Rechtspraak
Raad van State
2011-12-07
ECLI:NL:RVS:2011:BU7002
Bestuursrecht; Omgevingsrecht
Eerste aanleg - meervoudig
97,872 tokens
Inleiding
201011757/1/R1 en 201012728/1/R1.
Datum uitspraak: 7 december 2011
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak in het geding met zaaknr. 201012728/1/R1 tussen:
1. [appellante sub 1], wonend te Brunssum,
2. [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B], beiden wonend te Landgraaf,
3. [appellanten sub 3], beiden wonend te Nuth,
4. [appellant sub 4], wonend te Landgraaf,
5. [appellante sub 5], wonend te Kerkrade,
6. [appellante sub 6], gevestigd te Kerkrade, waarvan de vennoten zijn [vennoot A] en [vennoot B], beiden wonend te Kerkrade,
7. [appellanten sub 7], beiden wonend te Hoensbroek, gemeente Heerlen,
8. [appellanten sub 8], allen wonend te Brunssum,
9. [appellant sub 9], wonend te Amstenrade, gemeente Schinnen,
10. [appellant sub 10], wonend te Brunssum,
11. [appellant sub 11], wonend te Kerkrade,
appellanten,
en
het college van gedeputeerde staten van Limburg,
verweerder,
alsmede in het geding met zaaknr. 201011757/1/R1 tussen
1. [appellant sub 12], wonend te Schinnen,
2. [appellante sub 13], gevestigd te Kerkrade, en anderen (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant sub 13]),
3. [appellant sub 14A] en [appellante sub 14B] (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant sub 14]), beiden wonend te Landgraaf,
4. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Rendamax B.V., gevestigd te Kerkrade,
5. de stichting Stichting Actie Comité Ten Esschen, gevestigd te Heerlen,
6. [appellant sub 15], wonend te Kerkrade,
7. [appellant sub 16], wonend te Kerkrade,
8. [appellanten sub 17], beiden te Landgraaf,
9. [appellant sub 18], wonend te Kerkrade,
10. [appellant sub 19], wonend te Kerkrade,
11. [appellant sub 20], wonend te Kerkrade,
12. [appellanten sub 21], beiden wonend te Kerkrade,
13. [appellant sub 22], wonend te Brunssum,
14. [appellant sub 23], wonend te Landgraaf,
15. [appellant sub 24], wonend te Brunssum,
16. [appellant sub 25], wonend te Kerkrade,
17. [appellante sub 26], wonend te Kerkrade,
18. [appellant sub 27], wonend te Nuth,
19. [appellant sub 28A] en [appellante sub 28B] (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant sub 28]), beiden wonend te Hoensbroek, gemeente Heerlen,
20. [appellant sub 29], wonend te Kerkrade,
21. [appellant sub 30], wonend te Kerkrade,
22. [appellant sub 9], wonend te Amstenrade, gemeente Schinnen,
23. [appellante sub 31], gevestigd te Brunssum,
24. [appellant sub 32A] en [appellante sub 32B] (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant sub 32]), beiden wonend te Landgraaf,
25. [appellant sub 33], wonend te Kerkrade,
26. [appellant sub 34], wonend te Kerkrade,
27. [appellanten sub 35], beiden wonend te Kerkrade,
28. [appellant sub 36], wonend te Brunssum,
29. [appellant sub 37A] en [appellant sub 37B] (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant sub 37]), beiden wonend te Kerkrade,
30. [appellante sub 38], wonend te Kerkrade,
31. [appellant sub 39], wonend te Brunssum,
32. [appellant sub 40], wonend te Kerkrade,
33. [appellant sub 41], wonend te Landgraaf,
34. [appellante sub 42], wonend te Brunssum,
35. [appellant sub 43], wonend te Landgraaf,
36. [appellant sub 44], wonend te Merkelbeek, gemeente Onderbanken,
37. [appellant sub 45], wonend te Kerkrade,
38. [appellant sub 11], wonend te Kerkrade,
39. [appellant sub 46], wonend te Brunssum,
40. [appellant sub 47], wonend te Amstenrade, gemeente Schinnen,
41. [appellant sub 48A] en [appellant sub 48B] (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant sub 48]), beiden wonend te Nuth,
42. [appellant sub 49], wonend te Kerkrade,
43. [appellant sub 50A] en [appellante sub 50B] (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant sub 50]), beiden wonend te Schinnen,
44. [appellant sub 51A], [appellante sub 51B] en [appellant sub 51C] (hierna: [appellanten sub 51]), allen wonend te Landgraaf,
45. [appellante sub 52] en andere, alle gevestigd te Landgraaf,
46. [appellante sub 53], wonend te Landgraaf,
47. [appellant sub 54], wonend te Brunssum,
48. [appellante sub 55], wonend te Schinveld, gemeente Onderbanken,
49. de stichting Stichting Leefbaarheid Onderbanken, gevestigd te Schinveld, gemeente Onderbanken,
50. [appellant sub 56], wonend te Brunssum,
51. [appellante sub 1], wonend te Brunssum,
52. [appellant sub 57], wonend te Landgraaf,
53. [appellant sub 58], wonend te Kerkrade,
54. [appellant sub 59], wonend te Brunssum,
55. [appellante sub 60], wonend te Brunssum,
56. [appellant sub 61], wonend te Nuth,
57. [appellant sub 62], wonend te Kerkrade,
58. [appellant sub 63], wonend te Landgraaf,
59. [appellant sub 64], wonend te Brunssum,
60. [appellant sub 65], wonend te Landgraaf,
61. [appellanten sub 2], beiden wonend te Landgraaf,
62. [appellant sub 66], wonend te Hoensbroek, gemeente Heerlen,
63. [appellante sub 67], wonend te Brunssum,
64. [appellanten sub 3], beiden wonend te Nuth,
65. [appellante sub 68], wonend te Maastricht,
66. [appellant sub 69], handelend onder de naam Bon Route, wonend te Brunssum,
67. [appellant sub 70], wonend te Brunssum,
68. [appellanten sub 71], beiden wonend te Brunssum,
69. [appellant sub 72A] en [appellante sub 72B] (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant sub 72]), beiden wonend te Brunssum,
70. [appellant sub 73], wonend te Brunssum,
71. [appellant sub 74], wonend te Amstenrade, gemeente Schinnen,
72. [appellant sub 75A] en [appellante sub 75B] (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant sub 75]), beiden wonend te Brunssum,
73. de stichting Stichting Stop Buitenring, gevestigd te Brunssum,
74. de stichting Milieunetwerk Brunssum en Onderbanken, gevestigd te Schinnen, gemeente Schinnen,
75. [appellant sub 76] en anderen, allen wonend te Amstenrade, gemeente Schinnen,
76. [appellante sub 77], gevestigd te Hoensbroek, gemeente Heerlen,
77. [appellant sub 78A] en [appellante sub 78B] (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant sub 78]), beiden wonend te Brunssum,
78. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Caradon Stelrad B.V., gevestigd te Nuth,
79. [appellanten sub 79], beiden wonend te Hoensbroek, gemeente Heerlen,
80. [appellant sub 80], wonend te Brunssum,
81. [appellant sub 81], wonend te Heerlen,
82. [appellant sub 4], wonend te Landgraaf,
83. de vereniging Milieugroep Regionaal Stort Westelijke Mijnstreek, gevestigd te Schinnen,
84. [appellant sub 82], wonend te Nuth,
85. [appellant sub 83A] en [appellante sub 83B] (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant sub 83]), beiden wonend te Hoensbroek, gemeente Heerlen,
86. [appellant sub 84], wonend te Hoensbroek, gemeente Heerlen, en anderen,
87. [appellante sub 85], wonend te Amstenrade, gemeente Schinnen,
88. [appellant sub 86], wonend te Brunssum,
89. [appellant sub 87], wonend te Amstenrade, gemeente Schinnen,
90. de vereniging Fietsersbond, gevestigd te Utrecht,
91. [appellante sub 88], gevestigd te Kerkrade, en anderen,
92. [appellanten sub 89], beiden wonend te Brunssum,
93. [appellant sub 90], wonend te Nuth,
94. de stichting Stichting winkelcentrum Hoensbroek en de stichting Stichting Centrummanagement Hoensbroek, beide gevestigd te Hoensbroek, gemeente Heerlen,
95. [appellant sub 91], wonend te Brunssum,
96.
Procesverloop
Bij besluit van 7 oktober 2010, kenmerk CAS201000013587 en DOC201000126922, heeft het college van gedeputeerde staten hogere waarden als bedoeld in artikel 110a van de Wet geluidhinder (hierna: Wgh) vastgesteld ten behoeve van het inpassingsplan "Buitenring Parkstad Limburg".
Tegen dit besluit hebben [appellante sub 1], [appellanten sub 2], [appellanten sub 3], [appellant sub 4], [appellante sub 5], [appellante sub 6], [appellant sub 7], [appellant sub 8], [appellant sub 9], [appellant sub 10] en [appellant sub 11] beroep ingesteld.
Bij besluit van 8 oktober 2010 hebben provinciale staten met toepassing van artikel 3.26 van de Wet ruimtelijke ordening (hierna: Wro) het inpassingsplan "Buitenring Parkstad Limburg" vastgesteld.
Tegen dit besluit hebben alle appellanten beroep ingesteld.
Het college van gedeputeerde staten en provinciale staten hebben ieder voor het geding waarin zij verweerder zijn, een verweerschrift ingediend.
De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft desverzocht in elk geding een deskundigenbericht uitgebracht. Een aantal appellanten heeft een zienswijze daarop naar voren gebracht.
Een aantal appellanten heeft nadere stukken ingediend.
De Afdeling heeft de zaken gevoegd ter zitting behandeld op 12, 13, 14, 16, 19, 21, 22 en 23 september 2011, waar appellanten in persoon zijn verschenen en/of zich hebben doen vertegenwoordigen. Een aantal appellanten is niet verschenen en heeft zich evenmin doen vertegenwoordigen. Ook het college van gedeputeerde staten en provinciale staten hebben zich doen vertegenwoordigen.
Overwegingen
Het inpassingsplan
2.1. Het inpassingsplan voorziet in de realisering van een ringweg (de BPL) in het gebied van de Stadsregio Parkstad Limburg. Parkstad is een plusregio in de zin van de Wet gemeenschappelijke regelingen en omvat de gemeenten Brunssum, Heerlen, Kerkrade, Landgraaf, Nuth, Onderbanken, Simpelveld en Voerendaal.
Het tracé van de BPL loopt vanaf de aansluiting van de N298 op de A76 bij Nuth tot aan de aansluiting van de N300 op de N281 bij Avantis European Science and Businesspark. Het inpassingsplan voorziet deels in de opwaardering van de bestaande wegen N298, N299 en N300 en deels in de aanleg van nieuwe weggedeelten. Ook maken de aansluiting bij Nuth op de A76 en de aansluiting op de N281 (verkeersplein Avantis) deel uit van het plan. De lengte van het tracé is ongeveer 26 km. Daarvan ligt ongeveer 8 km over bestaande wegen die zullen worden opgewaardeerd tot autoweg. Ongeveer 18 km zal nieuw worden aangelegd. Het tracé loopt door de gemeenten Nuth, Heerlen, Schinnen, Brunssum, Onderbanken, Landgraaf en Kerkrade. De BPL zal worden uitgevoerd met een wegprofiel van 2x2 rijstroken en uitsluitend ongelijkvloerse kruisingen. Er zal een maximaal toegestane snelheid gelden van 100 km/uur.
Het besluit hogere waarden
2.2. Vanwege het geluid van de BPL zijn voor woningen in Brunssum, Hoensbroek, Amstenrade, Kerkrade en Nuth alsmede voor een woonwagenstandplaats in Brunssum hogere waarden vastgesteld. Vanwege de aanleg van de Nutherweg, de reconstructie van de Randweg (N298), de reconstructie van de Schuureikenweg, de reconstructie van de Akerstraat Noord en Allee en de reconstructie van de Nieuwenhagerheidestraat zijn hogere waarden vastgesteld voor woningen in Schinnen, Hoensbroek, Amstenrade en Landgraaf.
Ontvankelijkheid
Het beroep van [appellant sub 109]
2.3. [appellant sub 109] is eigenaar van de woningen op de percelen Alexandereik 9 en Birgittagracht 15 te Kerkrade.
2.3.1. Ingevolge artikel 6:5, eerste lid, aanhef en onder d, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) bevat een beroepschrift de gronden van het beroep. Indien niet is voldaan aan artikel 6:5 kan het beroep ingevolge artikel 6:6 van de Awb niet-ontvankelijk worden verklaard, mits de indiener de gelegenheid heeft gehad het verzuim te herstellen binnen een hem daartoe gestelde termijn.
Ingevolge artikel 1.6, tweede lid, van de Crisis- en herstelwet (hierna: Chw) is in afwijking van artikel 6:6 van de Awb het beroep niet-ontvankelijk indien niet is voldaan aan artikel 6:5, eerste lid, aanhef en onder d, van de Awb.
2.3.2. In het besluit tot vaststelling van het inpassingsplan in samenhang met de kennisgeving van de terinzagelegging is vermeld dat afdeling 2 van hoofdstuk 1 van de Chw op het besluit van toepassing is en dat de beroepsgronden in het beroepschrift dienen te worden opgenomen en na afloop van de beroepstermijn niet meer kunnen worden aangevuld.
2.3.3. [appellant sub 109] heeft de gronden van zijn beroep niet in zijn beroepschrift vermeld. Nu niet is gebleken van feiten of omstandigheden, op grond waarvan redelijkerwijs kan worden geoordeeld dat [appellant sub 109] niet in verzuim is geweest bij het niet binnen de beroepstermijn aanvoeren van zijn beroepsgronden, is het beroep van [appellant sub 109] niet-ontvankelijk.
Het beroep van Stichting Actie Comité Ten Esschen
2.4. De buurtschap Ten Esschen ligt langs de A76 ter hoogte van de Antwerpseweg. De kortste afstand tussen de buurtschap Ten Esschen en de BPL bedraagt ruim 3 km. Het inpassingplan voorziet niet in nieuwe ontwikkelingen binnen deze afstand.
Volgens het akoestisch onderzoek zal het verkeer op de A76 tussen Nuth en de Antwerpseweg met 10% afnemen en tussen de Antwerpseweg en Avantis neutraal blijven. Daarnaast zal het verkeer op de Antwerpseweg met 10% afnemen. Voorts staat in het deskundigenbericht dat de verkeersintensiteiten op de Antwerpseweg en de, in de nabijheid van de buurtschap gelegen, Beersdalweg lager zullen worden hetgeen tot een verbetering zal leiden van de luchtkwaliteit.
Gelet hierop en nu Stichting Actie Comité Ten Esschen niet aannemelijk heeft gemaakt dat de aanleg van de BPL tot sluipverkeer in dan wel in de nabijheid van de buurtschap zal leiden, is voornoemde afstand naar het oordeel van de Afdeling te groot om een rechtstreeks bij het inpassingsplan betrokken belang te kunnen aannemen.
Het beroep van Stichting Actie Comité Ten Esschen is niet-ontvankelijk.
ALGEMEEN DEEL
Formele beroepsgronden
Verwijzing naar zienswijzen
2.5. Voor zover appellanten in hun beroepschrift hebben verwezen naar de inhoud van hun zienswijzen, wordt overwogen dat in de overwegingen van de bestreden besluiten is ingegaan op deze zienswijzen. Voor zover in de onderscheiden beroepschriften noch ter zitting redenen zijn aangevoerd waarom de weerlegging van de desbetreffende zienswijzen in zoverre onjuist zou zijn, kunnen die enkele verwijzingen naar de zienswijzen niet leiden tot vernietiging van de bestreden besluiten.
Toepasselijkheid Crisis- en herstelwet
2.6. Verscheidene appellanten hebben aangevoerd dat de procedurevoorschriften uit de Chw niet op het inpassingsplan van toepassing zijn.
Voorts is volgens verschillende appellanten de omstandigheid dat de Chw halverwege de procedure op het inpassingsplan van toepassing is geworden, in strijd met artikel 6, tweede lid, van het Verdrag betreffende toegang tot informatie, inspraak in besluitvorming en toegang tot de rechter inzake milieuaangelegenheden van 25 juni 1998 (hierna: het Verdrag van Aarhus).
2.6.1. Ingevolge artikel 1.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Chw, voor zover hier van belang, is afdeling 2 van hoofdstuk 1 van deze wet van toepassing op alle besluiten die krachtens enig wettelijk voorschrift zijn vereist voor de in bijlage II bij deze wet bedoelde ruimtelijke en infrastructurele projecten.
Ingevolge artikel 1.5 kan een besluit waartegen bezwaar is gemaakt of beroep is ingesteld, ondanks schending van een geschreven of ongeschreven rechtsregel of algemeen rechtsbeginsel door het orgaan dat op het bezwaar of beroep beslist, in stand worden gelaten indien aannemelijk is dat de belanghebbenden daardoor niet zijn benadeeld.
Ingevolge artikel 1.9 vernietigt de administratieve rechter een besluit niet op de grond, dat het in strijd is met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of een algemeen rechtsbeginsel, indien deze regel of dit beginsel kennelijk niet strekt tot bescherming van de belangen van degene die zich daarop beroept.
Ingevolge artikel 1.11, aanhef en onder b, is, indien op grond van artikel 7.2 van de Wet milieubeheer een milieueffectrapport wordt opgesteld ten behoeve van een besluit, artikel 7.26 van die wet niet van toepassing.
Artikel 6, tweede lid, van het Verdrag van Aarhus bepaalt dat het betrokken publiek bij openbare bekendmaking of, indien van toepassing, individueel, vroegtijdig in een milieu-besluitvormingsprocedure, en op adequate, tijdige en doeltreffende wijze, wordt geïnformeerd over onder meer:
a. de voorgestelde activiteit en de aanvraag waarover een besluit zal worden genomen;
b. de aard van mogelijke besluiten of het ontwerpbesluit;
c. de voor de besluitvorming verantwoordelijke overheidsinstantie;
d. de beoogde procedure, met inbegrip van, in de gevallen waarin deze informatie kan worden verstrekt:
i. de aanvang van de procedure;
ii. de mogelijkheden voor inspraak van het publiek;
iii. de tijd en plaats van een beoogde openbare hoorzitting;
iv. een aanduiding van de overheidsinstantie waarvan relevante informatie kan worden verkregen en waarbij de relevante informatie voor het publiek ter inzage is gelegd;
v.
Beoordeling
2.31. Een aantal appellanten betoogt voorts dat ten onrechte niet is getoetst aan de grenswaarden voor koolstofmonoxide, lood, zwaveldioxide, benzeen en koolstofdioxide.
2.31.1. Ten aanzien van koolstofmonoxide, lood, zwaveldioxide en benzeen zijn wettelijke grenswaarden vastgelegd. In het luchtkwaliteitsonderzoek is uitsluitend getoetst aan de grenswaarden voor zwevende deeltjes (PM10) en stikstofdioxide (NO2). Hieromtrent staat in het luchtkwaliteitsonderzoek vermeld dat deze stoffen gerelateerd aan de grenswaarden de hoogste concentraties hebben. Daarnaast is de verkeersbijdrage voor zwevende deeltjes (PM10) en stikstofdioxide (NO2) significant. Omdat de achtergrondconcentraties van de andere stoffen in Nederland niet sterk variëren wordt algemeen aangenomen dat deze grenswaarden niet worden overschreden. De Afdeling komt dit uitgangspunt niet onjuist voor. Appellanten hebben niet aannemelijk gemaakt dat dit in dit geval anders zou zijn.
Voor koolstofdioxide is geen wettelijke grenswaarde bepaald, zodat ook geen verplichting bestond de gevolgen van de BPL voor de concentraties van deze stof te bezien.
Bijdrage AWACS-vliegtuigen
2.32. Een groot aantal appellanten betoogt voorts dat onvoldoende rekening is gehouden met de bijdrage van de AWACS-vliegtuigen aan de concentraties zwevende deeltjes (PM10) en stikstofdioxide (NO2). Volgens hen zal de emissie van deze vliegtuigen in combinatie met de emissie ten gevolge van de BPL een overschrijding van de grenswaarden tot gevolg hebben.
2.32.1. In het deskundigenbericht staat vermeld dat in het rapport "Concentratiekaarten voor grootschalige luchtverontreiniging in Nederland rapportage 2010" van het Planbureau voor de leefomgeving is beschreven op welke wijze de grootschalige concentratiekaarten voor de luchtverontreiniging worden vastgesteld. Uit het desbetreffende rapport blijkt volgens het deskundigenbericht dat de bijdrage van vliegtuigen aan de concentratie van zwevende deeltjes (PM10) beperkt is. Uit het rapport "Milieuonderzoeken NAVO vliegbasis Geilenkirchen" van het Nationaal Lucht- en Ruimtevaartlaboratorium blijkt volgens het deskundigenbericht dat de maximale bijdrage aan de concentratie stikstofdioxide (NO2) in het onderzoeksgebied ten gevolge van AWACS-vliegverkeer in 2007 0,06 µg/m3 bedroeg. Voor zwevende deeltjes (PM10) bedroeg deze bijdrage 0,008 µg/m3. Gelet hierop acht de Afdeling niet aannemelijk dat de bijdrage van de AWACS-vliegtuigen aan de concentraties zwevende deeltjes (PM10) en stikstofdioxide (NO2) dermate hoog is dat niet aan de grenswaarden kan worden voldaan.
Conclusie
2.33. Gelet op het vorenstaande en aangezien appellanten ook anderszins niet aannemelijk hebben gemaakt dat het luchtkwaliteitsonderzoek gebreken of leemten in kennis bevat, hebben provinciale staten dit aan het bestreden besluit ten grondslag mogen leggen. In hetgeen appellanten hebben aangevoerd hebben zij terecht geen aanleiding gezien voor het standpunt dat het inpassingsplan in strijd is met de krachtens de Wet milieubeheer gestelde grenswaarden voor luchtverontreinigende stoffen.
Natura 2000
2.34. Ingevolge artikel 10a, eerste lid, van de Natuurbeschermingswet 1998 (hierna: Nbw 1998) wijst de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, thans: de minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie, gebieden aan ter uitvoering van de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn.
Ingevolge artikel 1, onder n, sub 3, van de Nbw 1998 wordt onder een Natura 2000-gebied onder meer verstaan een gebied dat voorkomt op de lijst van gebieden van communautair belang, bedoeld in artikel 4, tweede lid, van richtlijn 92/43/EEG (hierna: Habitatrichtlijn).
2.34.1. Ingevolge artikel 19j, eerste lid, van de Nbw 1998 houdt een bestuursorgaan bij het nemen van een besluit tot het vaststellen van een plan dat, gelet op de instandhoudingsdoelstelling, met uitzondering van de doelstellingen, bedoeld in artikel 10a, derde lid, voor een Natura 2000-gebied de kwaliteit van de natuurlijke habitats en de habitats van soorten in dat gebied kan verslechteren of een significant verstorend effect kan hebben op de soorten waarvoor het gebied is aangewezen, ongeacht de beperkingen die ter zake in het wettelijk voorschrift waarop het berust, zijn gesteld, rekening:
a. met de gevolgen die het plan kan hebben voor het gebied, en
b. met het op grond van artikel 19a of artikel 19b voor dat gebied vastgestelde beheerplan voor zover dat betrekking heeft op de instandhoudingsdoelstelling, met uitzondering van de doelstelling, bedoeld in artikel 10a, derde lid.
Ingevolge het tweede lid maakt het bestuursorgaan voor plannen als bedoeld in het eerste lid, die niet direct verband houden met of nodig zijn voor het beheer van een Natura 2000-gebied maar die afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kunnen hebben voor het desbetreffende gebied, alvorens het plan vast te stellen een passende beoordeling van de gevolgen voor het gebied waarbij rekening wordt gehouden met de instandhoudingsdoelstelling, met uitzondering van de doelstellingen als bedoeld in artikel 10a, derde lid, van dat gebied.
Ingevolge het derde lid wordt het besluit, bedoeld in het eerste lid, in de gevallen, bedoeld in het tweede lid, alleen genomen indien is voldaan aan de voorwaarden, genoemd in de artikelen 19g en 19h.
Ingevolge artikel 19g, eerste lid, gelezen in samenhang met artikel 19j, kan een inpassingsplan in beginsel slechts worden vastgesteld indien provinciale staten zich op grond van de passende beoordeling ervan hebben verzekerd dat de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zullen worden aangetast.
Ingevolge artikel 16, eerste lid, is het verboden zonder vergunning van het college van gedeputeerde staten, in een beschermd natuurmonument handelingen te verrichten, te doen verrichten of te gedogen, die schadelijk kunnen zijn voor het natuurschoon, voor de natuurwetenschappelijke betekenis van het beschermd natuurmonument of voor dieren of planten in het beschermd natuurmonument of die het beschermd natuurmonument ontsieren, dan wel in strijd met de bij een vergunning gestelde voorschriften of beperkingen handelingen te verrichten, te doen verrichten of te gedogen.
Ingevolge het tweede lid worden als schadelijke handelingen in elk geval aangemerkt handelingen die de in het besluit tot aanwijzing als beschermd natuurmonument vermelde wezenlijke kenmerken van het beschermde natuurmonument aantasten.
2.34.2. Het gebied Brunssummerheide is bij besluit van 15 december 1995 (kenmerk N-95-9988) aangewezen als beschermd natuurmonument. Tevens is de Brunssummerheide overeenkomstig artikel 4, eerste lid, van de Habitatrichtlijn aangemeld als speciale beschermingszone.
Het gebied Kathagerbeemden is bij besluit van 30 maart 1990 (kenmerk NMF-90-3425) aangewezen als beschermd natuurmonument. Dit gebied is onder de naam Geleenbeekdal overeenkomstig artikel 4, eerste lid, van de Habitatrichtlijn aangemeld als speciale beschermingszone.
Bij beschikking van 7 december 2004 heeft de Europese Commissie de gebieden Brunssummerheide en Geleenbeekdal geplaatst op de lijst van gebieden van communautair belang. Voor beide gebieden heeft een ontwerpbesluit tot aanwijzing als Habitatrichtlijngebied ter inzage gelegen.
Daarnaast is het Duitse Natura 2000-gebied Teverener Heide gelegen in de nabijheid van het plangebied.
Stikstofdepositie
2.35. Een aantal appellanten betoogt dat de vereiste zekerheid dat met de aanleg van de BPL de natuurlijke kenmerken van de Natura 2000-gebieden Geleenbeekdal en Brunssummerheide niet zullen worden aangetast ontbreekt. In dit verband voeren zij, onder verwijzing naar het in opdracht van hen door Alterra opgestelde rapport "Passende beoordeling Natura 2000-gebieden Brunssummerheide en Geleenbeekdal, second opinion over de mogelijke effecten van de geplande Buitenring Parkstad Limburg" van januari 2011 (hierna: de second opinion van Alterra), aan dat de stikstofdepositie ten gevolge van de BPL zal toenemen. Voorts wijzen appellanten erop dat de kritische depositiewaarden van de voor stikstof gevoelige habitats ter plaatse van de gebieden Geleenbeekdal en Brunssummerheide reeds in ruime mate worden overschreden. Uit de passende beoordelingen blijkt volgens appellanten ten onrechte niet wat de toename van de stikstofdepositie ten gevolge van de BPL is. Voorts hebben provinciale staten ten onrechte volstaan met de conclusie dat de afname van de depositie in de autonome ontwikkeling groter is dan de toename ten gevolge van het onderhavige inpassingsplan, aldus appellanten.
2.35.1. Provinciale staten hebben uiteengezet dat in de autonome ontwikkeling sprake is van een daling van de stikstofdepositie op de Natura 2000-gebieden Geleenbeekdal en Brunssummerheide. Het inpassingsplan zal weliswaar leiden tot een toename van de stikstofdepositie op deze gebieden, maar de autonome ontwikkeling laat een afname zien die groter is dan de toename ten gevolge van de BPL, aldus provinciale staten. De afname in de autonome ontwikkeling is onder meer het gevolg van het schoner worden van de automotoren. Daarnaast zullen ter plaatse van de gebieden beheermaatregelen worden uitgevoerd om de schadelijke effecten van de stikstofdepositie te verminderen, aldus provinciale staten. Nu de stikstofdepositie zal afnemen worden de instandhoudingsdoelstellingen van de voor stikstof gevoelige habitattypen volgens provinciale staten niet in gevaar gebracht. Het inpassingsplan zal volgens provinciale staten, wat betreft het aspect stikstof, dan ook geen significante effecten hebben op de natuurwaarden van de Natura 2000-gebieden. In dit verband verwijzen provinciale staten naar de uitspraak van de Afdeling van 6 juli 2011, zaak nr. 201009980/1/M2 (www.raadvanstate.nl), waaruit volgens provinciale staten volgt dat indien de afname van de depositie in de autonome ontwikkeling groter is dan de toename ten gevolge van een bestemmings- of inpassingsplan, zonder meer kan worden geconcludeerd dat de natuurlijke kenmerken van een gebied niet worden aangetast.
2.35.2. Het inpassingsplan voorziet ter plaatse van de Natura 2000-gebieden Geleenbeekdal en Brunssummerheide in een uitbreiding van het bestaande tracé van de N298 en de N299 naar 2x2 rijstroken. Daarnaast is de aansluiting bij Nuth in de nabijheid van het gebied Geleenbeekdal gelegen.
Ten behoeve van het inpassingsplan zijn twee passende beoordelingen opgesteld.
Conclusie
Het beroep van Stichting Milieufederatie Limburg en anderen
2.53. De beroepsgronden van Stichting Milieufederatie Limburg en anderen tegen de vaststelling van het plan zijn hiervoor in dit algemene deel van de uitspraak aan de orde geweest.
2.53.1. Gelet op hetgeen is overwogen in 2.35 tot en met 2.35.9 ziet de Afdeling in hetgeen Stichting Milieufederatie Limburg en anderen hebben aangevoerd aanleiding voor het oordeel dat het inpassingsplan voor zover het betreft de plandelen met de bestemming "Verkeer" ter hoogte van de Natura 2000-gebieden Geleenbeekdal en Brunssummerheide in strijd is met artikel 19j, derde lid, van de Nbw 1998, gelezen in samenhang met artikel 19g, eerste lid, van die wet. Het beroep van Stichting Milieufederatie Limburg en anderen is gegrond. Het bestreden besluit dient in zoverre wegens strijd met deze bepalingen te worden vernietigd.
Het beroep van de Vereniging Natuurmonumenten
2.54. De beroepsgronden van de Vereniging Natuurmonumenten tegen de vaststelling van het plan zijn hiervoor in dit algemene deel van de uitspraak aan de orde geweest.
2.54.1. Gelet op hetgeen is overwogen in 2.35 tot en met 2.35.9 ziet de Afdeling in hetgeen de Vereniging Natuurmonumenten heeft aangevoerd aanleiding voor het oordeel dat het inpassingsplan voor zover het betreft de plandelen met de bestemming "Verkeer" ter hoogte van de Natura 2000-gebieden Geleenbeekdal en Brunssummerheide in strijd is met artikel 19j, derde lid, van de Nbw 1998, gelezen in samenhang met artikel 19g, eerste lid, van die wet. Het beroep van de Vereniging Natuurmonumenten is gegrond. Het bestreden besluit dient in zoverre wegens strijd met deze bepalingen te worden vernietigd.
Het beroep van Stichting Milieunetwerk Brunssum en Onderbanken
2.55. De beroepsgronden van Stichting Milieunetwerk Brunssum en Onderbanken tegen de vaststelling van het plan zijn hiervoor in dit algemene deel van de uitspraak aan de orde geweest.
2.55.1. In hetgeen Stichting Milieunetwerk Brunssum en Onderbanken heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat provinciale staten zich niet in redelijkheid op het standpunt hebben kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep van Stichting Milieunetwerk Brunssum en Onderbanken is ongegrond.
Het beroep van Stichting Stop Buitenring
2.56. Het beroep van Stichting Stop Buitenring is gericht tegen de vaststelling van het plan. Haar meeste beroepsgronden zijn hiervoor in dit algemene deel van de uitspraak aan de orde geweest.
2.56.1. Stichting Stop Buitenring heeft voorts het beroep van Stichting Milieufederatie Limburg en anderen ingelast. Hiervoor is in 2.53.1 overwogen dat hetgeen Stichting Milieufederatie Limburg en anderen hebben aangevoerd aanleiding geeft voor het oordeel dat het inpassingsplan voor zover het betreft de plandelen met de bestemming "Verkeer" ter hoogte van de Natura 2000-gebieden Geleenbeekdal en Brunssummerheide wegens strijd met artikel 19j, derde lid, van de Nbw 1998, gelezen in samenhang met artikel 19g, eerste lid, van die wet dient te worden vernietigd. Gelet hierop is het beroep van Stichting Stop Buitenring om die reden gegrond. Het bestreden besluit dient in zoverre wegens strijd met voornoemde bepalingen te worden vernietigd.
