Rechtspraak
Raad van State
2017-01-11
ECLI:NL:RVS:2017:25
Bestuursrecht
Hoger beroep
2,488 tokens
Inleiding
201602936/1/A3.
Datum uitspraak: 11 januari 2017
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant], wonend te Tilburg,
tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 3 maart 2016 in zaak nr. 15/5461 in het geding tussen:
[appellant]
en
het college van burgemeester en wethouders van Tilburg.
Procesverloop
Bij besluit van 4 maart 2015 heeft het college besloten een bestuurlijke boete van € 4.000,- op te leggen vanwege overtreding van artikel 30, eerste lid, van de Huisvestingswet in samenhang met artikel 4.1 en 4.2 van de Huisvestingsverordening van de gemeente Tilburg en tot invordering van deze boete over te gaan.
Bij besluit van 1 juli 2015 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 3 maart 2016 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting ingediend.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 8 december 2016, waar [appellant], vertegenwoordigd door mr. A.B.M. Pessers, advocaat te Tilburg, en het college, vertegenwoordigd door L.P.A. Janssen en mr. A.M.J. van den Biggelaar, zijn verschenen.
Overwegingen
Inleiding
1. appellant] heeft een bestuurlijke boete gekregen omdat hij een woonruimte gedeeltelijk aan de bestemming wonen heeft onttrokken door een slaapkamer in zijn woning in gebruik te hebben voor een hennepplantage. Hij betoogt dat het bewijs voor deze overtreding onrechtmatig is verkregen omdat zonder toestemming en machtiging is binnengetreden. Ook stelt hij dat de woonruimte nog steeds voor gebruik van de bestaande bewoners geschikt is en in de slaapkamer een bed kan staan en er dus geen woonruimte is onttrokken.
Verkregen bewijs
2. [ appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat hij de politie vrijwillig heeft toegelaten in zijn woning. Daartoe overweegt hij dat de politie hem heeft medegedeeld dat het noodzakelijk was dat de ruimtes van zijn woning werden bekeken. Dit blijkt uit het proces verbaal, aldus [appellant]. Vanwege de mededeling dat het noodzakelijk is, kan geen sprake meer zijn van vrijwillig binnentreden, aldus [appellant].
[appellant] betoogt dat een machtiging voor binnentreden ontbrak. Het verkregen bewijs na binnentreden is volgens hem dan ook onrechtmatig verkregen en kan niet dienen als bewijs voor het overtreden van artikel 30, eerste lid, van de Huisvestingswet.
2.1. In het proces-verbaal van bevindingen van 29 december 2014 staat "Ik vertelde de man dat wij vermoeden hadden dat er een hennepkwekerij in het pand aanwezig was en of wij binnen mochten komen. Ik hoorde dat de man zei: ‘kom maar binnen, hij zit boven’ of woorden van gelijke strekking. Ik liep achter de man aan de woning in. Ik zag dat de man naar boven liep en mij een ruimte liet zien waarin ik een in werking zijnde hennepkwekerij aantrof."
[appellant] heeft daarnaast de "toestemming vrijwillig binnentreden ter inbeslagname" ondertekend. Daarin staat onder andere:
"ik, hoofdbewoner, begrijp met het geven van deze vrijwillige toestemming dat:
- een of meerder opsporingsambtenaren mijn woning mogen betreden en daarbij alle ruimtes/kamers mogen bekijken,
- er geen doorzoeking van mijn woning plaats zal vinden. Het bekijken van de ruimtes is louter gericht op het aantreffen van alle goederen die te relateren zijn aan het telen, bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken, of vervoeren van middelen strafbaar gesteld op lijst II van de Opiumwet.
- ik mijn vrijwillige toestemming elk gewenst moment kan intrekken.
[…]
Ik, hoofdbewoner, heb de toestemming tot het binnentreden en bekijken van de ruimtes in mijn woning bewust en vrijwillig gegeven."
De naam en gegevens van [appellant] zijn op het formulier ingevuld en hij heeft dit ondertekend.
2.2. Gelet op het proces verbaal en de ondertekende toestemming heeft de rechtbank terecht overwogen dat [appellant] vrijwillig toestemming heeft gegeven voor het binnentreden en het verkregen bewijs niet onrechtmatig is verkregen.
Mogelijkheid bewoning
3. [ appellant] betoogt voorts dat de rechtbank ten onrechte overweegt dat het voor de vraag of woonruimte is onttrokken niet uitmaakt hoeveel mensen feitelijk in de woning wonen, maar dat het er om gaat in hoeverre de mogelijkheid om met het maximaal aantal personen in de woning te wonen, wordt beperkt. Hij betoogt daarnaast dat er in de kamer gewoon nog een bed kon staan en daarom geen onttrekking heeft plaatsgevonden.
