Rechtspraak
2017-11-01
ECLI:NL:RVS:2017:2933
1,999 tokens
=== VOLLEDIG ===
ECLI:NL:RVS:2017:2933 text/xml public 2023-06-04T22:53:17 2017-11-01 Raad voor de Rechtspraak nl Raad van State 2017-11-01 201605062/1/A3 Uitspraak Hoger beroep NL Den Haag Bestuursrecht Rechtspraak.nl JOM 2018/995 http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RVS:2017:2933 text/html public 2017-11-01T09:59:57 2017-11-01 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RVS:2017:2933 Raad van State , 01-11-2017 / 201605062/1/A3 Bij besluit van 11 maart 2016 heeft de burgemeester [appellanten] onder aanzegging van bestuursdwang gelast de woning op het adres [locatie] voor de duur van zes maanden te sluiten. 201605062/1/A3. Datum uitspraak: 1 november 2017 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: [appellant A] en [appellant B], wonend te [woonplaats], tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Limburg (hierna: de rechtbank) van 29 juni 2016 in zaken nrs. 16/1540 en 16/1869 in het geding tussen: [appellanten] en de burgemeester van Maastricht. Procesverloop Bij besluit van 11 maart 2016 heeft de burgemeester [appellanten] onder aanzegging van bestuursdwang gelast de woning op het adres [locatie] voor de duur van zes maanden te sluiten. Bij onderscheiden besluiten van 9 juni 2016 heeft de burgemeester de door [appellanten] daartegen gemaakte bezwaren ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 29 juni 2016 heeft de rechtbank het door [appellanten] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht. Tegen deze uitspraak hebben [appellanten] hoger beroep ingesteld. De burgemeester heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven. [appellanten] hebben nadere stukken ingediend. De rechtbank heeft de zaak ter zitting behandeld op 17 juli 2017, waar [appellanten], bijgestaan door mr. S. Ikiz, advocaat te Vaals, en de burgemeester, vertegenwoordigd door mr. C.M.J.J. Erdkamp, zijn verschenen. Overwegingen Inleiding 1. Op 17 februari 2016 heeft de politie de toen door [appellanten] bewoonde woning doorzocht. De politie heeft daarbij 216,1 g aan middelen aangetroffen ten aanzien waarvan een indicatieve test erop wees dat het om amfetamine ging. Amfetamine is vermeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I en staat dus bekend als een harddrug. Van de middelen bevond 13,6 g zich in vier zogenoemde "seals" op een tafel in de woonkamer en 202,5 g in een blik in de ijskast in de keuken. Naar aanleiding van het aantreffen van deze middelen heeft de burgemeester bij het besluit van 11 maart 2016 op grond van artikel 13b van de Opiumwet sluiting van de woning gelast. De politie heeft een monster van het in de seals gevonden middel en een monster van het in het blik gevonden middel door het Nederlands Forensisch Instituut laten onderzoeken. Uit dit onderzoek is gebleken dat het eerste monster inderdaad amfetamine bevatte, maar het tweede monster niet. Gezien de hoeveelheid van het aangetroffen middel waarvan is bevestigd dat het om amfetamine ging, heeft de burgemeester bij de besluiten van 9 juni 2016 de last tot sluiting gehandhaafd. De rechtbank heeft deze besluiten rechtmatig geacht. Bevoegdheid tot handhavend optreden 2. [appellanten] betogen allereerst dat de rechtbank de burgemeester ten onrechte bevoegd heeft geacht om op grond van artikel 13b van de Opiumwet handhavend op te treden. Zij voeren daartoe aan dat de aangetroffen amfetamine bestemd was voor eigen gebruik en niet voor verkoop, aflevering of verstrekking. In verband met verslaving en medische problemen gebruikten zij regelmatig amfetamine. Er zijn geen indicatoren die wijzen op drugshandel in of vanuit de woning, aldus [appellanten]. 2.1. Ingevolge artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet is de burgemeester bevoegd tot oplegging van een last onder bestuursdwang indien in woningen of lokalen dan wel in of op bij woningen of zodanige lokalen behorende erven een middel als bedoeld in lijst I of II wordt verkocht, afgeleverd of verstrekt dan wel daartoe aanwezig is. