Rechtspraak Raad van State 2017-11-22
ECLI:NL:RVS:2017:3189
201609370/1/A1. Datum uitspraak: 22 november 2017 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: IVN Vereniging voor Natuur en Milieueducatie, afdeling Grave, gevestigd te Grave, [appellant A] en [appellante B], beiden wonend te Gassel, gemeente Grave, (hierna: tezamen IVN Grave en anderen), tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 2 november 2016 in zaak nr. 15/1204 in het geding tussen: IVN Grave en anderen en het college van burgemeester en wethouders van Grave. Procesverloop Bij besluit van 17 juni 2014 heeft het college aan [belanghebbende] omgevingsvergunning verleend voor het inrichten van de percelen kadastraal bekend gemeente Grave, sectie L, nummers 1667, 1668 en 463, te Grave. Bij afzonderlijke besluiten van 3 maart 2015 heeft het college de door IVN Grave en anderen daartegen gemaakte bezwaren ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 2 november 2016 heeft de rechtbank het door IVN Grave en anderen daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, de besluiten van 3 maart 2015 vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen daarvan in stand blijven. Deze uitspraak is aangehecht. Tegen deze uitspraak hebben IVN Grave en anderen hoger beroep ingesteld. Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven. De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 28 augustus 2017, waar IVN Grave, vertegenwoordigd door [gemachtigde] en mr. J. Rutteman, advocaat te Amsterdam, [appellant A], bijgestaan door mr. J. Rutteman, en het college, vertegenwoordigd door C.M.A.P. Burgman-Linssen, zijn verschenen. Voorts is daar gehoord [belanghebbende], vertegenwoordigd door [gemachtigde]. Overwegingen 1. De relevante artikelen van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: Wabo) en het bestemmingsplan "Buitengebied" zijn opgenomen in een bijlage die integraal onderdeel is van deze uitspraak. 2. [belanghebbende] is een bedrijf dat onder meer bomen kweekt en verhandelt. Vast staat dat de percelen in ieder geval sinds 2003 worden gebruikt voor boomteelt door de vorige eigenaar van de percelen. Omstreeks 2010 heeft [belanghebbende] de percelen verworven en in gebruik genomen ten behoeve van boomteelt. Bij besluit van 13 januari 2011 heeft het college een omgevingsvergunning verleend voor het verplanten van bomen en diepwoelen van de bodem op onder meer de onderhavige percelen. Dit besluit heeft de Afdeling bij uitspraak van 30 oktober 2013, ECLI:NL:RVS:2013:1728, herroepen. Daartoe is overwogen dat de rechtbank niet had onderkend dat het perceel niet alleen in een dassenleefgebied is gelegen, maar dat volgens hulpkaart 1a op het perceel ook een dassenburcht is gevestigd en dat ter zitting is vastgesteld dat op verschillende plaatsen op het perceel geregeld nieuwe dassenburchten worden gegraven die met tussenpozen worden bewoond. Vergraven, waaronder ook diepwoelen is begrepen, en het vellen/rooien van houtgewas bij een dassenburcht is ingevolge het bij artikel 6 van de voorschriften van het bestemmingsplan "Buitengebied 1998" opgenomen schema als met het bestemmingsplan strijdig gebruik aangemerkt. Ingevolge artikel 2.11, tweede lid, van de Wabo had het college, alvorens omgevingsvergunning krachtens artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder b, te verlenen, derhalve ook moeten beoordelen of met toepassing van artikel 2.12 omgevingsvergunning voor het gebruik als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, kon worden verleend. 