Rechtspraak
Raad van State
2016-09-14
ECLI:NL:RVS:2016:2448
Bestuursrecht; Omgevingsrecht
Hoger beroep
2,472 tokens
Inleiding
201505363/1/A1.
Datum uitspraak: 14 september 2016
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellante], gevestigd te [plaats],
tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 28 mei 2015 in zaak nr. 15/137 in het geding tussen:
[appellante]
en
het college van burgemeester en wethouders van Bronckhorst.
Procesverloop
Bij besluit van 25 november 2014 heeft het college de op 2 januari 2008 verleende bouwvergunning voor het bouwen van tien vrijstaande woningen op het perceel [locatie] te [plaats] alsmede het hieraan ten grondslag liggende vrijstellingsbesluit van 3 april 2007 gedeeltelijk ingetrokken.
Bij uitspraak van 28 mei 2015 heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 11 april 2016, waar [appellante], vertegenwoordigd door ir. E.J.A. Sprakel, bijgestaan door mr. J. Molenaar, advocaat te Arnhem, en het college, vertegenwoordigd door mr. G.H. Knoef-Vruggink en mr. M. Jolink, beiden werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.
Overwegingen
1. Bij besluit van 3 april 2007 heeft het college aan [appellante] met toepassing van artikel 19, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: de WRO) vrijstelling verleend voor het bouwen van tien vrijstaande woningen op het perceel [locatie] te [plaats]. Bij besluit van 2 januari 2008 heeft het college aan [appellante] daarvoor een reguliere bouwvergunning verleend. Met de uitspraak van de Afdeling van 8 september 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BN6144 zijn deze besluiten in rechte onaantastbaar.
Het college heeft de verleende vrijstelling en bouwvergunning bij besluit van 25 november 2014 ingetrokken voor zover deze zien op het bouwen van zeven woningen. Het college heeft daaraan ten grondslag gelegd dat niet binnen de in artikel 2.33, tweede lid, aanhef en onder a, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: de Wabo) gestelde termijn handelingen zijn verricht met gebruikmaking van de vrijstelling en bouwvergunning. Volgens het college is er ten aanzien van die zeven woningen geen concreet zicht op realisatie. De andere drie woningen waren ten tijde van het besluit van 25 november 2014 in aanbouw dan wel gerealiseerd. Het college heeft de bij zijn besluit van 31 januari 2012 vastgestelde Beleidsregels intrekken omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen (hierna: de beleidsregels) aan het besluit ten grondslag gelegd. Daarin is vermeld dat indien niet binnen 52 weken na het onherroepelijk worden van de vergunning gebruik van de vergunning is gemaakt, de vergunning wordt ingetrokken.
2. [appellante] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het college bevoegd was om de verleende vrijstelling en vergunning gedeeltelijk in te trekken. Daartoe voert zij aan dat de woningen waarvoor vergunning is verleend ruimtelijk gezien onlosmakelijk met elkaar samenhangen zodat de onderdelen in functioneel opzicht niet van elkaar kunnen worden gescheiden. In dit verband verwijst zij naar de ruimtelijke onderbouwing bij het besluit van 3 april 2007 waarin is opgenomen dat het plan alleen ruimtelijk en stedenbouwkundig aanvaardbaar is als de woningen worden gerealiseerd in een woonhofje met een keerlus. Doordat het college de omgevingsvergunning voor de nog niet gerealiseerde woningen heeft ingetrokken kan hier niet meer aan worden voldaan.
2.1. Ingevolge artikel 2.33, tweede lid, aanhef en onder a, van de Wabo kan het bevoegd gezag de omgevingsvergunning geheel of gedeeltelijk intrekken, voor zover gedurende drie jaar, dan wel indien de vergunning betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a gedurende 26 weken geen handelingen zijn verricht met gebruikmaking van de vergunning.
2.2. Ter zitting is komen vast te staan dat ten aanzien van zeven woningen ten tijde van het besluit van 25 november 2014 niet binnen de termijn als bedoeld in artikel 2.33, tweede lid, aanhef en onder a, van de Wabo handelingen zijn verricht met gebruikmaking van de verleende bouwvergunning en vrijstelling. De rechtbank heeft met juistheid overwogen dat de bevoegdheid tot het gedeeltelijk intrekken van de bouwvergunning en vrijstelling bestaat wanneer van een deel daarvan gedurende de termijn als bedoeld in artikel 2.33, tweede lid, aanhef en onder a, van de Wabo geen gebruik is gemaakt. De Afdeling verwijst in dit verband naar haar uitspraak van 21 januari 2015, onder 4.1, ECLI:NL:RVS:2015:124.