LOCATIESPECIFIEK DEEL
Het beroep van de Fietsersbond
2.57. Ter zitting heeft de Fietsersbond de beroepsgrond die ziet op het kruispunt Dentgenbachweg - Kaalheidersteenweg ingetrokken.
2.57.1. De Fietsersbond betoogt dat ten onrechte geen rapport is opgesteld met een weergave van de effecten van het plan voor het fietsverkeer en de oplossingen die daarvoor worden geboden.
Voorts stelt de Fietsersbond dat het plan leidt tot verkeersonveilige situaties voor fietsers. Hiertoe voert zij aan dat het plan niet waarborgt dat de voorziene wegen en het onderliggende wegennet, met inbegrip van de kruispunten, worden ingericht volgens het principe Duurzaam Veilig. Zij stelt verder dat het plan enkele andere nadelige gevolgen heeft voor fietsers. In dit verband wijst zij erop dat fietsers ten opzichte van de bestaande situatie langere routes zullen moeten afleggen van de ene locatie naar de andere locatie. Voorts stelt zij dat niet zeker is dat fietsers niet langer dan één minuut op een kruispunt hoeven te wachten voor een rood verkeerslicht. Zij kan zich evenmin verenigen met de keuze om de BPL aan te leggen als weg met 2x2 rijstroken, omdat hierdoor ruimte verloren gaat die nodig is voor de aanleg van goede fietsvoorzieningen. Ook betoogt zij dat de landschapsbeleving van fietsers zal afnemen en dat moet worden gevreesd dat natuurgebieden niet meer bereikbaar zijn met de fiets.
Het voorgaande in aanmerking genomen betoogt de Fietsersbond, kort weergegeven, dat de veiligheid van fietsers verslechtert op de Reijmersbekerweg en de Naanhofsweg omdat het plan niet garandeert dat op deze wegen een vrijliggend fietspad wordt aangelegd.
Met betrekking tot de fietsverbinding Schuureikenweg-Naanhofsweg betoogt zij dat niet duidelijk is of bij de op- en afritten van de BPL die langs deze fietsverbinding zijn voorzien, veilige oversteekplaatsen worden gerealiseerd. Verder stelt zij dat op deze route sprake is van onaanvaardbare omrijbewegingen. Dit klemt volgens de Fietsersbond temeer, nu deze fietsverbinding in een gebied met hoogteverschillen en veel bochten ligt, hetgeen de verkeersveiligheid en gebruiksvriendelijkheid van fietspaden extra nadelig beïnvloedt.
De Fietsersbond betoogt met betrekking tot de Allee dat niet duidelijk is hoe fietsers veilig kunnen oversteken op de weglocatie waar het fietspad aan weerszijden van de weg overgaat in een fietspad met twee rijrichtingen aan één kant van de weg. Zij betoogt voorts dat niet duidelijk is of de voorziene turborotonde op de kruising Allee-Trichterweg-Akerstraat-Noord Patersweg, wordt ingericht volgens het principe Duurzaam Veilig. Zij acht het ook onwenselijk dat fietsers op deze kruising geen voorrang zullen krijgen.
Verder betoogt zij met betrekking tot de Dentgenbachweg en de Hamstraat dat deze wegen zullen worden gebruikt als ontsluitingsweg voor het industrieterrein Dentgenbachweg onderscheidenlijk nabijgelegen woonwijken en industriegebied. Gelet hierop wordt volgens haar ten onrechte geen vrijliggend fietspad aangelegd. Dit leidt tot een gevaarlijke vermenging van fietsers en gemotoriseerd verkeer, waaronder vrachtverkeer. Voor zover provinciale staten zich met betrekking tot deze wegen op het standpunt stellen dat wordt voorzien in fietsstroken, stelt zij dat dit geen adequate oplossing is. Verder betoogt de Fietsersbond dat niet valt in te zien waarom deze wegen worden ingericht als erftoegangsweg buiten de bebouwde kom.
Met betrekking tot de fietsverbinding Esschenweg-Brommelen-Hellebroek-Nuth en de fietsverbinding Esschenweg-Terlindenweg-Klinkerstraat betoogt de Fietsersbond dat het gemotoriseerd verkeer op de wegen op deze routes zal toenemen en dat daarom vrijliggende fietspaden of fietsstroken noodzakelijk zijn. Ten onrechte voorziet het plan hier niet in. Dit klemt temeer nu in de bestaande situatie reeds sprake is van een onaanvaardbare verkeersdruk.
Met betrekking tot de Hoogstraat en de Kantstraat betoogt de Fietsersbond dat het verkeer op deze wegen zal toenemen en dat daarom een vrijliggend fietspad of een fietsstrook moet worden aangelegd. Ten onrechte voorziet het plan hier niet in.
Overwegingen
een aanduiding van de betreffende overheidsinstantie of enig ander officieel lichaam waarbij opmerkingen of vragen kunnen worden ingediend en van het tijdschema voor het doorgeven van opmerkingen of vragen; en
vi. een aanduiding van welke voor de voorgestelde activiteit relevante milieu-informatie beschikbaar is; en
e. het feit dat de activiteit voorwerp is van een nationale of grensoverschrijdende milieu-effectrapportage.
2.6.2. Voor de toepasselijkheid van de Chw is, anders dan is aangevoerd, niet relevant of een project van economisch belang is. Van belang is dat het besluit betrekking heeft op een categorie projecten genoemd in bijlage I of een project genoemd in bijlage II van de Chw.
In bijlage II, onder E.12 (Wegenprojecten), is het project "Buitenring Parkstad (incl. aansluiting Nuth en aansluiting Avantis)" opgenomen. Hiermee wordt onmiskenbaar gedoeld op het thans in het geding zijnde project, bestaande uit de ontwikkeling en aanleg van de BPL, zodat de Chw op het besluit tot vaststelling van het inpassingsplan van toepassing is.
Ten aanzien van het betoog dat zich strijd met artikel 6, tweede lid, van het Verdrag van Aarhus voordoet, wordt overwogen dat dit artikel met name betrekking heeft op het in een milieubesluitvormingsprocedure informeren van het publiek omtrent de voorgestelde activiteit en de beoogde procedure. Provinciale staten hebben er terecht op gewezen dat de activiteit en te volgen procedure reeds in de Startnotitie Tracénota/MER-UVS van 27 juni 2006 uitvoerig zijn uiteengezet. De op 31 maart 2010 in werking getreden Chw die van toepassing is op het onderhavige project, heeft voorts geen verandering gebracht in de toepasselijkheid van de in artikel 6, tweede lid, van het Verdrag van Aarhus genoemde aspecten van de procedure. Gezien het vorenstaande is geen sprake van strijd met voormelde bepaling.
Beantwoording zienswijzen
2.7. Verscheidene appellanten hebben bezwaar tegen de manier waarop provinciale staten de ingediende zienswijzen tegen het ontwerpinpassingsplan hebben behandeld. In dit verband is aangevoerd dat niet expliciet op alle onderdelen van de zienswijzen is ingegaan. Bij het beantwoorden van de zienswijzen is volgens appellanten voorts ten onrechte volstaan met algemene antwoorden.
Verder betogen verschillende appellanten dat het inpassingsplan niet in overeenstemming met de Awb is bekendgemaakt, aangezien provinciale staten er ten onrechte van zijn uitgegaan dat een ieder de beschikking heeft over een computer en de daarbij behorende programma’s. Ten onrechte zijn geen schriftelijke afschriften van de beantwoording van de zienswijzen verstrekt, aldus verschillende appellanten.
2.7.1. Provinciale staten stellen dat er, gelet op het zeer grote aantal ingediende zienswijzen tegen het ontwerpinpassingsplan, voor is gekozen om veel zienswijzen van een samenvattende algemene reactie te voorzien, welke kan dienen als reactie voor verschillende indieners van zienswijzen. Bij deze keuze heeft volgens provinciale staten een rol gespeeld dat veel indieners dezelfde onderwerpen aan de orde hebben gesteld en dat bovendien een groot aantal gelijkluidende zienswijzen is ingediend aan de hand van een model dat is opgesteld door een belangenorganisatie of politieke partij. Volgens provinciale staten is ingegaan op de individuele situatie van een appellant wanneer de specifieke situatie daartoe aanleiding gaf.
2.7.1.1. In artikel 3.26, tweede lid, van de Wro, voor zover hier van belang, is bepaald dat op de vaststelling van een provinciaal inpassingsplan de afdelingen 3.1 en 3.2 van overeenkomstige toepassing zijn, met dien verstande dat voor "bestemmingsplan" "inpassingsplan" wordt gelezen en voor "gemeentebestuur" "provinciaal bestuur", en dat met betrekking tot afdeling 3.2 provinciale staten in de plaats treden van de gemeenteraad, en het college van gedeputeerde staten in de plaats treedt van het college van burgemeester en wethouders.
Ingevolge afdeling 3.2, artikel 3.8, eerste lid, is afdeling 3.4 van de Awb van toepassing […].
Ingevolge het derde lid, voor zover thans van belang, geschiedt de bekendmaking van het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan binnen twee weken na de vaststelling. Het college van burgemeester en wethouders plaatst de kennisgeving van het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan tevens in de Staatscourant en voorts geschiedt deze langs elektronische weg. Gelijktijdig verzendt het de kennisgeving, bedoeld in de vorige volzin, langs elektronische weg aan de diensten en bestuursorganen bedoeld in het eerste lid, onder b, en stelt het het besluit met de hierbij behorende stukken langs elektronische weg beschikbaar.
Ingevolge artikel 3:44, eerste lid, van de Awb geschiedt, indien bij de voorbereiding van het besluit toepassing is gegeven aan afdeling 3.4, de mededeling, bedoeld in artikel 3:43, eerste lid:
a. met overeenkomstige toepassing van de artikelen 3:11 en 3:12, eerste of tweede lid, en derde lid, onderdeel a, met dien verstande dat de stukken ter inzage liggen totdat de beroepstermijn is verstreken, en
b. door toezending van een exemplaar van het besluit aan degenen die over het ontwerp van het besluit zienswijzen naar voren hebben gebracht.
Ingevolge het tweede lid, aanhef en onder a, kan het bestuursorgaan in afwijking van het eerste lid, onderdeel b, indien de omvang van het besluit daartoe aanleiding geeft, volstaan met een ieder van de daar bedoelde personen de strekking van het besluit mee te delen.
Ingevolge het tweede lid, aanhef en onder d, kan het bestuursorgaan in afwijking van het eerste lid, onderdeel b, indien toezending zou moeten geschieden aan meer dan 250 personen, die toezending achterwege laten.
2.7.2. Op 8 oktober 2010 hebben provinciale staten het inpassingsplan vastgesteld. Het inpassingsplan heeft van 25 november 2010 tot en met 6 januari 2011 ter inzage gelegen in de bibliotheek van het Gouvernement, de gemeentehuizen van Heerlen, Landgraaf, Schinnen, Brunssum, Kerkrade, Nuth en Onderbanken en het regiokantoor van Parkstad Limburg, alsook op verschillende plaatsen in Duitsland. Het inpassingsplan is overeenkomstig het bepaalde in artikel 3:42, eerste lid, van de Awb bekendgemaakt door kennisgeving van het besluit in enkele regionale dagbladen. Voorts heeft kennisgeving plaatsgevonden in de Staatscourant van 26 november 2010.
Gelet op het bepaalde in artikel 3:42, tweede lid, in samenhang met het bepaalde in de artikelen 3:43, eerste lid, en 3:44 van de Awb, kon toezending van het besluit achterwege worden gelaten aangezien meer dan 250 personen zienswijzen naar voren hebben gebracht.
Provinciale staten hebben de indieners van een zienswijze evenwel bij de brief met de kennisgeving van het besluit een CD-ROM met de nota van zienswijzen van oktober 2010 toegestuurd. In de desbetreffende nota van zienswijzen is ingegaan op de naar voren gebrachte zienswijzen. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (zie onder meer de uitspraak van 20 april 2011 in de zaken nrs. 201010677/1/R1 en 201010677/3/R1 (www.raadvanstate.nl)), verzet artikel 3:46 van de Awb zich er niet tegen dat zienswijzen samengevat worden weergegeven. Dat niet op ieder argument ter ondersteuning van een zienswijze afzonderlijk is ingegaan, vormt op zichzelf geen aanleiding voor het oordeel dat het besluit tot vaststelling van het inpassingsplan niet voldoende is gemotiveerd. Niet is gebleken dat bepaalde argumenten niet in de besluitvorming zijn betrokken.
Voorts hebben provinciale staten er terecht op gewezen dat de nota van zienswijzen behorende bij het inpassingsplan voor degenen die niet de beschikking hadden over een computer, ter inzage heeft gelegen in voormelde bibliotheek en gemeentehuizen, het regiokantoor van
Parkstad Limburg en op verschillende plaatsen in Duitsland.
Gelet op het voorgaande is het inpassingsplan overeenkomstig het bepaalde in de Awb bekendgemaakt.
Conclusie
De passende beoordelingen zijn neergelegd in de rapporten "Passende beoordeling Natura 2000-gebied Geleenbeekdal" (hierna: passende beoordeling Geleenbeekdal) en "Passende beoordeling Natura 2000-gebieden Brunssummerheide en Teverener Heide" (hierna: passende beoordeling Brunssummerheide), beide van 8 oktober 2010. In de passende beoordelingen zijn onder meer de gevolgen van de BPL voor de stikstofdepositie op deze gebieden bezien.
2.35.3. Binnen het Natura 2000-gebied Geleenbeekdal komen de voor stikstof gevoelige habitattypen kalkmoerassen (H7230), beuken-eikenbossen met hulst (H9120), eiken-haagbeukenbossen (heuvelland) (H9160B) en vochtige alluviale bossen (beekbegeleidende bossen) (H91EOC) voor, zo staat in de passende beoordeling Geleenbeekdal vermeld. Binnen het Natura 2000-gebied Brunssummerheide komen de voor stikstof gevoelige habitattypen zandverstuivingen (H2330), zure vennen (H3160), vochtige heide (H4010), droge Europese heide (H4030), soortenrijke heischrale graslanden (H6230), actief hoogveen (H7110), pioniervegetaties met snavelbies (H7150) en veenbossen (H91D0) voor, zo volgt uit de passende beoordeling Brunssummerheide. Voor voornoemde habitattypen is in de conceptbesluiten tot aanwijzing van de gebieden als Natura 2000-gebied een doelstelling tot uitbreiding van oppervlak of verbetering van kwaliteit, dan wel is een doelstelling tot uitbreiding van oppervlak en verbetering van kwaliteit opgenomen. Uit de conceptaanwijzingsbesluiten volgt daarnaast dat de habitattypen vochtige alluviale bossen, soortenrijke heischrale graslanden, actief hoogveen en veenbossen de status van prioritair habitattype hebben.
2.35.4. In de passende beoordeling Geleenbeekdal wordt geconcludeerd dat na de aanleg van de BPL sprake zal zijn van een afname van de stikstofdepositie ten opzichte van 2004, omdat de BPL een betere doorstroming en een ontlasting van het onderliggend wegennet tot gevolg zal hebben. Daarnaast wordt deze positieve bijdrage vooral toegeschreven aan het schoner worden van de automotoren. In de passende beoordeling Brunssummerheide wordt eveneens geconcludeerd dat sprake zal zijn van een afname van de stikstofdepositie na aanleg van de BPL ten gevolge van een betere doorstroming en schonere automotoren. In beide passende beoordelingen is de stikstofdepositie op de gebieden in 2004 vergeleken met de verwachte depositie in 2015 na aanleg van de BPL. Geconcludeerd wordt dat sprake is van een afname van de totale stikstofdepositie op deze gebieden.
2.35.5. In het deskundigenbericht staat vermeld dat in de bestaande situatie de N299 verreweg de belangrijkste bron is voor stikstofdepositie op de Brunssummerheide. Volgens het deskundigenbericht speelt een betere doorstroming van het verkeer op het onderliggende wegennet van de regio Parkstad in de toekomst, na ingebruikname van de BPL, dan ook geen belangrijke rol voor kwetsbare habitattypen op de Brunssummerheide. Voorts staat in het deskundigenbericht vermeld dat uit het luchtkwaliteitsonderzoek volgt dat ten gevolge van de aanleg van de BPL aanzienlijk meer gemotoriseerd verkeer wordt verwacht dan in de autonome ontwikkeling. Volgens het deskundigenbericht heeft dit tot gevolg dat de stikstofemissie ten gevolge van het wegverkeer na aanleg van de BPL per kilometer drie maal zo hoog zal liggen als voorheen. Volgens het deskundigenbericht zal de BPL dan ook een toename van de stikstofdepositie op de Brunssummerheide tot gevolg hebben. Ten aanzien van het Geleenbeekdal staat in het deskundigenbericht vermeld dat ten gevolge van de aanleg van de BPL het onderliggende wegennet deels zal worden ontlast. Ter plaatse van het Geleenbeekdal zal de betere verkeersdoorstroming volgens het deskundigenbericht mogelijk enig dempend effect hebben. Evenwel is aannemelijk dat de BPL ter plaatse van het Geleenbeekdal eveneens een toename van de stikstofdepositie tot gevolg zal hebben, zo staat in het deskundigenbericht vermeld.
2.35.6. In reactie op het deskundigenbericht heeft Arcadis in opdracht van provinciale staten het nadere memo "Stikstofdepositie BPL Brunssummerheide/Geleenbeekdal" van 28 juli 2011 (hierna: het memo van Arcadis) opgesteld. Hierin wordt geconcludeerd dat de BPL op zichzelf een toename van de stikstofdepositie op de gebieden Geleenbeekdal en Brunssummerheide tot gevolg zal hebben. De autonome ontwikkeling laat volgens het memo evenwel een afname zien die groter is dan de toename als gevolg van de BPL. Dit komt onder meer door algemene ontwikkelingen zoals het schoner worden van automotoren, zo staat in het memo van Arcadis vermeld. Daarnaast wordt er in het memo van Arcadis op gewezen dat de schadelijke gevolgen van stikstofdepositie in de gebieden met algemene beheermaatregelen worden verminderd. Voorts staat in het memo dat een manege in de nabijheid van de Brunssummerheide de bedrijfsvoering zal beëindigen, hetgeen een verlaging van de stikstofdepositie tot gevolg zal hebben.
2.35.7. De Afdeling wijst erop dat het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen in het arrest van 7 september 2004 in de zaak C-127/02 (Kokkelvisserij; www.curia.europa.eu) heeft overwogen dat voor elk plan of project dat niet direct verband houdt met of nodig is voor het beheer van een gebied, een passende beoordeling moet worden gemaakt van de gevolgen voor dat gebied, rekening houdend met de instandhoudingsdoelstellingen van het gebied, wanneer op grond van objectieve gegevens niet kan worden uitgesloten dat het afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen heeft voor dat gebied. De nationale autoriteiten geven slechts toestemming indien zij de zekerheid hebben verkregen dat het plan of project geen schadelijke gevolgen heeft voor de natuurlijke kenmerken van het gebied. Dit is het geval wanneer wetenschappelijk gezien redelijkerwijs geen twijfel bestaat dat er geen schadelijke gevolgen zijn.
2.35.8. Gelet op het vorenstaande is niet in geschil dat ten gevolge van de BPL de stikstofdepositie op de Natura 2000-gebieden Geleenbeekdal en Brunssummerheide op zichzelf zal toenemen. Nu niet duidelijk is hoe hoog de toename ten gevolge van de BPL zal zijn en hoe deze toename zich verhoudt tot de achtergrondconcentratie, is de Afdeling van oordeel dat op grond van de aan haar bekende gegevens niet kan worden geconcludeerd dat de zekerheid bestaat dat het inpassingsplan de natuurlijke kenmerken van de gebieden Geleenbeekdal en Brunssummerheide niet zal aantasten. Daarbij neemt de Afdeling in aanmerking dat de kritische depositiewaarden van de voor stikstof gevoelige habitattypen in de gebieden Geleenbeekdal en Brunssummerheide in ruime mate worden overschreden. Voorts is hierbij van belang dat voor de gevoelige habitattypen in de ontwerpbesluiten tot aanwijzing van het Geleenbeekdal en de Brunssummerheide verbeterdoelstellingen zijn opgenomen. Naar het oordeel van de Afdeling is niet inzichtelijk gemaakt welke gevolgen de toename van de stikstofdepositie ten gevolge van de BPL zal hebben voor het behalen van deze verbeterdoelstellingen. Daarbij wordt voorts in aanmerking genomen dat het inpassingsplan volgens het deskundigenbericht een forse verkeersaantrekkende werking zal hebben.
Het betoog van provinciale staten dat de autonome ontwikkeling een afname laat zien die groter is dan de toename ten gevolge van de BPL leidt, daargelaten de vraag naar de zekerheid van de mate van die afname in de komende jaren, niet tot een ander oordeel. Nu de effecten van de toename van de stikstofdepositie ten gevolge van de BPL in relatie tot het behalen van de verbeterdoelstellingen voor de voor stikstof gevoelige habitattypen niet inzichtelijk zijn gemaakt, is niet duidelijk in hoeverre de BPL het behalen van deze verbeterdoelstellingen zal vertragen dan wel aan het behalen daarvan in de weg zal staan.
In de uitspraak van 6 juli 2011, nr.
Conclusie
Dit klemt temeer nu in de bestaande situatie reeds sprake is van een onaanvaardbare verkeersdruk op deze wegen.
De Fietsersbond betoogt voorts dat het plan ten behoeve van de gebruiksvriendelijkheid voor fietsers ten onrechte niet voorziet in een fietsverbinding vanaf het NS-station in Kerkrade-centrum langs het miljoenenlijntje naar Simpelveld en een fietsverbinding via het viaduct van de BPL over de Torenstraat. Hiertoe stelt zij dat dit juist in overeenstemming is met het gedachtegoed van de zogenoemde Ladder van Verdaas.
Gelet op het voorgaande en in aanmerking genomen dat aanzienlijke kosten zijn gemoeid met de verwezenlijking van gebruiksvriendelijke en verkeersveilige fietsverbindingen acht de Fietsersbond aannemelijk dat de aanleg van de BPL leidt tot dusdanig hoge kosten dat de voordelen van de BPL, anders dan in het rapport "Toetsing op doelbereik & MKBA" van Ecorys van 8 oktober 2010 staat, niet opwegen tegen de baten, temeer nu vanwege vergrijzing en dalende bevolkingscijfers moet worden getwijfeld aan het nut van de BPL. Het tegendeel volgt ook niet uit de kosten baten-analyse van Ecorys, aldus de Fietsersbond.
2.57.2. Provinciale staten stellen dat de belangen van fietsers voldoende in de besluitvorming zijn betrokken. Voorts stellen zij dat de veiligheid van fietsers niet verslechtert als gevolg van het plan. Zij achten de fietspaden ook voldoende gebruiksvriendelijk.
2.57.3. Ingevolge artikel 7, lid 7.1, aanhef en onder b, van de planregels zijn de voor "Verkeer" aangewezen gronden bestemd voor langzaamverkeersverbindingen zoals voet- en fietspaden.
2.57.4. De Afdeling overweegt dat in deelrapport 4a, behorend bij het inpassingsplan, is beschreven op welke wijze bij de inrichting van wegen rekening wordt gehouden met fietsverkeer. Geen aanleiding bestaat voor het oordeel dat een nader rapport had moeten worden opgesteld met een weergave van de effecten van het plan voor het fietsverkeer, omdat de beschrijving in deelrapport 4a onvoldoende gedetailleerd zou zijn. Dat niet tot in detail duidelijk is welke verkeersmaatregelen op een specifieke locatie worden genomen, is voor dit oordeel niet relevant. Hiertoe wordt overwogen dat concrete verkeersmaatregelen niet in een inpassingsplan worden geregeld. De beroepsgrond dat maatregelen, zoals het plaatsen van verkeerslichten bij kruispunten, een voorrangsregeling en te nemen veiligheidsmaatregelen bij een overgang in het plan moeten worden opgenomen kan derhalve in de onderhavige procedure niet aan de orde komen.
2.57.5. In deelrapport 4a staat dat de Reijmersbekerweg wordt opgewaardeerd tot gebiedsontsluitingsweg buiten de bebouwde kom met een maximumsnelheid van 80 km/uur. Gelet hierop worden de bestaande fietssuggestiestroken vervangen door een vrijliggend fietspad met twee rijrichtingen aan de oostzijde van de Reijmersbekerweg. Het plan maakt dit ook mogelijk. De Afdeling ziet geen aanleiding voor twijfel over de aanleg van het fietspad. Het voorgaande in aanmerking genomen volgt de Afdeling het betoog van de Fietsersbond niet dat ten onrechte geen vrijliggend fietspad langs deze weg wordt aangelegd.
2.57.6. In deelrapport 4a staat dat het plan ertoe leidt dat de verkeersintensiteiten op de Naanhofsweg beperkt zullen toenemen ten opzichte van de bestaande situatie tot ongeveer 2.000 mvt/etmaal. Provinciale staten stellen dat de Naanhofsweg derhalve kan worden gekwalificeerd als een erftoegangsweg met een maximale capaciteit van 5.000 tot 6.000 mvt/etmaal. De Fietsersbond heeft niet aannemelijk gemaakt dat dit onjuist is. Volgens het principe Duurzaam Veilig zijn vrijliggende fietspaden op een erftoegangsweg met een maximumsnelheid van 60 km/uur, zoals op de Naanhofsweg zal gelden, niet noodzakelijk. De Fietsersbond heeft niet aannemelijk gemaakt dat op de Naanhofsweg vanuit het oogpunt van veiligheid desondanks een vrijliggend fietspad zou moeten worden aangelegd.
Voorts staat in het verweerschrift dat de rotondes bij de op- en afritten van de BPL op de route Schuureikenweg-Naanhofsweg van een vrijliggend fietspad worden voorzien, zodat fietsers ter plaatse veilig kunnen oversteken. De Fietsersbond heeft niet aannemelijk gemaakt dat op de route Schuureikenweg-Naanhofsweg desondanks moet worden gevreesd voor een verkeersonveilige situatie bij de op- en afritten van de BPL. Wat betreft de door de Fietsersbond gestelde achteruitgang van de kwaliteit van deze fietsverbinding, mede gelet op de hoogteverschillen en bochten, wordt overwogen dat niet aannemelijk is gemaakt dat de kwaliteit daarvan als gevolg van het plan ernstig verslechtert. Met betrekking tot het betoog dat fietsers op de route Schuureikenweg-Naanhofsweg ten opzichte van de bestaande situatie zullen moeten omfietsen, wordt overwogen dat niet aannemelijk is gemaakt dat deze omrijbeweging zodanig is dat fietsers op de route Schuureikenweg-Naanhofsweg hierdoor ernstig worden benadeeld.
2.57.7. Provinciale staten hebben ter zitting verklaard dat fietsers op de Allee gebruik kunnen maken van een tweezijdig fietspad en dat de kruising Allee-Trichterweg-Akerstraat-Noord Patersweg dusdanig wordt ingericht dat fietsers veilig kunnen oversteken. De nadere detaillering komt in het kader van de inpassing aan de orde, aldus provinciale staten. De Fietsersbond heeft niet aannemelijk gemaakt dat desondanks moet worden gevreesd dat de Allee dan wel de kruising Allee-Trichterweg-Akerstraat-Noord Patersweg niet veilig wordt ingericht.
2.57.8. Voorts staat in het verweerschrift dat de Dentgenbachweg en de Hamstraat zullen fungeren als parallelwegen die alleen bestemmingsverkeer van en naar bedrijventerreinen zullen afwikkelen. Provinciale staten stellen dat de verkeersintensiteiten op deze wegen zodanig laag zijn dat deze niet boven de landelijke streefwaarde voor een erftoegangsweg uitkomen. De Fietsersbond heeft niet aannemelijk gemaakt dat dit onjuist is. Gelet hierop en in aanmerking genomen dat de wegen niet binnen de bebouwde kom zijn gelegen, hebben provinciale staten de Dentgenbachweg en de Hamstraat terecht aangemerkt als erftoegangswegen met een maximale capaciteit van 5.000 tot 6.000 mvt/etmaal. Zij hebben zich terecht op het standpunt gesteld dat de keuze om deze wegen niet van een vrijliggend fietspad te voorzien, niet in strijd is met het principe Duurzaam Veilig. De Fietsersbond heeft voorts niet aannemelijk gemaakt dat dit anderszins leidt tot een verkeersonveilige situatie. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat de verkeersintensiteit op deze wegen in de toekomstige situatie maximaal 2.000 mvt/etmaal zal bedragen en de maximumsnelheid 30 km/uur binnen de bebouwde kom en 60 km/uur buiten de bebouwde kom is.
2.57.9. Volgens het principe Duurzaam Veilig zijn vrijliggende fietspaden op een erftoegangsweg met een maximale snelheid van 60 km/uur niet noodzakelijk. In het verweerschrift staat dat de verkeersintensiteiten op de route Esschenweg-Brommelen-Hellebroek-Nuth en de route Esschenweg-Terlindenweg-Klinkerstraat niet zodanig zullen zijn dat de maximale capaciteit van 6.000 mvt/etmaal voor een erftoegangsweg wordt overschreden. De Fietsersbond heeft niet aannemelijk gemaakt dat dit onjuist is. Gelet hierop hebben provinciale staten zich ten aanzien van de wegen op deze routes, voor zover de maximale snelheid lager is dan 60 km/uur, in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat geen vrijliggend fietspad hoeft te worden aangelegd. Met betrekking tot de delen van de Brommelen en de Esschenweg die als ontsluitingsweg met een maximale snelheid van 80 km/uur fungeren, worden wél vrijliggende fietspaden aangelegd, aldus provinciale staten. De Fietsersbond heeft niet aannemelijk gemaakt dat het plan desondanks leidt tot een verkeersonveilige situatie op de route Esschenweg-Brommelen-Hellebroek-Nuth of de route Esschenweg-Terlindenweg-Klinkerstraat.
2.57.10.
Overwegingen
Voorts bestaat geen grond voor het oordeel dat de ingediende zienswijzen onvoldoende bij de besluitvorming zijn betrokken en evenmin dat onvoldoende kennis kon worden genomen van het inpassingsplan.
Terinzagelegging
2.8. Verschillende appellanten hebben bezwaren aangevoerd ten aanzien van de wijze waarop de terinzagelegging van zowel het ontwerpinpassingsplan als het vastgestelde inpassingsplan heeft plaatsgevonden.
De terinzagelegging van het ontwerpinpassingsplan is volgens verscheidene appellanten onvolledig geweest. Bijlage 2 bij het akoestisch onderzoek is in een latere fase uitsluitend aan de indieners van een zienswijze toegezonden. Degenen die geen zienswijze hebben ingediend, zijn volgens appellanten ten onrechte niet in de gelegenheid gesteld ten aanzien van voormelde bijlage alsnog een zienswijze in te dienen. Verschillende appellanten stellen dat hun door deze handelwijze bovendien de mogelijkheid is ontnomen een integrale zienswijze in te dienen, zodat is gehandeld in strijd met de uitspraak van de Afdeling van 4 mei 2010 in zaak nr. 200904183/3/R2 (www.raadvanstate.nl).
Een aantal appellanten betoogt voorts dat in strijd met artikel 3:11 van de Awb bij de terinzagelegging van het ontwerpinpassingsplan niet alle voor de beoordeling van de effecten van het inpassingsplan op de Natura 2000-gebieden van belang zijnde stukken ter inzage zijn gelegd. Verscheidene appellanten betogen verder dat een aantal andere onderzoeken niet bij het ontwerpinpassingsplan ter inzage is gelegd, dan wel dat deze onderzoeken zijn verricht na de terinzagelegging van het ontwerpinpassingsplan en vervolgens niet ter inzage zijn gelegd.
Voorts hebben verschillende appellanten aangevoerd dat de terinzagelegging van het ontwerpinpassingsplan ten onrechte in de zomerperiode heeft plaatsgevonden. Ook betogen zij dat de zienswijzetermijn ten onrechte is bekort doordat eerst halverwege deze termijn de informatiemarkt heeft plaatsgevonden.
