Rechtspraak
Raad van State
2014-04-24
ECLI:NL:RVS:2014:1554
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Hoger beroep
2,577 tokens
Inleiding
201306074/1/V4.
Datum uitspraak: 24 april 2014
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie,
appellant,
tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Rotterdam, van 1 juli 2013 in zaken nrs. 13/14059, 13/14061, 13/14060 en 13/14062 in het geding tussen:
[vreemdeling 1] en [vreemdeling 2], mede voor hun minderjarige kind,
en
de staatssecretaris.
Procesverloop
Bij onderscheiden besluiten van 29 mei 2013 heeft de staatssecretaris aanvragen van de vreemdelingen om hun een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen afgewezen alsmede ambtshalve geweigerd krachtens artikel 64 van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000) te bepalen dat uitzetting achterwege blijft. Deze besluiten zijn aangehecht.
Bij uitspraak van 1 juli 2013 heeft de voorzieningenrechter, voor zover thans van belang, de daartegen door de vreemdelingen ingestelde beroepen gegrond verklaard, die besluiten vernietigd en bepaald dat de staatssecretaris nieuwe besluiten op de aanvragen neemt met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld. Het hogerberoepschrift is aangehecht.
De vreemdelingen hebben een verweerschrift ingediend.
Vervolgens is het onderzoek gesloten.
Overwegingen
1. In zijn enige grief klaagt de staatssecretaris dat de voorzieningenrechter ten onrechte heeft overwogen dat hij ten onrechte met toepassing van artikel 3.35, derde lid van het Voorschrift Vreemdelingen 2000 (hierna: het VV 2000) het vereiste van positieve overtuigingskracht ten grondslag heeft gelegd aan zijn beoordeling van de geloofwaardigheid van de asielrelazen van de vreemdelingen. Daartoe is, aldus de staatssecretaris, redengevend dat de voorzieningenrechter ten onrechte heeft overwogen dat artikel 3.35, derde lid, aanhef en onder d, van het VV 2000 geen zelfstandige grond biedt om het vereiste van positieve overtuigingskracht van toepassing te achten, nu dit vereiste beperkt is tot gevallen waarin een omstandigheid als genoemd in artikel 31, tweede lid, aanhef en onder a tot en met f, van de Vw 2000 is tegengeworpen.
2. De aldus opgeworpen rechtsvraag heeft de Afdeling beantwoord in de uitspraak van 8 september 2011 in zaak nr. 201009178/1/V2. Uit deze uitspraak volgt dat de omstandigheid thans opgenomen in artikel 3.35, derde lid, aanhef en onder d, van het VV 2000 ook op zichzelf ten grondslag gelegd kan worden aan de toepasselijkheid van de toetsingsmaatstaf van de positieve overtuigingskracht. Naar blijkt uit de eerste twee volzinnen onder 2.2.3. van die uitspraak is de rechtbank er ten onrechte vanuit gegaan dat in het daar aan de orde zijnde geval de toepasselijkheid van het vereiste van positieve overtuigingskracht kon worden gebaseerd op artikel 31, tweede lid, aanhef en onder c, van de Vw 2000.
De grief slaagt.
3. Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling de besluiten van 29 mei 2013 toetsen in het licht van de daartegen door de vreemdelingen voorgedragen beroepsgronden, voor zover deze, na hetgeen hiervoor is overwogen, nog bespreking behoeven.
4. In beroep klagen de vreemdelingen dat de staatssecretaris zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat van hun asielrelaas geen positieve overtuigingskracht uitgaat en zich voorts ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat niet is gebleken dat vreemdeling 1 in de negatieve belangstelling staat van de Iraanse autoriteiten. Daartoe betogen zij dat de staatssecretaris geloofwaardig heeft geacht dat vreemdeling 1 heeft deelgenomen aan demonstraties van de Groene Beweging in 2009, dat hij is gearresteerd en gevangen heeft gezeten van 11 juli 2009 tot en met 16 februari 2011 en dat hij is gemarteld. De staatssecretaris heeft echter niet in redelijkheid ongeloofwaardig kunnen achten dat vreemdeling 1 voortijdig is vrijgelaten onder oplegging van een meldplicht en een uitreisverbod, aldus de vreemdelingen. Uit het algemeen ambtsbericht inzake Iran van de minister van Buitenlandse Zaken van 27 augustus 2012 (hierna: het ambtsbericht) volgt dat deze gang van zaken gebruikelijk is. Dat vreemdeling 1 een paspoort heeft kunnen verkrijgen en op legale wijze heeft kunnen uitreizen, zo betogen zij, is toe te schrijven aan de omstandigheid dat zij daartoe een geldbedrag hebben betaald en corruptie in Iran alomtegenwoordig is. Bovendien is uit telefonisch contact met zijn vader gebleken dat vreemdeling 1 thans wordt gezocht vanwege het niet voldoen aan zijn meldplicht. Voorts hebben zij betoogd dat vreemdeling 1 heeft verklaard dat in de periode voorafgaand aan hun vertrek uit Iran sprake is geweest van een toenemend aantal arrestaties in de groep die betrokken was bij de Groene Beweging, dat zijn meldplicht was geïntensiveerd en dat vreemdeling 2 heeft verklaard dat zij bij het verlaten van de woning is gevolgd. Tot slotte verwijzen de vreemdelingen naar het arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (hierna: het EHRM) van 15 mei 2012 in zaak nr. 52077/10, S.F. en anderen tegen Zweden (www.echr.coe.int).