3. Ingevolge het thans geldende bestemmingsplan "Buitengebied" rust op de percelen de bestemming "Agrarisch met waarden - Natuur- en Landschapswaarden", met de aanduidingen "cultuurhistorisch waardevol gebied", "groenblauwe mantel" en "leefgebied dassen", alsmede de bestemming "Waarde - Archeologie". Vast staat dat het gebruik van de percelen ten behoeve van de boomkwekerij in overeenstemming is met de daarop rustende agrarische bestemming. Voor de inrichting van de percelen is ingevolge artikel 25, lid 25.5.1, en artikel 33, lid 33.2.1, van de planregels een omgevings Volgens IVN Grave en anderen is aannemelijk dat de ingreep tot achteruitgang van de kwaliteit van het foerageergebied heeft geleid nu het projectgebied voorafgaand aan de ingreep bestond uit een combinatie van weidegrond en akkerbouwgebied en in het bijzonder grasland voor dassen een grote waarde als foerageergebied heeft vanwege de daar aanwezige regenwormen, terwijl een combinatie met akkerbouw gunstig is vanwege de seizoensgebonden foerageermogelijkheden. IVN Grave en anderen wijzen er voorts op dat het niet inhoudelijk bestrijden van de natuurtoets niet impliceert dat zij geen inhoudelijke bezwaren hebben tegen het rapport voor zover daaruit zou moeten blijken dat in de bestaande toestand de bestaande bedrijfsactiviteiten de kwaliteit van het foerageergebied/leefgebied slechts tijdelijk aantasten. Het college heeft ten onrechte nagelaten voor het opstellen van de aan de vergunning verbonden voorschriften advies van een deskundige in te winnen. De in de natuurtoets beoordeelde voortgaande bedrijfsvoering is niet te beschouwen als een aanvaardbare inbreuk op het foerageergebied/leefgebied van de das. Voorts heeft de rechtbank ten onrechte de uitgebreide emailwisseling tussen de gemeente en de RVO over een eventuele ontheffing buiten beschouwing gelaten. Zo deelt RVO mee dat het ontbreken van adequaat onderzoek van beschermde diersoorten voorafgaand aan een project achteraf nauwelijks te repareren is en het college in de vergunning voorschriften heeft opgenomen waartoe zij niet bevoegd was. 5.1. De vraag die voorligt is of het project in strijd is met het bestemmingsplan, omdat, zoals IVN Grave en anderen betogen, onevenredige afbreuk wordt gedaan aan het behoud, het herstel en de ontwikkeling van het in het projectgebied aanwezige leefgebied van dassen. In de natuurtoets, die is opgesteld in het kader van een verzoek om ontheffing van de voorheen geldende Flora- en faunawet, is opgemerkt dat de percelen in gebruik zijn voor het kweken van bomen, dat er bomen voor boomteelt aanwezig zijn en het ontheffingsverzoek zich richt op het rooien van deze bomen en nieuwe plant- en rooiactiviteiten met betrekking tot de boomteelt en dat is beoordeeld of het telen van bomen van invloed is op het foerageergebied van de dassen. In de natuurtoets wordt geconcludeerd dat er maatregelen zijn getroffen overeenkomstig de omgevingsvergunning en de percelen geschikt zijn als foerageergebied. Voorts is geconcludeerd dat de percelen te allen tijde blijven functioneren als foerageergebied voor dassen en er door het treffen van de maatregelen sprake is van een verbetering van de voedselsituatie ten opzichte van het gebruik als akkerbouwgrond omdat het aanbod aan regenwormen vergroot wordt. Voorts is, in verband met de zorgplicht, geadviseerd om eventuele nieuwvestigingen van dassenburchten op de percelen te monitoren en rekening te houden met de bewoonde dassenpijp direct ten noorden van de percelen. Het door IVN Grave aangevoerde biedt geen grond voor het oordeel dat de rechtbank ten onrechte heeft geconcludeerd dat het college zich, gelet op de bevindingen in de natuurtoets, op het standpunt heeft mogen stellen dat geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de waarde van het gebied als leefgebied voor dassen. De omstandigheid dat de omgevingsvergunning is verleend voor het inrichten van de percelen ten behoeve van boomteelt en de natuurtoets uitgaat van de situatie die is ontstaan na die inrichting, maakt, anders dan IVN Grave en anderen betogen, gelet op voormelde inhoud van de natuurtoets, niet dat de natuurtoets niet mocht worden betrokken bij de beoordeling van de vraag of zich door het inrichten van de percelen voor boomteelt een onevenredige inbreuk op de waarde van het gebied als leefgebied voor dassen voordoet. IVN Grave en anderen hebben voorts de conclusies in de natuurtoets