2.8.1. Ten aanzien van de terinzagelegging van het vastgestelde inpassingsplan hebben verschillende appellanten aangevoerd dat is gebleken dat zestien bladzijden uit bijlage 5 bij het akoestisch rapport ontbraken. In december 2010 is om die reden een aangevuld akoestisch rapport ter inzage gelegd. Hieruit volgt volgens appellanten dat de volledige inhoud van het akoestisch rapport ten tijde van de besluitvorming niet bekend was. De beroepstermijn van zes weken is volgens hen daarom vanaf het moment van terinzagelegging van het aangevulde akoestisch rapport opnieuw gaan lopen.
Verschillende appellanten hebben er tevens op gewezen dat de aan het inpassingsplan ten grondslag liggende rapporten veelal zijn gedateerd op 8 oktober 2010. Volgens hen is uitgesloten dat deze rapporten met het inpassingsplan ter inzage hebben gelegen.
Verder heeft de terinzagelegging van het vastgestelde inpassingsplan volgens verschillende appellanten eveneens op een ongunstig moment, te weten rond de kerstperiode, plaatsgevonden.
Ten slotte betogen enkele appellanten dat enkele op het inpassingsplan betrekking hebbende onderzoeken ten onrechte uitsluitend digitaal ter beschikking zijn gesteld. Zij achten dit in strijd met artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) en artikel 1 van het eerste protocol bij het EVRM.
2.8.2. Het ontwerpinpassingsplan heeft van 17 juni 2010 tot en met 28 juli 2010 ter inzage gelegen. Het akoestisch onderzoek zelf, inclusief de bijlagen, met uitzondering van bijlage 2, heeft gedurende zes weken met het ontwerpinpassingsplan ter inzage gelegen. Appellanten hebben niet aannemelijk gemaakt dat het akoestisch onderzoek niet gedurende de volledige zes weken ter inzage heeft gelegen. Tijdens de terinzageligging is gebleken dat bijlage 2 bij het akoestisch onderzoek, deelrapport 10a van 4 juni 2010, "Overzicht gehanteerde verkeersgegevens geluid", aanvankelijk niet ter inzage heeft gelegen. Om deze omissie te herstellen, zijn de ontbrekende verkeersgegevens op 3 augustus 2010 alsnog ter inzage gelegd en is aan alle indieners van een zienswijze de ontbrekende bijlage toegezonden. Zij zijn in de gelegenheid gesteld om gedurende vier weken, tot en met 30 augustus 2010, een nadere zienswijze in te dienen. Onbekende belanghebbenden zijn hierdoor naar het oordeel van de Afdeling niet in hun belangen geschaad, aangezien uit de wel reeds vanaf het begin ter inzage gelegde stukken, waaronder het ontwerpinpassingsplan en het akoestisch onderzoek, duidelijk was welk project het provinciebestuur voornemens was te realiseren. Indien iemand op basis van die ter inzage gelegde stukken geen bezwaar had tegen de aanleg van de BPL, dan is niet aannemelijk dat diegene dat bezwaar wel zou hebben na kennisneming van een bijlage betreffende verkeersgegevens in één van de onderliggende onderzoeken. Gelet op het vorenstaande ziet de Afdeling aanleiding om het gebrek met toepassing van artikel 1.5 van de Chw te passeren.
Voor zover appellanten betogen dat is gehandeld in strijd met voormelde uitspraak van de Afdeling van 4 mei 2010, wordt overwogen dat het onderhavige geval niet overeenkomt met de situatie in die uitspraak, aangezien in dat geval het gehele akoestisch onderzoek niet met het ontwerpplan ter inzage had gelegen. Nu uit de gegevens in bijlage 2 bij het akoestisch onderzoek volgt dat de conclusies van dit onderzoek niet zijn gewijzigd, is niet gebleken dat appellanten door het niet alsnog toelaten van een betwisting van het gehele akoestisch onderzoek in hun belangen zijn geschaad.
Voorts hebben provinciale staten uiteengezet dat ten tijde van de terinzagelegging van het ontwerpinpassingsplan alle op dat moment beschikbare rapporten omtrent de effectenbeoordeling ten aanzien van de Natura 2000-gebieden ter inzage zijn gelegd. Appellanten hebben niet aannemelijk gemaakt dat dit onjuist is. In de bij het ontwerpinpassingsplan ter inzage gelegde rapporten is aangekondigd dat een nadere actuele effectenbeoordeling zou worden gemaakt met de meest recente wetenschappelijke gegevens, die op het moment van terinzagelegging van het ontwerpinpassingsplan nog niet bekend waren. Nu deze nadere effectenbeoordeling ten tijde van de terinzagelegging van het ontwerp nog niet voorhanden was, kon deze beoordeling niet met het ontwerp ter inzage worden gelegd. Niet is gebleken dat belanghebbenden niet op een later tijdstip kennis hebben kunnen nemen van de nadere effectenbeoordeling. Voor zover appellanten betogen dat zij alsnog in de gelegenheid dienden te worden gesteld een zienswijze tegen de aanvulling van de passende beoordelingen naar voren te brengen, overweegt de Afdeling dat een nadere zienswijzeprocedure uitsluitend in de rede ligt indien de aanvullingen zeer omvangrijk zijn en sterk afwijken van het hoofdrapport. Deze omstandigheden doen zich hier niet voor.
Ten aanzien van het betoog dat een aantal andere onderzoeken niet bij het ontwerpinpassingsplan ter inzage is gelegd, wordt overwogen dat het onderzoek naar de luchtkwaliteit dat is verricht ten behoeve van het ontwerpinpassingsplan is geactualiseerd en dat de resultaten van dit onderzoek niet zijn gewijzigd. Het onderzoek naar stikstofdepositie dat ten behoeve van het ontwerpinpassingsplan is gedaan, is geactualiseerd, omdat kort voor de terinzagelegging van het ontwerpinpassingsplan nieuwe emissiefactoren en achtergrondwaarden bekend zijn gemaakt. Voorts is het onderzoek naar de externe veiligheid van de hogedrukgasleidingen van Gasunie geactualiseerd op basis van het definitieve wegontwerp. Nu al deze nadere onderzoeken dateren van na de periode van de terinzageligging van het ontwerpinpassingsplan, konden deze evenmin met het ontwerpinpassingsplan ter inzage worden gelegd.
Voorts is er geen rechtsregel die provinciale staten verplicht nadere onderzoeksrapporten ter inzage te leggen alvorens het besluit tot vaststelling van het inpassingsplan ter inzage te leggen.
Conclusie
201009980/1/M2 (www.raadvanstate.nl), met betrekking tot het tracébesluit A4 Delft-Schiedam waar provinciale staten in dit kader naar hebben verwezen, heeft de Afdeling als volgt overwogen:
"2.44.3 De afstand van het gebied Meijendel en Berkheide tot de A4 bedraagt circa 14 km. Tussen het tracé en het gebied bevinden zich de bebouwde kommen van de gemeenten Delft, Leidschendam-Voorburg en Den Haag. Uit het door Arcadis B.V. opgestelde rapport "Natuurtoets/ Compensatievisie/ Compensatieplan" van september 2010 blijkt dat als gevolg van de aanleg van de A4 sprake is van een geringe toename van de verkeersintensiteiten op de Landscheidingsweg. Tevens blijkt uit dit rapport dat er na realisatie van de A4 (2016-2020) geen toename is van de depositie ten opzichte van de situatie in 2010. Dit komt omdat de autonome ontwikkeling tot 2016-2020 een afname laat zien ten opzichte van de situatie in 2010 die groter is dan de beperkte toename als gevolg van de aanleg van de A4. Gelet hierop is niet vereist dat een passende beoordeling als bedoeld in artikel 19j, tweede lid, van de Nbw 1998 werd gemaakt.".
Deze uitspraak heeft betrekking op een situatie waarbij de voorziene weg op ongeveer 14 km van het desbetreffende Natura 2000-gebied is gelegen. Nu het een indirecte en beperkte toename betrof kon in dat geval worden geoordeeld dat significante effecten op het desbetreffende Natura 2000-gebied waren uitgesloten. Uit voornoemde uitspraak kan niet worden afgeleid dat in iedere situatie waarin sprake zou zijn van een autonome afname van de stikstofdepositie op een Natura 2000-gebied die groter is dan de toename ten gevolge van een bepaald plan of project, zonder meer kan worden geoordeeld dat geen sprake is van een aantasting van de natuurlijke kenmerken van dat gebied. Daarbij acht de Afdeling tevens van belang dat in het onderhavige geval na de afname van de stikstofdepositie in de autonome ontwikkeling de kritische depositiewaarden van de voor stikstof gevoelige habitattypen bij de ingebruikname van de weg toch nog in ruime mate zullen worden overschreden. Voorts doorkruist de BPL de Natura 2000-gebieden Geleenbeekdal en Brunssummerheide en staat vast dat de BPL een forse verkeersaantrekkende werking zal hebben.
Voor zover provinciale staten daarnaast hebben gewezen op de beëindiging van de bedrijfsvoering van de manege en de maatregelen die in de Natura 2000-gebieden zullen worden uitgevoerd om de effecten van stikstofdepositie op de gebieden te verminderen, overweegt de Afdeling dat provinciale staten slechts in algemene zin hebben verwezen naar maatregelen die zullen worden opgenomen in het beheerplan. Onvoldoende duidelijk is in hoeverre met deze maatregelen de gevolgen van de stikstofdepositie ten gevolge van de BPL kunnen worden gemitigeerd. Ook dit betoog van provinciale staten leidt niet tot een ander oordeel.
2.35.9. Uit het voorgaande volgt dat provinciale staten zich ten onrechte op het standpunt hebben gesteld dat uit de passende beoordelingen de zekerheid is verkregen dat de natuurlijke kenmerken van de Natura 2000-gebieden Geleenbeekdal en Brunssummerheide niet zullen worden aangetast. Gelet hierop is het inpassingsplan voor zover het betreft de plandelen met de bestemming "Verkeer" ter hoogte van de Natura 2000-gebieden Geleenbeekdal en Brunssummerheide, vastgesteld in strijd met artikel 19j, derde lid, van de Nbw 1998, gelezen in samenhang met artikel 19g, eerste lid, van deze wet.
Hydrologische effecten ten aanzien van Natura 2000-gebieden
2.36. Verschillende appellanten betogen voorts dat onvoldoende gedetailleerd onderzoek is gedaan naar de gevolgen van de BPL voor de hydrologie ter plaatse van het Natura 2000-gebied Geleenbeekdal. Volgens appellanten houdt het gehanteerde model onvoldoende rekening met de complexe hydrologische situatie ter plaatse, omdat te weinig meetpunten zijn gehanteerd. Door de aanleg van de BPL zullen de bestaande grondwaterstromen worden beïnvloed, hetgeen invloed heeft op de waterhuishouding in het Geleenbeekdal en de Kathagerbeemden. Appellanten betogen voorts dat onduidelijk is wat de effecten van afstromend wegwater zullen zijn. Toestroom van verontreinigd water vanaf de weg richting kwetsbare habitattypen is gelet hierop niet uit te sluiten. Dit kan volgens hen een negatief effect hebben op de instandhoudingsdoelstellingen van het Natura 2000-gebied Geleenbeekdal. In dit verband verwijzen zij naar de "Hydrologische systeemanalyse hellingveen Kathagerbroek in Zuid Limburg, afstudeeronderzoek vakgroep hydrologie en kwantitatief waterbeheer, Wageningen" van S. Bus uit 2011 (hierna: systeemanalyse Bus).
2.36.1. In de passende beoordeling Geleenbeekdal zijn onder meer de mogelijke hydrologische effecten ten gevolge van de BPL ten aanzien van dit gebied bezien. Daarnaast is ten behoeve van de BPL een hydrologisch onderzoek verricht. De resultaten van dit onderzoek zijn neergelegd in het rapport "Geohydrologisch onderzoek behorende bij het inpassingsplan Buitenring Parkstad Limburg" van 8 oktober 2010 (hierna: het geohydrologisch onderzoek). In de passende beoordeling en het geohydrologisch onderzoek wordt geconcludeerd dat niet aannemelijk is dat de grondwaterstanden in het gebied en het kwetsbare habitattype Kalkmoeras (H7230) zullen worden beïnvloed ten gevolge van de BPL. Daarnaast wordt de afwatering van het achterliggende gebied gewaarborgd en is de zetting als gevolg van het grondlichaam niet van dien aard dat deze invloed zal hebben op de grondwaterstroming, zo staat in de passende beoordeling Geleenbeekdal en het geohydrologisch onderzoek vermeld. Croonen Adviseurs en Deltares hebben aanvullend onderzoek gedaan naar onder meer de hydrologische gevolgen voor het Geleenbeekdal. De resultaten van deze onderzoeken zijn neergelegd in de rapportages "Nadere rapportage Natuur Provinciaal inpassingsplan Buitenring Parkstad Limburg" van 12 augustus 2011 (hierna: de rapportage van Croonen) en "Effecten van de Buitenring Parkstad Limburg op de natuurwaarden" van 19 juli 2011 (hierna: de rapportage van Deltares).
2.36.2. Met betrekking tot het gehanteerde aantal meetpunten en het grondwatermodel hebben provinciale staten uiteengezet dat voor de grondwatermodellering gebruik is gemaakt van gegevens en het modelinstrumentarium van het Integraal Water- en nitraatmodel Heuvelland. Het grondwatermodel dat is gebaseerd op het rekenmodel Groundwater Vistas 5 is volgens provinciale staten toegespitst op het aandachtsgebied. Met dit model kunnen veranderingen ten opzichte van de bestaande situatie in beeld worden gebracht. In de rapportage van Deltares staat vermeld dat dit model weliswaar niet is bedoeld om in detail de verschillende grondwaterstromen te bezien, maar dat het model voldoende zekerheid geeft omtrent de globale grondwaterstromen. Voor zover volgens appellanten uit de systeemanalyse Bus volgt dat de grondwaterstromen door provinciale staten onjuist zijn vastgesteld, is ter zitting namens provinciale staten door dr. G. van Wirdum, werkzaam als hydroloog bij Deltares, uiteengezet dat de verbanden die worden gelegd tussen de verschillende meetpunten in de systeemanalyse Bus niet logisch zijn, omdat de getekende grondwaterstromen naar de meetpunten worden toegetrokken. Het is gelet hierop, anders dan appellanten stellen, niet aannemelijk dat er een grondwaterstroom richting het Jeugrubbebos en de Kathagerbeemden loopt, aldus Van Wirdum. Appellanten hebben dit niet gemotiveerd bestreden. Voorts staat in de rapportage van Croonen vermeld dat de constructie en de aanleg van de BPL grotendeels boven de grondwaterspiegel zullen plaatsvinden. Provinciale staten hebben dit ter zitting bevestigd. Gelet hierop zal de beïnvloeding van de grondwaterstromen door de aanleg van de BPL gering zijn. In hetgeen appellanten naar voren hebben gebracht, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat provinciale staten het gehanteerde grondwatermodel niet aan de besluitvorming ten grondslag mochten leggen.
Conclusie
Met betrekking tot de Kantstraat hebben provinciale staten toegelicht dat de verkeersintensiteit in de huidige situatie ongeveer 9.000 mvt/etmaal bedraagt en dat deze als gevolg van de aanleg van de BPL toeneemt tot ruim 14.000 mvt/etmaal. De snelheid binnen de bebouwde kom zal 50 km/uur bedragen, aldus provinciale staten. Zij stellen dat het plan fietsstroken op de Kantstraat mogelijk maakt en dat in overleg met de gemeente Landgraaf zal worden bezien of de aanleg daarvan nodig is. Met betrekking tot de Hoogstraat hebben provinciale staten ter zitting verklaard dat de situatie op deze weg als gevolg van de aanleg van de BPL niet wijzigt en dat het bestaande fietspad en de fietsstroken behouden blijven. De Afdeling is van oordeel dat de Fietsersbond niet aannemelijk heeft gemaakt dat provinciale staten de veiligheid van fietsers op de Kantstraat en de Hoogstraat onvoldoende in de besluitvorming hebben betrokken.
2.57.11. In hetgeen de Fietsersbond heeft aangevoerd wordt voorts geen aanleiding gezien voor het oordeel dat provinciale staten niet in redelijkheid hebben kunnen afzien van een fietsverbinding vanaf het NS-station in Kerkrade-centrum langs het miljoenenlijntje naar Simpelveld en een verbinding via het viaduct van de BPL over de Torenstraat. Daarbij hebben zij van belang kunnen achten dat deze routes in de bestaande situatie niet aanwezig zijn en dat de BPL in zoverre niet leidt tot wijzigingen in de fietsstructuur ten opzichte van de bestaande situatie. Het betoog dat de aanleg van deze fietsverbindingen in overeenstemming is met het - hiervoor in 2.10.8.1 beschreven - gedachtegoed van de Ladder van Verdaas, wat daar verder ook van zij, leidt niet tot een ander oordeel. Hiertoe wordt overwogen dat provinciale staten in beginsel beleidsvrijheid hebben bij de keuze om al dan niet een ruimtelijke ontwikkeling mogelijk te maken.
2.57.12. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen heeft de Fietsersbond niet aannemelijk gemaakt dat de belangen van fietsers op de door haar genoemde fietsverbindingen, wegen of kruispunten onvoldoende in de besluitvorming zijn betrokken. In hetgeen de Fietsersbond heeft aangevoerd wordt evenmin aanleiding gezien voor het oordeel dat de belangen van fietsers anderszins onvoldoende in de besluitvorming zijn betrokken. Zij heeft voorts niet aannemelijk gemaakt dat de keuze om de BPL aan te leggen als weg met 2x2 rijstroken leidt tot ruimtegebrek voor de verwezenlijking van fietsvoorzieningen.
De betogen dat de landschapsbeleving van fietsers zal afnemen en dat moet worden gevreesd dat natuurgebieden niet meer bereikbaar zijn per fiets, zijn niet nader onderbouwd en treffen derhalve geen doel.
Ten slotte hebben provinciale staten ter zitting verklaard dat voldoende financiële middelen voorhanden zijn om fietsvoorzieningen te realiseren en dat tevens met deze kosten rekening is gehouden in de kosten baten-analyse van Ecorys. De Fietsersbond heeft niet aannemelijk gemaakt dat dit onjuist is. Voor zover zij twijfelt aan het nut van de BPL wordt met verwijzing naar het algemene deel van deze uitspraak overwogen dat provinciale staten zich in redelijkheid op het standpunt hebben kunnen stellen dat het nut voldoende is aangetoond.
2.57.13. In hetgeen de Fietsersbond heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat provinciale staten zich niet in redelijkheid op het standpunt hebben kunnen stellen dat het plan in zoverre strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep van de Fietsersbond is ongegrond.
Tracékeuze verbeelding - bladen 1 en 2
2.58. Enkele appellanten kunnen zich niet verenigen met de keuze die in het MER "Buitenring Parkstad Limburg, Deel A-1: Hoofdnota-Noord" is gemaakt voor het noordelijk trajectdeel. Zij betogen dat niet valt in te zien waarom voor het tracé langs Vaesrade, gelegen ten noorden van het Jeugrubbebos, is gekozen en niet voor het Randwegtracé. Deze keuze leidt tot een grote aantasting van het landschap, de bodem, natuurwaarden en een aantasting en versnippering van het EHS-gebied, aldus appellanten. Zij voeren aan dat de natuurwaarden alleen kunnen worden aangetast, indien hiertoe een dwingende noodzaak bestaat, geen alternatieven voorhanden zijn en daarnaast een volledige compensatie wordt geboden voor de natuur die verloren gaat, de zogenoemde ADC-toets. Daarvan is volgens hen echter geen sprake. Voorts betogen zij dat sprake is van strijd met het "Nee, tenzij-principe", de zorgplicht in artikel 2 van de Ffw en het provinciaal beleid dat op de plaatsen waar eerder insnijdingen zijn gemaakt in de natuur - zoals in dit geval met de aanleg van de Randweg in de jaren '80 - voor de aanleg van infrastructuur gebruik wordt gemaakt van de bestaande infrastructuur. Appellanten voeren verder aan dat de inwoners van Vaesrade door de keuze voor het tracé langs Vaesrade worden achtergesteld ten opzichte van de inwoners van Hoensbroek. Voorts is betoogd dat de voor- en nadelen van het tracé langs Vaesrade ten onrechte zijn vergeleken met de voor- en nadelen van het Randwegtracé en niet met het woon- en leefklimaat in de bestaande situatie.
2.58.1. De Afdeling overweegt dat provinciale staten bij de keuze van de bestemmingen een afweging dienen te maken van alle belangen die betrokken zijn bij de vaststelling van het plan. Daarbij hebben provinciale staten beoordelingsvrijheid. De voor- en nadelen dienen in die afweging te worden meegenomen.
Wat betreft de gestelde aantasting van EHS-gebied en het Natura 2000-gebied Geleenbeekdal verwijst de Afdeling naar hetgeen hieromtrent in het algemene deel van de uitspraak is overwogen.
Volgens het MER, Deel A-1 - Hoofdrapport Tracédeel Noord leidt het Randwegtracé in mindere mate tot een versnippering van de natuur, een aantasting van het landschap en de bodem dan het tracé langs Vaesrade. Provinciale staten stellen echter dat het Randwegtracé dichter langs de bebouwde kom van Hoensbroek loopt, hetgeen leidt tot een hogere geluidsbelasting in woongebied dan het tracé langs Vaesrade. Gelet hierop is de keuze voor het tracé langs Vaesrade gemaakt. Het besluit van provinciale staten om doorslaggevend gewicht toe te kennen aan het woon- en leefmilieu van inwoners van Hoensbroek is niet onredelijk. Hierbij wordt in aanmerking genomen de toelichting van provinciale staten ter zitting dat de verschillen wat betreft het aspect natuur en omgeving niet groot zijn in vergelijking met het Randwegtracé en dat bovendien mitigerende en compenserende maatregelen worden genomen. Het voorgaande in aanmerking genomen wordt voorts geen aanleiding gezien voor het oordeel dat sprake is van strijd met artikel 2 van de Ffw.
Voorts wordt overwogen dat uit het MER volgt welke gevolgen de keuze voor het Randwegtracé met zich brengt ten opzichte van het bestaande woon- en leefklimaat. Vervolgens zijn de voor- en nadelen van het tracé langs Vaesrade ten opzichte van het Randwegtracé inzichtelijk gemaakt. Hierdoor is, anders dan appellanten betogen, ook inzichtelijk welke gevolgen het tracé langs Vaesrade heeft voor het woon- en leefklimaat in de bestaande situatie. Met betrekking tot het betoog dat de keuze voor het Vaesradetracé in strijd is met het provinciaal beleid dat op de locaties waar eerder insnijdingen zijn gemaakt in de natuur voor de aanleg van infrastructuur gebruik wordt gemaakt van de bestaande infrastructuur, wordt overwogen dat provinciale staten ter zitting hebben toegelicht dat het noodzakelijk is dat het tracé van de BPL op enige locatie afbuigt van het tracé van de Randweg, zodat een tweede insnijding niet kan worden vermeden. De Afdeling acht dit standpunt niet onjuist.
Verbeelding - blad 1
Het beroep van [appellant sub 12]
2.59.
Overwegingen
Bovendien hebben provinciale staten zich op het standpunt gesteld dat alle rapporten die ten grondslag zijn gelegd aan het plan ter inzage zijn gelegd en zijn gepubliceerd op de website www.buitenring.nl. Appellanten hebben niet aannemelijk gemaakt dat dit niet het geval is geweest.
2.8.3. Het vastgestelde inpassingsplan heeft van 25 november 2010 tot en met 6 januari 2011 ter inzage gelegen. Gebleken is dat bij de terinzagelegging zestien bladzijden uit bijlage 5 bij het akoestisch rapport ontbraken. Provinciale staten hebben deze omissie hersteld door de desbetreffende bladzijden vanaf 25 december 2010 digitaal beschikbaar te stellen op de website www.buitenring.nl en vanaf 27 december 2010 in papieren vorm op een groot aantal locaties ter inzage te leggen. De indieners van een zienswijze zijn hiervan schriftelijk op de hoogte gesteld. Het betoog dat de stukken slechts digitaal ter beschikking zijn gesteld mist, gelet op het voorgaande, feitelijke grondslag. Derhalve wordt reeds daarom geen aanleiding gezien voor het oordeel dat is gehandeld in strijd met artikel 6 van het EVRM dan wel artikel 1 van het eerste protocol bij het EVRM.
De Afdeling stelt voorts vast dat het gaat om de terinzagelegging van het bestreden besluit. Zou met betrekking tot de terinzagelegging van het vastgestelde inpassingsplan van onregelmatigheden, zoals de beweerdelijk niet ter inzage gelegen hebbende rapporten van 8 oktober 2010, sprake zijn, dan kan dit niet afdoen aan de rechtmatigheid van het bestreden besluit. Overigens is niet gebleken dat appellanten door voormelde handelwijze van provinciale staten in hun belangen zijn geschaad. Er bestaat geen grond voor het oordeel dat de beroepstermijn vanaf het moment van terinzagelegging van het aangevulde akoestisch rapport opnieuw is gaan lopen.
2.8.4. Ten aanzien van het betoog van appellanten dat het ontwerpinpassingsplan en het vastgestelde inpassingsplan ten onrechte in vakantieperioden ter inzage hebben gelegen en dat eerst halverwege de zienswijzetermijn de informatiemarkt is gehouden, wordt overwogen dat de Wro noch de Awb zich tegen die handelwijze verzet en dat dit evenmin met zich brengt dat de zienswijzetermijn is bekort.
Onzorgvuldige voorbereiding en totstandkoming plan
2.9. Verschillende appellanten hebben zich op het standpunt gesteld dat het inpassingsplan niet op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen. Zij hebben in dit verband aangevoerd dat de keuze voor een ringstructuur door provinciale staten niet is gemotiveerd. Voorts hebben provinciale staten zich volgens verschillende appellanten reeds vanaf een vroeg stadium geconcentreerd op de aanleg van de BPL binnen één bepaalde corridor. Andere mogelijke corridors en de nulplusvariant hebben provinciale staten volgens hen niet serieus overwogen. Voorts is onder verwijzing naar twee alternatieven aangevoerd dat provinciale staten ten onrechte geen corridors tegen elkaar hebben afgewogen.
Enkele appellanten hebben zich verder op het standpunt gesteld dat uit het feit dat provinciale staten in hun vergadering van 8 oktober 2010 een aantal moties hebben aangenomen, kan worden afgeleid dat het vaststellingsbesluit op onzorgvuldige wijze tot stand is gekomen.
Verschillende appellanten hebben er voorts op gewezen dat de aan het inpassingsplan ten grondslag liggende onderzoeksrapporten veelal zijn gedateerd op 8 oktober 2010. Volgens hen is het gelet hierop niet aannemelijk dat provinciale staten ten tijde van de vaststelling van het besluit van de inhoud van de desbetreffende rapporten op de hoogte hebben kunnen zijn.
Voorts is aangevoerd dat het rapport "Buitenring Parkstad Limburg Toetsing op doelbereik & MKBA" van Ecorys Nederland B.V. (hierna: Ecorys) van 8 oktober 2010, dat ten grondslag ligt aan het inpassingsplan, ten onrechte in een zeer laat stadium is opgesteld.
Verder is volgens verschillende appellanten sprake van schending van het fair play-beginsel, aangezien het rapport over het nulplusalternatief van onderzoeksbureau DHV eerst in augustus 2010 is gepubliceerd, voormeld rapport van Ecorys eerst kort voor de terinzagelegging van het inpassingsplan is vrijgegeven en bijlage 2 bij het akoestisch onderzoek moest worden nagestuurd.
Enkele appellanten hebben ten slotte aangevoerd dat zij geen daadwerkelijke invloed op de inhoud van het plan hebben kunnen uitoefenen, omdat te weinig overleg met de bewoners is gevoerd en bij de informatiebijeenkomsten fundamentele aspecten zoals alternatieven voor de BPL of optimalisaties van het tracé, niet ter discussie stonden.
Keuze voor een ringstructuur en de afweging van alternatieven waaronder het nulplusalternatief
2.9.1. Het betoog van appellanten dat provinciale staten niet hebben gemotiveerd waarom is gekozen voor een ringstructuur, kan niet worden gevolgd. In de startnotitie voor de tracé/MER-studie Buitenring Parkstad Limburg van 7 september 1999 is hieromtrent vermeld dat voor het goed functioneren van het stedelijk gebied van Parkstad een goede ontsluiting op minimaal regionaal niveau is vereist, bij voorkeur in de vorm van een omsluitende ringwegstructuur waarop centrale overstap- en overslagpunten aangesloten kunnen worden. Voorts hebben provinciale staten er onder meer ter zitting op gewezen dat is gekozen voor een ringstructuur vanwege de ontsluiting van het regionale en interregionale verkeer. Met een ringstructuur kan het verkeer uit de kernen worden geweerd, zodat daar minder sprake is van verkeersoverlast, geluidsoverlast en stank. Provinciale staten hebben gezien deze motivering in redelijkheid een ringstructuur als uitgangspunt kunnen nemen voor de aanleg van de BPL.
Provinciale staten hebben voorts toegelicht hoe de besluitvorming omtrent het te kiezen tracé binnen die ringstructuur heeft plaatsgevonden. In dit verband hebben provinciale staten uiteengezet dat in augustus 2000, in de eerste fase van de m.e.r.-procedure, de Tracénota/MER fase 1 is opgesteld, waarbij het gebied van Parkstad is opgedeeld in de segmenten A tot en met F. Deze alternatieve segmenten, ook wel corridors genaamd, zijn in deze fase met elkaar vergeleken. Op basis van de resultaten uit het MER fase 1 is in het Provinciaal Omgevingsplan Limburg 2001 (hierna: het POL 2001) een corridor opgenomen voor de realisatie van de BPL.
Volgend op het MER fase 1 zijn in de tweede fase van het MER de verschillende tracé-alternatieven, alsmede de milieugevolgen hiervan, inzichtelijk gemaakt. Deze fase van het MER is gecombineerd met de Umweltsverträglichkeitsstudie (hierna: UVS) voor de Duitse B258n. Er is een integrale MER/UVS-studie uitgevoerd die heeft geresulteerd in de Tracénota/MER-UVS Buitenring Parkstad-B258n (hierna: TN/MER-UVS) van 27 mei 2008. Hierin zijn negentien tracé-alternatieven onderzocht. Voorts zijn binnen het basisontwerp van deze alternatieven variaties onderzocht. In de TN/MER-UVS is een meest milieuvriendelijk alternatief (hierna: mma) opgenomen. Het mma is als uitgangspunt genomen voor de bepaling van het voorkeursalternatief. Bij de bepaling van het voorkeursalternatief zijn naast de thema’s mens en omgeving ook de thema’s verkeer, economie en toerisme afgewogen en zijn bovendien het bestuurlijk en maatschappelijk belang en de kosten meegenomen. Het mma en mogelijke alternatieven zijn aan bovenstaande aspecten getoetst, hetgeen heeft geresulteerd in een bestuurlijk voorkeursalternatief. Zowel de richtlijnen van de Commissie voor de milieu-effectrapportage (hierna: de Commissie m.e.r.) als de zienswijzen hebben volgens provinciale staten geen aanleiding gegeven om andere, geheel nieuwe, alternatieven te onderzoeken.
Mede op basis van de TN/MER-UVS heeft het college van gedeputeerde staten een standpunt ingenomen over het voorkeurstracé. Beide documenten hebben ter inzage gelegen en een ieder heeft zijn zienswijze daarover kenbaar kunnen maken. De Commissie m.e.r. heeft, rekening houdend met de inspraakreacties, op 11 november 2008 een toetsingsadvies uitgebracht over de TN/MER-UVS, inclusief de eerste aanvulling op het MER.
Conclusie
Voorts bestaat geen grond voor het oordeel dat de grondwaterstromen door de aanleg van de BPL dusdanig zullen worden beïnvloed dat niet is uitgesloten dat de natuurwaarden van het Geleenbeekdal zullen worden aangetast.