3.1. De Huisvestingswet is op 1 januari 2015 vervangen door de Huisvestingswet 2014, doch is op dit geding nog van toepassing. De Huisvestingsverordening is op 1 juli 2015 vervangen door de Huisvestingsverordening 2015 en in werking getreden, de oude Huisvestingsverordening is in dit geding nog van toepassing.
3.2. Artikel 30, eerste lid, aanhef en onder a, van de Huisvestingswet luidt:
"Het is verboden een woonruimte die behoort tot een door de gemeenteraad in de huisvestingsverordening daartoe met het oog op het behoud of de samenstelling van de woonruimtevoorraad aangewezen categorie en die gelegen is in een in de huisvestingsverordening aangewezen wijk, zonder vergunning van burgemeester en wethouders:
a. aan de bestemming tot bewoning te onttrekken, of voor een zodanig gedeelte aan die bestemming te onttrekken, dat die woonruimte daardoor niet langer geschikt is voor bewoning door een huishouden van dezelfde omvang als waarvoor deze zonder zodanige onttrekking geschikt is."
Artikel 85a, eerste lid, luidt:
"De gemeenteraad kan bij verordening bepalen dat een bestuurlijke boete kan worden opgelegd ter zake van de overtreding van de artikelen[…] en 30, eerste lid. Burgemeester en wethouders zijn bevoegd tot het opleggen van een bestuurlijke boete."
Artikel 4.1 van de Huisvestingsverordening luidt:
"Het bepaalde in dit hoofdstuk is van toepassing op alle woningen binnen de Gemeente Tilburg."
Artikel 4.2, eerste lid, luidt:
"Het is verboden om een woonruimte, aangewezen in artikel 4.1, geheel of gedeeltelijk aan de bestemming tot bewoning te onttrekken zonder vergunning van het college. Onder het onttrekken aan de bestemming wordt verstaan het gebruiken voor een ander doel dan permanente bewoning."
3.3. In het proces verbaal van bevindingen van 29 december 2014 staat dat één slaapkamer van de woning gebruikt werd voor een hennepkwekerij. In deze ruimte stonden 40 planten van 40 cm hoog, 12 transformatoren van 400 Watt, 12 assimilatielampen van 400 Watt, een schakelpaneel, 2 ventilatoren, een luchtbevochtiger, watervat met dompelpomp, een irrigatiesysteem, een kachel, koolstoffilters, voedingsmiddelen, droognetten, en andere goederen ten behoeve van de kwekerij. Op de aanwezige thermometer en luchtvochtigheidsmeter stond dat de temperatuur 30,8 graden was en de luchtvochtigheid 92%.
Gelet op de wijze van gebruik en inrichting van de slaapkamer heeft de rechtbank terecht overwogen dat de slaapkamer aan de bestemming tot bewoning was onttrokken en dat aldus artikel 30, eerste lid, aanhef en onder a, van de Huisvestingswet en artikel 4.2 van de Huisvestingsverordening waren overtreden.
Dat [appellant] feitelijk altijd met 3 personen in de woning heeft gewoond, ook met de aanwezigheid van de hennepplantage, betekent niet dat geen sprake is van een overtreding. Artikel 30, eerste lid, aanhef en onder a, van de Huisvestingswet gaat immers uit van de bewoning door een huishouden van dezelfde omvang als waarvoor deze zonder de onttrekking geschikt is en dus niet van het feitelijk gebruik.
De rechtbank heeft met juistheid overwogen dat het aantal personen dat feitelijk in de woning woont niet maatgevend is voor de vraag of artikel 30, eerste lid, aanhef en onder a, van de Huisvestingswet is overtreden. Doordat de slaapkamer niet langer geschikt is voor bewoning, is de woning voor bewoning door minder bewoners geschikt dan zonder de onttrekking het geval is.
4. [ appellant] heeft ter zitting betoogd dat als al sprake is van woningonttrekking deze van zodanige omvang is dat het college daar bij de hoogte van de boete rekening mee had moeten houden.
4.1. Artikel 85a van de Huisvestingswet, zoals die luidde ten tijde van belang, bepaalt:
"1. De gemeenteraad kan bij verordening bepalen dat een bestuurlijke boete kan worden opgelegd ter zake van de overtreding van artikelen […] en 30, eerste lid. Burgemeester en wethouders zijn bevoegd tot het opleggen van een bestuurlijke boete.
2 De bestuurlijke boete kan niet hoger zijn dan:
[…]
c. € 18 500 voor overtreding van de artikelen […] en 30, eerste lid."
3. De gemeenteraad stelt bij verordening het bedrag vast van de bestuurlijke boete die voor de verschillende overtredingen kan worden opgelegd.
[…]
Artikel 5.2 van de Huisvestingsverordening bepaalt:
"Overtreding van artikel 30, lid 1, sub a. en c.
Dictum
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. C.J. Borman, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. D. Rietberg, griffier.
w.g. Borman w.g. Rietberg
lid van de enkelvoudige kamer griffier
Uitgesproken in het openbaar op 11 januari 2017
725.