Rechtspraak
Raad van State
2017-01-18
ECLI:NL:RVS:2017:113
Bestuursrecht; Omgevingsrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,406 tokens
Inleiding
201600664/1/A1.
Datum uitspraak: 18 januari 2017
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak in het geding tussen:
[appellant], wonend te Haren,
en
het college van burgemeester en wethouders van Haren,
verweerder.
Procesverloop
Bij besluit van 8 december 2015 heeft het college aan Domia Projecten B.V. (hierna: vergunninghoudster) omgevingsvergunning verleend voor het oprichten van een appartementengebouw met detailhandel op de begane grond op het perceel Kerkstraat 21-23 te Haren (hierna: het perceel).
Tegen dit besluit heeft [appellant] beroep ingesteld.
Het college heeft daartoe in de gelegenheid gesteld een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 18 november 2016, waar [appellant], vertegenwoordigd door mr. A. Kwint-Ocelíková, advocaat te Groningen, en het college, vertegenwoordigd door ing. C. Kuperus, zijn verschenen. Voorts is ter zitting vergunninghoudster, vertegenwoordigd door J.J. Niemeijer, bijgestaan door mr. W.R. van der Velde, advocaat te Groningen, als belanghebbende gehoord.
Overwegingen
Inleiding
1. Het bouwplan voorziet in het realiseren van een appartementengebouw met zeven appartementen, een winkelruimte op de begane grond en een verdiepte parkeerkelder met een uitgang aan de Oude Hoflaan. [appellant] woont op het perceel [locatie] dat grenst aan het perceel.
2. Het college heeft bij besluit van 11 december 2012 omgevingsvergunning verleend voor het bouwplan. Dit besluit is door de Afdeling vernietigd bij uitspraak van 17 december 2014 in zaak nr. ECLI:NL:RVS:2014:4584. Uit deze uitspraak volgt dat het college een nieuw besluit diende te nemen op de aanvraag waarbij het diende te beoordelen of de in de overwegingen 4.1 en 5 van die uitspraak genoemde belangen er aan in de weg staan om van het bepaalde in artikel 3, tweede lid, onder a, sub 3, van de planvoorschriften van het bestemmingsplan "Komplan Haren" af te wijken met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 3°, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: de Wabo). Uit overweging 4.1 van die uitspraak volgt dat door het college niet is onderkend dat het bouwplan in strijd is met artikel 3, tweede lid, onder a, sub 3, van de planvoorschriften, te weten dat de woningen op de verdiepingen georiënteerd moeten zijn op de verplichte bouwgrens aan de Kerkstraat. In overweging 5 is overwogen dat het college hetgeen [appellant] over de voor hem nadelige gevolgen van het bouwplan heeft gesteld, dient te beoordelen in het kader van de vraag of het ten behoeve van het bouwplan van artikel 3, tweede lid, onder a, sub 3, van de planvoorschriften wenst af te wijken.
De Afdeling heeft met het oog op een efficiënte en spoedige beëindiging van het geschil aanleiding gezien met toepassing van artikel 8:113, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) te bepalen dat tegen het nieuw te nemen besluit slechts bij haar beroep kan worden ingesteld.
Bij besluit van 8 december 2015 heeft het college een nieuw besluit genomen op de aanvraag van vergunninghoudster en met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 3°, van de Wabo omgevingsvergunning verleend voor het bouwplan, waarbij het onder meer is afgeweken van het bepaalde in artikel 3, tweede lid, onder a, sub 3, van de planvoorschriften. Van het besluit maakt een ruimtelijke onderbouwing van 13 oktober 2015 onderdeel uit.
Beginsel van fair play
3. [appellant] betoogt dat het college in strijd met het beginsel van fair play heeft gehandeld, omdat het weigert mee te werken aan aanpassingen aan het bouwplan die tegemoetkomen aan zijn bezwaren. Volgens hem is het bouwplan in overleg met vergunninghoudster aangepast en maken die bouwtekeningen ten onrechte geen onderdeel uit van de aanvraag van 23 december 2010.
3.1. De bouwtekeningen die door [appellant] worden bedoeld zijn informele bouwtekeningen van 23 maart 2011. Die bouwtekeningen maakten, zoals ter zitting door het college is toegelicht, deel uit van een poging van vergunninghoudster om in der minne bezwaren bij enkele omwonenden weg te nemen. Dat bemiddelingstraject heeft niet tot een voor beide partijen bevredigend resultaat geleid. Vergunninghoudster heeft vervolgens besloten die tekeningen niet bij de bij het college in behandeling zijnde aanvraag om omgevingsvergunning in te dienen. Het college heeft te beslissen op de aanvraag zoals deze is ingediend. Van deze aanvraag maken bouwtekeningen van 23 december 2010 deel uit. De bouwtekeningen van 23 maart 2011 maken geen onderdeel uit van de aanvraag, zodat het college die tekeningen ook niet bij de aanvraag mocht betrekken. Om die reden wordt ook geen grond gevonden voor het oordeel dat het college in strijd met het fair playbeginsel zou hebben gehandeld.