2.36.3. Met betrekking tot de mogelijke gevolgen van afstromend wegwater hebben provinciale staten aangegeven dat door de toepassing van geluidreducerend asfalt en de aanleg van kleibodems in infiltratiesloten verspreiding van verontreiniging zo veel mogelijk zal worden voorkomen. In het afwateringsplan dat ten behoeve van de BPL is opgesteld, is nog een aantal maatregelen opgenomen waarbij rekening is gehouden met de aanwezigheid van kwetsbare gebieden. Zo wordt het afstromende regenwater via gesloten buizen of leidingen onder de weg geleid. De neerslag die op het verharde oppervlak zal vallen wordt grotendeels via een opvangsysteem voorgereinigd, waarna de neerslag lokaal kan infiltreren, zo staat in de rapportage Croonen vermeld. Voorts blijven volgens deze rapportage verontreinigingen in afstromend wegwater binnen een afstand van enkele tientallen meters van de weg in de bodem gebonden en bereiken deze het grondwater niet. Een uitzondering hierop zou chloride uit strooizout kunnen zijn. Op 100 m afstand van de weg zal de bijdrage van chloride van het strooizout evenwel opgaan in de achtergrondbelasting in het gebied. De kwetsbare habitattypen bevinden zich op een grotere afstand van de weg, aldus de rapportage van Croonen. Ten behoeve van de waterkwaliteit worden kolken met slibvang toegepast en wordt voor de monding in de Geleenbeek een afzonderlijke bezinkput aangelegd. Het waterschap heeft hiermee ingestemd. Voor zover appellanten hebben gewezen op mogelijke effecten op de waterhuishouding ter plaatse van het Leeuwenbos, hetgeen weer effect zou kunnen hebben op de waterhuishouding in de overige gebieden, hebben provinciale staten ter zitting uiteengezet dat ter plaatse van de turborotonde bij Nuth een opslagbassin zal worden gerealiseerd in de bocht van de weg. In dit opslagbassin zal het afstromend wegwater worden opgevangen, zodat er geen gevolgen optreden voor de grondwaterstand. Gelet op het vorenstaande ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat provinciale staten zich ten onrechte op het standpunt hebben gesteld dat ten gevolge van het afstromend wegwater de natuurwaarden van het Geleenbeekdal niet zullen worden aangetast.
Verstoring door licht
2.37. Enkele appellanten betogen dat onvoldoende rekening is gehouden met mogelijke lichtverstoring van soorten in de Natura 2000-gebieden Geleenbeekdal en Brunssummerheide ten gevolge van de BPL. Met betrekking tot het Natura 2000-gebied Geleenbeekdal wordt in de passende beoordeling geconcludeerd dat maatregelen zullen worden getroffen, zonder dat duidelijk wordt in hoeverre dit ook daadwerkelijk zal gebeuren. Voorts wordt er in de passende beoordeling Brunssummerheide ten onrechte van uitgegaan dat ten gevolge van de lichtstraling van auto's geen lichtverstoring zal optreden, omdat ter plaatse geen bochten aanwezig zijn. Volgens appellanten is autoverlichting asymmetrisch en kan gelet hierop verstoring door licht optreden.
2.37.1. Provinciale staten stellen zich op het standpunt dat voldoende onderzoek heeft plaatsgevonden naar de mogelijke verstoring ten gevolge van licht. Zowel de habitatsoorten als de habitattypen bevinden zich op een dusdanige afstand van de BPL dat geen negatieve effecten zijn te verwachten ten gevolge van lichtverstoring.
2.37.2. In de passende beoordeling Geleenbeekdal en de passende beoordeling Brunssummerheide is aandacht besteed aan de mogelijke effecten van licht ten gevolge van de BPL. In de passende beoordeling Geleenbeekdal wordt geconcludeerd dat de wegverlichting ter hoogte van de Kathagerbeemden niet substantieel zal wijzigen. Ook in de huidige situatie is de N298 verlicht. Er zullen dan ook geen wezenlijke effecten optreden met betrekking tot het Geleenbeekdal. Indien nieuwe verlichting de omgeving zal beschijnen, is een beperkt negatief effect volgens de passende beoordeling niet uit te sluiten. Indien een aantal in de passende beoordeling genoemde mitigerende maatregelen wordt getroffen zal de BPL de natuurlijke kenmerken van het Geleenbeekdal niet aantasten. Zo dient ter plaatse van de Geleenbeek geen verlichting te worden geplaatst en dient de verlichting op het overige gedeelte van het traject te worden gericht op de weg om uitstraling op de omgeving te voorkomen. Het plan biedt hiertoe ruimte. Voor zover appellanten hebben aangevoerd dat de benodigde mitigerende maatregelen in het inpassingsplan dienden te worden opgenomen hebben provinciale staten zich op het standpunt gesteld dat de benodigde maatregelen zich naar hun aard en mede gelet op de omvang van het project meer lenen om te worden opgenomen in de vergunning op grond van de Nbw 1998. De Afdeling acht dit standpunt niet onredelijk. In het aangevoerde ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat provinciale staten zich ten onrechte op het standpunt hebben gesteld dat de natuurlijke kenmerken in het Geleenbeekdal niet zullen worden aangetast ten gevolge van verstoring door licht.
2.37.3. In de passende beoordeling Brunssummerheide wordt geconcludeerd dat lichtverstoring als gevolg van passerende auto's geen effect zal hebben op de Brunssummerheide. Autolampen schijnen recht vooruit en belichten daardoor alleen in bochten de wegbermen. Het weggedeelte bij de Brunssummerheide loopt recht waardoor er geen effect zal zijn van lichtverstoring ten gevolge van passerende auto's.
Volgens het deskundigenbericht hebben auto's een sterke lichtbundeling naar rechts, zodat niet zonder meer kan worden gesteld dat bij een rechte weg in het geheel geen verstoring door licht optreedt. Appellanten hebben op zichzelf dan ook terecht naar voren gebracht dat deze constatering in de passende beoordeling niet volledig juist is. Voorts wordt in de passende beoordeling Brunssummerheide evenwel geconcludeerd dat de soorten waarvoor het gebied volgens het ontwerpaanwijzingsbesluit zal worden aangewezen als Habitatrichtlijngebied, te weten de kamsalamander en de spaanse vlag, niet gevoelig zijn voor verstoring door licht. Daarnaast zijn volgens de passende beoordeling Brunssummerheide de habitattypen in het gebied gelegen op een dusdanige afstand van de BPL dat ook ten aanzien daarvan geen negatieve effecten zijn te verwachten. Gelet hierop ziet de Afdeling in hetgeen appellanten hebben aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat provinciale staten zich ten onrechte op het standpunt hebben gesteld dat ten aanzien van de natuurwaarden in het gebied Brunssummerheide geen verstoring door licht zal optreden.
Verstoring door geluid
2.38. Appellanten betogen dat onvoldoende zekerheid bestaat omtrent het antwoord op de vraag of de soorten waarvoor de Natura 2000-gebieden Geleenbeekdal en Brunssummerheide zijn aangemeld, zullen worden verstoord door geluid. Volgens hen is ten behoeve van de passende beoordeling Geleenbeekdal ten onrechte gebruik gemaakt van de methode Reijnen en Foppen. Inmiddels wordt deze methode volgens hen niet meer toegepast.
2.38.1. Provinciale staten hebben uiteengezet dat in het Natura 2000-gebied Geleenbeekdal geen negatieve effecten zijn te verwachten ten gevolge van geluid. Nu de BPL zal worden aangelegd met stil asfalt zal er ten aanzien van de Brunssummerheide zelfs een verbetering optreden, zo stellen provinciale staten.
2.38.2. In de passende beoordeling Geleenbeekdal en in de passende beoordeling Brunssummerheide wordt geconcludeerd dat de habitattypen en -soorten in deze gebieden geen negatief effect ondervinden ten gevolge van geluid. Van belang hierbij is dat de BPL ter plaatse van het Geleenbeekdal en de Brunssummerheide zal worden aangelegd met stil asfalt. Daarnaast is bezien in hoeverre de soorten die in de aanwijzingsbesluiten tot beschermd natuurmonument van de gebieden Kathagerbeemden en Brunssummerheide zijn genoemd, effecten ondervinden ten gevolge van geluid.
Conclusie
[appellant sub 12] vreest voor ernstige geluidhinder ter plaatse van zijn bedrijfswoning aan de Vloedsgraaf 1a te Schinnen vanwege de A76 die met de aansluiting van de BPL op de A76 wordt gewijzigd en de Nutherweg die ten behoeve van de BPL hernieuwd wordt aangelegd.
2.59.1. De gronden van [appellant sub 12] liggen in de geluidszone van de A76 die met de aansluiting van de BPL op de A76 wordt gewijzigd. De normering in de Wgh is, gelet op het bepaalde in artikel 100, gelezen in samenhang met artikel 1, slechts van toepassing indien de geluidsbelasting vanwege de wijziging met 2 dB of meer wordt verhoogd. Berekend is dat de geluidsbelasting van de A76 op de gevel van de woning van [appellant sub 12] in de huidige situatie 50,10 dB en in de toekomstige situatie 50,28 dB bedraagt. Provinciale staten hebben zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het woon- en leefklimaat van [appellant sub 12] door een toename van de geluidsbelasting met 0,18 dB niet ernstig wordt aangetast.
Voor zover [appellant sub 12] vreest dat ten gevolge van de nieuwe Nutherweg ernstige geluidhinder optreedt wordt als volgt overwogen. Omdat de Nutherweg wordt aangelegd als nieuwe weg, bedraagt de ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting vanwege deze weg ingevolge artikel 82, eerste lid, van de Wgh 48 dB. Berekend is dat de geluidsbelasting op de gevel van de woning vanwege de nieuwe Nutherweg 41 dB zal bedragen. Daarmee blijft de geluidsbelasting vanwege deze weg ruim onder de voorkeursgrenswaarde van 48 dB. Gelet hierop hebben provinciale staten zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de aanleg van de Nutherweg ter hoogte van de woning van [appellant sub 12] niet leidt tot ernstige geluidhinder.
2.59.2. [appellant sub 12] voert verder aan dat het tracé van de BPL dat wordt aangelegd ter hoogte van zijn grondverzetbedrijf aan de Vloedsgraaf 1a te Schinnen, leidt tot een afname van de bereikbaarheid van zijn bedrijf voor zware landbouwvoertuigen. Hiertoe stelt hij dat deze voertuigen niet langer gebruik kunnen maken van de bestaande randwegen, omdat deze wegen hernieuwd worden aangelegd of gewijzigd ten behoeve van de BPL en langzaam verkeer op die wegen in de toekomstige situatie niet meer is toegestaan. [appellant sub 12] stelt dat evenmin gebruik kan worden gemaakt van de wegen in de dorpskern, omdat deze wegen niet zijn berekend op zwaar landbouwverkeer.
2.59.2.1. Provinciale staten stellen dat het bedrijf van [appellant sub 12] minder goed bereikbaar zal zijn voor zwaar landbouwverkeer dan in de bestaande situatie, maar dat geen sprake is van een ernstige verslechtering.
2.59.2.2. Niet in geschil is dat de bereikbaarheid van het bedrijf voor zwaar landbouwverkeer afneemt als gevolg van het plan. De Afdeling is evenwel van oordeel dat provinciale staten zich in redelijkheid op het standpunt hebben kunnen stellen dat geen sprake is van een zodanige afname dat [appellant sub 12] daardoor ernstig in zijn bedrijfsvoering wordt belemmerd. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat de bereikbaarheid van het bedrijf voor zwaar landbouwverkeer uit westelijke richting niet afneemt. Voorts wordt in aanmerking genomen dat de bereikbaarheid van het bedrijf vanuit oostelijke richting blijft gewaarborgd via de route door de kern van Vaesrade. Het betoog van [appellant sub 12] dat deze route vanwege verkeersdrempels en de breedte van de wegen niet is berekend op zwaar landbouwverkeer, leidt niet tot een ander oordeel. Hierbij is van belang de verklaring van provinciale staten ter zitting dat de route door de kern van Vaesrade voor zwaar landbouwverkeer toegankelijk is en dat de gemeente Nuth als beheerder van de weg met het gebruik van die route heeft ingestemd.
2.59.3. In hetgeen [appellant sub 12] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat provinciale staten zich niet in redelijkheid op het standpunt hebben kunnen stellen dat het plan in zoverre strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep van [appellant sub 12] is ongegrond.
Het beroep van [appellant sub 50]
2.60. [appellant sub 50] vreest voor ernstige geluidhinder ter plaatse van zijn woning aan de Nutherweg 43 te Schinnen vanwege de Nutherweg die ten behoeve van de BPL hernieuwd wordt aangelegd. Hij stelt dat de weg ter beperking van geluidsoverlast verdiept moet worden aangelegd. Verder betoogt hij dat onvoldoende maatregelen zijn genomen om geluidsoverlast te voorkomen. Voor zover ter hoogte van zijn woning geen geluidsscherm wordt geplaatst - hetgeen volgens hem niet duidelijk is -, betoogt hij dat dit ten onrechte is. Hij vreest verder voor een waardedaling van zijn monumentale woning.
2.60.1. De gronden van [appellant sub 50] liggen in de geluidszone van de Nutherweg. Omdat de Nutherweg wordt aangelegd als nieuwe weg, bedraagt de ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting vanwege deze weg ingevolge artikel 82, eerste lid, van de Wgh 48 dB. Berekend is dat de toekomstige geluidsbelasting 43 dB bedraagt als geen maatregelen worden genomen. Uit het akoestisch onderzoek volgt dat het ten behoeve van andere woningen langs de Nutherweg doelmatig is om de weg te voorzien van een geluidreducerend wegdek van het type dunne deklaag B. Daardoor neemt de geluidsbelasting ter hoogte van de boerderij van [appellant sub 50] verder af tot 41 dB. De geluidsbelasting vanwege deze weg blijft derhalve ruim onder de voorkeursgrenswaarde van 48 dB. Gelet hierop hebben provinciale staten zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de aanleg van de Nutherweg niet leidt tot ernstige geluidhinder ter plaatse van de woning van [appellant sub 50]. In hetgeen [appellant sub 50] heeft aangevoerd hebben zij dan ook geen aanleiding hoeven zien om aanvullende maatregelen te nemen dan wel de Nutherweg verdiept aan te leggen om op die manier de geluidsbelasting vanwege de Nutherweg verder terug te dringen.
Voor zover [appellant sub 50] zich op het standpunt stelt dat niet duidelijk is of ter hoogte van zijn woning een geluidsscherm wordt geplaatst, wordt overwogen dat uit de verbeelding en hetgeen provinciale staten ter zitting hebben verklaard, volgt dat een geluidsscherm met een hoogte van 3 m en een lengte van 180 m zal worden geplaatst. Dit scherm wordt geplaatst, omdat dit ter beperking van het geluid van de A76 - ten behoeve van andere woningen dan de woning van [appellant sub 50] - doelmatig is geacht.
2.60.2. Wat de eventuele nadelige invloed van het plan op de waarde van de woning van [appellant sub 50] betreft, bestaat geen grond voor de verwachting dat die waardevermindering zodanig zal zijn dat provinciale staten bij de afweging van de belangen hieraan een groter gewicht hadden moeten toekennen dan aan de belangen die met de realisering van het plan aan de orde zijn.
2.60.3. [appellant sub 50] betoogt verder dat de bestaande bomenhaag ter hoogte van zijn woning zal moeten verdwijnen door de aanleg van de nieuwe weg. Hiermee kan hij zich niet verenigen.
2.60.3.1. Hetgeen [appellant sub 50] heeft aangevoerd geeft geen aanleiding voor het oordeel dat provinciale staten aan de aanleg van de Nutherweg niet in redelijkheid een groter gewicht hebben kunnen toekennen dan aan het belang van [appellant sub 50] bij het behoud van de bestaande bomenhaag. Hierbij wordt in aanmerking genomen de verklaring van provinciale staten ter zitting dat ter hoogte van de woning van [appellant sub 50] een groengebied wordt ingericht en dat daarbij de bereidheid bestaat om een nieuwe bomenhaag te planten. De bestemming "Natuur" maakt dit ook mogelijk.
2.60.4. In hetgeen [appellant sub 50] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat provinciale staten zich niet in redelijkheid op het standpunt hebben kunnen stellen dat het plan in zoverre strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening.
Overwegingen
In dit toetsingsadvies heeft de Commissie m.e.r. opgemerkt dat in het MER fase 1 de corridor is afgebakend en dat in die fase de alternatieven buiten de corridor zijn onderzocht. Alternatieven behoefden dus niet meer in het MER fase 2 te worden onderzocht. Volgens de Commissie m.e.r. diende uitsluitend aannemelijk te worden gemaakt dat de conclusies uit het MER fase 1 nog steeds golden en ten grondslag konden worden gelegd aan het inpassingsplan. In de tweede aanvulling op het MER van 4 juni 2010 hebben provinciale staten met inachtneming van het advies van de Commissie m.e.r. de ontwikkelingen na het opstellen van het MER fase 1 onderzocht, waarbij is geconcludeerd dat de corridor zoals deze is opgenomen in het POL 2001 en het Provinciaal Omgevingsplan Limburg van 22 september 2006 (hierna: het POL 2006) nog steeds actueel is en het MER fase 1 mede ten grondslag kan worden gelegd aan het inpassingsplan.
Gezien de hiervoor weergegeven toelichting van provinciale staten bestaat geen grond voor het oordeel dat provinciale staten onvoldoende onderzoek hebben verricht naar alternatieven voor het voorkeurstracé van de BPL. Ter zitting hebben provinciale staten voorts verduidelijkt dat de door appellanten aangevoerde alternatieven reeds in 2001 in het beginstadium van het besluitvormingsproces van het uiteindelijke tracé van de BPL zijn beoordeeld. Provinciale staten hebben bij het bepalen van het definitieve tracé van de BPL in redelijkheid van belang kunnen achten dat bij een omvangrijk project als het onderhavige, waarbij vele varianten een rol spelen, een zekere trechtering gedurende het besluitvormingsproces onvermijdelijk en noodzakelijk is. Van een onzorgvuldige voorbereiding van het besluit is in zoverre derhalve geen sprake.
Voorts kunnen appellanten niet worden gevolgd in hun standpunt dat provinciale staten het nulplusalternatief onvoldoende hebben onderzocht. Provinciale staten hebben er op gewezen dat in het kader van de eerste fase van de m.e.r.-procedure reeds een onderzoek heeft plaatsgevonden naar het nulplusalternatief. Mede gelet op de zienswijzen die zijn ingediend tegen de TN/MER-UVS en het voorkeurstracé van de BPL, heeft de provincie Limburg onderzoeksbureau DHV verzocht dat onderzoek naar het nulplusalternatief te actualiseren en te verdiepen. Dit heeft geresulteerd in het rapport "Verkeerskundige effecten van een nulplusalternatief voor de Buitenring Parkstad Limburg" van onderzoeksbureau DHV van augustus 2010, waarbij rekening is gehouden met de meest actuele bevolkings- en sociaal-economische gegevens. Van een onvoldoende zorgvuldig onderzoek naar het nulplusalternatief is, gelet op het vorenstaande, geen sprake.
Moties
2.9.2. Anders dan enkele appellanten stellen kan uit de omstandigheid dat provinciale staten in hun vergadering van 8 oktober 2010 een aantal moties hebben aangenomen niet worden afgeleid dat het vaststellingsbesluit niet op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen. Provinciale staten hebben zich op het standpunt gesteld dat uit het feit dat voormelde moties gelijktijdig met het vaststellingsplan zijn aangenomen, blijkt dat het in het inpassingsplan opgenomen tracé op zichzelf aanvaardbaar is, maar dat zij een verdere optimalisering daarvan onderzocht willen zien. Hieruit kan naar het oordeel van de Afdeling niet worden geconcludeerd dat het onderzoek ten behoeve van het inpassingsplan onzorgvuldig is geweest.
Rapport Ecorys
2.9.3. Ten aanzien van het onderzoek door Ecorys hebben provinciale staten opgemerkt dat de datum op het onderzoeksrapport niet de datum is waarop dat rapport is opgesteld. Een eerste versie van het rapport dateert van juni 2010. Het rapport is afgerond in oktober 2010 om zodoende de meest actuele gegevens aan het inpassingsplan ten grondslag te kunnen leggen. De datum op het rapport van Ecorys is volgens provinciale staten na de terinzagelegging slechts aangepast aan de datum van vaststelling van het inpassingsplan, te weten 8 oktober 2010. Uit de nota van wijzigingen blijkt dat het rapport inhoudelijk niet is aangepast. Gelet hierop bestaat naar het oordeel van de Afdeling geen grond voor het oordeel dat het desbetreffende rapport van Ecorys op een onzorgvuldig laat moment in de procedure is opgesteld.
Voor zover is aangevoerd dat het ontwerpinpassingsplan zodanig gewijzigd is vastgesteld dat het rapport van Ecorys van 8 oktober 2010 hierdoor achterhaald is en niet meer ziet op het uiteindelijk vastgestelde tracé, wordt als volgt overwogen. In het rapport van 8 oktober 2010 heeft een toetsing van het ontwerpinpassingsplan plaatsgevonden op doelbereik om te onderzoeken of de BPL voldoet aan de verschillende doelstellingen die het provinciebestuur met de verbinding nastreeft en is een maatschappelijke kosten-batenanalyse uitgevoerd. Niet is aannemelijk gemaakt dat de afwijkingen van het ontwerpinpassingsplan naar aard en omvang zo groot zijn dat geoordeeld moet worden dat een wezenlijk ander inpassingsplan voorligt, zodat provinciale staten zich in redelijkheid op het standpunt hebben kunnen stellen dat van de uitgangspunten van het rapport van Ecorys kan worden uitgegaan.
Onderzoeksrapporten van 8 oktober 2010
2.9.4. Voor zover appellanten hebben aangevoerd dat veel van de aan het inpassingsplan ten grondslag gelegde rapporten zijn gedateerd op 8 oktober 2010, wordt overwogen dat provinciale staten met het nemen van het vaststellingsbesluit op die datum ook hebben ingestemd met de tekst van de rapporten die aan dat besluit ten grondslag zijn gelegd. Een deel van de rapporten is niet gewijzigd ten opzichte van de rapporten die ten tijde van het ontwerpinpassingsplan beschikbaar waren. Een deel van de rapporten is gewijzigd met inachtneming van de door provinciale staten bij het vaststellingsbesluit aangebrachte wijzigingen ten opzichte van het ontwerpinpassingsplan. Alle wijzigingen in de rapporten ten opzichte van de conceptrapporten zijn opgenomen in de vastgestelde nota van wijzigingen. Het voorgaande in aanmerking genomen, hebben appellanten niet aannemelijk gemaakt dat provinciale staten de inhoud van deze rapporten ten tijde van het vaststellen van het besluit op 8 oktober 2010 niet kenden.
Schending van het fair play-beginsel
2.9.5. Ten aanzien van het betoog dat het fair play-beginsel is geschonden, wordt overwogen dat niet is betwist dat het rapport van Ecorys van juni 2010 ter inzage heeft gelegen bij het ontwerpinpassingsplan, zodat niet valt in te zien dat in zoverre sprake zou zijn van schending van het fair play-beginsel.
Provinciale staten hebben er ten aanzien van het rapport van DHV van augustus 2010 op gewezen dat, zoals hiervoor reeds is overwogen, het rapport een actualisatie en verdieping betreft van het in het kader van de eerste fase van de m.e.r.-procedure verrichte onderzoek naar het nulplusalternatief. Gezien het vorenstaande bestaat geen grond voor het oordeel dat sprake is van schending van het fair play-beginsel door het rapport over het nulplusalternatief eerst in augustus 2010 te publiceren.
Met betrekking tot het betoog dat bijlage 2 bij het akoestisch onderzoek moest worden nagestuurd, zodat om die reden sprake is van schending van het fair play-beginsel, is hiervoor reeds overwogen dat die bijlage op 3 augustus 2010 alsnog ter inzage is gelegd en aan alle indieners van zienswijzen is toegezonden. Onbekende belanghebbenden zijn hierdoor naar het oordeel van de Afdeling niet in hun belangen geschaad. Appellanten kunnen gezien het vorenstaande niet worden gevolgd in hun standpunt dat het fair play-beginsel is geschonden.
Ontbreken van overleg met bewoners
2.9.6. Voor zover is aangevoerd dat te weinig overleg met de bewoners is gevoerd, wordt overwogen dat aan de bewoners de wettelijke mogelijkheid is geboden hun zienswijze op het ontwerpinpassingsplan naar voren te brengen.
Conclusie
Ook deze soorten ondervinden volgens de passende beoordelingen geen negatieve effecten. In de passende beoordelingen is hiervoor de methode Reijnen en Foppen gehanteerd. Ten aanzien van het betoog van appellanten dat deze methode ten onrechte is toegepast, staat in het deskundigenbericht vermeld dat de methode Reijnen en Foppen een algemeen geaccepteerde methode is om de effecten van geluid op broedvogels te beoordelen. Nu voor andere soortgroepen geen afzonderlijke methodiek bestaat om geluidverstoring te berekenen, is aangesloten bij de methode Reijnen en Foppen. Gelet op het deskundigenbericht ziet de Afdeling in de enkele stelling van appellanten dat de methode Reijnen en Foppen doorgaans niet meer wordt toegepast geen aanleiding voor het oordeel dat deze methode bij de passende beoordeling niet mocht worden gehanteerd. In hetgeen appellanten hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat provinciale staten zich ten onrechte op het standpunt hebben gesteld dat ten aanzien van de natuurwaarden in de gebieden Geleenbeekdal en Brunssummerheide geen verstoring door geluid zal optreden.
Gecumuleerde effecten
2.39. Appellanten betogen voorts dat de beoordeling van de mogelijke gecumuleerde effecten ten aanzien van het Natura 2000-gebied Geleenbeekdal ontoereikend is. Andere plannen en projecten zijn ten onrechte maar ten dele meegenomen bij de beoordeling, zodat uitsluitend de gevolgen van de aansluiting Nuth zijn bezien.
2.39.1. In de passende beoordeling Geleenbeekdal staat met betrekking tot mogelijke cumulatie van effecten opgenomen dat andere (concrete) plannen of projecten die mogelijk significante effecten hebben bij de beoordeling zijn betrokken. In de passende beoordeling zijn hoofdzakelijk de effecten van de aansluiting Nuth bezien. Uit de passende beoordeling volgt dat daarnaast de aanleg van het overige deel van het tracé van de BPL in de passende beoordeling is bezien. Voorts zijn de mogelijke gecumuleerde effecten van twee in de nabijheid van het Geleenbeekdal gelegen bedrijventerreinen beoordeeld. Geconcludeerd wordt dat de realisatie van de aansluiting Nuth en de aanleg van de BPL in combinatie met andere plannen en ontwikkelingen, niet leiden tot een aantasting van de natuurlijke kenmerken van het Natura 2000-gebied Geleenbeekdal. Appellanten hebben voorts niet nader geconcretiseerd welke plannen en projecten ten onrechte niet bij de beoordeling zijn betrokken. In hetgeen appellanten hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de door provinciale staten gemaakte beoordeling van de gecumuleerde effecten ontoereikend is.
Mitigatie/compensatie
2.40. Een aantal appellanten betoogt voorts dat provinciale staten zich het onderscheid tussen mitigerende en compenserende maatregelen onvoldoende hebben gerealiseerd. Ten onrechte zijn bepaalde maatregelen aangemerkt als mitigerende maatregelen, terwijl sprake is van compenserende maatregelen. Deze maatregelen mochten volgens appellanten niet bij de passende beoordelingen worden betrokken. Daarnaast is de tijdigheid van de compensatie als bedoeld in artikel 19h, vierde lid, van de Nbw 1998 onvoldoende verzekerd.
2.40.1. Provinciale staten hebben zich op het standpunt gesteld dat zij wel degelijk rekening hebben gehouden met het onderscheid tussen mitigerende en compenserende maatregelen. Mitigerende maatregelen mogen bij de passende beoordeling worden betrokken.
2.40.2. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 7 mei 2008 in zaak nr. 200604924/1 (www.raadvanstate.nl)), kunnen mitigerende maatregelen bij de passende beoordeling worden betrokken. Appellanten hebben niet nader geconcretiseerd welke bij de passende beoordelingen betrokken maatregelen volgens hen ten onrechte zijn aangemerkt als mitigerende maatregelen en derhalve niet bij de beoordelingen mochten worden meegenomen. Voor zover de Vereniging Natuurmonumenten verwijst naar de maatregelen ten aanzien van de Kattekoelenvijver, overweegt de Afdeling dat dit gebied geen onderdeel uitmaakt van een Natura 2000-gebied. Gelet op het vorenstaande ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat provinciale staten ten onrechte bepaalde maatregelen hebben aangemerkt als mitigerende maatregelen. Nu compenserende maatregelen in de zin van de Nbw 1998 in dit licht bezien niet aan de orde zijn, bestaat evenmin aanleiding voor het oordeel dat de tijdigheid van deze compensatie onvoldoende is verzekerd.
Teverener Heide
2.41. Een aantal appellanten betoogt dat ten onrechte geen beoordeling is gemaakt van de effecten op het in Duitsland gelegen Natura 2000-gebied Teverener Heide.
2.41.1. In hoofdstuk 6 van de passende beoordeling Brunssummerheide en Teverener Heide is een specifieke beoordeling van de effecten op het Natura 2000-gebied Teverener Heide gemaakt. Appellanten hebben niet nader geconcretiseerd op welke punten de beoordeling van de effecten op de Teverener Heide volgens hen tekort zou schieten. De Afdeling ziet dan ook geen aanleiding voor het oordeel dat in zoverre dusdanige gebreken kleven aan de passende beoordeling dat provinciale staten deze niet aan hun besluitvorming ten grondslag konden leggen.
Meest actuele gegevens
2.42. Appellanten betogen voorts dat bij het opstellen van de passende beoordelingen ten behoeve van het inpassingsplan niet is uitgegaan van de meest actuele gegevens. In dit verband wijzen appellanten erop dat niet de meest actuele informatie van de website www.rijksoverheid.nl is gebruikt en dat de recente vegetatiekartering van de Brunssummerheide niet bij de beoordeling is betrokken.
2.42.1. Provinciale staten stellen zich op het standpunt dat alle ten tijde van de vaststelling van het inpassingsplan bekende gegevens bij de beoordeling zijn betrokken. Voor beide passende beoordelingen is, anders dan appellanten stellen, onder meer gebruik gemaakt van de meest recente informatie van de website van de rijksoverheid. Ten aanzien van het betoog van appellanten omtrent de vegetatiekartering hebben provinciale staten uiteengezet dat deze dateert van eind 2010, zodat deze informatie ten tijde van het opstellen van de passende beoordeling Brunssummerheide nog niet voorhanden was. Dit is niet gemotiveerd betwist. Gelet op het vorenstaande ziet de Afdeling in hetgeen appellanten hebben aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat bij het opstellen van de passende beoordelingen desondanks niet is uitgegaan van de meest actuele gegevens. Voor zover een aantal appellanten voorts heeft betoogd dat ten onrechte geen rekening is gehouden met de omstandigheid dat in de gebieden prioritaire habitattypen voorkomen, overweegt de Afdeling dat in de passende beoordelingen is onderkend dat in de gebieden prioritaire habitattypen voorkomen. Appellanten hebben niet nader geconcretiseerd waarom zij de passende beoordelingen op dit punt ontoereikend achten.
Zeggekorfslak
2.43. Daarnaast betogen verschillende appellanten dat de BPL ter plaatse van het Geleenbeekdal een te grote barrière zal vormen voor de zeggekorfslak. Gelet hierop stellen provinciale staten zich volgens appellanten ten onrechte op het standpunt dat geen sprake zal zijn van significante effecten ten aanzien van deze soort.
2.43.1. De zeggekorfslak is opgenomen in het ontwerpbesluit tot aanwijzing van het gebied Geleenbeekdal als Natura 2000-gebied. Voor deze soort is een doelstelling tot behoud van omvang en verbetering van de kwaliteit van het leefgebied voor behoud van de populatie opgenomen. In de passende beoordeling Geleenbeekdal zijn de effecten van de BPL met betrekking tot de zeggekorfslak bezien. Deze slakkensoort is volgens de passende beoordeling gebonden aan moerassen met moeraszegge. Het leefgebied is begrensd als habitattype Alluviale bossen (H91E0C). Verlies van dit habitattype zou een evenredig verlies van leefgebied van de zeggekorfslak betekenen. Ten aanzien van mogelijke barrièrevorming staat in de passende beoordeling vermeld dat de reeds bestaande weg N298 bestaat uit 2x1 rijstrook.
Conclusie
In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep van [appellant sub 50] is ongegrond.