ongemotiveerd betwist. Voor zover zij betogen dat de voorschriften ten aanzien van de bedrijfsvoering bij het verlenen van de omgevingsvergunning hadden moeten wo De rechtbank heeft volgens hen ten onrechte overwogen dat het college zich niet hoefde te houden aan het beleid dat is neergelegd in de door de raad vastgestelde "Boomteeltvisie" van 11 november 2014. Het projectgebied is op de cultuurhistorische waardenkaart bij de Boomteeltvisie aangeduid als "historische uiterwaard" en blijkens de Boomteeltvisie is boomteelt uitgesloten in historische uiterwaarden. IVN Grave en anderen wijzen er op dat de Boomteeltvisie ten grondslag ligt aan het ontwerpbestemmingsplan "Boomteelt". Voorts heeft de rechtbank ten onrechte geen betekenis toegekend aan de brief van de Vereniging Nederlands Cultuurlandschap (hierna: VNC) van 8 juli 2015. 7.1. Het door IVN Grave en anderen aangevoerde biedt geen grond voor het oordeel dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het college zich op het standpunt heeft mogen stellen dat geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de cultuurhistorische waarden. Het college heeft uiteengezet dat in het bestemmingsplan op de detailkaart "cultuurhistorisch waardevol gebied" een nadere verfijning opgenomen is voor de specifiek waardevolle gebieden op het gebied van "oude percelering", "oude bouwlanden", "kleinschaligheid" en "bosrandligging" en voor deze gebieden een aanlegvergunningenplicht geldt in aanvulling op de gebieden zonder een dergelijke aanduiding. Het college heeft er op gewezen dat de percelen geen van deze specifieke aanduidingen hebben. Het college heeft er voorts op gewezen dat de open te houden gebieden in het bestemmingsplan zijn aangeduid met de waarde "openheid" en dat voor deze locaties in artikel 32, lid 32.1, aanhef en sub i, van de planregels expliciet is aangegeven dat op deze locaties boomteelt is uitgesloten, maar dat de percelen deze aanduiding niet hebben. Vanwege de relatief kleine omvang van de aangevraagde werkzaamheden ten opzichte van het totale areaal aan cultuurhistorisch waardevol gebied en het feit dat de percelen niet zijn aangeduid als specifiek waardevol gebied en niet zijn voorzien van de aanduiding "openheid", is er volgens het college geen sprake van een onevenredige aantasting van de cultuurhistorische waarde door uitvoering van de vergunde werkzaamheden. Het door IVN Grave en anderen aangevoerde biedt geen grond voor het oordeel dat het college zich niet op dit standpunt heeft mogen stellen. Daargelaten dat de Boomteeltvisie, anders dan IVN Grave en anderen menen, niet op 11 november 2014 door de raad is vastgesteld, maar op deze datum door het college aan de Commissie Ruimte is voorgelegd, heeft de rechtbank terecht overwogen dat het college niet de waarde heeft hoeven hechten aan de Boomteeltvisie die IVN Grave en anderen daaraan hechten, omdat een andere uitleg er toe zou leiden dat door middel van de vaststelling van een beleidsregel, die niet vatbaar is voor bezwaar en beroep, een planologische mogelijkheid categorisch wordt uitgesloten zonder dat daar een wijziging van het bestemmingsplan aan vooraf is gegaan, hetgeen in strijd is met de rechtszekerheid. Daarbij wordt mede in aanmerking genomen dat in artikel 33, lid 33.2.1, aanhef en onder b, noch lid 33.2.3, van de planregels wordt verwezen naar beleid of nog vast te stellen beleid. De rechtbank heeft voorts terecht overwogen dat de inhoud van de brief van VNC van 8 juli 2015 onvoldoende grond biedt voor het oordeel dat het college zich niet op het standpunt heeft mogen stellen dat de betreffende waarden niet onevenredig worden aangetast. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat VNC uitgaat van de openheid van het gebied, maar in het bestemmingsplan aan de percelen niet de aanduiding "openheid" is toegekend. Dat boomteelt, zoals VNC stelt, afbreuk doet aan de cultuurhistorische beleving, brengt, wat daar verder van zij, niet met zich dat het om een onevenredige aantasting van cultuurhistorische waarden als bedoeld in artikel 33, lid 33.2.3, van de planregels gaat. Boomteelt is ondanks de cultuurhistorische waarde ingevolge het bestemmingsplan toegestaan op de De rechtbank heeft terecht overwogen dat het college met het voorschrift aan de omgevingsvergunning voldoende heeft gewaarborgd dat de archeologische waarden van het gebied niet onevenredig worden aangetast. De vraag of [belanghebbende] in strijd met de omgevingsvergunning heeft gehandeld, betreft een handhavingskwestie die in deze procedure niet aan de orde is. Het betoog faalt. 10. Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak van de rechtbank, voor zover aangevallen, dient te worden bevestigd. 11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevallen. Aldus vastgesteld door mr. D.A.C. Slump, voorzitter, en mr. J.A.W. Scholten-Hinloopen en mr. J.C. Kranenburg, leden, in tegenwoordigheid van mr. M. Kos, griffier. w.g. Slump w.g. Kos voorzitter griffier Uitgesproken in het openbaar op 22 november 2017 580. BIJLAGE Wet algemene bepalingen omgevingsrecht Artikel 2, eerste lid, aanhef en onder b, luidt: "Het is verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden, in gevallen waarin dat bij een bestemmingsplan, beheersverordening, exploitatieplan of voorbereidingsbesluit is bepaald." Bestemmingsplan "Buitengebied" Artikel 6, lid 6.1. van de planregels luidt: "De voor "Agrarisch met waarden - Natuur- en Landschapswaarden" aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. duurzaam agrarisch grondgebruik, in de vorm van agrarische bodemexploitatie met bijbehorende voorzieningen; [..] s. behoud, herstel en/of ontwikkeling van: [..] 2. Cultuurhistorische waardevolle gebieden ter plaatse van de aanduiding "cultuurhistorisch waardevol gebied"; 3. Het watersysteem en de ecologische en landschappelijke waarden en kenmerken van de onderscheiden gebieden ter plaatse van de aanduiding "groenblauwe mantel" [..] waarbij het bepaalde in lid 33.2 van toepassing is." Artikel 25, lid 25.1, luidt: "De voor Waarde - Archeologie (WR-A) aangewezen gronden zijn, behalve voor de daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor het behoud en de bescherming van waardevolle archeologische informatie in de bodem." Lid 25.5.1 luidt: "Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning op de in deze bestemming bedoelde gronden de volgende werkzaamheden of andere werken uit te voeren: a. grondwerkzaamheden zoals, het afgraven, ophogen, vergraven, egaliseren, diepploegen en diepwoelen van de gronden; [..] h. het omzetten van gras of akkerland in een teelt waarbij bodemvolume wordt afgevoerd waartoe gerekend worden boomteelt, graszodenteelt en siergewassenteelt; [..]." Lid 25.5.3 luidt: "a. Een vergunning als bedoeld in 25.5.1 mag alleen worden verleend indien door de uitvoering de aanwezige archeologische waarden niet onevenredig (kunnen) worden aangetast. [..]." Lid 25.5.4 luidt: a. De vergunning als bedoeld in artikel 25.5.1 wordt niet verleend dan nadat de aanvrager een rapport heeft overgelegd op basis van de in de beroepsgroep geldende norm waarin de archeologische waarden van het terrein, dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord, in voldoende mate is vastgelegd. b. Een onderzoek als bedoeld in artikel 25.5.4.a is niet vereist indien naar oordeel van het bevoegd gezag de archeologische waarde van het terrein in andere beschikbare informatie afdoende is vastgesteld. c. Het bevoegd gezag verleent de vergunning indien naar zijn oordeel uit het rapport als bedoeld onder a genoegzaam blijkt dat: 1. er geen archeologische waarden aanwezig zijn; 2. de betreffende archeologische waarden door de ingreep niet of niet onevenredig worden geschaad; 3. schade door bouwactiviteiten kan worden voorkomen of zoveel mogelijk kan worden beperkt door het in acht nemen van aan de omgevingsvergunning verbonden voorschriften." Artikel 32, lid 32.1, luidt: Onder strijdig gebruik wordt in ieder geval v