]. Bij het voorgaande komt ook nog het planologische voordeel dat [appellant] heeft - namelijk een mindere verslechtering van het uitzicht en van het reflectiegeluid - door de plaatsing van geluidschermen met een hoogte van 9 m in plaats van 15 m, zijnde de maximale hoogte onder het oude planologische regime.
Hoewel alle objecten zich in een enigszins vergelijkbare situatie bevinden, namelijk gelegen op een relatief korte afstand van de rijksweg, zijn er wel verschillen in type woning (grote vrijstaande woningen, bungalows, twee-onder-een-kapwoningen, hoekwoning, kleinere vrijstaande woningen), verschillen in ligging (woningen met de achtertuin grenzend aan een geluidscherm, woningen met de voorzijde grenzend aan een geluidscherm, woningen op enige afstand van de rijksweg met andere woningen als buffer) en verschillen in geluidbelasting op de gevel. Verder is een waardevermindering van € 5.000,00 procentueel gezien bij de ene woning anders dan bij een andere woning vanwege het verschil in marktwaarde.
Dictum
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het beroep tegen het besluit van de minister van Infrastructuur en Waterstaat van 12 maart 2018 gegrond;
II. vernietigt dat besluit;
III. verklaart het beroep tegen het besluit van de minister van Infrastructuur en Waterstaat van 24 januari 2020 ongegrond;
IV. veroordeelt de minister van Infrastructuur en Waterstaat om aan [appellant] te betalen een vergoeding van € 1.500,00;
V. veroordeelt de minister van Infrastructuur en Waterstaat tot vergoeding van bij [appellant] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 352,51, waarvan € 281,25 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;
VI. gelast dat de minister van Infrastructuur en Waterstaat aan [appellant] het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van € 170,00 voor de behandeling van het beroep vergoedt.
Aldus vastgesteld door mr. C.H.M. van Altena, voorzitter, en mr. G.T.J.M. Jurgens en mr. B.P.M. van Ravels, leden, in tegenwoordigheid van mr. R.J.R. Hazen, griffier.
w.g. Van Altena w.g. Hazen
voorzitter griffier
Uitgesproken in het openbaar op 3 juni 2020
452.