Het beroep van Caradon Stelrad
2.61. Caradon Stelrad richt zich tegen het plandeel met de bestemming "Verkeer" voor een gedeelte van haar bedrijfsgronden aan de Kathagen 50 te Nuth, voor zover op minder dan 2 m afstand van haar fabrieksgebouwen de aansluiting van de BPL op de Kathagen, met inbegrip van een talud boven het maaiveld, mogelijk wordt gemaakt. Zij betoogt dat een ruimere afstand moet worden aangehouden. Zij vreest voor hinder en gevaar voor het verkeer als gevolg van verontreinigde fabrieksemissies op korte afstand van het verkeer. In dit verband stelt zij dat de emissiepunten van haar fabriek zich op slechts 2 m afstand van de openbare weg zullen bevinden en onvoldoende boven het talud zullen reiken. Dit leidt bovendien tot een belemmering in haar bedrijfsvoering, omdat niet langer kan worden voldaan aan het voorschrift in de milieuvergunning dat geen hinder mag worden veroorzaakt buiten de inrichting.
Caradon Stelrad voert verder aan dat de productie gedurende enkele maanden stil kan komen te liggen als een voertuig van het verhoogd aan te leggen weggedeelte raakt en op de bedrijfshallen van Caradon Stelrad terechtkomt. In dit verband vreest zij tevens voor een afname van de verkeersveiligheid en de veiligheid van haar werknemers.
Zij betoogt voorts dat de aanleg van de weg op een dusdanig korte afstand in strijd is met de richtlijnen zoals vermeld in de door de Vereniging van Nederlandse Gemeenten uitgegeven brochure "Bedrijven en milieuzonering" (hierna: de VNG-brochure).
Caradon Stelrad betoogt verder dat provinciale staten in de besluitvormingsprocedure onvoldoende bereidheid hebben getoond om met haar in overleg te treden. Zij stelt zich ten slotte op het standpunt dat provinciale staten ten onrechte geen financiële compensatie hebben aangeboden.
2.61.1. Provinciale staten stellen dat Caradon Stelrad door de aanleg van de BPL niet in haar bedrijfsvoering wordt belemmerd. Hiertoe wijzen zij erop dat haar bedrijfsgebouwen niet verloren gaan en dat de afstand van de emissiepunten tot de openbare weg slechts een paar meter kleiner wordt dan in de bestaande situatie. Verder achten provinciale staten de kans klein dat zich calamiteiten zullen voordoen vanwege een auto die van de weg raakt. Hiertoe stellen zij dat de verkeersdruk op dit weggedeelte niet hoog is en dat bovendien een maatregel wordt getroffen om de weg van het bedrijf af te schermen.
2.61.2. Blijkens de verbeelding is aan een deel van de gronden van Caradon Stelrad de bestemming "Verkeer" toegekend.
Ingevolge artikel 7, lid 7.1, aanhef en onder a, van de planregels zijn de voor "Verkeer" aangewezen gronden bestemd voor wegen, met niet meer dan 2x2 rijstroken, alsmede parallelrijbanen, opstelstroken, in- en uitvoegstroken, op- en afritten en de daarbij behorende bermen en taluds ingericht volgens de op de verbeelding aangeduide dwarsprofielen.
2.61.3. Provinciale staten hebben zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de aanleg van de BPL ter hoogte van de fabriek van Caradon Stelrad vanuit het oogpunt van gevaar verantwoord is. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat volgens het deskundigenbericht geen sprake zal zijn van een ongebruikelijke fabrieksemissie langs een weg en dat vanwege die emissie geen hinder of gevaar voor het verkeer hoeft te worden verwacht. Caradon Stelrad heeft niet aannemelijk gemaakt dat dit onjuist is. Gelet hierop faalt ook het betoog - wat daarvan ook zij - dat sprake is van strijd met de milieuvergunning, omdat het voorschrift dat buiten de inrichting geen hinder mag worden veroorzaakt niet kan worden nageleefd.
Verder wordt overwogen dat provinciale staten volgens het verweerschrift en hun verklaring ter zitting voornemens zijn een maatregel te treffen, zoals het plaatsen van geleiderails, die de weg van het bedrijf afschermt. Het plan maakt dit ook mogelijk. Caradon Stelrad heeft niet aannemelijk gemaakt dat desondanks moet worden gevreesd voor een onveilige situatie.
Ten aanzien van het betoog dat op grond van de VNG-brochure een ruimere afstand moet worden aangehouden tussen het tracé en het bedrijf van Caradon Stelrad, wordt overwogen dat de richtafstanden in de VNG-brochure zijn geschreven voor een woonwijk. Daarvan is in dit geval geen sprake.
2.61.4. Wat betreft het niet aanbieden van een financiële compensatie hebben provinciale staten verklaard dat Caradon Stelrad in het kader van de grondverwerving een volledige schadeloosstelling op onteigeningsbasis ontvangt en tevens een vergoeding voor eventueel noodzakelijke aanpassingen aan de resterende eigendommen en waardevermindering van de resterende gronden. De Afdeling is van oordeel dat provinciale staten de belangen van Caradon Stelrad hiermee voldoende in de besluitvorming hebben betrokken.
2.61.5. In hetgeen Caradon Stelrad heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat provinciale staten zich niet in redelijkheid op het standpunt hebben kunnen stellen dat het plan in zoverre strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep van Caradon Stelrad is ongegrond.
Het beroep van [appellante sub 68]
2.62. [appellante sub 68] is eigenares van de woning aan de Breinder 11 te Schinnen. Zij betoogt dat het geluidsscherm in de nabijheid van haar woning verder moet worden doorgetrokken in de richting van haar woning ter beperking van het geluid van de A76.
2.62.1. Provinciale staten stellen dat op grond van de Wgh geen verplichting bestaat om vanwege de A76 onderzoek te doen naar de geluidsbelasting ter plaatse van de woning van [appellante sub 68]. Zij achten het daarom evenmin noodzakelijk om het geluidsscherm door te trekken in de richting van haar woning.
2.62.2. Ter hoogte van de gronden van [appellante sub 68] wordt de A76 gewijzigd. De normering in de Wgh is, gelet op het bepaalde in artikel 100, gelezen in samenhang met artikel 1, slechts van toepassing indien de geluidsbelasting vanwege de wijziging met 2 dB of meer wordt verhoogd. Niet in geschil is dat de berekende geluidsbelasting vanwege de A76 op de gevel van de woning van [appellante sub 68] ten opzichte van de geluidsbelasting van 65,07 dB in de bestaande situatie ten gevolge van geluidsbeperkende maatregelen afneemt tot 64,40 dB. Reeds hierom hebben provinciale staten zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het woon- en leefklimaat van [appellante sub 68] door de wijziging van de A76 niet ernstig wordt aangetast. Gelet hierop hebben zij maatregelen ter hoogte van de gronden van [appellante sub 68] in redelijkheid niet noodzakelijk hoeven achten. Voor zover [appellante sub 68] stelt dat het geluidsscherm moet worden doorgetrokken omdat de geluidsbelasting in de bestaande situatie reeds hoog is, wordt overwogen dat provinciale staten in redelijkheid hebben kunnen besluiten geen verdere maatregelen te nemen dan die op grond van het nu voorliggende plan noodzakelijk zijn. Daarbij wordt in aanmerking genomen de toelichting van provinciale staten ter zitting dat hoge kosten zijn gemoeid met het doortrekken van het geluidsscherm in de richting van de woning van [appellante sub 68].
2.62.3. In hetgeen [appellante sub 68] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat provinciale staten zich niet in redelijkheid op het standpunt hebben kunnen stellen dat het plan in zoverre strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.
Overwegingen
Het bieden van inspraak voorafgaande aan de zienswijzetermijn en het bieden van nadere inspraakmomenten na de zienswijzetermijn maken geen onderdeel uit van de in de Wro en het Besluit ruimtelijke ordening (hierna: Bro) geregelde procedure voor inpassingsplannen. Het schenden van een mogelijke inspraakverplichting heeft daarom geen gevolgen voor de rechtmatigheid van de planprocedure en het inpassingsplan. Overigens hebben provinciale staten toegelicht dat onder meer in het kader van het TN/MER-UVS en het voorkeurstracé zeven informatieavonden hebben plaatsgevonden, naar aanleiding waarvan twee door bewoners aangedragen alternatieven, waaronder een verdiepte ligging van de BPL, zijn onderzocht. Gelet hierop is het plan om deze reden niet vastgesteld in strijd met het recht of de te betrachten zorgvuldigheid.
Algemene inhoudelijke beroepsgronden
Nut, noodzaak, maatschappelijke kosten en baten-analyse (MKBA)
2.10. Verschillende appellanten betwisten de behoefte aan dan wel de noodzaak van de BPL. Verschillende appellanten hebben aangevoerd dat uit het feit dat meer dan 1.000 burgers, een aantal maatschappelijke organisaties alsook overheidsorganen zienswijzen hebben ingediend tegen het ontwerpinpassingsplan volgt dat onvoldoende draagvlak bestaat voor de BPL.
Voorts hebben appellanten betwist dat de doelstellingen van de BPL zullen worden gerealiseerd. Zij betwijfelen of de maatschappelijke en verkeerskundige voordelen van de BPL in overwegende mate groter zijn dan de nadelen en de kosten ervan. De verstrekte verkeersprognoses zijn volgens hen onvoldoende onderbouwd en daarmee is onvoldoende aannemelijk dat de weg in deze omvang noodzakelijk is.
Verder twijfelen appellanten aan de effectiviteit van de BPL. De verkorting van de reistijden die als gevolg van de verwezenlijking van de BPL ontstaat, is volgens appellanten dermate gering, dat deze nagenoeg geen bijdrage levert aan de economische en toeristische ontwikkeling van de regio. Bovendien twijfelen appellanten aan het economisch belang dat wordt gediend met een verkorting van de reistijd van en naar Aken, aangezien het grootste deel van de beroepsbevolking van Parkstad Limburg niet in de regio Aken werkt.
Ook andere doelstellingen van het inpassingsplan, zoals het verbeteren van de bereikbaarheid, de verkeersveiligheid, de verkeersleefbaarheid en de wegstructuur, worden met de BPL volgens verscheidene appellanten niet gerealiseerd. Het niveau van de verkeersveiligheid in de regio ligt bovendien niet onder het landelijk gemiddelde, zodat een verbetering hiervan geen dwingende maatschappelijke noodzaak dient.
Het is volgens appellanten bovendien twijfelachtig of de bewoners van Parkstad Limburg de BPL zullen gaan gebruiken in plaats van de hun vertrouwde routes.
2.10.1. Provinciale staten hebben zich op het standpunt gesteld dat bij de vaststelling van nut en noodzaak van de BPL als uitgangspunt moet worden genomen dat de BPL een infrastructuurproject is.
Het doel van de BPL is primair het oplossen van de problemen in de verkeersstructuur van Parkstad Limburg, door functie en gebruik van het wegennet in de regio beter met elkaar in overeenstemming te brengen. De overige doelstellingen moeten volgens provinciale staten niet als afzonderlijke hoofddoelstelling worden beschouwd. Met de BPL wordt een duidelijke en passend ingerichte route voor regionaal en bovenregionaal verkeer gerealiseerd, die de kernen in Parkstad Limburg met elkaar en met andere regio’s op vlotte wijze verbindt. Functie en gebruik van het wegennet in de regio worden door de BPL volgens provinciale staten beter met elkaar in overeenstemming gebracht. Hiertoe worden lokaal en doorgaand verkeer van elkaar gescheiden en wordt het onderliggende wegennet ontlast van het doorgaande verkeer. Dit heeft volgens provinciale staten tevens een verbetering van de bereikbaarheid, leefbaarheid en verkeersveiligheid in de kernen in Parkstad Limburg tot gevolg.
Daarbij zullen met de BPL ook het ondernemingsklimaat en de toeristisch-recreatieve sector in het gebied een impuls krijgen. De provincie Limburg heeft Ecorys een toetsing op doelbereik laten uitvoeren om te onderzoeken of de BPL voldoet aan de verschillende doelstellingen die het provinciebestuur met de verbinding nastreeft. Daarnaast heeft Ecorys in opdracht van de provincie een MKBA uitgevoerd, waarin is nagegaan of de baten van de BPL opwegen tegen de benodigde investeringen. Ecorys is in het rapport "Toetsing op doelbereik & MKBA" van 8 oktober 2010 tot de conclusie gekomen dat de BPL op de meeste punten voldoet aan de doelstellingen die ermee worden nagestreefd. De BPL verbetert de verkeersstructuur in Parkstad Limburg en daarmee de interne en externe bereikbaarheid alsook de leefbaarheid en verkeersveiligheid aldaar. Daarbij versterkt de BPL de economische structuur, zij het dat het gaat om bescheiden positieve effecten. De MKBA laat volgens provinciale staten voorts zien dat de BPL een efficiënte investering betreft. De maatschappelijke baten zijn hoger dan de maatschappelijke kosten. In een gevoeligheidsanalyse is daarbij ook het uiteindelijk gekozen tracé wat betreft doelbereik en maatschappelijke kosten en baten op globale wijze vergeleken met drie andere alternatieven voor de BPL. Die alternatieven scoren elk minder in doelbereik en hebben een lagere netto-contante waarde en baten-/kostenverhouding.
2.10.2. De Afdeling stelt voorop dat de vaststelling van een besluit voor een infrastructureel project als de BPL een belangenafweging vergt, waarbij politieke en bestuurlijke inzichten een belangrijke rol spelen. De rechter heeft niet tot taak om de waarde of het maatschappelijk gewicht dat aan de betrokken belangen moet worden toegekend, naar eigen inzicht vast te stellen. Hij kan slechts concluderen dat de door het bestuursorgaan te maken belangenafweging in strijd is met artikel 3:4, tweede lid, van de Awb wanneer de betrokken belangen zodanig onevenwichtig zijn afgewogen, dat het bestuursorgaan niet in redelijkheid tot zijn besluit heeft kunnen komen.
De omstandigheid dat een groot aantal zienswijzen is ingediend, is derhalve niet relevant. Provinciale staten hebben voorts het oplossen van de problemen in de verkeersstructuur van Parkstad Limburg als hoofddoel van de BPL kunnen nemen.
2.10.3. In dit verband is van belang dat blijkens de conclusie van de toetsing op doelbereik in het rapport van Ecorys de BPL een effectieve en efficiënte investering is. De BPL voldoet volgens dit rapport op de meeste punten goed aan de doelstellingen die ermee worden nagestreefd. Het ontwerp van de BPL als een hoogwaardige verbinding met een hoge ontwerpsnelheid, 2x2 rijstroken en uitsluitend ongelijkvloerse kruisingen, draagt hier volgens voormeld rapport van Ecorys aan bij. Voorts is in dat rapport geconcludeerd dat het project vanuit economisch oogpunt wenselijk is. Over de gehele analyseperiode wegen de maatschappelijke baten op tegen de kosten, hetgeen tot uitdrukking komt in de baten-/kostenverhouding die de verhouding tussen de baten en kosten uitdrukt. Die verhouding bedraagt 1,1. Vooral de reistijdwinsten en de verkeersveiligheidseffecten zijn de belangrijkste baten van de BPL. Appellanten hebben niet nader onderbouwd en daarmee niet aannemelijk gemaakt dat de verkeersprognoses die aan het rapport van Ecorys ten grondslag liggen onjuist zijn.
Uit het eerdervermelde rapport van Ecorys volgt voorts dat zowel de interne als de externe bereikbaarheid van Parkstad Limburg zal worden verbeterd als gevolg van de realisatie van de BPL. De BPL zorgt voor een substantiële afname van reistijden tussen verschillende locaties binnen Parkstad Limburg en voor substantieel kortere reistijden tussen de oostzijde van Parkstad Limburg en Aken. Dit geldt evenzeer voor reistijden op oost-westverplaatsingen in Parkstad Limburg.
Conclusie
De bestaande weg is ongeveer 20 m breed. De BPL zal ter plaatse bestaan uit 2x2 rijstroken. Om ruimtebeslag op het habitattype H91E0C te vermijden wordt geen flauw talud aangelegd, maar is gekozen voor een gewapende grondkering. Hierdoor kan de weg op een dijklichaam worden gerealiseerd met aan de noordzijde een nagenoeg verticaal talud. De versnipperende effecten ten gevolge van de verbreding blijven hierdoor beperkt, zo staat in de passende beoordeling vermeld. Van verlies van areaal van het habitattype H91EOC is gelet op de hiervoor aangegeven wijze waarop de weg zal worden aangelegd evenmin sprake, zodat geen leefgebied van de zeggekorfslak verloren gaat. In hetgeen appellanten hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat provinciale staten de passende beoordeling in zoverre niet bij de besluitvorming hebben kunnen betrekken, noch dat provinciale staten op grond hiervan niet hebben kunnen concluderen dat ten aanzien van de zeggekorfslak geen significante effecten zullen optreden.
Breukberg
2.44. De Vereniging Natuurmonumenten betoogt daarnaast dat het gebied Breukberg ten onrechte geen onderdeel uitmaakt van het Natura 2000-gebied Brunssummerheide.
2.44.1. Vaststaat dat het gebied Breukberg geen onderdeel uitmaakt van het Natura 2000-gebied Brunssummerheide. Ten aanzien van het betoog dat dit gebied ten onrechte niet als Habitatrichtlijngebied is of zal worden aangewezen overweegt de Afdeling dat dit gebied niet is aangemeld bij de Europese Commissie en evenmin op de lijst van gebieden van communautair belang staat. De werking van artikel 6, derde lid, van de Habitatrichtlijn gaat gelet op artikel 4, vijfde lid, van de Habitatrichtlijn niet zover dat dat regime van toepassing is op mogelijk ten onrechte niet aangemelde of aangewezen gebieden. Voornoemd bezwaar kan eventueel in het kader van de procedure omtrent aanwijzing van het gebied Brunssummerheide als Habitatrichtlijngebied aan de orde komen. Provinciale staten zijn er bij de vaststelling van het inpassingsplan evenwel terecht van uitgegaan dat het gebied Breukberg geen onderdeel uitmaakt van het Natura 2000-gebied Brunssummerheide.
Beschermde natuurmonumenten
2.45. Verschillende appellanten betogen dat bij de beoordeling van het inpassingsplan voor de natuurlijke kenmerken van de Natura 2000-gebieden Geleenbeekdal en Brunssummerheide ten onrechte is voorbij gegaan aan de omstandigheid dat binnen deze Natura 2000-gebieden als beschermd natuurmonument aangewezen gebieden zijn gelegen. Bij de effectenbeoordeling diende volgens appellanten eveneens te worden getoetst aan de nationale doelen zoals opgenomen in de besluiten tot aanwijzing van deze gebieden.
2.45.1. De gebieden Geleenbeekdal en Brunssummerheide waren ten tijde van het vaststellen van het plan nog niet aangewezen als Natura 2000-gebied. Derhalve was ten tijde van de vaststelling van het plan de aanwijzing van de verschillende in deze gebieden gelegen beschermde natuurmonumenten nog van kracht. Nu artikel 19j van de Nbw 1998 geen beoordelingskader biedt ten aanzien van de als beschermd natuurmonument aangewezen gebieden, behoefden provinciale staten in het kader van de vaststelling van het inpassingsplan op grond van dit artikel niet te beoordelen in hoeverre de natuurwaarden van de als beschermd natuurgebied aangewezen gebieden door het inpassingsplan worden aangetast.
Evenwel zal voor de aanleg van de BPL een vergunning op grond van artikel 16, eerste lid, van de Nbw 1998 benodigd zijn. De vraag in hoeverre deze vergunning kan worden verleend komt in beginsel aan de orde in de procedure op grond van de Nbw 1998. Dat doet er niet aan af dat provinciale staten het inpassingsplan niet hadden kunnen vaststellen, indien en voor zover zij op voorhand in redelijkheid hadden moeten inzien dat artikel 16 van de Nbw 1998 aan de uitvoerbaarheid van het inpassingsplan in de weg staat.
In de passende beoordeling is naast de effecten van het inpassingsplan op de Natura 2000-gebieden eveneens de mogelijke aantasting van de natuurwaarden op grond waarvan de gebieden zijn aangewezen als beschermd natuurmonument bezien. Geconcludeerd wordt dat geen aantasting zal plaatsvinden van deze natuurwaarden. In hetgeen appellanten op dit punt hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat provinciale staten in redelijkheid hadden moeten inzien dat artikel 16 van de Nbw 1998 aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg zou staan.
Flora en fauna
2.46. Een aantal appellanten betoogt dat de Flora- en faunawet (hierna: Ffw) aan de uitvoerbaarheid van het inpassingsplan in de weg staat. Zij betogen dat het leefgebied van verschillende beschermde soorten wordt aangetast. In dit verband verwijzen zij naar het in opdracht van provinciale staten door Natuurbalans Limes Divergens B.V. verrichte onderzoek "Flora- en faunaonderzoek Buitenring parkstad Limburg" van januari 2011 (hierna: het Flora- en faunaonderzoek). Uit dit onderzoek volgt volgens appellanten dat de gunstige staat van instandhouding van verschillende soorten in het geding is.
Daarnaast betogen appellanten dat een aantal soorten dat voorkomt in het gebied Breukberg, te weten de gevlekte orchis en de veenorchis, niet bij de natuuronderzoeken is betrokken. Voorts wijzen zij erop dat in de omgeving van de BPL recent veldhamsters zijn uitgezet. In de stukken wordt hier volgens hen ten onrechte geen aandacht aan besteed. Tevens zijn de bever, de juchtleerkever, het vliegend hert en de gladde slang ten onrechte niet bij het natuuronderzoek betrokken, aldus appellanten.
Voorts betogen verschillende appellanten dat de in het kader van de Ffw benodigde maatregelen onvoldoende zijn gewaarborgd. In dit kader verwijzen zij naar het in opdracht van de Vereniging Natuurmonumenten door Witteveen en Bos opgestelde rapport "Review mitigatie- en compensatieplannen inpassingsplan Buitenring Parkstad Limburg". Volgens appellanten is het treffen van de maatregelen te veel overgelaten aan de aannemer. In dit verband wijzen appellanten er voorts op dat onvoldoende duidelijk is waar de faunapassages zullen worden geplaatst. Daarnaast betogen zij dat een deel van de faunapassages die door provinciale staten als mitigerende maatregelen worden aangemerkt reeds bestaande passages zijn. Bovendien zal een deel van de passages door de verbreding van het wegtracé op een aantal punten te lang en te donker zijn, aldus appellanten.
2.46.1. Uit de verrichte onderzoeken volgt volgens provinciale staten dat ten aanzien van de ter plaatse voorkomende soorten dusdanige maatregelen kunnen worden getroffen dat de Ffw niet aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg staat.
Op grond van het mitigatie- en compensatieplan is voorts voldoende gewaarborgd dat de maatregelen daadwerkelijk zullen worden getroffen. De Ffw staat volgens provinciale staten derhalve niet aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg. Ter zitting hebben provinciale staten voorts uiteengezet dat om zekerheid te verkrijgen ten aanzien van een aantal soorten ontheffing op grond van de Ffw is gevraagd. Bij besluit van 30 augustus 2011 heeft de staatssecretaris van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie besloten dat voor een deel van de soorten ontheffing kan worden verleend en voor een deel van de soorten geen ontheffing benodigd is.
2.46.2. De vraag of voor de uitvoering van het plan een vrijstelling geldt dan wel een ontheffing op grond van de Ffw nodig is en zo ja, of deze ontheffing kan worden verleend, komt in beginsel aan de orde in een procedure op grond van de Ffw. Dat doet er niet aan af dat provinciale staten het inpassingsplan niet hadden mogen vaststellen, indien en voor zover zij op voorhand in redelijkheid hadden moeten inzien dat de Ffw aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg staat.
2.46.3. Niet in geschil is dat in en in de nabijheid van het plangebied dier- en plantensoorten voorkomen die op grond van de Ffw worden beschermd.
Conclusie
Het beroep van [appellante sub 68] is ongegrond.
Het beroep van [appellant sub 98]
2.63. [appellant sub 98], die de boerderij met bijbehorende gronden op landgoed Reijmersbeek te Nuth pacht, betoogt dat het plan leidt tot een belemmering van zijn agrarische bedrijfsvoering op het landgoed, omdat de gronden waaraan de bestemming "Verkeer" is toegekend niet meer kunnen worden aangewend voor zijn veehouderij.
2.63.1. Vaststaat dat de agrarische bedrijfsvoering, voor zover dit de veehouderij op landgoed Reijmersbeek betreft, moet worden verplaatst. Provinciale staten hebben ter zitting verklaard dat zij streven naar een algehele verplaatsing van de veehouderij naar gronden elders op landgoed Reijmersbeek en voortzetting van de pachtverhouding tussen [appellant sub 98] en [appellanten sub 3] als eigenaren van het landgoed. Zij hebben voorts verklaard dat een andere oplossing zal worden geboden, waarbij een rendabele bedrijfsuitoefening mogelijk blijft, als gewijzigde voortzetting van de pachtverhouding op landgoed Reijmersbeek niet mogelijk is. Het voorgaande in aanmerking genomen is de Afdeling van oordeel dat provinciale staten dit aspect voldoende in hun besluitvorming hebben betrokken.
2.63.2. In hetgeen [appellant sub 98] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat provinciale staten zich niet in redelijkheid op het standpunt hebben kunnen stellen dat het plan in zoverre strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep van [appellant sub 98] is ongegrond.
De beroepen van [appellanten sub 3]
Besluit hogere waarden
2.64. De woning aan de Reijmersbekerweg 30 te Nuth is gelegen binnen de geluidszone van de BPL. Omdat de BPL ter plaatse wordt aangelegd als nieuwe weg, bedraagt de ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting vanwege deze weg ingevolge artikel 82, eerste lid, van de Wgh 48 dB. Berekend is dat de geluidsbelasting 51 dB bedraagt op de gevel van de woning aan de Reijmersbekerweg 30. Nu deze geluidsbelasting de voorkeursgrenswaarde overschrijdt is een hogere waarde van 51 dB vastgesteld.
2.64.1. [appellanten sub 3] richten zich, kort weergegeven, tegen het besluit tot vaststelling van een hogere waarde van 51 dB voor de woning aan de Reijmersbekerweg 30.
2.64.2. Het college van gedeputeerde staten heeft met verwijzing naar een memo van Arcadis van 30 maart 2011 verklaard dat de geluidsbelasting voor deze woning minder zal bedragen dan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB, vanwege het geluidreducerend effect van een geleidebarrier die vanuit verkeerskundig oogpunt zal worden geplaatst. Hierdoor had voor deze woning geen hogere waarde hoeven worden vastgesteld, aldus het college van gedeputeerde staten. Nu het college van gedeputeerde staten zich in zoverre op een ander standpunt stelt dan het in het bestreden besluit heeft gedaan en niet is gebleken dat gewijzigde omstandigheden hiertoe aanleiding hebben gegeven, moet worden geoordeeld dat het bestreden besluit wat dit onderdeel betreft niet met de vereiste zorgvuldigheid als bedoeld in artikel 3:2 van de Awb is voorbereid. Het beroep van [appellanten sub 3] tegen het besluit hogere waarden is gegrond. Het besluit tot vaststelling van hogere waarden dient te worden vernietigd voor zover het betreft de hogere waarde voor de woning Reijmersbekerweg 30.
Inpassingsplan
2.64.3. Een deel van de beroepsgronden van [appellanten sub 3] is hiervoor in het algemene deel van de uitspraak aan de orde geweest. Zij betogen verder dat op grond van het inpassingsplan onvoldoende visueel inzichtelijk is wat op grond daarvan feitelijk mogelijk wordt gemaakt.
2.64.3.1. Ingevolge artikel 1.2.1, tweede lid, gelezen in samenhang met artikel 1.1.1, tweede lid, van het Bro, omvat een inpassingsplan een volledige, toegankelijke en begrijpelijke verbeelding van het plan. De Wro, het Bro noch enig ander wettelijk voorschrift verplicht ertoe dat ten behoeve van het plan een nadere visualisatie wordt gemaakt.
2.64.4. [appellanten sub 3] betogen dat de inhoud van het Omgevingsplan van Arcadis van 8 oktober 2010 ten onrechte geen juridisch bindende regeling heeft gevonden in het inpassingsplan.
2.64.4.1. In het Omgevingsplan staat dat daarin de vormgeving en het gebruik van de geplande werken op hoofdlijnen zijn vastgelegd. Het fungeert als kwaliteitskader voor de uitvoering en ten aanzien van kunstwerken als toetsingskader voor vergunningen. De Afdeling overweegt dat in een inpassingsplan in beginsel geen welstandseisen worden opgenomen. Het toetsen van gebouwen of bouwwerken aan de welstandseisen is pas aan de orde in de procedure met betrekking tot de aan te vragen omgevingsvergunning. Derhalve hoefden provinciale staten de inhoud van het Omgevingsplan niet te vertalen in de planregels.
2.64.5. [appellanten sub 3] betogen voorts dat de dwarsprofielen niet duidelijk op de verbeelding staan. Dit geldt volgens hen ook voor de waterloop die loopt op landgoed Reijmersbeek vanaf het Bronnenbos richting de vijvers.
2.64.5.1. Blijkens de verbeelding is aan de gronden ter plaatse van de A76 en ter hoogte van landgoed Reijmersbeek de dubbelbestemming "Waterstaat - Primair water" toegekend.
Ingevolge artikel 19, lid 19.1, aanhef en onder a, van de planregels zijn de voor "Waterstaat - Primair water" aangewezen gronden, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), bestemd voor waterhuishoudkundige doeleinden: het ontvangen, vasthouden, (tijdelijk) bergen en afvoeren van water, eventueel gecombineerd met infiltratie van water in de bodem en ondergeschikt de instandhouding en ontwikkeling van natuurlijke en landschappelijke waarden.
2.64.5.2. Vaststaat dat de waterloop, voor zover deze in het plangebied is gelegen, op de verbeelding is weergegeven. Voorts zijn op de verbeelding dwarsprofielen aangegeven. Hetgeen [appellanten sub 3] hebben aangevoerd geeft geen aanleiding voor het oordeel dat de weergave daarvan op de verbeelding onduidelijk is.
2.64.6. [appellanten sub 3] richten zich tegen het plandeel met de bestemming "Verkeer" op en in de nabijheid van landgoed Reijmersbeek, voor zover op een afstand van ongeveer 75 m vanaf de monumentale boerderij en het kasteel op het landgoed een verhoogd aan te leggen turborotonde voor de aansluiting van de BPL op de A76 mogelijk wordt gemaakt. Zij betogen dat hierdoor het landschappelijk en cultuurhistorisch karakter van het landgoed verloren gaat dan wel wordt aangetast. Het voorgaande in aanmerking genomen valt volgens [appellanten sub 3] niet in te zien dat de aansluiting niet op een andere plaats kan worden aangelegd.
2.64.6.1. Provinciale staten stellen dat de keuze voor het voorziene tracé is gemaakt na een zorgvuldige afweging van verschillende alternatieven die in het MER "Aansluiting Nuth" inzichtelijk is gemaakt.
2.64.6.2. Blijkens de verbeelding is aan een deel van de gronden van [appellanten sub 3] en de gronden die daaraan grenzen de bestemming "Verkeer" toegekend.
Ingevolge artikel 7, lid 7.1, aanhef en onder a, van de planregels zijn de voor "Verkeer" aangewezen gronden bestemd voor wegen, met niet meer dan 2x2 rijstroken, alsmede parallelrijbanen, opstelstroken, in- en uitvoegstroken, op- en afritten en de daarbij behorende bermen en taluds ingericht volgens de op de verbeelding aangeduide dwarsprofielen.
Ingevolge die aanhef en onder h, zijn de gronden bestemd voor rotondes.
2.64.6.3. De Afdeling overweegt dat provinciale staten bij de keuze van de bestemmingen een afweging dienen te maken van alle belangen die betrokken zijn bij de vaststelling van het plan. Daarbij hebben zij beoordelingsvrijheid. De voor- en nadelen dienen in die afweging te worden meegenomen.
Overwegingen
Uit deelrapport 4A, "Verkeerskundig Onderzoek behorende bij het inpassingsplan Buitenring Parkstad Limburg", van 8 oktober 2010 (hierna: het verkeerskundig onderzoek), volgt verder dat tussen Kerkrade en Aken in de ochtend- en avondspits een vermindering van reistijd van onderscheidenlijk 35% en 38% zal optreden. Buiten de ochtend- en avondspits zal een vermindering van 35% optreden.
In het kader van het belang van een verbetering van de externe bereikbaarheid van Parkstad Limburg hebben provinciale staten erop gewezen dat verbetering van de verbinding met het Duitse achterland nieuwe mogelijkheden biedt voor economische ontwikkeling. Er wordt samengewerkt met partners uit de regio Aken en er wordt gestreefd naar samenwerking tussen de academische ziekenhuizen. De BPL leidt tot een verbeterde bereikbaarheid van de RWTH Aken University. In de plantoelichting is in dit verband bovendien vermeld dat in het Regionaal Verkeer- en Vervoersplan, dat Parkstad Limburg in 2004 heeft opgesteld, is bepaald dat de bereikbaarheid van Parkstad Limburg moet zijn gericht op realisering van een concurrerende (EU-)regio Parkstad Limburg en Aken.