4.1. De staatssecretaris heeft zich op het standpunt gesteld dat van het relaas geen positieve overtuigingskracht uitgaat. Daartoe heeft hij redengevend geacht dat niet geloofwaardig wordt geacht dat vreemdeling 1 is vrijgelaten onder oplegging van een meldplicht en uitreisverbod, nu hij op legale wijze en gecontroleerd door de Iraanse autoriteiten heeft kunnen uitreizen, temeer nu vreemdeling 1 daarbij gebruik heeft gemaakt van een recent en authentiek paspoort dat, naar hij stelt, door zijn vader is geregeld, terwijl het ambtsbericht vermeldt dat een paspoort slechts in persoon kan worden aangevraagd, en dat paspoort bovendien is verkregen nadat hem het uitreisverbod zou zijn opgelegd. De verklaring dat de vader van vreemdeling 1 het paspoort heeft verkregen door middel van betaling is niet aannemelijk gemaakt, aldus de staatssecretaris. Dat uit telefonisch contact met zijn vader is gebleken dat vreemdeling 1 inmiddels wordt gezocht vanwege het niet voldoen aan zijn meldplicht, maakt het voorgaande volgens de staatssecretaris niet anders, nu deze informatie niet afkomstig is uit objectieve bron. Voorts heeft hij zich op het standpunt gesteld dat de deelname van vreemdeling 1 aan de Groene Beweging en zijn gevangenschap niet betekenen dat hij thans nog in de negatieve belangstelling staat van de Iraanse autoriteiten, nu hij zijn straf heeft uitgezeten en volgens het ambtsbericht in de verslagperiode geen gevallen bekend zijn geworden van uitgeprocedeerde asielzoekers die na terugkeer naar Iran problemen hebben ondervonden.
4.2. In aanmerking genomen hetgeen onder 2. is overwogen en nu de overweging van de voorzieningenrechter dat de vreemdelingen niet hebben voldaan aan artikel 3.35, derde lid, aanhef en onder d, van het VV 2000 in hoger beroep niet is bestreden, dient van het asielrelaas positieve overtuigingskracht uit te gaan.
4.3. Het betoog van de vreemdelingen dat zij door het betalen van een geldbedrag op reguliere wijze hebben kunnen uitreizen is niet door enige concrete onderbouwing ondersteund. De staatssecretaris heeft in redelijkheid de enkele stelling in dit verband dat corruptie veel voorkomt in Iran onvoldoende kunnen achten. Nu vreemdeling 1, in weerwil van het gestelde uitreisverbod, op reguliere wijze heeft kunnen uitreizen met gebruik van een nieuw verkregen authentiek paspoort, bestaat geen grond voor het oordeel dat de staatssecretaris zich niet evenzeer in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat geen positieve overtuigingskracht uitgaat van de gestelde vervroegde vrijlating onder oplegging van een meldplicht en uitreisverbod. Dat het ambtsbericht vermeldt dat het vervroegd vrijlaten van gevangenen onder oplegging van een meldplicht en een uitreisverbod in Iran een gebruikelijke gang van zaken is, betekent niet dat in het geval van vreemdeling 1 daarvan ook sprake is geweest. Om dezelfde reden van reguliere uitreis bestaat geen grond voor het oordeel dat de staatssecretaris zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat niet aannemelijk is dat vreemdeling 1 op grond van zijn vroegere betrokkenheid bij de Groene Beweging of om andere reden nog in de negatieve belangstelling van de Iraanse autoriteiten staat. Dat uit telefonisch contact met zijn vader zou zijn gebleken dat vreemdeling 1 inmiddels wordt gezocht vanwege het niet voldoen aan zijn meldplicht, maakt dit niet anders, aangezien deze informatie niet afkomstig is uit objectieve bron en evenmin met bewijsmateriaal is gestaafd. Datzelfde geldt voor de verklaring van vreemdeling 2 dat zij op enig moment is gevolgd. De verwijzing naar voormeld arrest van het EHRM baat de vreemdelingen evenmin, reeds omdat in voorliggend geval, anders dan in dat arrest, geen sprake is van negatieve belangstelling van de Iraanse autoriteiten die na vertrek uit Iran is ontstaan en de vreemdelingen ook niet illegaal zijn uitgereisd en, zoals ook volgt uit de door de staatssecretaris bedoelde passage in het ambtsbericht, niet aannemelijk is gemaakt dat zij om die reden bij terugkeer problemen zouden kunnen ondervinden. De beroepsgrond faalt dan ook.
5.
Dictum
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het hoger beroep gegrond;
II. vernietigt de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Rotterdam, van 1 juli 2013 in zaken nrs. 13/14059 en 13/14061;
III. verklaart de door de vreemdelingen bij de rechtbank in die zaken ingestelde beroepen ongegrond.
Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, voorzitter, en mr. R. van der Spoel en mr. E. Steendijk, leden, in tegenwoordigheid van mr. J. Verbeek, ambtenaar van staat.
w.g. Lubberdink w.g. Verbeek
voorzitter ambtenaar van staat
Uitgesproken in het openbaar op 24 april 2014
574.