Rechtspraak Raad van State 2017-11-22
ECLI:NL:RVS:2017:3188
201609025/1/A1. Datum uitspraak: 22 november 2017 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: [appellant A] en [appellante B], beiden wonend te Hillegom (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant]), tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 20 oktober 2016 in zaak nr. 16/1350 in het geding tussen: [appellant] en het college van burgemeester en wethouders van Hillegom. Procesverloop Bij besluit van 24 september 2015 heeft het college [belanghebbende] een omgevingsvergunning verleend voor het ophogen en egaliseren van een weiland op het perceel tussen [locatie] te Hillegom (hierna: het perceel). Bij brief van 22 februari 2016 heeft [appellant] beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op zijn bezwaar daartegen. Bij besluit van 14 april 2016 heeft het college het door [appellant] gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 20 oktober 2016 heeft de rechtbank het door [appellant] ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht. Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld. Het college en [belanghebbende] hebben een schriftelijke uiteenzetting gegeven. De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 22 september 2017, waar [appellant A] en [appellante B], bijgestaan door [gemachtigde], en het college, vertegenwoordigd door mr. P. van der Eijk en I.C.M. Roelofs, zijn verschenen. Voorts is daar [belanghebbende] gehoord. Overwegingen Inleiding 1. De werkzaamheden waarvoor [belanghebbende] op 24 september 2015 een omgevingsvergunning voor de activiteit aanleggen als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: Wabo) is verleend, betreffen het ophogen en egaliseren van een gedeelte van een weiland van 10 bij 10 meter op het perceel. Op dit gedeelte van het weiland is 5 cm zand gestort. Het betreft het meest zuidelijk gelegen deel van het perceel, dat in eigendom is bij [belanghebbende] en dat in totaal 7000 m² beslaat. Op het weiland staan twee paarden die eigendom zijn van [belanghebbende]. Het oordeel van de rechtbank 2. De rechtbank heeft het beroep van [appellant], voor zover gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit, ongegrond verklaard. Zij heeft daartoe samengevat overwogen dat het college onder de gegeven omstandigheden de beslistermijn op het bezwaarschrift met toepassing van artikel 4:15, tweede lid, onder b, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) mocht opschorten, nu in dit geval de vertraging aan [appellant] kon worden toegerekend. Daarom was naar het oordeel van de rechtbank de ingebrekestelling die [appellant] het college heeft toegezonden prematuur en was het college ook ten tijde van het indienen van het beroep tegen het niet tijdig beslissen op het bezwaar nog niet in gebreke. Het college heeft naar het oordeel van de rechtbank derhalve geen dwangsom verbeurd als bedoeld in artikel 4:17 van de Awb. De rechtbank heeft het beroep voor het overige eveneens ongegrond verklaard. Daartoe heeft zij samengevat overwogen dat het college zich op goede gronden, met gebruikmaking van de adviezen van "Dorp, Stad & Land, adviseurs ruimtelijke kwaliteit" van 28 april 2015 en 4 maart 2016, op het standpunt heeft gesteld dat door het aanbrengen van de zandlaag de natuur-, landschaps- en cultuurhistorische waarden op het perceel niet onevenredig worden aangetast als bedoeld in artikel 4 lid 4.3 van de regels van beheersverordening "De Polders". De rechtbank heeft het college verder gevolgd in het standpunt dat het gebruik dat door [belanghebbende] van de zandlaag wordt gemaakt, niet in strijd is met de gebruiksdoeleinden van de op het perceel rustende bestemming "Agrarisch - Waardevolle graslanden A-WG" als bedoeld in artikel 4 lid 1, aanhef en onder b, onder 1, van de beheersverordening. 