Rechtspraak
Raad van State
2016-02-24
ECLI:NL:RVS:2016:476
Bestuursrecht
Hoger beroep
2,427 tokens
Inleiding
201503486/1/A2.
Datum uitspraak: 24 februari 2016
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant], wonend te [woonplaats],
tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 17 maart 2015 in zaak nr. 14/8361 in het geding tussen:
[appellant]
en
het heffingsambtenaar van de gemeente Apeldoorn (hierna: de heffingsambtenaar).
Procesverloop
Bij besluit van 17 juli 2014 heeft de heffingsambtenaar het verzoek om vergoeding van schade afgewezen.
Bij besluit van 21 oktober 2014 heeft de heffingsambtenaar het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 17 maart 2015 (nr.14/8361) heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.
De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend.
[appellant] heeft nadere stukken ingediend.
Desgevraagd hebben partijen toestemming verleend, als bedoeld in artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb), om in het geding uitspraak te doen zonder zitting. Vervolgens heeft de Afdeling bepaald dat het onderzoek ter zitting achterwege blijft.
Overwegingen
1. Op 1 juli 2013 is de Wet nadeelcompensatie en schadevergoeding bij onrechtmatige besluiten (hierna: de Wns), voor zover betrekking hebbend op schadevergoeding, in werking getreden. Uit het in artikel IV, eerste lid, van de Wns neergelegde overgangsrecht volgt dat het recht zoals dat gold vóór inwerkingtreding van deze wet op dit geding van toepassing blijft.
2. [appellant] heeft verzocht om vergoeding van schade die hij stelt te hebben geleden als gevolg van het niet-tijdig nemen van een beslissing op zijn bezwaarschrift uit 2007. [appellant] heeft bezwaar gemaakt tegen de afwijzing van zijn verzoek om informatie inzake de aanslagen onroerende- zaakbelasting (ozb) die voor het jaar 2005 zijn opgelegd voor paleis Het Loo en aangrenzende onroerende zaken. Volgens [appellant] heeft hij daardoor schade geleden omdat hij, gelet op het bepaalde in artikel 67 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: de Awr), na 1 januari 2008 geen beroep meer bij de bestuursrechter kon instellen op grond van de Wet openbaarheid bestuur (Wob) tegen de bij de beslissing op bezwaar van 29 december 2008 gehandhaafde weigering om de gevraagde informatie te verstrekken. Hij wijst ter onderbouwing van dit standpunt op de uitspraak van de Afdeling van 31 juli 2013 in zaak nr. 201204330/1/A3.
3. Aan de afwijzing van het verzoek om vergoeding van schade is in het besluit van 17 juli 2014 ten grondslag gelegd dat [appellant] niet heeft aangetoond dat hij schade heeft geleden. De enkele stelling dat immateriële schade in de vorm van frustratie is geleden door het verlies van toegang tot de bestuursrechter, acht de heffingsambtenaar daartoe niet voldoende. Daarbij komt dat aan [appellant] bij de uitspraak van de Afdeling van 31 juli 2013 een vergoeding voor spanning en frustratie is toegekend wegens het overschrijden van de redelijke termijn. Voorts is van belang dat het verlies van toegang tot de bestuursrechter primair het gevolg is van de omstandigheid dat artikel 67 van de Awr sinds 1 januari 2008 een bijzondere openbaarmakingsregeling bevat met een uitputtend karakter, die prevaleert boven de openbaarmakingsregeling opgenomen in de Wob. Tegen een op artikel 67 van de Awr genomen besluit staat geen beroep open bij de bestuursrechter en kan alleen een vordering bij de burgerlijke rechter worden ingesteld. In de beslissing op bezwaar van 21 oktober 2014 heeft de heffingsambtenaar onder verwijzing naar jurisprudentie van de Hoge Raad mede aan de afwijzing ten grondslag gelegd dat het niet-tijdig nemen van een beslissing in dit geval niet onrechtmatig is.
4. De rechtbank heeft overwogen dat de heffingsambtenaar het verzoek om vergoeding van schade onder verwijzing naar vaste rechtspraak van de Hoge Raad terecht heeft afgewezen. Uit, onder meer, het arrest van de Hoge Raad van 22 oktober 2010 (ECLI:NL:HR:2010:BM7040) volgt dat de enkele omstandigheid dat een bestuursorgaan een besluit neemt met overschrijding van de wettelijke beslistermijn, onvoldoende is voor het oordeel dat aldus onrechtmatig wordt gehandeld in de zin van artikel 6:162 van het Burgerlijk Wetboek (BW). Daarvoor zijn bijkomende omstandigheden nodig die meebrengen dat het bestuursorgaan, door pas na het verstrijken van de beslistermijn een besluit te nemen, in strijd handelt met de in het maatschappelijk verkeer jegens een belanghebbende in acht te nemen zorgvuldigheid. Daarbij kunnen onder meer van belang zijn de mate waarin de beslistermijn wordt overschreden, de oorzaak of oorzaken van de termijnoverschrijding, en de voor het bestuursorgaan kenbare belangen van de betrokken belanghebbenden. Voor zover [appellant] heeft betoogd dat de omstandigheid dat niet voor 1 januari 2008 is beslist op zijn bezwaarschrift en hij daardoor geen beroep meer kon instellen bij de bestuursrechter tegen de handhaving van de afwijzing van het verzoek om informatie, is dit onvoldoende voor het oordeel dat het niet-tijdig beslissen als onrechtmatig jegens [appellant] kan worden aangemerkt, aldus de rechtbank.
