Rechtspraak
Raad van State
2018-10-17
ECLI:NL:RVS:2018:3375
Bestuursrecht
Hoger beroep
2,403 tokens
Inleiding
201707728/1/A2.
Datum uitspraak: 17 oktober 2018
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant], wonend te [woonplaats],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 12 september 2017 in zaak nr. 17/1862 in het geding tussen:
[appellant]
en
de Belastingdienst/Toeslagen.
Procesverloop
Bij besluit van 8 oktober 2016 heeft de Belastingdienst/Toeslagen het verzoek om herziening van de kinderopvangtoeslag over 2008 en 2009 afgewezen.
Bij besluit van 13 maart 2017 heeft de Belastingdienst/Toeslagen het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 12 september 2017 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.
De Belastingdienst/Toeslagen heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 6 september 2018, waar [appellant], bijgestaan door mr. N. Köse-Albayrak, advocaat te Rotterdam, en de Belastingdienst/Toeslagen, vertegenwoordigd door drs. J.G.C. van de Werken, zijn verschenen.
Overwegingen
Inleiding
1. [appellant] ontving over de jaren 2008 en 2009 voorschotten kinderopvangtoeslag. De Belastingdienst/Toeslagen heeft bij besluit van 27 mei 2014 de toeslag over 2008 definitief vastgesteld op nihil en bij besluit van 3 juli 2013 de toeslag over 2009 definitief vastgesteld op nihil.
2. Op 16 september 2016 heeft [appellant] een verzoek om herziening van de kinderopvangtoeslag over beide jaren ingediend. Dit verzoek is afgewezen. De Belastingdienst/Toeslagen heeft aan de afwijzing ten grondslag gelegd dat uit artikel 21a van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (hierna: de Awir) en artikel 5a, aanhef en onder a, van de Uitvoeringsregeling Awir volgt dat het herzieningsverzoek voor beide toeslagjaren te laat is ingediend. [appellant] heeft zonder succes bezwaar gemaakt.
3. De rechtbank heeft het door [appellant] ingestelde beroep ongegrond verklaard. De rechtbank heeft overwogen dat de termijn van artikel 5a, aanhef en onder a, van de Uitvoeringsregeling Awir van toepassing is en dat de vijfjaarstermijn is aangevangen de laatste dag van het berekeningsjaar waarop de tegemoetkoming betrekking heeft. De rechtbank heeft evenwel reden gezien om van die termijn af te wijken met betrekking tot het toeslagjaar 2008. De rechtbank heeft beoordeeld of [appellant] zijn verzoek om herziening van de toeslag over 2008 binnen een redelijke termijn na de vaststelling van de definitieve berekening heeft ingediend. Naar het oordeel van de rechtbank is dat niet het geval, aangezien zijn verzoek twee jaar en vier maanden na het vaststellingsbesluit is binnengekomen. Voor het toeslagjaar 2009 heeft de rechtbank geen reden gezien af te wijken van de vijfjaarstermijn. De rechtbank komt tot de conclusie dat de Belastingdienst/Toeslagen het verzoek om herziening van de kinderopvangtoeslag over 2008 en 2009 terecht heeft afgewezen. [appellant] kan zich met het oordeel van de rechtbank niet verenigen en heeft hoger beroep ingesteld.
Herzieningstermijn
4. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het herzieningsverzoek te laat is ingediend. Zowel artikel 21a van de Awir als artikel 5a van de Uitvoeringsregeling Awir, waarin een herzieningstermijn van vijf jaar is neergelegd, is in werking getreden op 1 januari 2011. In de aan de orde zijnde berekeningsjaren 2008 en 2009 gold een herzieningstermijn van zeven jaar, aldus [appellant], en die termijn moet voor hem van toepassing blijven. Voor zover al een termijn van vijf jaar zou gelden, is deze voor de toeslag over 2008 pas begonnen op 27 mei 2014 en voor de toeslag over 2009 op 3 juli 2013, de dagtekening van de besluiten van de Belastingdienst/Toeslagen waarbij de kinderopvangtoeslag over die jaren definitief is vastgesteld. Anders zou hem de volle termijn van vijf jaar om herziening te vragen zijn ontnomen. Ten slotte voert [appellant] aan dat strikte handhaving van de vijfjaarstermijn in een geval als dit, waarbij de dienst voor het jaar 2008 pas na vijf jaar de tegemoetkoming definitief vaststelt, zijn recht om om herziening te verzoeken illusoir maakt.
4.1. Artikel 21a van de Awir luidt:
"In bij ministeriële regeling aan te wijzen gevallen herziet de Belastingdienst/Toeslagen een toegekende of herziene tegemoetkoming die onherroepelijk is geworden in het voordeel van de belanghebbende."