Het vorenstaande in aanmerking genomen, hebben provinciale staten zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de interne en externe bereikbaarheid van Parkstad Limburg als gevolg van de verwezenlijking van de BPL zal verbeteren. Voor zover appellanten in dit verband hebben aangevoerd dat het als gevolg van de verbeterde bereikbaarheid voor de beroepsbevolking aantrekkelijk wordt zich buiten de regio te vestigen, wordt overwogen dat dit een door appellanten niet nader onderbouwd vermoeden betreft, dat bovendien niet afdoet aan de conclusie van het rapport van Ecorys dat de BPL een effectieve en efficiënte investering is.
2.10.4. Ten aanzien van het betoog van appellanten omtrent de marginale effecten van de BPL op de toeristische industrie in de regio, wordt overwogen dat provinciale staten onder verwijzing naar het eerdervermelde rapport van Ecorys het standpunt hebben kunnen innemen dat, hoewel de effecten van kortere reistijden van en naar Zuid-Limburg niet moeten worden overschat, redelijkerwijs mag worden verwacht dat hierdoor een positief effect ontstaat op het aantal dagrecreanten en dat dit een prikkel vormt voor een herhalingsbezoek of het combineren van bezoeken aan diverse attracties op een dag. Bovendien zal de BPL het zoekverkeer naar attracties verminderen aangezien de BPL zorgt voor een betere en meer herkenbare verkeersstructuur in Parkstad Limburg.
Het betoog dat in het rapport van Ecorys ten onrechte rekening is gehouden met de vestiging van de toeristische attractie Megapark op de oostflank van Brunssum mist feitelijke grondslag, nu de BPL volgens het rapport leidt tot een verbetering van het vestigings- en ondernemersklimaat van de toeristisch-recreatieve sector en de daadwerkelijke vestiging van concrete attracties hier niet bij is betrokken. Uit het voorgaande volgt dat provinciale staten zich in redelijkheid op het standpunt hebben kunnen stellen dat de BPL een positieve bijdrage levert aan de toeristische ontwikkeling van de regio. Dat, zoals is aangevoerd, het niet aanleggen van de BPL geen nadelig effect zal hebben op de bezoekersaantallen van toeristische attracties, maakt, wat daarvan ook zij, het voorgaande niet anders.
2.10.5. Met betrekking tot de effecten van de BPL op de economische ontwikkeling in de regio hebben provinciale staten verwezen naar het rapport van Ecorys waarin is geconcludeerd dat de BPL voldoet aan de doelstelling het vestigings- en ondernemersklimaat in Parkstad Limburg te versterken voor zowel bestaande als nieuwe bedrijven.
De BPL resulteert naar verwachting in ongeveer 180 extra arbeidsplaatsen. De werkgelegenheidseffecten van de BPL zijn het gevolg van zowel lagere transportkosten als het licht grotere zoekgebied van werkgevers en werknemers. De werkgelegenheidseffecten zijn volgens voornoemd rapport vooral een gevolg van de lagere transportkosten. Als uitsluitend naar dat effect wordt gekeken resulteert de BPL naar verwachting in ongeveer 180 extra arbeidsplaatsen. Hiervan wordt ongeveer 80% gecreëerd bij bedrijven die direct profiteren van de BPL (de gebruikers van de verbinding) en ongeveer 20% bij bedrijven die weer producten aan deze bedrijven leveren (toeleveranciers). Voorts biedt de BPL, hoewel beperkt, volgens het rapport mogelijkheden voor de ontwikkeling van additionele bedrijventerreinen in Parkstad Limburg.
Het betoog van verscheidene appellanten dat het verbeteren van de wegstructuur een onvoldoende zwaarwegend belang vormt om het bestreden besluit op te baseren, aangezien de nieuwe verkeersstructuur geen aantoonbare bijdrage levert aan de economische ontwikkeling van de regio, kan gezien het vorenstaande niet worden gevolgd. Het verbeteren van de verkeersstructuur leidt tot een betere bereikbaarheid en daarmee tot een verbetering van het ondernemers- en vestigingsklimaat, zodat de economische ontwikkeling van de regio hiermee wordt ondersteund.
Voorts is aangevoerd dat een verbeterd vestigingsklimaat voor bedrijven geen garantie geeft dat bedrijven zich ook daadwerkelijk zullen vestigen en dat geen rekening is gehouden met de mogelijkheid dat het aantal bedrijven ook kan verminderen. Provinciale staten hebben er in dit verband op gewezen dat de BPL naar verwachting zal zorgen voor een betere ontsluiting van bestaande bedrijventerreinen en dat daarmee het vestigingsklimaat op deze terreinen zal worden verbeterd. Uit het rapport van Ecorys van 8 oktober 2010 volgt bovendien dat een goede bereikbaarheid van locaties van belang is voor het ondernemersklimaat en bij locatiekeuzes van bedrijven. Uit verschillende studies volgt dat een duidelijk verband bestaat tussen de kwaliteit van het infrastructuuraanbod en het locatiegedrag van bedrijven. Zo laat het rapport uit 2005 "Kennisassen en kenniscorridors - Over de structurerende werking van infrastructuur in de kenniseconomie" van het Ruimtelijk Planbureau zien dat locaties waarvan de bereikbaarheid onlangs is verbeterd, een functie vervullen bij het behouden van expansieve, vitale bedrijfstypen en bij het aantrekken van dergelijke bedrijven uit andere regio’s. Nieuwe infrastructuur stimuleert op die manier volgens het rapport van Ecorys ruimtelijke ontwikkelingen die anders niet of ergens anders zouden hebben plaatsgevonden. Appellanten hebben niet aannemelijk gemaakt dat het rapport van Ecorys op dit punt ondeugdelijk zou zijn. Verder hebben provinciale staten gewezen op de Vestigingsklimaatmonitor Limburg, die volgens hen het belang aantoont van een goede bereikbaarheid voor het behoud en nieuwvestiging van bedrijven.
Voor zover is aangevoerd dat in de lijn van de verwachtingen ligt dat de Joint Force Command Headquarters en de USAG zullen worden verplaatst, waardoor het aantal bedrijven mogelijk zal verminderen en alternatieve tracés mogelijk zijn, wordt overwogen dat dit niet nader onderbouwde vermoedens zijn, zodat dit betoog reeds hierom niet kan worden gevolgd. Bovendien hebben provinciale staten ter zitting aangegeven dat van verplaatsing geen sprake is.
Gelet op het voorgaande hebben provinciale staten zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de verwachting bestaat dat de aanleg van de BPL, anders dan verscheidene appellanten betogen, een positieve invloed zal hebben op de ontwikkeling van bedrijven(terreinen) langs het tracé en daarmee aan de economische ontwikkeling van de regio.
2.10.6. Voor zover appellanten betwijfelen of de verkeersdeelnemers hun oude routes zullen verlaten en de BPL zullen gaan gebruiken, hebben provinciale staten er voorts terecht op gewezen dat uit de berekeningen in het verkeersmodel volgt dat de BPL een aanzienlijke hoeveelheid verkeer wegtrekt van het onderliggende wegennet.
Conclusie
Ten behoeve van het plan is onderzoek verricht naar de aanwezigheid van planten- en diersoorten in het plangebied en in de omgeving van het plangebied. De resultaten van deze onderzoeken zijn neergelegd in de rapporten "Natuurtoets mitigatie- en compensatieplan BPL", "Natuurtoets aansluiting Nuth" en "Natuurtoets Avantis" van 8 oktober 2010. In deze onderzoeken wordt geconcludeerd dat ten gevolge van het plan het functioneel leefgebied van een groot aantal soorten wordt aangetast. Ten aanzien van de meeste soorten wordt in voornoemde rapporten geconcludeerd dat dusdanige mitigerende en compenserende maatregelen zijn te treffen dat de Ffw niet aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg staat.
2.46.4. Voor zover appellanten betogen dat de gevlekte orchis en de veenorchis voorkomen in het gebied Breukberg en derhalve ten onrechte niet bij de onderzoeken zijn betrokken, hebben provinciale staten uiteengezet dat deze soorten niet in het gebied Breukberg zijn aangetroffen. Indien deze soorten toch in dit gebied mochten voorkomen, ondervinden deze plantensoorten geen negatieve gevolgen van de BPL, omdat het tracé van de BPL langs dit gebied zal lopen. In het aangevoerde ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat dit onjuist zou zijn. Overigens heeft de staatssecretaris van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie bij besluit van 30 augustus 2011 de aanvraag voor een ontheffing op grond van de Ffw voor de gevlekte orchis afgewezen, omdat geen ontheffing benodigd is.
Ten aanzien van het betoog dat ten onrechte niet is bezien of het leefgebied van de veldhamster zal worden aangetast, staat in de Natuurtoets Avantis vermeld dat tussen de verschillende instanties overeenstemming is bereikt omtrent het voorkomen van aantasting van het leefgebied van deze soort. Voorts hebben provinciale staten uiteengezet dat een ontheffing niet noodzakelijk is, omdat de functionaliteit van het hamsterleefgebied niet wordt aangetast en de hamsters niet worden verplaatst. In hetgeen appellanten hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat dit onjuist is.
Met betrekking tot de bever hebben provinciale staten zich op het standpunt gesteld dat deze soort tijdens de ten behoeve van het plan verrichte veldonderzoeken niet is aangetroffen. De beek waar deze soort is waargenomen door de Vereniging Natuurmonumenten is voorts gelegen op 300 m van het tracé van de BPL, zodat deze soort geen effecten zal ondervinden van de BPL, aldus provinciale staten. In hetgeen appellanten hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat dit onjuist is.
Ten aanzien van de juchtleerkever wordt in de Natuurtoets mitigatie- en compensatieplan geconcludeerd dat uit onderzoek is gebleken dat binnen of in de directe nabijheid van het plangebied geen voortplantingsbomen van deze soort aanwezig zijn. Het leefgebied van de juchtleerkever wordt dan ook niet aangetast, zo staat in de Natuurtoets mitigatie- en compensatieplan vermeld. Indien uit aanvullende monitoring mocht blijken dat er wel voortplantingsbomen op of direct nabij het tracé aanwezig zijn, zullen maatregelen worden getroffen, aldus provinciale staten. Met betrekking tot de mogelijke extra verkeersslachtoffers onder de juchtleerkever hebben provinciale staten uiteengezet dat er op verschillende plaatsen hop-overs zullen worden gerealiseerd waarvan deze soort zal kunnen profiteren.
Met betrekking tot het vliegend hert staat in de Natuurtoets mitigatie- en compensatieplan en de Natuurtoets aansluiting Nuth vermeld dat deze soort nabij Vaesrade in de Jeugrubbe veel voorkomt. De functionaliteit van het leefgebied wordt aangetast ten gevolge van het plan, aldus de Natuurtoets aansluiting Nuth. In de Natuurtoets aansluiting Nuth wordt een aantal maatregelen genoemd waarmee aantasting van de gunstige staat van instandhouding van het vliegend hert ten gevolge van de BPL kan worden voorkomen. Onder meer het realiseren van ontsluitende voorzieningen, het handhaven van koloniebomen en het optimaliseren van leefgebied in de directe omgeving zullen een positief effect hebben op deze soort. Indien de vereiste maatregelen worden genomen zal volgens de Natuurtoets mitigatie- en compensatieplan de gunstige staat van instandhouding van het vliegend hert niet in gevaar komen. In hetgeen appellanten hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat deze maatregelen onvoldoende effectief zullen zijn. Overigens heeft de staatssecretaris van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie bij besluit van 30 augustus 2011 een ontheffing verleend voor het vliegend hert.
Ten aanzien van de gladde slang hebben provinciale staten uiteengezet dat een aantal exemplaren van deze soort is aangetroffen buiten het tracé van de BPL. Deze soort heeft een beperkte reikwijdte, waardoor de gevolgen van de BPL voor deze soort zeer beperkt zullen zijn, aldus provinciale staten. Voorts zal de gladde slang volgens provinciale staten gebruik kunnen maken van de faunavoorzieningen die zullen worden getroffen. In het aangevoerde ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat dit onjuist is.
Voor zover appellanten voorts hebben verwezen naar het Flora- en faunaonderzoek overweegt de Afdeling dat zij voor het overige slechts in algemene zin naar dit onderzoek hebben verwezen en niet nader hebben geconcretiseerd ten aanzien van welke soorten volgens hen op basis van dit onderzoek, anders dan provinciale staten hebben gesteld, dient te worden geconcludeerd dat de Ffw op voorhand aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg zal staan.
2.46.5. Ten aanzien van het betoog dat onvoldoende duidelijk is waar de verschillende faunapassages zullen worden gerealiseerd, overweegt de Afdeling dat in de verbeelding op verschillende plaatsen de functieaanduiding "specifieke vorm van natuur - faunapassage" is opgenomen. Ingevolge artikel 7, lid 7.2.2, aanhef en onder b, van de planregels mogen op de voor "Verkeer" aangewezen gronden uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ten dienste van de bestemming worden gebouwd, met dien verstande dat de bouwhoogte van faunapassages en ecoducten binnen de aanduiding "specifieke vorm van natuur - faunapassages" maximaal 8 m mag bedragen. Het plan biedt op de in de verbeelding aangegeven plaatsen derhalve ruimte voor het realiseren van de faunapassages. Voor zover appellanten hebben betoogd dat de faunapassages die worden aangemerkt als maatregel in het kader van het inpassingsplan reeds bestaande passages zijn, hebben provinciale staten uiteengezet dat het merendeel van de maatregelen nieuwe passages betreft. Op sommige locaties zullen de bestaande passages worden verbeterd en uitgebreid om deze passages na de wegverbreding bruikbaar te houden. In het aangevoerde ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat provinciale staten zich niet in redelijkheid op het standpunt hebben kunnen stellen dat de faunapassages voldoende effectief zullen zijn.
2.46.6. Met betrekking tot het betoog van appellanten dat niet alle maatregelen die in het kader van de Ffw worden getroffen in het inpassingsplan zijn opgenomen, overweegt de Afdeling dat in de onderhavige procedure ter beoordeling staat of provinciale staten zich in redelijkheid op het standpunt hebben kunnen stellen dat de Ffw niet op voorhand aan de uitvoerbaarheid van het inpassingsplan in de weg staat. Niet is vereist dat alle in het kader van de Ffw te treffen maatregelen in het inpassingsplan worden vastgelegd. Provinciale staten hebben voorts uiteengezet dat het gelet op de omvang van het project onmogelijk is alle maatregelen in het plan op te nemen. Op grond van het mitigatie- en compensatieplan achten provinciale staten voldoende gewaarborgd dat de benodigde maatregelen zullen worden getroffen. De Afdeling acht dit standpunt niet onredelijk.
Bronnenbos
2.47. Een aantal appellanten betoogt dat de natuurwaarden ter plaatse van het zogenoemde Bronnenbos zullen worden aangetast. In dit verband voeren zij aan dat in het Bronnenbos een nestlocatie van de buizerd aanwezig is.
Conclusie
Volgens het verweerschrift en het MER "Aansluiting Nuth" is de keuze voor het tracé door het Geleenbeekdal over de bestaande N298/Naanhofsweg, de zogenoemde POL-corridor gemaakt, omdat dit tracé in vergelijking met twee andere alternatieven, de zogeheten noordelijke en zuidelijke corridor, de minst nadelige gevolgen heeft voor natuur en milieu. Vervolgens is de keuze voor de realisering van de variant met een turboverkeersplein gemaakt na een beoordeling van een aantal alternatieven naar hun effecten op de aspecten verkeer en leefmilieu, water, bodem en natuur, ruimtelijke leefomgeving en fysieke inpasbaarheid. Uit het MER volgt dat het landschappelijk en cultuurhistorisch karakter van het gebied in deze beoordeling is meegenomen en meer specifiek de landschappelijke structuur en beleving nabij kasteel Reijmersbeek. Gelet hierop wordt geen aanleiding gezien voor het oordeel dat deze belangen onvoldoende in de besluitvorming zijn betrokken.
Provinciale staten hebben voorts het belang van de ontwikkeling van de BPL van zwaarder gewicht kunnen achten dan het landschappelijk en cultuurhistorisch belang. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat het monumentale kasteel, de hoeve, de stal en het Bronnenbos op het landgoed behouden kunnen blijven.
2.64.7. [appellanten sub 3] betogen dat het woon- en leefklimaat van de gezinnen die op het landgoed in het kasteel of de boerderij aan de Reijmersbekerweg 28, 29 of 30 wonen zal verslechteren als gevolg van de aansluiting van de BPL op de A76. Zij betogen voorts dat het leefklimaat van degenen die op het landgoed werken zal verslechteren. Zij vrezen voor een vermindering van het uitzicht en geluidhinder. Ten aanzien van het aspect geluid betogen zij dat de omstandigheid dat wordt voldaan aan de normering in de Wgh niet betekent dat de geluidsbelasting ter plaatse aanvaardbaar is. Hiertoe stellen zij dat de bouwkundige staat van de woningen zodanig is, dat het geluid van de weg daarin intens zal doordringen en de situatie onleefbaar wordt. Dit klemt temeer, omdat de kans klein is dat dit met bouwkundige aanpassingen kan worden verholpen, omdat de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed daarvoor waarschijnlijk geen toestemming verleent.
2.64.7.1. Niet valt uit te sluiten dat het uitzicht ter plaatse van de woningen in enige vorm kan worden aangetast door de ter plaatse verhoogd aan te leggen infrastructuur met bijbehorende bebouwing, aangezien deze is voorzien op een thans onbebouwd terrein op een afstand van ongeveer 75 m tot de woningen op het landgoed. Provinciale staten hebben zich echter in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de aantasting van het uitzicht niet dusdanig zal zijn dat hieraan een doorslaggevend gewicht moet worden toegekend. Hierbij wordt in aanmerking genomen de omstandigheid dat de turborotonde verhoogd moet worden aangelegd, omdat de A76 daar onderdoor zal lopen. Voorts wordt in aanmerking genomen de verklaring van provinciale staten ter zitting dat maatregelen worden genomen die de aantasting van het uitzicht beperken. Hierbij kan worden gedacht aan een talud beplant met bomen.
2.64.7.2. Ten aanzien van de gestelde geluidhinder stelt de Afdeling voorop dat [appellanten sub 3] niet aannemelijk hebben gemaakt dat voor de woningen aan de Reijmersbekerweg 28, 29 en 30 niet van de conclusies in het akoestisch onderzoek kan worden uitgegaan.
De gronden ter plaatse van deze woningen liggen in de geluidszone van de BPL. Omdat de BPL wordt aangelegd als nieuwe weg, bedraagt de ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting vanwege deze weg ingevolge artikel 82, eerste lid, van de Wgh 48 dB. Teneinde geluidhinder te beperken wordt ter hoogte van de woningen een geluidreducerend wegdek van het type dunne deklaag B aangelegd. In het akoestisch onderzoek is berekend dat de geluidsbelasting vanwege de weg op de gevel van de woningen aan de Reijmersbekerweg 28 en 29 niet meer dan 48 dB zal bedragen. In eerste instantie is voor de woning Reijmersbekerweg 30 uitgegaan van een geluidsbelasting van 51 dB. Nu die waarde de vastgestelde hogere waarde niet overschrijdt, hebben provinciale staten zich terecht op het standpunt gesteld dat de Wgh in zoverre niet aan het plan in de weg staat. Zoals hiervoor onder 'Besluit hogere waarden' staat, heeft een aanvullende berekening inmiddels uitgewezen dat de geluidsbelasting vanwege de BPL ook ter plaatse van de woning aan de Reijmersbekerweg 30 de voorkeursgrenswaarde niet zal overschrijden. Gelet hierop hebben provinciale staten zich ten aanzien van deze drie woningen in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de aanleg van de BPL ter plaatse van deze woningen niet leidt tot ernstige geluidhinder.
Ter hoogte van de woningen aan de Reijmersbekerweg 28, 29 en 30 wordt voorts de A76 gewijzigd. De normering in de Wgh is, gelet op het bepaalde in artikel 100, gelezen in samenhang met artikel 1, slechts van toepassing indien de geluidsbelasting vanwege de wijziging met 2 dB of meer wordt verhoogd. Berekend is dat de geluidsbelasting vanwege de A76 op de gevel van de woningen in de huidige situatie 58,84 dB en in de toekomstige situatie 54,83 dB bedraagt. Provinciale staten hebben zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het woon- en leefklimaat vanwege de geluidsbelasting van de A76 niet ernstig wordt aangetast, temeer nu de geluidsbelasting afneemt. Gelet hierop hebben zij aanvullende maatregelen ter hoogte van de gronden vanwege het geluid van de A76 in redelijkheid niet noodzakelijk hoeven achten.
[appellanten sub 3] hebben geen feiten of omstandigheden aangevoerd die aanleiding geven voor het oordeel dat provinciale staten in dit geval uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening maatregelen hadden moeten nemen om de geluidsbelasting ter plaatse van de woningen aan de Reijmersbekerweg 28, 29 en 30 verder terug te dringen. De enkele stelling dat de staat van de woningen slecht is, zodat het geluid in de woningen meer intens zal doordringen, is hiervoor onvoldoende.
2.64.7.3. Het voorgaande in aanmerking genomen, wordt voorts geen aanleiding gezien voor het oordeel dat het leefklimaat van degenen die op het land werken ernstig zal worden aangetast.
2.64.8. [appellanten sub 3] betogen dat het plan leidt tot een belemmering van de agrarische bedrijfsvoering op het landgoed, omdat de gronden waaraan de bestemming "Verkeer" is toegekend niet meer kunnen worden aangewend voor de bedrijfsvoering. Zij betogen dat de agrarische bedrijfsvoering noodzakelijk is voor het onderhoud en de instandhouding van het monumentale complex en dat de belemmering daarvan derhalve tot blijvende schade leidt. Zij voeren in dit verband ook aan dat de aanleg van de BPL zal leiden tot vervuiling van de gewassen door een verslechtering van de luchtkwaliteit.
2.64.8.1. Zoals hiervoor bij de bespreking van de beroepsgronden van [appellant sub 98] is overwogen staat vast dat de agrarische bedrijfsvoering, voor zover dit de veehouderij op het landgoed betreft, moet worden verplaatst. Provinciale staten hebben ter zitting verklaard dat zij streven naar een algehele verplaatsing van de veehouderij naar gronden elders op het landgoed en gewijzigde voortzetting van de pachtverhouding tussen [appellant sub 98] en [appellanten sub 3]. Indien voortzetting van de pachtverhouding evenwel niet mogelijk is, wordt het verlies aan inkomsten voor de instandhouding van het monument verdisconteerd in de schade die wordt vergoed, aldus provinciale staten. Het voorgaande in aanmerking genomen is de Afdeling van oordeel dat provinciale staten dit aspect voldoende in hun besluitvorming hebben betrokken.
Voorts wordt in hetgeen is aangevoerd geen aanleiding gezien voor het oordeel dat moet worden gevreesd voor een ernstige vervuiling van de gewassen door een verslechtering van de luchtkwaliteit.
2.64.9. [appellanten sub 3] betogen dat het inpassingsplan, mede gelet op hun bedrijfsbelangen, ten onrechte niet voorziet in een verruiming van de tunnel die het bedrijventerrein de Horsel verbindt met de boerderij.
Overwegingen
Voorts is niet onaannemelijk het standpunt van provinciale staten dat de algemene praktijk leert dat weggebruikers na openstelling van een nieuwe hoogwaardige infrastructuur, al dan niet na een korte gewenningsperiode, hun route aanpassen en dat de verkeersbelasting op de oude routes als gevolg hiervan daalt. Ter zitting hebben provinciale staten in dit kader bovendien opgemerkt dat weggebruikers zullen kiezen voor de snelste route en niet zozeer voor de kortste route. Appellanten hebben het tegendeel niet aannemelijk gemaakt.
2.10.7. Ten aanzien van het betoog omtrent de verkeersveiligheid hebben provinciale staten hun standpunt dat de BPL voldoet aan de doelstelling om de verkeersveiligheid van Parkstad Limburg te verbeteren, gebaseerd op meergenoemd rapport van Ecorys. In dit rapport is vermeld dat ongelijksoortige verkeersstromen beter van elkaar worden gescheiden en de hiërarchie in het wegennet wordt versterkt, hetgeen leidt tot een verschuiving van verkeer van het onderliggende wegennet naar de BPL. Het aantal verkeersongevallen en -gewonden in Parkstad Limburg zal hierdoor met ongeveer 3% verminderen, aldus het rapport. Voorts is in het verkeerskundig onderzoek geconcludeerd dat uit analyse van het effect van de BPL op de verkeersveiligheid naar voren is gekomen dat een vermindering wordt verwacht van ongeveer 50 verkeersongevallen per jaar ten opzichte van de huidige situatie. Het aantal ziekenhuisgewonden daalt met ongeveer 55 slachtoffers op jaarbasis. Deze vermindering vindt met name plaats op de wegen binnen de bebouwde kom en houdt vooral een verbetering in voor de meest kwetsbare groepen, te weten voetgangers en fietsers. Daarbij dient volgens het verkeerskundig onderzoek te worden opgemerkt dat deze daling wordt bereikt ondanks de absolute toename van het aantal voertuigkilometers binnen Parkstad Limburg. Geconcludeerd wordt dat de komst van de BPL een verbetering betekent voor de hiërarchie en tot een herverdeling van de verkeersstromen van het onderliggende naar het hoofdwegennet leidt. Hierdoor ontstaat per saldo een verkeersveiliger wegennet, zo staat in het verkeerskundig onderzoek.
Het voorgaande vormt naar het oordeel van de Afdeling voldoende motivering voor het standpunt van provinciale staten dat de aanleg van de BPL tot een verbetering van de verkeersveiligheid in de regio leidt. Appellanten hebben niet aannemelijk gemaakt dat het onderzoeksrapport op dit punt ondeugdelijk is. De omstandigheid dat het aantal verkeersongelukken en -slachtoffers in de regio het landelijk gemiddelde niet overstijgt, doet er niet aan af dat, zoals provinciale staten hebben toegelicht, het streven erop is gericht dit aantal verder omlaag te brengen. Uit het vorenstaande volgt dat de verwezenlijking van de BPL hieraan kan bijdragen.
Ten aanzien van het standpunt van enkele appellanten dat verschillende gemeenten kenbaar hebben gemaakt dat de BPL op hun grondgebied tot een achteruitgang van de verkeersveiligheid zal leiden en dat bovendien twijfelachtig is of de gemeenten in staat zullen zijn het onderliggende wegennet zodanig aan te passen dat het verkeer van en naar de BPL op veilige wijze kan worden afgewikkeld, is ter zitting van de zijde van provinciale staten opgemerkt dat alle gemeentebesturen achter het project als zodanig staan en dat overleg plaatsvindt tussen de gemeentebesturen en het provinciebestuur omtrent de uitvoering ervan. In dit verband is voorts toegelicht dat het denkbaar is dat op bepaalde plaatsen voorzieningen worden getroffen zoals de aanleg van rotondes.
2.10.8. Enkele appellanten hebben aangevoerd dat in het rapport van Ecorys van 8 oktober 2010 niet is aangegeven in welke mate met name een combinatie van de in de zogeheten Ladder van Verdaas genoemde maatregelen tot een zodanige afname van de gestelde problematiek kan leiden, dat de noodzaak voor het aanleggen van nieuwe infrastructuur vermindert en/of verdwijnt.
2.10.8.1. Uit het rapport van Ecorys volgt dat alvorens te investeren in een omvangrijk project als de BPL het wenselijk is om eerst te bepalen of de geschetste problemen niet op een andere en/of minder ingrijpende manier kunnen worden opgelost, zodat op globale wijze de Ladder van Verdaas wordt doorlopen. De Ladder van Verdaas is een veelgebruikte methodiek om oplossingsrichtingen voor mobiliteitsproblemen in kaart te brengen. Hierbij wordt op een getrapte wijze naar oplossingsrichtingen gekeken. De gedachte is dat eerst moet worden nagegaan of de doelen van infrastructuurprojecten via minder ingrijpende maatregelen kunnen worden gerealiseerd, alvorens meer ingrijpende maatregelen (zoals aanleg van nieuwe infrastructuur) te overwegen. De realisatie van nieuwe infrastructuur moet pas worden overwogen als beleidsmaatregelen om verkeers- en mobiliteitsgedrag te beïnvloeden en/of het beter benutten van bestaande infrastructuur (eventueel met kleine aanpassingen) geen afdoende oplossing bieden.
De Ladder van Verdaas onderscheidt de volgende zeven maatregelen:
1. ruimtelijke ordeningsmaatregelen;
2. prijsbeleid;
3. mobiliteitsmanagement en fietsbeleid;
4. optimalisatie (bestaand) openbaar vervoer;
5. benutting bestaande infrastructuur;
6. verbreden van bestaande infrastructuur;
7. aanleg van nieuwe infrastructuur.
Als de maatregelen van de Ladder van Verdaas globaal worden doorlopen, lijken volgens het rapport van Ecorys de eerste vier maatregelen niet of onvoldoende effect te hebben om de problemen op te lossen waarop de BPL een antwoord probeert te geven. De BPL is volgens het rapport een combinatie van de laatste drie stappen in de Ladder van Verdaas. Het tracé van de BPL loopt deels over bestaande wegen, waar maatregelen worden genomen om deze beter te benutten en de capaciteit uit te breiden. Daarnaast wordt ook nieuwe infrastructuur gerealiseerd. Door waar redelijkerwijs mogelijk in het ontwerp van de BPL gebruik te maken van de bestaande infrastructuur, wordt ook aangesloten bij het gedachtegoed van de Ladder van Verdaas om de meest zware maatregel, de aanleg van nieuwe infrastructuur, te beperken.
Gelet op het voorgaande hebben appellanten niet aannemelijk gemaakt dat in het rapport van Ecorys onvoldoende is gekeken naar een combinatie van de in de Ladder van Verdaas genoemde maatregelen.
2.10.9. Er is verder aangevoerd dat in de uitgevoerde MKBA niet is gekeken naar de aanpassingen van toeleidende wegen, het onderliggende wegennet en de op- en afritten op gemeentelijk grondgebied, zodat niet kan worden gesteld dat de verkeersveiligheid in het gebied volledig is beoordeeld.
2.10.9.1. Uit het rapport van Ecorys van 8 oktober 2010 volgt dat het bestaande wegennet niet overal voldoet aan de basisprincipes van een veilig wegennet overeenkomstig de principes van Duurzaam Veilig, waarin onder meer verschillende soorten verkeer zoveel mogelijk van elkaar zijn gescheiden. Door de aanleg van de BPL wordt volgens het rapport van Ecorys wel voldaan aan de doelstelling om de verkeersveiligheid in Parkstad Limburg te verbeteren. De BPL zorgt voor een verkeersstructuur die beter voldoet aan de uitgangspunten van Duurzaam Veilig, omdat ongelijksoortige verkeersstromen beter van elkaar worden gescheiden, de hiërarchie in het wegennet wordt versterkt en de vormgeving van bestaande wegen wordt opgewaardeerd naar die van een stroomweg waardoor deze wegen beter toegerust zijn voor het veilig afwikkelen van grote en/of doorgaande verkeersstromen. Gelet hierop is niet aannemelijk gemaakt dat in het MKBA onvoldoende rekening is gehouden met de verkeersveiligheid.
2.10.10. Enkele appellanten betogen dat in het rapport "Toetsing op doelbereik & MKBA" van 8 oktober 2010 ten onrechte geen rekening is gehouden met diverse kostensoorten. Ter zitting hebben provinciale staten toegelicht dat een deel van deze kostensoorten bij de MKBA is meegenomen onder de noemer investeringskosten en dat een deel van deze kosten is meegenomen in het kader van de indirecte en externe effecten.
Conclusie
Daarnaast zal ter plaatse verstoring van broedvogels door geluid plaatsvinden. Voorts wijzen appellanten erop dat het Bronnenbos tot het leefgebied van de ree behoort. Ten gevolge van de aanleg van de BPL zal volgens appellanten aantasting van het leefgebied van deze soorten plaatsvinden.
2.47.1. Gebleken is dat er voor is gekozen het tracé ter hoogte van het Bronnenbos in zuidelijke richting te verschuiven, zodat dit gebied niet door de BPL zal worden doorkruist. Gelet hierop is geen sprake van fysieke aantasting van het bos en daarmee van het leefgebied van de ter plaatse voorkomende soorten. Provinciale staten hebben voorts uiteengezet dat ter plaatse van het Bronnenbos, anders dan appellanten betogen, geen buizerd of een nest van een buizerd is aangetroffen.