2.3. De eerder vergunde tien woningen kunnen bouwkundig en functioneel van elkaar worden onderscheiden, hetgeen tussen partijen niet in geschil is. De woningen kunnen elk als een zelfstandige woning functioneren, nu iedere woning op zichzelf geschikt is voor bewoning en ook als zodanig wordt gebruikt dan wel zal worden gebruikt. De door [appellante] bedoelde ruimtelijke samenhang kan niet tot een ander oordeel leiden waar het gaat om de bouwkundige en functionele samenhang. Die ruimtelijke samenhang kan naar het oordeel van de Afdeling wel een rol spelen bij de vraag of het college in redelijkheid van zijn bevoegdheid gebruik mocht maken.
Gelet op het voorgaande heeft de rechtbank terecht overwogen dat het college bevoegd was de verleende bouwvergunning en vrijstelling met toepassing van artikel 2.33, tweede lid, aanhef en onder a, van de Wabo in te trekken.
Het betoog faalt.
3. [appellante] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het college in redelijkheid gebruik heeft kunnen maken van zijn bevoegdheid om de vergunning gedeeltelijk in te trekken. Daartoe voert zij aan dat zij aannemelijk heeft gemaakt dat zij binnen korte termijn met de bouw zal beginnen. In dit verband merkt zij verder op dat het hier gaat om tien woningen die gefaseerd worden gebouwd. Als de woningen met de huisnummers […], […] en […] alle gereed zijn, zal worden gestart met de volgende woning. Voorts voert zij aan dat het college onvoldoende rekening heeft gehouden met haar belangen, te weten de kosten die zij heeft gemaakt. In dit verband merkt zij op dat niet aan haar is toe te rekenen dat zij niet eerder met de bouw is begonnen. Dat zij na de inwerkingtreding van de bouwvergunning niet tot realisatie over is gegaan kan niet tot het oordeel leiden dat het aan haar is toe te rekenen dat zij nog niet met de bouw is begonnen. Dit temeer nu de intrekkingsbevoegdheid zoals neergelegd in artikel 2.33 van de Wabo pas 26 weken na het onherroepelijk worden van het besluit waarbij de bouwvergunning is verleend ontstaat. In dit verband merkt zij verder op dat het doel dat met het beleid wordt nagestreefd niet meer actueel is, door intrekking van de vergunning voor zeven woningen een ruimtelijk onwenselijke situatie ontstaat en dat het planologisch regime nog niet is gewijzigd. Zij voert verder aan dat het college gelet op de exploitatie-overeenkomst die zij met de gemeente heeft gesloten verplicht is zich in te spannen om realisatie van het project mogelijk te maken en dat de gemeente de beleidsgarantie heeft afgegeven dat realisatie van het project zal worden bevorderd.
3.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in de uitspraak van 21 januari 2015, onder 5.1, ECLI:NL:RVS:2015:124, moeten bij de beslissing over intrekking van een omgevingsvergunning alle in aanmerking te nemen belangen worden betrokken en tegen elkaar afgewogen. Daartoe behoren naast de door het bestuursorgaan gestelde belangen, waaronder de bescherming van planologische, stedenbouwkundige en welstandelijke inzichten, ook de (financiële) belangen van de vergunninghouder. Daarbij mag in aanmerking worden genomen of het niet tijdig gebruik maken van de vergunning aan de vergunninghouder is toe te rekenen.
3.2. De rechtbank heeft in het in beroep aangevoerde terecht geen grond gevonden voor het oordeel dat het college niet in redelijkheid mocht overgaan tot intrekking van de bouwvergunning en vrijstelling, zover deze zien op de bouw van zeven woningen. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in onder meer de uitspraak van 29 mei 2013, onder 4.3 ECLI:NL:RVS:2013:CA1369 waarnaar [appellante] verwijst, en de uitspraak van 21 januari 2015, onder 5.2, ECLI:NL:RVS:2015:124 is de enkele omstandigheid dat de houder van een bouwvergunning niet aannemelijk weet te maken dat hij deze alsnog binnen korte termijn zal benutten voldoende om de intrekking van een ongebruikte bouwvergunning te rechtvaardigen. Het college heeft zich op goede gronden op het standpunt gesteld dat [appellante] niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij binnen korte termijn met de bouwwerkzaamheden van de zeven woningen zou starten. Het college heeft daarbij in aanmerking mogen nemen dat de start van de bouw volgens [appellante] afhankelijk is van de woningmarkt, hetgeen niet voldoende concreet is om aan te nemen dat binnen korte termijn alsnog gebruik zal worden gemaakt van de vrijstelling en bouwvergunning.
Ten aanzien van de belangenafweging heeft de rechtbank terecht overwogen dat niet kan worden gezegd dat de nadelen voor [appellante] zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de met het bestreden besluit te dienen doelen dat het college om die reden niet in redelijkheid tot intrekking over mocht gaan.
Dictum
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. J.C. Kranenburg, voorzitter, en mr. E. Helder en mr. R. Uylenburg, leden, in tegenwoordigheid van mr. A.J. Soede, griffier.
w.g. Kranenburg w.g. Soede
voorzitter
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 14 september 2016
270-712.