Artikel 5a van de Uitvoeringsregeling Awir luidt:
"De Belastingdienst/Toeslagen herziet in het voordeel van de belanghebbende een toegekende of herziene tegemoetkoming die onherroepelijk is geworden zodra de Belastingdienst/Toeslagen is gebleken dat die tegemoetkoming op een te laag bedrag is vastgesteld, tenzij:
a. vijf jaren zijn verstreken na de laatste dag van het berekeningsjaar waarop de tegemoetkoming betrekking heeft;
[…]."
4.2. De gemachtigde van [appellant] heeft reeds in vele andere zaken aangevoerd dat voor de inwerkingtreding van artikel 21a van de Awir een herzieningstermijn van zeven jaar gold en dat voor zover al een termijn van vijf jaar zou gelden, deze pas met ingang van de dagtekening van het besluit tot definitieve vaststelling van de kinderopvangtoeslag over een bepaald toeslagjaar zou aanvangen, omdat de rechtzoekende anders de volle termijn van vijf jaar om om herziening te vragen wordt ontnomen. De Afdeling heeft het betoog steeds gemotiveerd verworpen. Zie bijvoorbeeld (maar niet uitsluitend) de uitspraken van:
- 4 oktober 2017 (ECLI:NL:RVS:2017:2665) onder 6.2 en verder;
- 8 november 2017 (ECLI:NL:RVS:2017:3027) onder 4.2 en verder;
- 27 juni 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:2140) onder 9.1 en verder.
4.3. Zoals uit voormelde uitspraken volgt, is er geen rechtsgrondslag voor het betoog dat voor de inwerkingtreding van artikel 21a van de Awir een herzieningstermijn van zeven jaar gold. Voorts volgt uit die uitspraken dat voor de toepassing van de termijn van vijf jaar niet van belang is op welk berekeningsjaar het verzoek om herziening ziet, maar slechts of na 31 december 2010 - na de inwerkingtreding van artikel 21a van de Awir en artikel 5a van de Uitvoeringsregeling Awir - op dat verzoek wordt beslist.
4.4. De Afdeling ziet thans geen aanleiding om tot een ander oordeel te komen dan in voormelde uitspraken.
4.5. Uit artikel 5a, aanhef en onder a, van de Uitvoeringsregeling Awir volgt dat de termijn van vijf jaar voor het indienen van een herzieningsverzoek begint op de eerste dag na het verstrijken van de laatste dag van het jaar waarop de tegemoetkoming betrekking heeft, in dit geval 31 december 2008 onderscheidenlijk 31 december 2009. De termijn voor toeslagjaar 2008 eindigde derhalve op 31 december 2013, die voor toeslagjaar 2009 eindigde op 31 december 2014. Daarmee staat vast dat het herzieningsverzoek van 16 september 2016 voor beide jaren buiten de termijn is ingediend.
In zoverre faalt het betoog.
4.6. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (zie voormelde uitspraak van 27 juni 2018) wordt, indien de Belastingdienst/Toeslagen kort voor of op enig moment na het verstrijken van de vijfjaarstermijn een besluit neemt over de definitieve vaststelling, de mogelijkheid om herziening te verzoeken in feite illusoir gemaakt. Een dergelijke situatie is niet uitzonderlijk. Gelet op de achtergrond van de herzieningsmogelijkheid en ter voorkoming van willekeur, heeft de Afdeling het gewenst geacht om een vaste termijn te hanteren waarbinnen na de vijf jaar nog herziening kan worden gevraagd. Uit het oogpunt van rechtszekerheid moet dit een harde termijn zijn, waarvan afwijking ten gunste van de rechtzoekende onder bijzondere omstandigheden niettemin mogelijk moet zijn. De Afdeling heeft aanleiding gezien voor de rechtspraktijk de regel te formuleren dat in een geval, waarbij de Belastingdienst/Toeslagen de tegemoetkoming niet binnen vijf jaar na de laatste dag van het berekeningsjaar waarop de tegemoetkoming betrekking heeft definitief heeft berekend en vastgesteld en dus de wettelijke termijn voor het indienen van een verzoek om herziening reeds is verstreken en waarin de wet- of regelgever niet heeft voorzien, aan de belangen van de rechtzoekende recht wordt gedaan indien hem in beginsel een termijn van één jaar wordt gegund om desgewenst alsnog om herziening te vragen. De termijn wordt berekend vanaf de datum van het besluit waarbij de tegemoetkoming definitief is berekend en vastgesteld. Deze termijn dient uit het oogpunt van rechtsgelijkheid ook te worden toegepast in die gevallen waarin de tegemoetkoming weliswaar binnen de vijfjaarstermijn, maar meer dan vier jaar na het berekeningsjaar definitief is vastgesteld.
Conclusie
8. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd met verbetering van de gronden waarop deze rust.
9. Voor proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. J. Kramer, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. B. van Dokkum, griffier.
w.g. Kramer w.g. Van Dokkum
lid van de enkelvoudige kamer griffier
Uitgesproken in het openbaar op 17 oktober 2018
480-882.