3. Het wettelijk kader is opgenomen in de bijlage, die deel uitmaakt van deze uitspraak. De gronden van het hoger beroep 4. [appellant] betoogt dat de rechtbank Verder is verdaging van het besluit in het op 17 januari 2012 vastgestelde en op 1 februari 2012 in werking getreden "Algemeen mandaatbesluit gemeente Hillegom" (hierna: het mandaatbesluit) gemandateerd aan ‘medewerkers en de ambtelijk secretaris van de commissie bezwaarschriften’. Anders dan [appellant] betoogt, is niet in strijd met deze mandaatregeling gehandeld. De verdagingsbeslissing is in mandaat genomen door een medewerker van de gemeente. Artikel 4 van het mandaatbesluit waarop [appellant] heeft gewezen, bepaalt dat het besluit op bezwaar zelf niet in mandaat mag worden genomen. Daarvan is hier geen sprake. Op grond van het voorgaande, is de rechtbank terecht tot de conclusie gekomen dat het college de beslistermijn op 22 januari 2016, alsmede op 4 februari 2016 rechtsgeldig heeft verdaagd. Zij heeft derhalve eveneens terecht geoordeeld dat de ingebrekestelling van 2 februari 2016 prematuur was en het college ook ten tijde van het instellen van het beroep op 22 februari 2016 nog niet in gebreke was. Eveneens terecht heeft zij geoordeeld dat bij gebreke van een geldige ingebrekestelling het college geen dwangsom als bedoeld in artikel 4:17 van de Awb heeft verbeurd. Het betoog faalt. 5. [appellant] betoogt verder dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de omvang van het geding zich beperkt tot het gedeelte van het weiland waar de 5 cm hoge zandlaag zich bevindt. Hij stelt dat op die wijze de rechtbank ten onrechte buiten beschouwing heeft gelaten dat op het perceel in strijd met de bestemming wordt paardgereden, hetgeen aan verlening van de vergunning in de weg staat. De rechtbank heeft voorts volgens [appellant] miskend dat het gaat om een longeercirkel in plaats van een zandlaag. De zandlaag kan, anders dan het college heeft gedaan, niet worden aangemerkt als een plek om droog te staan voor de paarden, omdat de paarden, als zij een droge plek zoeken, niet daar, maar hoger aan de dijk gaan staan. Het gebruik als longeercirkel is eveneens in strijd met de bestemming, zodat de vergunning ten onrechte is verleend, aldus [appellant]. De rechtbank heeft verder ten onrechte geoordeeld dat het college de adviezen van bureau "Dorp, Stad & Land" (hierna: DSL) van 28 april 2015 en 4 maart 2016 aan het besluit ten grondslag heeft mogen leggen. Volgens [appellant] is eerstgenoemd advies ondeugdelijk en kan het advies van 4 maart 2016 zelfs niet als een advies worden aangemerkt. 5.1. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat de omvang van het geding is beperkt tot het gedeelte van het weiland dat is opgehoogd met 5 cm zand. Zij heeft daarbij terecht overwogen dat voor de omvang van het geding de aanvraag, alsmede het daarop genomen besluit bepalend zijn. De aanvraag waarop is besloten, betreft het ophogen en het egaliseren van het betrokken gedeelte van het weiland van 10 bij 10 meter, waarop de laag zand is gestort. De rechtbank heeft daarom eveneens terecht overwogen dat activiteiten op de rest van het perceel, waaronder het door [appellant] gestelde paardrijden, in deze procedure niet aan de orde kunnen komen. De verwijzing van [appellant] naar een aan deze procedure voorafgegane handhavingsprocedure die het gestelde paardrijden op het perceel als onderwerp had, leidt niet tot een ander oordeel. Dit onderstreept dat het paardrijden geen onderdeel is van de onderhavige procedure. [appellant] heeft verder verwezen naar de vermelding door het college in het besluit op bezwaar: "Het geconstateerde en door de vergunninghouder gestelde gebruik van het perceel is in overeenstemming met de geldende bestemming". [appellant] betoogt dat de rechtbank daarin aanleiding had moeten zien voor het oordeel dat het college aldus zelf de activiteit paardrijden op het weiland onderdeel heeft gemaakt van deze procedure. Dat betoog faalt eveneens. Deze vermelding heeft geen betrekking op het besluit, dat uitsluitend ziet op het met zand opgehoogde deel van het weiland. Daarbij zij herhaald dat de aanvraag en het besluit voor de omvan Niet is gebleken dat de aangevallen uitspraak ter zake omissies bevat die tot het oordeel moeten leiden dat deze niet in stand kan blijven. Het betoog faalt. 7. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd. 8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: bevestigt de aangevallen uitspraak. Aldus vastgesteld door mr. D.J.C. van den Broek, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. D.L. Bolleboom, griffier. w.g. Van den Broek w.g. Bolleboom lid van de enkelvoudige kamer griffier Uitgesproken in het openbaar op 22 november 2017 641. BIJLAGE Algemene wet bestuursrecht Artikel 7:10 luidt: 1. Het bestuursorgaan beslist binnen zes weken of - indien een commissie als bedoeld in artikel 7:13 is ingesteld - binnen twaalf weken, gerekend vanaf de dag na die waarop de termijn voor het indienen van het bezwaarschrift is verstreken. 2. De termijn wordt opgeschort gerekend vanaf de dag na die waarop de indiener is verzocht een verzuim als bedoeld in artikel 6:6 te herstellen, tot de dag waarop het verzuim is hersteld of de daarvoor gestelde termijn ongebruikt is verstreken. 3. Het bestuursorgaan kan de beslissing voor ten hoogste zes weken verdagen. 4. Verder uitstel is mogelijk voor zover: a. alle belanghebbenden daarmee instemmen, b. de indiener van het bezwaarschrift daarmee instemt en andere belanghebbenden daardoor niet in hun belangen kunnen worden geschaad, of c. dit nodig is in verband met de naleving van wettelijke procedurevoorschriften. 5. Indien toepassing is gegeven aan het tweede, derde of vierde lid, doet het bestuursorgaan hiervan schriftelijk mededeling aan belanghebbenden. Artikel 7:14 luidt: Artikel 3:6, tweede lid, afdeling 3.4, de artikelen 3:41 tot en met 3:45, afdeling 3.7, met uitzondering van artikel 3:49 en titel 4.1, met uitzondering van de artikelen 4:14, eerste lid, en 4:15, eerste lid, onderdeel b, tweede lid, onderdelen b en c, derde lid en vierde lid, en paragraaf 4.1.3.2, zijn niet van toepassing op besluiten op grond van deze afdeling. Artikel 4:15 luidt: 1. De termijn voor het geven van een beschikking wordt opgeschort met ingang van de dag na die waarop het bestuursorgaan: a. de aanvrager krachtens artikel 4:5 uitnodigt de aanvraag aan te vullen, tot de dag waarop de aanvraag is aangevuld of de daarvoor gestelde termijn ongebruikt is verstreken, of b. de aanvrager mededeelt dat voor de beschikking op de aanvraag redelijkerwijs noodzakelijke informatie aan een buitenlandse instantie is gevraagd, tot de dag waarop deze informatie is ontvangen of verder uitstel niet meer redelijk is. 2. De termijn voor het geven van een beschikking wordt voorts opgeschort: a. gedurende de termijn waarvoor de aanvrager schriftelijk met uitstel heeft ingestemd, b. zolang de vertraging aan de aanvrager kan worden toegerekend, of c. zolang het bestuursorgaan door overmacht niet in staat is een beschikking te geven. 3. In geval van overmacht deelt het bestuursorgaan zo spoedig mogelijk aan de aanvrager mede dat de beslistermijn is opgeschort, alsmede binnen welke termijn de beschikking wel tegemoet kan worden gezien. 4. Indien de opschorting eindigt, doet het bestuursorgaan daarvan in de gevallen, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, of het tweede lid, onderdelen b en c, zo spoedig mogelijk mededeling aan de aanvrager, onder vermelding van de termijn binnen welke de beschikking alsnog moet worden gegeven. Artikel 6:12, luidt, voor zover thans van belang: 1. Indien het beroep is gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit dan wel het niet tijdig bekendmaken van een van rechtswege verleende beschikking, is het niet aan een termijn gebonden. 2. Het beroepschrift kan worden ingediend zodra: a. het bestuursorgaan in gebreke is tijdig een besluit te nemen of een van rechtswege verleende beschikking bekend te maken, en b. twee weken zijn verstreken na de dag waarop belanghebbende he