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 11 december 2013, ECLI:NL:RVS:2013:2362), mag worden aangenomen dat een meer dan geringe hoeveelheid drugs niet, althans niet uitsluitend, voor eigen gebruik van een persoon bestemd is, maar deels of geheel voor verkoop, aflevering of verstrekking aan derden. Daarbij kan in redelijkheid worden aangesloten bij de door het openbaar ministerie toegepaste criteria, volgens welke een hoeveelheid harddrugs van maximaal 0,5 g en een hoeveelheid softdrugs van maximaal 5 g als hoeveelheden voor eigen gebruik worden aangemerkt. Bij de aanwezigheid van een grotere hoeveelheid drugs is in beginsel aannemelijk dat deze bestemd zijn voor verkoop, aflevering of verstrekking. Het ligt in dat geval op de weg van de betrokkene om het tegendeel aannemelijk te maken. 2.2. Zoals hiervoor onder 1 is vermeld, is in de woning 13,6 g aan harddrugs aangetroffen. Reeds omdat deze hoeveelheid groter is dan wat als maximale hoeveelheid voor eigen gebruik wordt aangemerkt, is in beginsel aannemelijk dat de harddrugs bestemd waren voor verkoop, aflevering of verstrekking. Dat geen andere indicatoren voor drugshandel zijn waargenomen, is dan ook onvoldoende om het tegendeel aannemelijk te achten. [appellanten] hebben ook overigens het tegendeel niet aannemelijk gemaakt. Dat zij zelf regelmatig amfetamine gebruikten, zoals beschreven in de door hen overgelegde stukken van een klinisch psycholoog en de reclassering, maakt, gezien de forse overschrijding van wat als maximale hoeveelheid voor eigen gebruik wordt aangemerkt, het niet onwaarschijnlijk dat de aangetroffen harddrugs in ieder geval deels bestemd waren voor verkoop, aflevering of verstrekking. Derhalve heeft de rechtbank de burgemeester terecht bevoegd geacht om op grond van artikel 13b van de Opiumwet handhavend op te treden. Het betoog faalt. Evenredigheid last tot sluiting 3. [appellanten] betogen tevens dat de rechtbank heeft miskend dat de last tot sluiting onevenredig is. De last is volgens hen daarom in strijd met artikel 4:84 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) en artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM). Zij voeren daartoe aan dat de verhuurder van de woning, een woningcorporatie, naar aanleiding van de last tot sluiting de huurovereenkomst heeft ontbonden. Aangezien woningcorporaties onderling informatie uitwisselen en van potentiële huurders een positieve verhuurdersverklaring verlangen, kunnen zij geen andere sociale huurwoning huren. Wegens hun slechte financiële toestand is het huren van een particuliere huurwoning niet mogelijk. In verband met woonbegeleiding is een goede thuissituatie voor hen belangrijk, aldus [appellanten]. 3.1. Volgens het door de burgemeester vastgestelde Damoclesbeleid Lokalen en Woningen wordt een woning voor de duur van zes maanden gesloten indien sprake is van het verkopen, afleveren of verstrekken dan wel daartoe aanwezig zijn van harddrugs. In de uitspraak van 24 mei 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1362, heeft de Afdeling deze beleidsregel niet onredelijk geacht. Daarbij heeft zij overwogen dat de aanwezigheid van een handelshoeveelheid harddrugs kan worden aangemerkt als een ernstig geval dat bij een eerste overtreding sluiting van een woning op grond van artikel 13b van de Opiumwet rechtvaardigt. 3.2. De last tot sluiting is in overeenstemming met het hiervoor beschreven beleid van de burgemeester. Ingevolge artikel 4:84 van de Awb handelt een bestuursorgaan overeenkomstig zijn beleidsregels, tenzij dat voor een of meer belanghebbenden gevolgen zou hebben die wegens bijzondere omstandigheden onevenredig zijn in verhouding tot de met de beleidsregels te dienen doelen. Hetgeen [appellanten] aanvoeren, is onvoldoende om de last tot sluiting onevenredig te achten. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat het hier gaat om de aanwezigheid van harddrugs in een woning waarvan de hoeveelheid veel groter was dan wat als maximale hoeveelheid voor eigen gebruik wordt aangemerkt.