Ten aanzien van de ree in het Bronnenbos hebben provinciale staten erop gewezen dat het een soort betreft die voorkomt in tabel 1 van de Ffw, zodat een vrijstelling geldt van de verbodsbepalingen uit deze wet. Bovendien is rekening gehouden met deze soort in de Natuurtoets mitigatie- en compensatieplan. De ree zal kunnen profiteren van de verschillende faunapassages en ecoducten en de verschillende andere mitigerende en compenserende maatregelen die worden getroffen ten behoeve van onder meer de das.
Ten aanzien van de mogelijke verstoring van vogelsoorten door een toename van de geluidsbelasting staat in de Natuurtoets mitigatie- en compensatieplan vermeld dat bij een toename van de geluidsbelasting tot 47 dB(A) wordt uitgegaan van 20% kwaliteitsafname binnen het leefgebied. Bij een toename van de geluidsbelasting groter dan 47 dB(A) wordt uitgegaan van een kwaliteitsafname van 50%. Voor deze kwaliteitsafname vindt compensatie van het leefgebied van de verstoorde vogelsoorten plaats. Ter zitting hebben provinciale staten uiteengezet dat ook ten aanzien van het Bronnenbos leefgebied voor vogels in de nabije omgeving zal worden gecompenseerd. Appellanten hebben dit niet gemotiveerd bestreden.
2.47.2. Gelet op het vorenstaande hebben provinciale staten zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de Ffw niet op voorhand aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg staat.
Ecologische hoofdstructuur
2.48. Verschillende appellanten betogen dat ten gevolge van de aanleg van de BPL een wezenlijke aantasting van de Ecologische Hoofdstructuur (hierna: EHS) plaatsvindt. Provinciale staten hebben het "nee, tenzij-principe" onjuist toegepast, aldus appellanten. Voorts zullen de kwaliteit en de samenhang van de EHS door areaalverlies en barrièrewerking ernstig worden aangetast. Volgens appellanten is onvoldoende duidelijk in hoeverre deze aantasting kan worden voorkomen of kan worden gecompenseerd. Benodigde maatregelen om aantasting van de EHS zo veel mogelijk te compenseren zijn voorts onvoldoende gewaarborgd, aldus appellanten.
2.48.1. Provinciale staten hebben zich op het standpunt gesteld dat is voldaan aan het beleidskader met betrekking tot de EHS. Volgens provinciale staten vindt voldoende compensatie plaats met betrekking tot de aantasting van de natuurdoelen. De gronden die ter compensatie zullen worden gebruikt zijn ook als zodanig bestemd.
2.48.2. Het provinciale beleid met betrekking tot de EHS is neergelegd in het POL 2006. Volgens het POL 2006 is het beleid voor de EHS gericht op het behoud, herstel en de ontwikkeling van de wezenlijke kenmerken en waarden binnen de EHS. De bescherming van de wezenlijke kenmerken en waarden vindt plaats door toepassing van een specifiek afwegingskader, het "nee, tenzij-principe". Binnen de EHS zijn nieuwe plannen, projecten of handelingen niet toegestaan indien deze de wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied significant aantasten. Alleen bij een groot openbaar belang en het ontbreken van reële alternatieven zal per geval beoordeeld worden of het belang van een activiteit opweegt tegen het belang van de te beschermen waarden. Als dergelijke activiteiten toch worden toegestaan dient compensatie plaats te vinden overeenkomstig de provinciale beleidsregel Mitigatie en compensatie natuurwaarden. Uitgangspunt hierbij is dat de schade zoveel mogelijk dient te worden beperkt door mitigerende maatregelen. Resterende schade dient te worden gecompenseerd, zo staat vermeld in het POL 2006.
2.48.3. Vaststaat dat het in het inpassingsplan opgenomen tracé de EHS deels doorkruist. Derhalve is het in het POL 2006 opgenomen "nee, tenzij-principe" van toepassing.
Provinciale staten hebben zich op het standpunt gesteld dat er geen alternatieve ringwegstructuren zijn die geen ruimtebeslag hebben op de EHS. Zelfs het nulplusalternatief leidt volgens provinciale straten tot aantasting van de EHS bij de lokaal benodigde infrastructurele aanpassingen, zodat geen realistische alternatieven bestaan die de EHS niet zullen aantasten. In hetgeen appellanten hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat dit onjuist is. In het POL 2006 worden voorts geen aanknopingspunten gevonden voor het oordeel dat het bestaan van een alternatief dat een minder grote aantasting van de EHS tot gevolg heeft, betekent dat niet meer zou worden voldaan aan het "nee, tenzij-principe".
Ten aanzien van het groot openbaar belang in het kader van het EHS-beleid staat in de plantoelichting vermeld dat ten gevolge van de BPL de leefbaarheid en de verkeersveiligheid in de kernen van de regio Parkstad zullen toenemen. Voorts wordt met de BPL de bereikbaarheid van deze regio verbeterd, zo staat in de plantoelichting vermeld. Nu voorts sprake is van nut en noodzaak bij de realisering van het in het inpassingsplan opgenomen tracé van de BPL hebben provinciale staten zich naar het oordeel van de Afdeling in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat sprake is van een groot openbaar belang als hiervoor bedoeld.
Gelet op het vorenstaande bestaat geen grond voor het oordeel dat het inpassingsplan niet voldoet aan het "nee, tenzij-principe" zoals opgenomen in het POL 2006.
2.48.4. Ten aanzien van de door appellanten gevreesde barrièrewerking staat in de Natuurtoets mitigatie- en compensatieplan vermeld dat barrièrewerking optreedt op de locaties waar de BPL over een bestaand tracé loopt. De barrière wordt op deze locaties groter door verbreding van de weg of het plaatsen van schermen. Versnippering is het effect dat optreedt op plekken waar nog geen bestaand tracé ligt. Vaststaat dat ten gevolge van de BPL versnippering en barrièrewerking optreden. Om versnippering en barrièrewerking ten gevolge van de BPL zo veel mogelijk te voorkomen worden zogenoemde ontsnipperende voorzieningen gerealiseerd. Deze voorzieningen worden gerealiseerd gelijktijdig met de aanleg van de BPL. Er zal een groot aantal verbindingen, te weten ecoducten, faunapassages, tunnels en hop-overs, worden gerealiseerd om te voorkomen dat de EHS-gebieden geïsoleerd komen te liggen. In hetgeen appellanten hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat deze maatregelen onvoldoende zijn.
2.48.5. Het areaalverlies van de EHS ten gevolge van de BPL wordt gecompenseerd via het compensatieplan. In dit plan zijn de zoekgebieden opgenomen waar de compensatie kan plaatsvinden. Daarbij is overeenkomstig de provinciale beleidsregel Mitigatie en compensatie natuurwaarden een kwaliteitstoeslag toegepast. De compensatietaakstelling zal voor zover de gronden niet in eigendom zijn van de provincie, langs minnelijke grondverwervingen, dan wel beheersovereenkomsten worden ingevuld en vastgelegd. Daarnaast zijn de compensatiegronden zo veel mogelijk vastgelegd op de verbeelding en als zodanig bestemd. Ter zitting hebben provinciale staten voorts onweersproken gesteld dat meer natuur zal worden gecompenseerd dan strikt genomen op grond van het POL 2006 noodzakelijk is.
Conclusie
Verder stellen zij dat het plan moet voorzien in een oplossing voor het tegengaan van graffiti- en drugsgebruik in deze tunnel.
2.64.9.1. Provinciale staten achten de bestaande tunnel toereikend voor het gebruik door landbouwverkeer. [appellanten sub 3] hebben niet aannemelijk gemaakt dat dit onjuist is. Provinciale staten stellen verder dat een verruiming van de tunnel bovendien te ingrijpende gevolgen heeft, omdat daardoor de A76 aanzienlijk moet worden aangepast. De Afdeling acht dit standpunt niet onredelijk.
Verder wordt overwogen dat het tegengaan van overlastveroorzakende activiteiten in de tunnel een kwestie van handhaving is, hetgeen in deze procedure niet aan de orde kan komen.
2.64.10. [appellanten sub 3] vrezen dat de onverharde ontsluitingsweg die parallel loopt aan de A76 en als gevolg van de aanleg van de BPL moet worden verplaatst, niet opnieuw zal worden aangelegd. Hiertoe stellen zij dat de particuliere eigendom van de gronden daaraan in de weg staat. Zij stellen dat de gronden waarop de heraanleg is voorzien in het plan hadden moeten worden opgenomen.
2.64.10.1. In het verweerschrift staat dat de weg opnieuw wordt aangelegd en dat deze is voorzien langs de nieuwe toerit richting Schinnen. De grond waarop deze ontsluitingsweg wordt aangelegd is gedeeltelijk eigendom van de provincie en gedeeltelijk eigendom van [appellanten sub 3] en kan ook hun eigendom blijven. Provinciale staten hebben verklaard dat het verlies aan agrarische grond dat daardoor wordt geleden, zal worden betrokken bij de vaststelling van de onteigeningsschadeloosstelling. Zij hebben voorts verklaard dat de kosten die zijn gemoeid met de aanleg van de weg voor rekening van de provincie komen. Het voorgaande in aanmerking genomen bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat provinciale staten dit punt onvoldoende in de besluitvorming hebben betrokken. Dat de gronden waarop de weg is voorzien niet in het plan zijn opgenomen, leidt niet tot een ander oordeel. Hierbij is van belang de toelichting van provinciale staten ter zitting dat de realisering van de ontsluitingsweg reeds mogelijk is op grond van de bestemming in het desbetreffende bestemmingsplan.
2.64.11. [appellanten sub 3] voeren aan dat het kapelletje op landgoed Reijmersbeek als gevolg van de aanleg van de weg onbereikbaar wordt. Provinciale staten hebben hiervoor ten onrechte geen oplossing geboden.
2.64.11.1. In het verweerschrift staat dat het kapelletje niet kan worden gehandhaafd op de huidige locatie, maar dat dit na overleg met belanghebbenden zal worden verplaatst. Daarbij zal ook het aspect van de bereikbaarheid aan de orde komen. De Afdeling is van oordeel dat provinciale staten deze kwestie hiermee voldoende in de besluitvorming hebben betrokken.
2.64.12. [appellanten sub 3] betogen dat ten onrechte niet in het plan is geregeld dat waterhuishoudkundige voorzieningen worden aangelegd op het gedeelte van de gronden van het landgoed waaraan de bestemming "Verkeer" is toegekend. Zij achten dit noodzakelijk voor de instandhouding van de waterhuishouding op het landgoed.
2.64.12.1. Ingevolge artikel 7, lid 7.1, eerste lid, aanhef en onder k, van de planregels zijn de voor "Verkeer" aangewezen gronden bestemd voor (bergings)sloten, water en waterhuishoudkundige voorzieningen.
2.64.12.2. Provinciale staten hebben ter zitting verklaard dat de waterhuishouding op het landgoed met voorzieningen, zoals de bestaande waterloop voor de toestroom van water naar het Bronnenbos, in stand kan worden gehouden. Het plan maakt die voorzieningen op grond van artikel 7, lid 7.1, eerste lid, aanhef en onder k, en artikel 19, lid 19.1, aanhef en onder a, van de planregels ook mogelijk. [appellanten sub 3] hebben niet aannemelijk gemaakt dat desondanks moet worden gevreesd voor een verstoring van de waterhuishouding op het landgoed. Dat de gronden waarop een gedeelte van de bestaande waterloop is gelegen niet in het plan zijn opgenomen, leidt niet tot een ander oordeel. Hierbij is van belang de toelichting van provinciale staten ter zitting dat de bestemming in het desbetreffende bestemmingsplan de aanwezigheid van de waterloop toelaat.
2.64.13. [appellanten sub 3] betogen dat ter plaatse van hun gronden met de bestemming "Verkeer" onvoldoende onderzoek is verricht. Zij voeren aan dat in strijd met de Wet op de archeologische monumentenzorg geen archeologisch onderzoek is verricht. Verder voeren zij aan dat op de gronden ten onrechte geen bodemonderzoek en onderzoek naar de aanwezige flora en fauna is verricht.
2.64.13.1. In de zienswijzenota staat dat veldonderzoek op de hier aan de orde zijnde gronden nog niet heeft plaatsgevonden, omdat de eigenaar hiervoor geen toestemming gaf. Mede gezien het feit dat op basis van de archeologische verwachtingskaart voor de gemeenten van Parkstad Limburg uit 2007 en voor de gemeente Nuth is gebleken dat moet worden verwacht dat de gronden archeologische waarde hebben is daaraan de dubbelbestemming "Waarde - Archeologie" toegekend. Provinciale staten stellen dat daarmee voldoende recht wordt gedaan aan de potentiële waarden van de desbetreffende gronden. Gelet op hetgeen in het algemene deel van deze uitspraak over archeologie is overwogen wordt geen aanleiding gezien voor het oordeel dat provinciale staten dit standpunt niet in redelijkheid hebben kunnen innemen.
Ten aanzien van het aspect bodem staat in de zienswijzenota dat een alternatief bodemonderzoek is uitgevoerd voor de locaties waar geen toestemming is verkregen voor het betreden van de percelen. Met dit alternatieve onderzoek is vastgesteld of eventueel aanwezige verontreinigingen ter plaatse van de BPL perceelsoverschrijdend zijn. Dit onderzoek is op twee locaties waar het perceel niet mocht worden betreden niet verricht, omdat onderzoek ter plaatse niet zinvol is geacht, nu de bodembedreigende activiteiten op meer dan 10 m van de perceelsgrens worden uitgevoerd. In de zienswijzenota staat verder dat voor niet onderzochte locaties bureauonderzoek is verricht. Provinciale staten stellen voorts dat eventueel verontreinigde locaties worden gesaneerd, dat inzichtelijk is gemaakt welke kosten daarmee zijn gemoeid en dat hiervoor voldoende financiële middelen beschikbaar zijn. Gelet hierop wordt geen aanleiding gezien voor het oordeel dat onvoldoende onderzoek is verricht naar het aspect bodem. Voorts bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat de aanwezige bodemverontreiniging aan de uitvoerbaarheid van het plandeel in de weg staat.
Voorts wordt overwogen dat in het onderzoek "Mitigatie- en compensatieplan BPL" staat dat het Bronnenbos, gelegen naast landgoed Reijmersbeek, deel uitmaakt van het onderzoeksgebied naar de flora en fauna. [appellanten sub 3] hebben niet aannemelijk gemaakt dat provinciale staten voor hun gronden zonder het verrichten van veldonderzoek op die gronden niet hebben kunnen uitgaan van de conclusies die betrekking hebben op het Bronnenbos.
2.64.14. [appellanten sub 3] betogen dat niet duidelijk is wat de bestemming "Leiding - Leidingenstrook" toelaat. Zij vrezen dat een verslechtering van de externe veiligheid optreedt als de bestaande gasleiding op het landgoed wordt verplaatst in de richting van de boerderij en het kasteel. Indien de bestaande gasbuisleidingen worden verplaatst naar de buitenste rand van het plandeel met de bestemming "Verkeer" is ten onrechte niet een extra strook grond met een breedte van 5 m in het plan opgenomen waarmee kan worden voldaan aan het bepaalde in het Besluit externe veiligheid buisleidingen dat aan weerszijden van de leiding een bebouwingsvrije zone van 5 m moet worden aangehouden, aldus [appellanten sub 3].
2.64.14.1. Blijkens de verbeelding is aan de gronden ten westen van de A76 en ter hoogte van landgoed Reijmersbeek de dubbelbestemming "Leiding - Leidingenstrook" toegekend.
Overwegingen
Voorts hebben provinciale staten toegelicht dat de MKBA is gebaseerd op de meest actuele informatie over de BPL. Voor het overige hebben appellanten niet aannemelijk gemaakt dat het rapport niet voldoet aan de hiervoor geldende nationale richtlijn Overzicht Effecten Infrastructuur (hierna: de OEI-richtlijn).
Voor zover is aangevoerd dat geen rekening is gehouden met kostenstijgingen overweegt de Afdeling dat provinciale staten ter zitting hebben toegelicht dat bij het opstellen van de MKBA het uitgangspunt was dat alle prijzen gelijk met de inflatie stijgen en dat alleen met kostenstijgingen rekening hoefde te worden gehouden indien voor een kostensoort een hogere stijging wordt verwacht. Niet is gebleken dat dit uitgangspunt onjuist is. Voorts bestaat in het aangevoerde geen verwachting voor budgetoverschrijdingen als gevolg van projectwijzigingen, zodat hier bij de MKBA geen rekening mee behoefde te worden gehouden.
Anders dan betoogd, is niet aannemelijk dat het rekening houden met directe en indirecte effecten heeft geleid tot dubbeltelling, nu in het rapport "Toetsing op doelbereik & MKBA" van 8 oktober 2010 onder meer staat dat de methodiek is toegepast zoals omschreven in de "Werkwijzer OEI bij MIRT Planstudies" van het Ministerie van Verkeer en Waterstaat.
Voorts staat in het rapport vermeld dat in een MKBA de effecten van een project voor een zo lang mogelijke tijdshorizon in kaart worden gebracht en dat een zichtperiode tot het jaar 2100 gangbaar is. Gelet hierop faalt het betoog dat een te lange tijdshorizon is gehanteerd. Voor zover is aangevoerd dat met kosten na 2025 geen rekening is gehouden, overweegt de Afdeling dat volgens voormeld rapport verondersteld is dat de effecten na 2025 hetzelfde blijven. Onder deze effecten worden ook negatieve effecten verstaan, waaronder de kosten van beheer en onderhoud.
In de uitgevoerde MKBA is, met het oog op de ligging van het project in de grensstreek, gemotiveerd afgeweken van de OEI-richtlijn wat betreft het schaalniveau door de effecten die in Duitsland en België neerslaan eveneens bij de MKBA te betrekken. Voor zover is aangevoerd dat dan ook de buitenlandse alternatieven voor de BPL hadden moeten worden onderzocht overweegt de Afdeling dat dit is gebeurd door de aanleg van de B258n bij de besluitvorming te betrekken.
Met betrekking tot het betoog dat onbegrijpelijk is dat een positief financieel effect is toegekend aan de uitstoot van stikstofdioxide, terwijl deze uitstoot zal toenemen, overweegt de Afdeling dat provinciale staten zich ter zitting onweersproken op het standpunt hebben gesteld dat dit kan worden verklaard door de omstandigheid dat aan deze uitstoot overeenkomstig de hiervoor beschikbare kengetallen uit de OEI-richtlijn binnen de bebouwde kom een zwaarder gewicht toekomt dan buiten de bebouwde kom.
Voor zover is aangevoerd dat onduidelijk is op basis van welke informatie een positieve bedrage van de BPL is berekend voor de geluidsbelasting voor woningen overweegt de Afdeling dat in het rapport "Toetsing op doelbereik & MKBA" van 8 oktober 2010 staat dat op basis van de verschuiving in voertuigkilometers en met algemene kengetallen van de waardering van geluid binnen en buiten de bebouwde kom een globale raming is gemaakt van de geluidseffecten. Niet is gebleken dat deze raming onvoldoende nauwkeurig is om aan de MKBA ten grondslag te leggen.
Ten aanzien van het betoog dat het inpassingsplan veel negatieve effecten voor de natuur met zich brengt overweegt de Afdeling dat provinciale staten hebben toegelicht dat in de MKBA slechts van een licht negatief effect wordt gesproken omdat de wettelijke verplichtingen om de negatieve effecten te mitigeren en te compenseren bij de MKBA zijn betrokken.
2.10.11. Gelet op al het vorenstaande is niet aannemelijk gemaakt dat het rapport "Toetsing op doelbereik & MKBA" van 8 oktober 2010 in algemene zin zodanige gebreken of leemten in kennis bevat dat provinciale staten dit niet aan het bestreden besluit ten grondslag hebben mogen leggen.
Demografische ontwikkelingen in de regio
2.11. Een groot aantal appellanten heeft aangevoerd dat de verwachte toekomstige bevolkingskrimp in de regio zal leiden tot een afname van de verkeersintensiteiten, waardoor de behoefte aan de BPL zal verminderen. Bovendien is volgens enkele appellanten in het door provinciale staten gehanteerde verkeersmodel Parkstad Limburg uitgegaan van te hoge bevolkingsgroeicijfers.
2.11.1. Onder verwijzing naar het verkeerskundig onderzoek hebben provinciale staten toegelicht dat niet kon worden volstaan met het model uit de Tracénota/MER-UVS Buitenring. Er heeft een herijking van het verkeersmodel plaatsgevonden met inachtneming van de bevolkingsprognosegegevens van januari 2008 van onderzoeksbureau ETIL over de periode 2008-2040. Daarbij is rekening gehouden met de meest recente demografische en ruimtelijke ontwikkelingen, waaronder de leeftijdsopbouw in de regio.
Uit die geactualiseerde gegevens is volgens provinciale staten gebleken dat het totale verkeersaanbod, in tegenstelling tot de verwachting van een verkeersafname als gevolg van een krimp van de bevolking, zal groeien. Provinciale staten hebben er op gewezen dat bevolkingskrimp niet per definitie tot minder verkeersbewegingen leidt. De verkeersintensiteit zal blijven stijgen als gevolg van onder meer het groeiende, doorgaande vrachtverkeer en de aanleg en uitbreiding van bedrijventerreinen en recreatievoorzieningen die een verkeersaantrekkende werking hebben. Provinciale staten hebben er voorts op gewezen dat oudere mensen steeds langer mobiel blijven en dat een toenemende welvaart tot meer autobezit en -gebruik leidt. Daarnaast is de mobiliteit in een gebied volgens provinciale staten sterk afhankelijk van bevolkingsontwikkelingen in omliggende gebieden. In grote delen van Nederland is geen sprake van krimp, zodat ook in regio’s waar de bevolkingsomvang terugloopt, de mobiliteit per saldo zal toenemen. Appellanten hebben niet aannemelijk gemaakt dat deze aannames niet kunnen worden gehanteerd.
Voorts kan het betoog van verschillende appellanten dat de verschillende verkeersstudies ten onrechte zijn gebaseerd op modellen die slechts de periode tot 2025 beslaan, terwijl de bevolkingsprognosegegevens tot 2040 hadden moeten worden gebruikt, niet slagen. Provinciale staten hebben er in dit verband op gewezen dat het ongebruikelijk is om verkeersmodellen tot 2040 te gebruiken, omdat daarmee de onzekerheid in deze modellen zal toenemen. Ter zitting hebben provinciale staten verder toegelicht dat in het verkeersmodel gebruik is gemaakt van de bevolkingsprognosegegevens van ETIL tot 2025. Nu in het verkeersmodel rekening is gehouden met de verandering van de samenstelling van de bevolking tot 2025, hebben provinciale staten geen aanleiding hoeven zien voor twijfel aan de juistheid van de uitgangspunten van het verkeerskundig onderzoek. Het door enkele appellanten ingenomen standpunt dat in de gehanteerde verkeersmodellen is uitgegaan van te hoge bevolkingsgroeicijfers is voorts niet met nadere gegevens aannemelijk gemaakt. Ook anderszins hebben appellanten niet aannemelijk gemaakt dat het rapport ondeugdelijk is.
Uit het vorenstaande volgt dat provinciale staten in redelijkheid geen aanleiding hebben behoeven te zien voor het standpunt dat de verwachte bevolkingskrimp de aanleg van de BPL overbodig maakt.
Onderzoek naar alternatieven voor de BPL
2.12. Verschillende appellanten hebben aangevoerd dat de noodzaak voor de aanleg van de BPL ontbreekt omdat de bestaande verkeersproblemen kunnen worden opgelost door het verbeteren van het openbaar vervoer.
Verder is de mogelijkheid van het opwaarderen van het bestaande wegennet in Parkstad Limburg volgens verschillende appellanten onvoldoende onderzocht.
Conclusie
In hetgeen appellanten hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat de aantasting van de EHS onvoldoende zal worden gecompenseerd, dan wel dat de compensatie onvoldoende is gewaarborgd.
Aantasting nationaal landschap en rijksbufferzone
2.49. Een aantal appellanten betoogt voorts dat onvoldoende rekening is gehouden met het toetsingskader voor nationale landschappen en de rijksbufferzone.
2.49.1. In de Nota Ruimte is het rijksbeleid neergelegd met betrekking tot nationale landschappen. Dit beleid houdt onder meer in dat binnen nationale landschappen ruimtelijke ontwikkelingen mogelijk zijn, mits de kernkwaliteiten van het landschap worden behouden of versterkt. In de Nota Ruimte is een aantal nader te begrenzen nationale landschappen weergegeven, waaronder het gebied Zuid-Limburg, met uitzondering van de sterk verstedelijkte regio Parkstad. Daarnaast behoort een deel van dit gebied tot de rijksbufferzone. Blijkens de Nota Ruimte betreft het een globale begrenzing en dienen provincies een gedetailleerde begrenzing van de nationale landschappen in hun streekplan op te nemen. De grens van het nationaal landschap en de rijksbufferzone Zuid-Limburg wordt gevormd door de grens stedelijke dynamiek van Parkstad Limburg, zoals deze is vastgelegd in het POL 2006. In de POL-aanvulling Nationaal Landschap Zuid-Limburg is, met instemming van het rijk, vastgelegd dat met de vaststelling van het tracé van de BPL de grens van het gebied stedelijke dynamiek Parkstad komt te liggen ter plaatse van het tracé van de BPL. Het tracé valt derhalve buiten het nationaal landschap en de rijksbufferzone. Voorts wordt de BPL volgens de plantoelichting zodanig ingepast dat aantasting van het nationaal landschap en de rijksbufferzone tot een minimum beperkt blijft. In hetgeen appellanten hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat provinciale staten desondanks onvoldoende rekening hebben gehouden met het toetsingskader voor nationale landschappen en de rijksbufferzone.
Archeologie
2.50. Enkele appellanten hebben aangevoerd dat de aanleg van de BPL negatieve gevolgen heeft voor de archeologische waarden in het plangebied.
2.50.1. Ingevolge artikel 15, lid 15.1, van de planregels zijn de voor "Waarde-Archeologie" aangewezen gronden, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), bestemd voor bescherming van aanwezige of naar verwachting aanwezige archeologische waarden.
Ingevolge lid 15.2.1 is het in het belang van de archeologische monumentenzorg en ter voorkoming van onevenredige aantasting van aanwezige dan wel naar verwachting aanwezige archeologische waarden verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden van het college van gedeputeerde staten op of in gronden met dubbelbestemming "Waarde-Archeologie" de volgende werken, geen bouwwerk zijnde, en werkzaamheden uit te voeren:
[…].
Ingevolge lid 15.2.3, aanhef en onder a, b en c, zijn de werken, geen bouwwerk zijnde, en werkzaamheden zoals bedoeld in lid 15.2.1, slechts toelaatbaar, indien door die werken of werkzaamheden, dan wel door de daarvan hetzij direct, hetzij indirect te verwachten gevolgen, één of meer archeologische waarden van de betreffende gronden, niet onevenredig worden of kunnen worden aangetast, dan wel de mogelijkheden voor het herstel van die waarden niet onevenredig worden of kunnen worden verkleind, en door de aanvrager van de omgevingsvergunning een rapport is overgelegd waarin de archeologische waarde van het terrein dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord naar het oordeel van het college van gedeputeerde staten in voldoende mate is vastgesteld en door de aanvrager van de omgevingsvergunning in het geval van vastgestelde archeologische waarden (geselecteerde vindplaatsen) blijkens de aanvraag en naar het oordeel van het college van gedeputeerde staten de verplichting is aangenomen om deze waarden ex situ, door middel van een (beperkte) opgraving met bijbehorende rapportage, te behouden.
2.50.1.1. In de plantoelichting is uiteengezet dat bureau Akkerman eind 2006 in opdracht van de provincie Limburg een archeologisch bureauonderzoek heeft uitgevoerd om voor de Tracénota/MER-UVS "Buitenring Parkstad Limburg/B258n" inzicht te geven in de archeologische situatie. Vervolgens heeft bureau Van der Gauw in 2009 een Plan van Aanpak (hierna: PvA) opgesteld, waarin het wetenschappelijk kader, de onderzoekslocaties en de beoogde werkwijze zijn aangegeven. Dit PvA bouwt voort op de bureaustudie van Akkerman. Verder is gebruik gemaakt van de archeologische verwachtingskaart voor de gemeenten van Parkstad Limburg uit 2007 en die van de gemeente Nuth die meer recentelijk is opgesteld. Op basis van het PvA heeft veldwerk - waaronder proefsleuvenonderzoek - plaatsgevonden. Tijdens de tot nu toe uitgevoerde onderzoeken door middel van proefsleuven zijn negentien archeologische vindplaatsen aangetroffen, waarvan er zes zijn aangemerkt als behoudenswaardig. Op die terreinen zal vervolgonderzoek dienen te worden uitgevoerd dan wel behoud in situ te worden nagestreefd. Voor de plaatsen en terreindelen waar mogelijk compenserende dan wel mitigerende maatregelen zijn vereist, is voorzien in de dubbelbestemming
"Waarde-Archeologie". Om de archeologische waarden te borgen is deze dubbelbestemming gekoppeld aan een aanlegvergunningstelsel dat is opgenomen in artikel 15 van de planregels. De dubbelbestemming is van toepassing daar waar binnen het ruimtebeslag van het tracé en daaraan gerelateerde terreindelen een middelhoge of hoge verwachtingswaarde geldt en daar waar na het inventariserend en waarderend veldonderzoek behoudenswaardige vindplaatsen zijn vastgesteld, aldus de toelichting.
Naar het oordeel van de Afdeling hebben provinciale staten zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de in het plangebied aanwezige archeologische waarden in voldoende mate zijn beschermd door de dubbelbestemming "Waarde-Archeologie" en artikel 15 van de planregels. Appellanten hebben het tegendeel niet aannemelijk gemaakt.
Externe veiligheid
2.51. Enkele appellanten betogen dat het bestreden besluit onzorgvuldig tot stand is gekomen, omdat uit de toelichting bij het ontwerpplan volgt dat de risicoberekeningen van Gasunie pas in augustus 2010, en daarmee na het verstrijken van de termijn voor het naar voren brengen van zienswijzen, worden verwacht.
2.51.1. De Afdeling overweegt dat aan het vastgestelde plan het rapport "Externe veiligheid behorende bij het inpassingsplan Buitenring Parkstad Limburg" van Arcadis van 8 oktober 2010 ten grondslag ligt. De enkele omstandigheid dat dit rapport ten tijde van de termijn voor het naar voren brengen van zienswijzen nog niet beschikbaar was, leidt niet tot het oordeel dat het bestreden besluit onzorgvuldig tot stand is gekomen. Nu dit rapport aan het bestreden besluit ten grondslag is gelegd, hadden appellanten dit in beroep kunnen bestrijden.
Gelet op het voorgaande hebben provinciale staten in redelijkheid geen aanleiding hoeven zien voor het oordeel dat de risicoberekeningen al ten tijde van de termijn voor het naar voren brengen van zienswijzen beschikbaar hadden moeten zijn.
2.51.2. Wat betreft de toename van het vervoer van gevaarlijke stoffen over de BPL wordt overwogen dat in het rapport "Externe veiligheid behorende bij het inpassingsplan Buitenring Parkstad Limburg" van Arcadis van 8 oktober 2010 staat dat voor het vervoer van gevaarlijke stoffen over de BPL wordt voldaan aan de norm van het plaatsgebonden risico, omdat er geen kwetsbare objecten binnen de plaatsgebonden risico 10-6-contour liggen. Het groepsrisico neemt in beperkte mate toe, maar blijft onder de oriëntatiewaarde. Gezien deze beperkte toename van het groepsrisico zijn de voorgeschreven stappen van de Verantwoordingsplicht Groepsrisico doorlopen.
Conclusie
Ingevolge artikel 12, lid 12.1, van de planregels zijn de voor "Leiding - Leidingenstrook" aangewezen gronden, behalve voor de daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor bescherming en onderhoud van de leidingenstrook en/of leidingen met de daarbij behorende leidingzone en overige voorzieningen.
2.64.14.2. [appellanten sub 3] hebben hun betoog dat niet duidelijk is wat de bestemming "Leiding - Leidingenstrook" toelaat, niet nader onderbouwd. Reeds hierom faalt dit.
