Rechtspraak Raad van State 2017-11-08
ECLI:NL:RVS:2017:2998
201700297/1/R2. Datum uitspraak: 8 november 2017 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak in het geding tussen: 1. [appellant sub 1], wonend te [woonplaats], 2. [appellant sub 2], wonend te Tilburg, en de raad van de gemeente Tilburg, verweerder. Procesverloop Bij besluit van 17 oktober 2016 heeft de raad het bestemmingsplan "Oude Stad Zuidwest 2016" vastgesteld. Tegen dit besluit hebben [appellant sub 1] en [appellant sub 2] beroep ingesteld. De raad heeft een verweerschrift ingediend. [appellant sub 1], [appellant sub 2] en de raad hebben nadere stukken ingediend. De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 12 oktober 2017, waar [appellant sub 1], bijgestaan door mr. J.J.J. de Rooij, advocaat te Tilburg, en [appellant sub 2], bijgestaan door mr. E.E.M.J. van Haverkom van Rijsewijk, en de raad, vertegenwoordigd door mr. K. Jacobs-Cloudt en mr. E.M.J. Geraets, zijn verschenen. Voorts is ter zitting [belanghebbende] als partij gehoord. Buiten bezwaren van partijen heeft [belanghebbende] ter zitting nog stukken in het geding gebracht. Overwegingen 1. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan moet de raad bestemmingen aanwijzen en regels geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De raad heeft daarbij beleidsruimte en moet de betrokken belangen afwegen. De Afdeling beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan in overeenstemming is met het recht. De Afdeling stelt niet zelf vast of het plan in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening, maar beoordeelt aan de hand van die gronden of de raad zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Het beroep van [appellant sub 1] 2. [appellant sub 1] is eigenaar van het gebouw aan de [locatie 1] en [locatie 2] te Tilburg. Hij betoogt dat dat gebouw ten onrechte niet als woning is bestemd. In dat verband voert hij allereerst aan dat dat gebouw legaal is opgericht en onder het voorheen geldende bestemmingsplan ook als woning was bestemd. Daartoe wijst hij erop dat aan de gronden waarop het gebouw staat in het voorheen geldende bestemmingsplan de bestemming "Wonen" was toegekend. [appellant sub 1] voert in dit verband voorts aan dat de raad zich ten onrechte op het standpunt stelt dat het gebouw geen hoofd- maar een bijgebouw als bedoeld in het voorheen geldende bestemmingsplan "Oude stad Zuidwest 2008" is. Volgens hem is het geen bijgebouw, reeds omdat het gebouw uit twee bouwlagen bestaat en een bijgebouw onder het vorige bestemmingsplan was gedefinieerd als: een vrijstaand gebouw ten dienste van en behorende bij het hoofdgebouw bestaande uit maximaal één bouwlaag, dat zowel qua bouwmassa als verschijningsvorm ondergeschikt is aan het hoofdgebouw. Omdat het gebouw vrijstaand is, is het volgens [appellant sub 1] evenmin een uitbouw of aanbouw. Daarom moest het in het voorheen geldende plan als hoofdgebouw worden beschouwd. [appellant sub 1] betoogt voorts dat het gebruik van het gebouw als woning onder de beschermende werking van het overgangsrecht van het voorheen geldende plan en het daarvoor geldende bestemmingsplan "St. Anna" viel. Daartoe voert hij aan dat het gebouw aan de [locatie 1] en [locatie 2] vanaf 1984 vrijwel ononderbroken is bewoond. Volgens hem heeft de raad met de controlerapporten van 13 juni 1991 en 12 april 1995 niet aannemelijk gemaakt dat dat niet zo is. Ter zitting heeft [appellant sub 1] in dit verband voorts betoogd dat de rechtbank Zeeland-West Brabant (hierna: de rechtbank) in haar uitspraak van 14 april 2017, ECLI:NL:RBZWB:2017:2520, op het beroep van [appellant sub 1] tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van 26 augustus 2016, waarbij diens bezwaar tegen het besluit van 18 april 2016 om handhavend op te treden tegen het gebruik van het pand [locatie 1] en [locatie 2], ongegrond werd verklaard, heeft overwogen dat de raad zijn standpunt d het gebruik van (vrijstaande) bijgebouwen, waaronder garages (ga) als zelfstandige woning en als afhankelijke woonruimte; […]." Uit voormelde planregels volgt dat het gebruik van het gebouw [locatie 1] en [locatie 2] als woning niet is toegestaan. 