Welstand
4. Ten aanzien van de gronden van [appellant], die zien op de toets van het bouwplan aan geldende redelijke eisen van welstand, wordt het volgende overwogen. De welstandscommissie Welstandszorg Libau heeft het bouwplan uitvoerig bekeken en positief geadviseerd, omdat het bouwplan in overeenstemming is met redelijke eisen van welstand. Vervolgens heeft de Afdeling in haar uitspraak van 17 december 2014 overwogen dat het college zich mocht baseren op de adviezen van de welstandscommissie. Het bouwplan is na deze uitspraak niet gewijzigd. Gelet hierop is er in deze fase van de procedure, na toepassing van artikel 8:113, tweede lid, van de Awb, geen plaats voor een inhoudelijk oordeel op andere gronden die zien op de welstandsadvisering.
Het betoog faalt.
Belangenafweging
5. [appellant] betoogt voorts dat het college niet in redelijkheid omgevingsvergunning voor het bouwplan heeft kunnen verlenen. Daartoe voert hij aan dat het college niet heeft onderkend dat zijn belangen die zien op zonlichttoetreding en privacy, met het bouwplan onevenredig worden geschaad. Voorts heeft het college het algemeen belang en het belang van vergunninghoudster ten onrechte zwaarder later wegen dan zijn belangen, aldus [appellant].
Ten aanzien van het aspect zonlichttoetreding voert hij aan dat in de bij het besluit van 8 december 2015 behorende ruimtelijke onderbouwing van 13 oktober 2015 ten onrechte de maximale planologische invulling van het perceel van belang wordt geacht. Volgens hem dient bij een maximale planologische invulling sprake te zijn van een gebouw met een kap en niet met een plat dak. Voorts stelt hij zich, onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 27 mei 2015, ECLI:NL:RVS:2015:1672, op het standpunt dat realisering van de maximale mogelijkheden van het planologisch regime op het perceel met een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid kan worden uitgesloten, zodat een vergelijking tussen het huidige en de wijziging van het planologisch regime niet aan de orde is. Het college heeft niet naar een bij de reactie op zijn zienswijze gevoegde bezonningsstudie mogen verwijzen, omdat in die studie is uitgegaan van de maximale bouwmogelijkheden die het bestemmingsplan biedt en niet van de feitelijke situatie, aldus [appellant].
Ten aanzien van het aspect privacy voert [appellant] aan dat de oriëntatie van de woningen op de achterzijde maakt dat er inkijk ontstaat in zijn tuin, de slaapkamers en de badkamer. Het college heeft zich niet op een studie naar de privacy mogen baseren, nu daarin geen rekening is gehouden met het uitzicht op de tuin en zijn woning vanaf de inpandige balkons behorende bij de appartementen aan de zijde van de Oude Hoflaan, aldus [appellant].
5.1. Vast staat dat de realisering van het bouwplan nadelige gevolgen heeft voor [appellant]. Het college heeft zich evenwel op het standpunt gesteld dat die gevolgen, mede gelet op de mogelijkheden die het bestemmingsplan biedt, niet zodanig zijn dat het daarom van het verlenen van omgevingsvergunning zou moeten afzien. Er bestaat geen grond voor het oordeel dat het college niet in redelijkheid dit standpunt heeft kunnen innemen. Hierbij wordt het volgende in aanmerking genomen.
Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 12 oktober 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2713), mag het college bij de afweging van de bij de besluitvorming betrokken belangen meewegen dat negatieve gevolgen van een bouwplan ook kunnen worden veroorzaakt door de fictieve realisering van een bouwplan dat in overeenstemming is met het bestemmingsplan. Anders dan [appellant] betoogt wordt geen grond gevonden voor het oordeel dat het college in het geheel niet van een maximale planologische invulling heeft mogen uitgaan. Nog daargelaten of de uitspraak van 27 mei 2015 in dit geval van toepassing is, omdat het hier geen verzoek om een planschadevergoeding betreft, valt niet uit te sluiten dat er realistische bouwwerken denkbaar zijn, waarbij de bouwmogelijkheden van het bestemmingsplan maximaal worden ingevuld. Het college heeft een planologische vergelijking gemaakt, waaruit volgt dat op het perceel een gebouw mag worden gerealiseerd met aan de zijde van Kerkstraat een hoogte van 16,5 m en aan de zijde van de Oude Hoflaan een hoogte van 13 m.
Dictum
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
verklaart het beroep ongegrond.
Aldus vastgesteld door mr. F.C.M.A. Michiels, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R. van Heusden, griffier.
w.g. Michiels w.g. Van Heusden
lid van de enkelvoudige kamer griffier
Uitgesproken in het openbaar op 18 januari 2017
163-776.