5. [appellant] betoogt in hoger beroep dat de rechtbank heeft miskend dat het niet-tijdig nemen van een beslissing op zijn bezwaarschrift onrechtmatig is. Hiertoe wijst hij op de uitspraak van de Afdeling van 28 juli 2010 in zaak nr. 200906858/1/M1 (www.raadvanstate.nl). Voorts heeft de rechtbank ten onrechte overwogen dat hij geen nadeel heeft ondervonden als gevolg van het verlies van de bestuursrechtelijke rechtsingang. Weliswaar kan hij beroep instellen bij de burgerlijke rechter tegen de afwijzing om de door hem gevraagde informatie te verstrekken, maar hij moet een hoger griffierecht betalen en loopt kans op een veroordeling in de proceskosten. Daarbij komt dat een procedure bij de burgerlijke rechter ook in inhoudelijk opzicht nadelig is, aldus [appellant].
5.1. Anders dan [appellant] betoogt heeft de rechtbank een juiste maatstaf aangelegd voor de beoordeling van aansprakelijkheid van een bestuursorgaan wegens overschrijding van een wettelijke beslistermijn. De Afdeling volgt voor de toepassing van artikel 8:73 (oud) van de Awb de hierna te noemen arresten van de Hoge Raad.
In zijn arresten van 22 oktober 2010 (ECLI:NL:HR:2010:BM7040) en 16 september 2011 (ECLI:NL:HR:2011:BQ5980) heeft de Hoge Raad de maatstaf geformuleerd die inhoudt dat de enkele omstandigheid dat een bestuursorgaan een besluit neemt met overschrijding van de wettelijke beslistermijn, onvoldoende is voor het oordeel dat op grond van artikel 6:162 BW aansprakelijkheid bestaat voor schade die eventueel voortvloeit uit die termijnoverschrijding en dat voor die aansprakelijkheid bijkomende omstandigheden nodig zijn die meebrengen dat het bestuursorgaan, door pas na het verstrijken van de wettelijke beslistermijn een besluit te nemen, in strijd handelt met de in het maatschappelijk verkeer jegens een belanghebbende in acht te nemen zorgvuldigheid. In zijn arrest van 11 januari 2013 (ECLI:NL:HR:2013:BX7579) heeft de Hoge Raad overwogen dat de in genoemd arrest van 22 oktober 2010 aanvaarde regel dat de enkele overschrijding van de wettelijke beslistermijn onvoldoende is voor aansprakelijkheid op grond van artikel 6:162 BW, daarop berust dat die termijn in de eerste plaats ertoe strekt het bestuursorgaan met voortvarendheid te laten beslissen, en voor betrokkenen duidelijkheid te scheppen op welke termijn de beslissing is te verwachten. De wettelijke beslistermijn beoogt niet zonder meer om ook te beschermen tegen mogelijke schade die voor een belanghebbende kan ontstaan bij uitblijven van de beslissing binnen die termijn. Het gaat er blijkens dit arrest om of de overschrijding van de beslistermijn in het licht van de omstandigheden van het geval in redelijkheid aanvaardbaar was (dat wil zeggen: niet onzorgvuldig was jegens de betrokkenen).
5.2. De verwijzing van [appellant] naar de uitspraak van de Afdeling van 28 juli 2010 (ECLI:NL:RVS:2010:BN2670) kan hem niet baten. Dit geval wijkt op relevante punten af van het onderhavige geval. Het betrokken bestuursorgaan had in die zaak, anders dan in deze zaak, erkend dat het toerekenbaar nalatig was geweest te voldoen aan artikel 18.16, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet milieubeheer. Het betrokken bestuursorgaan had bovendien, anders dan in deze zaak, erkend dat de geschonden norm strekte tot bescherming van individuele vermogensbelangen, zij het dat volgens het betrokken bestuursorgaan deze norm slechts de belangen van huurders beoogde te beschermen, maar niet die van de verhuurder. Het onderhavige geval wijkt derhalve op relevante punten af van het geval als aan de orde in de uitspraak van de Afdeling van 28 juli 2010.
Het betoog faalt.
6. [appellant] betoogt voorts dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de door hem op 23 januari 2014 en op 7 april 2014 verstuurde ingebrekestellingen tegen het niet-tijdig nemen van een beslissing op zijn verzoek schadevergoeding prematuur zijn ingediend.
6.1.
Dictum
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. P.J.J. van Buuren, voorzitter, mr. N. Verheij en mr. B.P.M. van Ravels, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.A.E. Planken, griffier.
w.g. Van Buuren w.g. Planken
voorzitter griffier
Uitgesproken in het openbaar op 24 februari 2016
299.