2.4. In het voorheen geldende plan was aan de gronden waarop het gebouw [locatie 1] en [locatie 2] staat de bestemming "Wonen" toegekend. Ter plaatse van het gebouw was voorts de aanduiding ‘bedrijf categorie 4a’ opgenomen. Artikel 14, lid 14.1.1, van de planregels van dat plan luidde: "De op de plankaart voor "Wonen" aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. wonen, met dien verstande dat er sprake is van grondgebonden woningen; b. bouwwerken van algemeen nut." Artikel 14, lid 14.1.2, luidde: "Ter plaatse van de op de kaart aangegeven aanduiding: a. […]; b. bedrijven (b) tot de milieucategorie zoals nader aangeduid in Overzicht bedrijven met afwijkende milieucategorie en tevens zoals weergegeven op de plankaart met uitzondering van bedrijven als bedoeld in artikel 41 van de Wet geluidhinder in samenhang met artikel 2.4 van de Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer van de Wet milieubeheer; […]; zijn de voor "Wonen" aangewezen gronden mede bestemd voor de daarbij aangegeven functie(s)." Artikel 14, lid 14.1.3, luidde: "De op de plankaart voor "Wonen" aangewezen gronden zijn tevens bestemd voor: a. aan- en uitbouwen en bijgebouwen; […] voor zover deze voorzieningen behoren bij en ondergeschikt zijn aan de onder 14.1.1 en 14.1.2 genoemde functies." Artikel 14, lid 14.2.1, luidde: "a. Bestaande bebouwing welke krachtens een bouwvergunning is opgericht en in overeenstemming is met de bestemming volgens dit plan, maar afwijkend van één of meer bebouwingsregels, wordt geacht aan het plan te voldoen. Hieronder wordt tevens vergunde bebouwing verstaan, die nog moet worden opgericht. […]." Artikel 14, lid 14.2.2, luidde: "Voor het bouwen van hoofdgebouwen gelden de volgende algemene regels: a. hoofdgebouwen mogen uitsluitend binnen het op de plankaart aangegeven hoofdbebouwingsvlak worden gebouwd, met dien verstande dat ter plaatse van de aanduiding "aantal wooneenheden 3" maximaal drie hoofdgebouwen mogen worden gebouwd, met dien verstande dat de voorgevel per hoofdgebouw minimaal 5,10 m mag bedragen. […]." Artikel 14, lid 14.2.3, luidde: "Voor het bouwen van aan- en bijgebouwen gelden de volgende regels; a. aan- en uitbouwen en bijgebouwen mogen uitsluitend binnen het hoofdbebouwingsvlak en in het bebouwd erf worden gebouwd met dien verstande dat wanneer deze bouwwerken binnen het hoofdbebouwingsvlak worden gebouwd, de afstand tot de (verlengde) voorgevel van het hoofdgebouw minimaal 3 m moet bedragen; b. aan- en uitbouwen en bijgebouwen mogen uit maximaal 1 bouwlaag bestaan; c. […]." Artikel 14, lid 14.5.1, luidde: "Tot een gebruik van gronden en bouwwerken strijdig met de bestemming "Wonen", wordt in ieder geval gerekend: a. het gebruik van (vrijstaande) bijgebouwen, waaronder garageboxen, als zelfstandige woning of als afhankelijke woonruimte; b. […]." In artikel 1 onder 20 werd bijgebouw gedefinieerd als: een vrijstaand gebouw ten dienste van en behorende bij het hoofdgebouw bestaande uit maximaal één bouwlaag, dat zowel qua bouwmassa als verschijningsvorm ondergeschikt is aan het hoofdgebouw. 2.5. Wat betreft het betoog van [appellant sub 1] dat het gebouw onder het vorige plan als woning was bestemd overweegt de Afdeling als volgt. De Afdeling stelt vast dat, anders dan [appellant sub 1] heeft aangevoerd, ter plaatse van de gronden van het gebouw [locatie 1] en [locatie 2] in het voorheen geldende plan geen hoofdbebouwingsvlak was opgenomen. Voor zover [appellant sub 1] heeft betoogd dat op de langs elektronische weg beschikbaar gestelde verbeelding ter plaatse een bouwvlak was ingetekend overweegt de Afdeling als volgt. Artikel 1.2.3, tweede lid van het Besluit ruimtelijke ordening (hierna: Bro) luidt als volgt: "Indien de inhoud van een elektronisch document als bedoel […] 2.1.1 De woningen, onzelfstandige woonruimten en buurtwinkels mogen uitsluitend in de hoofdbebouwingsvlakken en aansluitend op de achtererven worden gebouwd, zodanig dat geen nieuwe zelfstandige woning mag ontstaan welke geheel, of grotendeel is gelegen op het achtererf." Uit deze planregels volgt dat het bestemmingsplan "St. Anna" geen woning ter plaatse van het gebouw mogelijk maakte. 2.6.1. Artikel 28, lid 28.2 van de planregels van het voorheen geldende plan luidde: "a. Het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet; […] d. Het bepaalde onder a. is niet van toepassing op het gebruik dat reeds in strijd was met het voorheen geldende bestemmingsplan, daaronder begrepen het overgangsrecht van dat plan." 2.6.2. Artikel 17, van de planregels van het bestemmingsplan "St. Anna" luidde: " […] 2.1 Het gebruik dat op het tijdstip van het onherroepelijk worden van het plan van gronden en bouwwerken werd gemaakt, mag worden voorgezet. 2.2 Indien het gebruik gedurende een ononderbroken tijdvak van tenminste 2 jaar is gestaakt, is het verboden dit gebruik te hervatten. 2.3 Wijziging van het met het plan strijdige gebruik van de gronden en bouwwerken is verboden, tenzij door deze wijziging van het gebruik de afwijking van het plan naar aard en omvang niet wordt vergroot." 2.6.3. Uit het voorgaande volgt dat als peildatum voor het overgangsrecht de datum geldt waarop het bestemmingsplan St. Anna onherroepelijk werd. Tussen partijen is niet in geschil dat deze datum 26 juli 1990 is. Gelet op het bepaalde in artikel 17 van de planregels van dat bestemmingsplan, mocht ten tijde van deze datum bestaand gebruik worden voortgezet, maar mocht het niet meer worden hervat indien dit gedurende een ononderbroken tijdvak van tenminste 2 jaar werd gestaakt. Het gebruik dat aldus mocht worden voorgezet viel daarmee, gelet op artikel 28, lid 28.2, onder a en onder d, van het voorheen geldende plan dan ook onder de beschermende werking van het overgangsrecht van het voorheen geldende plan. Gelet hierop ligt ter beoordeling voor of aannemelijk is dat het gebouw op 26 juli 1990 als woning werd gebruikt en dat gebruik nadien ononderbroken heeft voortgeduurd. 2.6.4. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 27 juni 2007, ECLI:NL:RVS:2007:BA8121), is het aan degene die een beroep doet op het overgangsrecht van een bestemmingsplan om aannemelijk te maken dat het met het bestemmingsplan strijdige gebruik op de peildatum plaatsvond en nadien ononderbroken is voortgezet. Daarom is het in dit geval aan [appellant sub 1] om aannemelijk te maken dat het gebruik van het gebouw als woning vóór 26 juli 1990 plaatsvond en nadien is voortgezet. 2.6.5. [appellant sub 1] heeft aan zijn stelling dat het gebouw aan de [locatie 1] en [locatie 2] vanaf 1984 vrijwel ononderbroken is bewoond een aantal verklaringen ten grondslag gelegd. In de eerste overgelegde verklaring verklaart een voormalig bewoner dat hij vanaf 1984 een kamer huurde in de Meelstraat 20 en aansluitend daaraan het pand [locatie 4] huurde, dat hij in 2004 kocht. Hij verklaart voorts dat voor zover hem bekend twee nader genoemde personen het gebouw [locatie 1] in 1984 het gebouw met twee afzonderlijke huurovereenkomsten gebruikten als twee afzonderlijke zelfstandige woonruimten. Dat gebruik van de [locatie 3] als woonruimte als voormeld is in elk geval doorlopend het geval geweest van de jaren tachtig tot 2015, toen hij de woning aan de [locatie 4] verkocht, aldus die verklaring. In de tweede overgelegde verklaring verklaart een voormalig bewoner dat hij tot 1989 gedurende een periode van ongeveer 5 jaar op het adres [locatie 4] heeft gewoond, maar zich exacte data niet kan herinneren. Hij verklaart te denken dat in die periode het gebouw [locatie 3] een aantal jaren permanent is bewoond door een aantal nader genoemde personen. Hij stelt te weten dat ook na zijn verhuizi Aan de kwalificatie van het pand voor de bepaling van de WOZ-waarde, de betaling van onroerendezaakbelasting en de inschrijving van de bewoners in de gemeentelijke basisadministratie kan evenmin het gerechtvaardigde vertrouwen worden ontleend dat het gebouw in het plan als woning wordt bestemd. Het betoog faalt. 2.7. Wat betreft het betoog dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het als woning bestemmen van het gebouw [locatie 1] en [locatie 2] in strijd is met een goede ruimtelijke ordening, overweegt de Afdeling het volgende. 2.7.1. Niet in geschil is dat de raad de vaste gedragslijn heeft om bebouwing op achtererven en binnenterreinen niet te bestemmen voor zelfstandige bewoning. De raad heeft toegelicht dat hij de verdichting met een woning in het achtererf niet wenselijk acht vanwege de ongewenste anonimiteit van woningen in het achtererfgebied, bereikbaarheidsproblemen en potentiële privacyconflicten. [appellant sub 1] heeft niet aannemelijk gemaakt dat zich hier zodanige bijzondere omstandigheden voordoen dat de raad niet in redelijkheid aan zijn vaste gedragslijn heeft kunnen vasthouden. Het betoog faalt. 2.8. Wat het betoog van [appellant sub 1] dat de raad heeft gehandeld in strijd met het gelijkheidsbeginsel en de door hem in dat verband gemaakte vergelijking met de woningen achter het voormalig klooster Rooi Harten, overweegt de Afdeling dat de raad heeft toegelicht dat die situatie verschilt met de situatie ter plaatse van [locatie 1] en [locatie 2]. Daartoe heeft de raad aangevoerd dat ter plaatse woningen mogelijk zijn gemaakt op een riant perceel met bijzondere kwaliteiten, waarvoor een afzonderlijke planologische procedure is doorlopen. Bovendien zijn de daar mogelijk gemaakte woningen omringd door straten en bomen en staan die woningen niet in achterliggende erven, zoals het geval is bij het gebouw [locatie 1] en [locatie 2]. Hetgeen [appellant sub 1] heeft aangevoerd geeft geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de door [appellant sub 1] genoemde situatie niet overeenkomt met de thans aan de orde zijnde situatie. Het betoog faalt. Het beroep van [appellant sub 2] 3. [appellant sub 2] is één van de eigenaren van het voormalig klooster de Rooi Harten aan de [locatie 5] te Tilburg. In dat pand zijn onder meer een restaurant, enkele bedrijven en studentenwoningen gevestigd. Het beroep van [appellant sub 2] is gericht tegen de aanduiding ‘parkeerterrein uitgesloten’ (-p) op de gronden met de bestemming "Groen", aan de achterzijde van het klooster. Hij betoogt dat het plan ten onrechte parkeren en laden en lossen aan de achterzijde van het klooster niet toestaat. Hij wijst er in dit verband op dat kort parkeren en laden en lossen reeds sinds jaar en dag op deze locatie plaatsvinden en dat zonder de mogelijkheid van laden en lossen aan de achterzijde van het kloosterpand de bruikbaarheid van het pand ernstig wordt aangetast. Volgens [appellant sub 2] worden het restaurant en de in het klooster gevestigde bedrijven hierdoor onaanvaardbaar in hun bedrijfsvoering belemmerd. Ter zitting heeft [appellant sub 2] aangevoerd dat de parkeerterreinen aan de voorzijde en de westzijde van het klooster onvoldoende parkeerplaatsen bieden. Tevens heeft hij daar aangevoerd te vrezen dat door de gemeente betaald parkeren zal worden ingevoerd op de Bredaseweg waaraan het klooster ligt, waardoor de parkeerdruk op die parkeerterreinen zal toenemen. Ter zitting heeft [appellant sub 2] zich voorts op het standpunt gesteld dat, ook indien ervan uitgegaan moet worden dat op het parkeerterrein aan de voor- en westzijde van het klooster voldoende parkeerruimte beschikbaar is, parkeren op het achterterrein wenselijk is. 3.1. Artikel 10, lid 10.1.1 van de planregels luidt: "De voor ´Groen´ aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. groenvoorzieningen; b. speelvoorzieningen; c. openlucht- en sportieve recreatie; d. recreatief medegebr