2.64.14.3. Provinciale staten hebben bij de beoordeling van de externe veiligheid de Circulaire risiconormering vervoer gevaarlijke stoffen (hierna: de circulaire risiconormering) tot uitgangspunt genomen. Op grond van de circulaire risiconormering dient, kort gezegd, bij een nieuwe situatie - zoals in dit geval - het plaatsgebonden risico bij kwetsbare objecten kleiner te zijn dan 10-6 per jaar en moet het bestuursorgaan verantwoording afleggen bij het nemen van het besluit wanneer het groepsrisico boven de in de circulaire gegeven oriëntatiewaarden ligt of wanneer het groepsrisico toeneemt.
2.64.14.4. In het deelrapport "Externe veiligheid behorende bij het Inpassingsplan Buitenring parkstad Limburg" van 8 oktober 2010 staat dat uit de risicoberekeningen van Gasunie volgt dat nieuw aan te leggen leidingenstroken voldoen aan de norm voor het plaatsgebonden risico als deze worden aangelegd in de strook grond waaraan op de verbeelding de bestemming "Leiding - Leidingenstrook" is toegekend. [appellanten sub 3] hebben het tegendeel niet aannemelijk gemaakt. Voor zover zij vrezen dat niet aan weerszijden van de leiding een bebouwingsvrije zone van 5 m wordt aangehouden, wordt overwogen dat provinciale staten hebben toegelicht dat de bestemming "Leiding - Leidingenstrook" breder is dan de daadwerkelijke leiding. Niet aannemelijk is gemaakt dat dit onjuist is. Nu provinciale staten ter zitting hebben verklaard dat op landgoed Reijmersbeek geen leidingenstrook buiten deze strook wordt aangelegd, wordt in zoverre voldaan aan de in de circulaire risiconormering genoemde grenswaarde. Gelet hierop wordt geen aanleiding gezien voor het oordeel dat provinciale staten het inpassingsplan vanwege de gevolgen inzake de externe veiligheid op landgoed Reijmersbeek niet in redelijkheid hebben kunnen vaststellen.
2.64.15. [appellanten sub 3] vrezen voor schade, veroorzaakt gedurende de werkzaamheden die met de aanleg van de BPL gepaard gaan. In dit verband wijzen zij erop dat het monumentale complex langzaam kan afbreken door trillingen. Verder voeren zij aan dat schade kan ontstaan, omdat de bodem ter plaatse moerassig is. Ten onrechte is hier geen onderzoek naar verricht. Gelet hierop is ook niet zeker dat kan worden voldaan aan het verbod in de Monumentenwet 1988 dat geen schade aan een beschermd monument mag worden toegebracht. Daarbij komt dat provinciale staten, gelet op de reële kans op schade, reeds navraag hadden moeten doen bij de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed of toestemming wordt verleend voor het uitvoeren van de noodzakelijke verbouwing ten behoeve van herstel. Dit is echter ten onrechte niet gebeurd, aldus [appellanten sub 3].
2.64.15.1. Provinciale staten hebben ter zitting verklaard dat de aanlegwerkzaamheden zodanig worden uitgevoerd dat dit niet leidt tot onherstelbare beschadiging van het monumentale complex en dat eventuele schade wordt vergoed. Het voorgaande in aanmerking genomen bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat provinciale staten dit aspect onvoldoende in hun besluitvorming hebben betrokken.
2.64.16. In hetgeen [appellanten sub 3] hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat provinciale staten zich niet in redelijkheid op het standpunt hebben kunnen stellen dat het plan in zoverre strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep van [appellanten sub 3] tegen het inpassingsplan is ongegrond.
Het beroep van Milieugroep Regionaal Stort Westelijke Mijnstreek
2.65. Milieugroep Regionaal Stort Westelijke Mijnstreek richt zich tegen het plandeel met de bestemming "Verkeer", voor zover daarmee de aansluiting van de BPL op de A76 bij Nuth mogelijk wordt gemaakt. Een deel van haar beroepsgronden is hiervoor in het algemene deel van de uitspraak aan de orde geweest. Zij betoogt verder dat deze aansluiting niet nodig is, omdat het nut en de noodzaak van de BPL ontbreken. Zij kan zich daarmee evenmin verenigen, omdat een deel van het hellinglandschap in het Geleenbeekdal op de grens van Schinnen en Nuth en het zicht op dit landschap verloren gaan. Milieugroep Regionaal Stort Westelijke Mijnstreek stelt met verwijzing naar de visie "Ontwikkeling hellinglandschap Spaubeek-Schinnen" van Heusschen Copier van 13 juli 2010 dat het gebied ter hoogte van kasteel Reijmersbeek nog de enige aanwezige open ruimte is die kan worden gebruikt om een goede ecologische en recreatieve verbinding te maken tussen de noordelijke en zuidelijke helling van het Geleenbeekdal. Veel van de plannen in voornoemde visie kunnen niet worden verwezenlijkt als de aansluiting bij Nuth wordt gerealiseerd, aldus Milieugroep Regionaal Stort Westelijke Mijnstreek. Zij betoogt dat onvoldoende compensatie wordt geboden voor het verlies van dit natuurgebied. Verder betoogt zij dat de aansluiting bij Nuth onnodig veel ruimte in beslag neemt.
2.65.1. Zoals in het algemene deel van deze uitspraak over nut en noodzaak is overwogen, hebben provinciale staten zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het nut en de noodzaak van de BPL voldoende zijn aangetoond. Derhalve faalt het betoog dat de aansluiting van de BPL op de A76 niet nodig is, omdat het nut en de noodzaak van de BPL ontbreken.
2.65.2. De Afdeling overweegt dat provinciale staten bij de keuze van de bestemmingen een afweging dienen te maken van alle belangen die betrokken zijn bij de vaststelling van het plan. Daarbij hebben provinciale staten beoordelingsvrijheid. De voor- en nadelen dienen in die afweging te worden meegenomen. Volgens het verweerschrift en het MER "Aansluiting Nuth" is de keuze voor het tracé door het Geleenbeekdal over de N298/Naanhofsweg gemaakt, omdat dit tracé in vergelijking met twee andere alternatieven de minst nadelige gevolgen heeft voor natuur en milieu. Vervolgens is de keuze voor de realisering van de variant met een turboverkeersplein gemaakt na een beoordeling van een aantal alternatieven naar hun effecten op de aspecten verkeer en leefmilieu, water, bodem en natuur, ruimtelijke leefomgeving en fysieke inpasbaarheid. Uit het MER volgt dat het landschappelijke karakter van het gebied en het aspect natuur in deze beoordeling zijn meegenomen. Gelet hierop wordt geen aanleiding gezien voor het oordeel dat deze belangen onvoldoende in de besluitvorming zijn betrokken.
Provinciale staten hebben voorts het belang van de ontwikkeling van de BPL met inbegrip van de aansluiting daarvan op de A76 bij Nuth van zwaarder gewicht kunnen achten dan een volledig behoud van het bestaande landschappelijke karakter en de natuurwaarden in het gebied. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat wordt voorzien in compensatie van natuur alsmede ecologische verbindingen.
2.65.3. Milieugroep Regionaal Stort Westelijke Mijnstreek vreest voor een onaanvaardbare verkeersdruk in de buurtschap Nagelbeek, met name op de locatie waar de vernieuwde Nutherweg, de Hegge en de Nagelbeek bij elkaar komen.
2.65.3.1. In het MER "Aansluiting Nuth" staat dat het mma voorziet in de aansluiting van de BPL op de A76 door een verkeersplein aan de noordzijde van bedrijventerrein de Horsel. Dit alternatief leidt tot 8.000 verkeersbewegingen per etmaal in 2025 op de vernieuwde Nutherweg. Voorts treedt met dit alternatief een afname op van de verkeersdrukte door de kern van Schinnen.
Overwegingen
In dit verband is onder meer gewezen op de reeds bestaande provinciale wegen.
Voorts betogen appellanten dat de BPL zou kunnen worden uitgevoerd met 2x1 rijstrook en een maximumsnelheid van 80 km/uur, in plaats van met 2x2 rijstroken en een maximumsnelheid van 100 km/uur.
Verder is aangevoerd dat in het door DHV opgestelde rapport het alternatief N297-B56n-N274 niet is meegenomen, laat staan de opwaardering ervan tot vier rijstroken.
Opwaarderen bestaand wegennet en verbeteren openbaar vervoer
2.12.1. Provinciale staten hebben zich onder verwijzing naar het eerdervermelde rapport van Ecorys in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de bestaande verkeersproblemen in Parkstad Limburg niet kunnen worden opgelost met uitsluitend een verbetering van het openbaar vervoer. In voormeld rapport is geconcludeerd dat het openbaar vervoer geen reëel alternatief vormt voor verplaatsingen van personen. Het openbaar vervoer wordt vaak gebruikt door personen die relatief weinig of niet met de auto reizen. Met uitsluitend openbaar vervoersmaatregelen kunnen volgens dit rapport de (auto)bereikbaarheids- en leefbaarheidsproblemen in de regio niet worden opgelost.
Voor zover appellanten hebben aangevoerd dat de mogelijkheid van het verbeteren van het bestaande wegennet onvoldoende is onderzocht, hebben provinciale staten verwezen naar het rapport "Verkeerskundige effecten van een nulplusalternatief voor de Buitenring Parkstad Limburg" van onderzoeksbureau DHV van augustus 2010. Hierin staat dat, met inachtneming van de meest actuele bevolkings- en sociaaleconomische gegevens, nader onderzoek is verricht naar de effecten van een nulplusalternatief, bestaande uit doorstromingsmaatregelen op bestaande wegen, ten opzichte van het nulalternatief, te weten de autonome situatie in 2025, en het voorkeursalternatief, de BPL in 2025. In het rapport is vermeld dat bij het nulplusalternatief in Parkstad Limburg verscheidene knelpunten blijven bestaan, met name op de aansluitingen met de N281. Daarnaast zal, aldus dit rapport, de Binnenring van Parkstad bij het realiseren van het nulplusalternatief het verkeersaanbod op verscheidene aansluitingen niet kunnen verwerken, hetgeen tot gevolg heeft dat zowel de Binnenring als de daarop aansluitende wegen een verminderde doorstroming zullen kennen. Verder worden de knelpunten die op sommige locaties worden opgelost, geheel of gedeeltelijk verschoven naar een wegvak of kruispunt in de directe omgeving, dat vervolgens een te beperkte capaciteit kent. Voorts is in het rapport ten aanzien van de reistijden geconcludeerd dat het nulplusalternatief per saldo niet leidt tot een verbetering van de bereikbaarheid, terwijl de reistijden substantieel afnemen bij het alternatief met de BPL. Voor zover is aangevoerd dat ten onrechte niet gekozen is voor het nulplusalternatief, nu de kosten van dit alternatief en de kosten van de knelpunten die hierbij moeten worden opgelost lager zijn dan de kosten van de aanleg van de BPL, wordt overwogen dat uit het door DHV opgestelde rapport volgt dat het nulplusalternatief alleen effectief kan zijn, indien dit alternatief wordt uitgebreid met verscheidene capaciteitsmaatregelen op de (kruisingen van de) Binnenring en de N281. Dit zal volgens het rapport leiden tot hogere kosten voor het nulplusalternatief.
Gelet hierop hebben provinciale staten zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat als gevolg van de toepassing van het nulplusalternatief met verscheidene capaciteitsmaatregelen niet meer wordt voldaan aan de uitgangspunten van dit alternatief, zijnde een combinatie van een aantal kleine maatregelen en beperkte investeringen. In hetgeen appellanten hebben aangevoerd, wordt geen grond gevonden voor een ander oordeel.
Wat betreft het betoog dat als alternatief had kunnen worden gekozen voor een betere afstemming van de verkeerslichten, wordt overwogen dat niet is onderbouwd waarom dit zou leiden tot een dusdanig betere verkeersdoorstroming dat daardoor de realisering van de BPL overbodig zou zijn.
Uit het vorenstaande volgt dat geen grond bestaat voor het oordeel dat provinciale staten onvoldoende onderzoek hebben verricht naar de mogelijkheid om het bestaande wegennet op te waarderen. Provinciale staten hebben in redelijkheid kunnen concluderen dat het nulplusalternatief geen oplossing biedt voor de bestaande knelpunten in Parkstad Limburg. Appellanten hebben niet aannemelijk gemaakt dat het onderzoek hieromtrent onzorgvuldig dan wel onvolledig is geweest.
Uitvoering met 2x1 rijstrook en een maximumsnelheid van 80 km/uur
2.12.2. Voor zover is aangevoerd dat de BPL zou kunnen worden uitgevoerd met 2x1 rijstrook en een maximumsnelheid van 80 km/uur, hebben provinciale staten verwezen naar een door bureau Goudappel Coffeng in opdracht van de provincie Limburg uitgevoerd onderzoek "Verkeersanalyse Buitenring Parkstad Limburg als 80 km/u" van 21 september 2009. Daarbij is onderzocht wat de effecten zijn van de BPL wanneer deze in zijn geheel wordt uitgevoerd met 2x1 rijstrook en als een 80 km/uur-weg. Hierbij is zowel een variant met gelijkvloerse aansluitingen op enkele locaties als een variant met overal ongelijkvloerse aansluitingen onderzocht. In het onderzoek is geconcludeerd dat het gebruik van de BPL in geval van 2x1 rijstrook en een 80 km/uur-alternatief, 20 tot 30% lager ligt dan bij aanleg met 2x2 rijstroken en een maximumsnelheid van 100 km/uur. Provinciale staten hebben op basis van dit onderzoeksrapport dan ook in redelijkheid het standpunt kunnen innemen dat het onderliggende wegennet in de 80 km/uur-variant minder wordt ontlast.
Het door Goudappel Coffeng in opdracht van de gemeente Kerkrade uitgevoerde onderzoek "Toelichting modelresultaten BPL 2x1/80 km/u" van 11 januari 2010 ondersteunt dit standpunt van provinciale staten, nu daarin is gesteld dat bij uitvoering van de BPL als 80 km/uur-variant met 2x1 rijstrook meer verkeer gebruik gaat maken van wegen van een lagere orde dan de BPL, zodat het probleemoplossend vermogen van die variant kleiner is dan wanneer de BPL in zijn geheel als 100 km/uur weg met 2x2 rijstroken wordt uitgevoerd. Voorts zou volgens dit verkeerskundig onderzoek een groot deel van het tracé op basis van het Handboek Wegontwerp, deel Stroomwegen, gelet op de aanzienlijke hoeveelheid verkeer ter plaatse, als 2x2-strooksweg moeten worden uitgevoerd. Provinciale staten hebben toegelicht dat uit verkeerskundig onderzoek is gebleken dat 90% van de BPL een hogere verkeersintensiteit dan 23.000 motorvoertuigen per etmaal (hierna: mvt/etmaal) te verwerken zal krijgen. Boven dat aantal kan een weg met 2x1 rijstrook het verkeer niet goed afwikkelen. Hiervan uitgaande kan ook het betoog dat ter hoogte van de Brunssummerheide zou kunnen worden volstaan met 2x1 rijstrook niet slagen, aangezien provinciale staten aannemelijk hebben gemaakt dat de verwachte verkeersintensiteit aldaar in 2025 31.400 mvt/etmaal zal zijn en doorstromingsproblemen kunnen ontstaan indien een tweede rijstrook ontbreekt, onder meer vanwege snelheidsverschillen tussen personenauto’s en vrachtverkeer. Dit leidt, aldus provinciale staten, tot minder optimale reistijden dan in de uitvoering met 2x2 rijstroken en bovendien tot een lagere verkeersveiligheid.
Gezien het vorenstaande hebben provinciale staten op het punt van de uitvoering van het tracé met 2x2 rijstroken en een maximumsnelheid van 100 km/uur voldoende kennis vergaard om deze wijze van uitvoering als verkeerskundig uitgangspunt aan het plan ten grondslag te leggen.
Alternatief N297-B56n-N274
2.12.3. Provinciale staten hebben uiteengezet dat op basis van een berekening in het verkeersmodel Parkstad Limburg, zoals vastgesteld door het college van gedeputeerde staten op 26 mei 2009, het intensiteitsniveau op de BPL is vastgesteld. Ter controle en vergelijking is voorts onderzoek gedaan naar de effecten van verschillende 2x1 rijstrook-80 km/uur-varianten en een nulplusalternatief met maatregelen op het onderliggend wegennet ter vervanging van de BPL.
Conclusie
Ten slotte staat in het MER "Aansluiting Nuth" dat een klein deel van het verkeer dat in Spaubeek moet zijn, niet meer de A76 zal kiezen, maar via de Hegge zal rijden. Dit leidt tot 1.800 verkeersbewegingen per etmaal in 2025 op de Hegge.
2.65.3.2. In het verweerschrift en de zienswijzenota staat met verwijzing naar het MER dat weliswaar op enkele wegen in de buurtschap Nagelbeek, zoals de vernieuwde Nutherweg en de Hegge, sprake zal zijn van een verkeerstoename, maar dat dit niet leidt tot verkeersproblemen. Hiertoe hebben provinciale staten ter zitting onweersproken verklaard dat de wegen waarop voornoemde verkeerstoename is voorzien voldoende capaciteit hebben om de verkeersstromen te verwerken.
2.65.4. In hetgeen Milieugroep Regionaal Stort Westelijke Mijnstreek heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat provinciale staten zich niet in redelijkheid op het standpunt hebben kunnen stellen dat het plan in zoverre strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep van Milieugroep Regionaal Stort Westelijke Mijnstreek is ongegrond.
Het beroep van Stichting Platform Vaesrade
2.66. Een deel van de beroepsgronden van Stichting Platform Vaesrade is hiervoor in het algemene deel van de uitspraak aan de orde geweest. Zij betoogt verder dat de aanleg van de BPL op een afstand van ongeveer 200 m tot de St. Servatiusschool in Vaesrade schadelijk is voor de gezondheid van de kinderen op deze basisschool. Zij betoogt dat niet wordt voldaan aan de wettelijke normen voor luchtkwaliteit en tevens dat de wettelijke normen onvoldoende waarborgen dat geen schadelijke gezondheidseffecten optreden. In dit verband wijst zij op het briefadvies van de Gezondheidsraad met de titel "Gevoelige bestemmingen luchtkwaliteit" van 24 april 2008 en het briefrapport "Invloed van de afstand tot een drukke verkeersweg op de lokale luchtkwaliteit en de gezondheid: een quick scan" van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (hierna: RIVM) van 23 november 2007.
2.66.1. Ingevolge artikel 1, aanhef en onder d, van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 wordt in dit besluit en de daarop berustende bepalingen verstaan onder autoweg: weg, aangeduid door bord G3 van bijlage 1.
Ingevolge artikel 1 van het Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen) wordt in dit besluit […] verstaan onder:
provinciale weg: autoweg […] voor zover in beheer bij een provincie;
rijksweg: autoweg of autosnelweg […] voor zover in beheer bij het rijk.
Ingevolge artikel 2, eerste lid, vindt, indien de uitoefening van een bevoegdheid of toepassing van een wettelijk voorschrift betrekking heeft op een geval dat behoort tot een bij artikel 3 aangewezen categorie waarvan de locatie geheel of gedeeltelijk is of zal zijn gelegen op een afstand van:
a. minder dan 300 m vanaf de rand van een rijksweg, of
b. minder dan 50 m vanaf de rand van een provinciale weg,
en op die locatie sprake is van een overschrijding van of dreigende overschrijding op of na het daarbij behorende tijdstip van een in voorschrift 2.1 of 4.1 van bijlage 2 van de Wet milieubeheer opgenomen grenswaarde, de uitoefening of toepassing op een zodanige wijze plaats dat deze niet leidt tot een toename van het aantal ter plaatse verblijvende personen.
2.66.2. Vaststaat dat de BPL een provinciale weg is als bedoeld in artikel 1 van het Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen). Gelet hierop dient in dit geval uitgegaan te worden van de afstand van 50 m.
2.66.3. In het briefrapport van het RIVM staat dat er voldoende wetenschappelijke basis is om het zitten op scholen die in de nabijheid van snelwegen gelegen zijn ongezonder te karakteriseren dan situaties waarin een grotere afstand is tussen schoollocaties en drukke verkeerswegen. Hierbij lijkt de slechtere luchtkwaliteit een grote rol te spelen. Op basis van de in het briefrapport gebruikte studies kan echter geen wiskundig verband worden afgeleid waarmee met behulp van de afstand tot een drukkere weg het effect op de gezondheid kan worden vastgesteld. Er zijn op dit moment geen studies bekend op basis waarvan een acceptabele afstand kan worden afgeleid. Dezelfde conclusie staat in het briefadvies van de Gezondheidsraad.
2.66.4. De Afdeling overweegt dat het briefadvies van de Gezondheidsraad en het briefrapport van het RIVM zijn gebruikt in de besluitvormingsprocedure die heeft geleid tot vaststelling van het Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen) ten behoeve van de gedachtevorming over de afstand die dient te worden aangehouden tussen onder meer een basisschool en de rand van een rijksweg of provinciale weg als bedoeld in artikel 2, eerste lid, van het Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen).
In de Nota van Toelichting bij het Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen) staat dat buiten genoemde zones uit dit besluit geen (onderzoeks-)verplichtingen of beperkingen ten aanzien van de realisering van gevoelige bestemmingen voortvloeien, maar dat ook buiten die zones het beginsel van een goede ruimtelijke ordening onverkort van kracht blijft en het bevoegd bestuursorgaan ook buiten die zones zorgvuldig moet omgaan met de belangen van mensen die blootgesteld worden aan eventuele luchtverontreiniging.
Voorts staat in de Nota van Toelichting dat het op zichzelf beschouwd denkbaar zou kunnen zijn om enkel uit gezondheidskundige overwegingen ook in bepaalde situaties, waarin geen sprake is van een normoverschrijding, een grotere afstand aan te houden tussen gevoelige bestemmingen en drukke infrastructuur. Het advies dat de Gezondheidsraad op 24 april 2008 heeft uitgebracht, duidt ook in die richting. Indien van dergelijke (aanvullende) gezondheidskundige overwegingen sprake is, dienen deze dan ook een plek te krijgen in de integrale afweging die het bevoegde bestuursorgaan maakt in het kader van het al eerder genoemde beginsel van een goede ruimtelijke ordening. Gezondheidskundige overwegingen zijn uiteraard belangrijk, maar het zijn niet de enige relevante overwegingen in een ruimtelijke afweging.
2.66.5. De Afdeling stelt voorop dat het Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen) in dit geval niet van toepassing is, nu de St. Servatiusschool is gelegen op een afstand van meer dan 50 m vanaf de rand van de BPL. De omstandigheid dat dit besluit niet van toepassing is rechtvaardigt evenwel niet zonder meer de conclusie dat het plan uit een oogpunt van luchtkwaliteit in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening, hetgeen ook volgt uit de Nota van Toelichting. Echter, niet aannemelijk is gemaakt dat het plan leidt tot een zodanige verslechtering van de luchtkwaliteit dat dit leidt tot gezondheidsrisico’s voor de kinderen op de St. Servatiusschool. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat in het luchtkwaliteitsonderzoek staat dat de concentraties voor stikstofdioxide (NO2) en zwevende deeltjes (PM10) na de aanleg van de BPL in het gehele onderzoeksgebied voldoen aan de grenswaarden krachtens de Wet milieubeheer. Voorts wordt in aanmerking genomen dat de school is gelegen op een afstand van ongeveer 277 m van de wegrand, zodat reeds een fors ruimere afstand is aangehouden dan in het Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen) in dit geval is opgenomen. Dat uit het briefadvies van de Gezondheidsraad en het briefrapport van het RIVM volgt dat gezondheidsrisico’s, ook indien het Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen) niet van toepassing is, niet kunnen worden uitgesloten leidt niet tot een ander oordeel. Hiertoe wordt overwogen dat uit de Nota van Toelichting volgt dat niet in alle gevallen aan gezondheidskundige overwegingen een doorslaggevende betekenis hoeft te worden toegekend en dat in de planprocedure ruimte blijft voor een nadere afweging.
Overwegingen
Verder is een detailanalyse verricht ten aanzien van de herkomst en bestemming van het verkeer op het noordelijk deel van de BPL met de vraag of alternatieve routes dit gedeelte van de BPL overbodig zouden kunnen maken. De alternatieve routes zijn opgenomen in het verkeersmodel. Daarin staat dat ook met deze alternatieve routes de BPL nog steeds meer dan 23.000 mvt/etmaal aantrekt. Provinciale staten hebben op basis hiervan toereikend gemotiveerd dat de route via bijvoorbeeld de N274 en B56n niet de functie van het noordelijk deel van de BPL kan overnemen. Voorts volgt uit een verkeerskundige analyse dat het verkeer dat gebruik maakt van het wegvak van de BPL tussen de aansluitingen Allee en N276 in beide richtingen, voornamelijk regionaal verkeer is met een herkomst of bestemming in Parkstad Limburg. Weinig verkeer dat gebruik maakt van de BPL is volgens deze verkeersanalyse afkomstig van of gaat naar de A2 ten noorden van knooppunt Kerensheide. Hieruit hebben provinciale staten in redelijkheid kunnen concluderen dat de route A2-N297-B56n-N274 nauwelijks een alternatief biedt voor het tracédeel van de BPL van de A76 richting Brunssum.
Review bureau Witteveen en Bos
2.13. Onder verwijzing naar de verkeerskundige review van bureau Witteveen en Bos van 4 januari 2011 is aangevoerd dat de verkeerskundige onderbouwing van het inpassingsplan ontoereikend is.
2.13.1. De Afdeling stelt vast dat het rapport van Witteveen en Bos met name is gebaseerd op het verkeersmodel zoals opgenomen in de Tracénota/MER uit 2008, terwijl het verkeersmodel Parkstad Limburg, zoals vastgesteld door het college van gedeputeerde staten op 26 mei 2009, is geactualiseerd met de meest recente informatie omtrent krimp en vergrijzing van de bevolking in de regio. Er bestaat geen grond voor het oordeel dat op basis van het rapport van Witteveen en Bos moet worden geconcludeerd dat de verkeerskundige onderbouwing van het inpassingsplan ontoereikend is. In dit verband is het volgende van belang.
In het rapport van Ecorys van 8 oktober 2010 is een tabel opgenomen waaruit volgt dat de tien daarin vermelde wegvakken waar verbeteringen optreden, thans een te hoge I/C-waarde hebben. Dat wil zeggen dat de intensiteit van het verkeer aldaar te hoog is in verhouding tot de capaciteit van het wegvak of kruispunt. Op zeven van de vermelde wegvakken wordt het knelpunt daadwerkelijk opgelost, terwijl de overige drie niet geheel worden opgelost maar wel een vermindering van de capaciteitsdruk zullen hebben. Voorts zijn in een tabel in dat rapport acht kruispunten vermeld waar een te hoge I/C-verhouding na aanleg van de BPL verbetert. Provinciale staten hebben er terecht op gewezen dat Witteveen en Bos in hun rapport ten onrechte gemiddelde I/C-verhoudingen hebben gebruikt, gemeten over alle wegvakken in de tabel, terwijl bij het beoordelen van capaciteitsknelpunten door middel van I/C-verhoudingen een vergelijking per locatie voor meerdere tijdstippen op een dag gebruikelijk is. Voor zover Witteveen en Bos hebben geconcludeerd dat het mogelijk is om met lokale maatregelen de knelpunten op de kruispunten op te lossen, hetgeen als een nulplusalternatief moet worden beschouwd, hebben provinciale staten er terecht op gewezen dat de doelstelling van de BPL niet uitsluitend is gericht op het oplossen van een aantal bereikbaarheidsknelpunten, maar op het oplossen van de problemen in de netwerkstructuur in Parkstad Limburg. Zoals hiervoor is overwogen, hebben provinciale staten onder verwijzing naar het verkeerskundig onderzoek van DHV kunnen concluderen dat het nulplusalternatief geen oplossing biedt voor de bestaande knelpunten in Parkstad Limburg.
Voorts wordt onder verwijzing naar hetgeen hiervoor is overwogen omtrent de variant met 2x1 rijstrook en een maximumsnelheid van 80 km/uur, geen aanleiding gezien Witteveen en Bos te volgen voor zover is geconcludeerd dat bij afwaardering van de BPL naar een 2x1-strooksuitvoering over het algemeen geen sprake zal zijn van doorstromingsproblemen.
Provinciale staten hebben er voorts in het kader van de invloed van de BPL op de verkeersveiligheid terecht op gewezen dat Witteveen en Bos in haar rapport is voorbijgegaan aan het feit dat de kans op ernstige verkeersongevallen groter is naarmate meer voertuigkilometers via het onderliggende wegennet worden afgewikkeld. Verschillende typen verkeersstromen dienen zoveel mogelijk te worden afgewikkeld via de daarvoor bedoelde wegen. Hiervoor wordt gebruik gemaakt van een wegencategorisering, waarbij de stroomwegen zijn bedoeld voor de betrouwbare afwikkeling van grote hoeveelheden doorgaand verkeer met een hoge snelheid. Een dergelijke stroomweg ontbreekt thans aan de noord- en oostzijde van Parkstad. Het doel van de BPL is om met een dergelijke stroomweg de verkeersstructuur in Parkstad Limburg op orde te brengen.
Ten aanzien van de conclusie in het rapport van Witteveen en Bos dat de BPL op alle noordelijke trajecten disproportioneel veel extra verkeer zal aantrekken, terwijl goede alternatieve routes aanwezig zijn, hebben provinciale staten zich op het standpunt gesteld dat het intensiteitsniveau op de BPL inzichtelijk is gemaakt op basis van een objectieve doorrekening in het verkeersmodel, waarbij wat betreft het wegennet naast de BPL alle mogelijke parallelle routes zijn meegenomen. Op basis van een berekening in dat model is vervolgens het intensiteitsniveau op de BPL vastgesteld. Ter controle en vergelijking is voorts onderzoek gedaan naar de effecten van verschillende 2x1 rijstrook 80 km/uur-varianten en een nulplusalternatief met maatregelen op het onderliggende wegennet ter vervanging van de BPL. Verder is een detailanalyse gedaan naar de herkomst en bestemming van het verkeer op het noordelijk deel van de BPL en de vraag of alternatieve routes dit gedeelte van de BPL overbodig zouden kunnen maken. Deze onderzoeken zijn niet in het rapport van Witteveen en Bos meegenomen.
Aanleg van de B258n
2.14. Volgens verschillende appellanten worden nut en noodzaak van de BPL verder ondermijnd door de omstandigheid dat de aanleg van de B258n niet zeker is aangezien daartegen veel verzet bestaat, waaronder van de zijde van de gemeente Aken. In de verkeersberekeningen is volgens hen derhalve ten onrechte de B258n opgenomen.
2.14.1. Provinciale staten hebben toegelicht dat in Duitsland het voornemen bestaat een verbinding aan te leggen tussen de aansluiting Aken-Richterich (A4/L232) ten noordwesten van Aken en de Duits-Nederlandse grens bij Kerkrade. Voor deze weg is een Duitse milieu-effectrapportage uitgevoerd, een zogeheten UVS. Deze UVS is gecombineerd met de tweede fase van het MER voor de BPL. In Nederland heeft dat MER/UVS geleid tot het onderhavige inpassingsplan. In Duitsland is op dit moment nog geen keuze gemaakt tussen de verschillende varianten voor de B258n. Het meest waarschijnlijk is, aldus provinciale staten, dat de meest oostelijke variant zal worden aangelegd. Provinciale staten gaan er op basis van mededelingen van de Duitse Bondsregering van uit dat de B258n binnen enkele jaren zal worden aangelegd maar dat alleen het precieze tracé nog niet bekend is. Provinciale staten hebben zich in dit verband in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de omstandigheid dat de gemeente Aken tegenstander is van de aanleg van de weg, niet tot de conclusie leidt dat niet aannemelijk is dat de weg binnen afzienbare tijd zal worden aangelegd, aangezien het geen gemeentelijke weg betreft maar een zogeheten Bundesweg en de beslissing omtrent de aanleg daarvan wordt genomen door de Duitse Bondsregering. Ter zitting hebben provinciale staten voorts toegelicht dat zij van de Duitse regering regelmatig de bevestiging krijgen dat de weg zal worden aangelegd.
Provinciale staten hebben gelet op het vorenstaande bij het besluit tot vaststelling van het inpassingsplan in redelijkheid rekening kunnen houden met een aansluiting van de B258n op de BPL.
Conclusie
Gelet hierop faalt het betoog.
2.66.6. Stichting Platform Vaesrade betoogt dat niet zeker is of Vaesrade na de aanleg van de BPL en het opheffen van de oude afrit van de A76 bij Nuth voldoende bereikbaar zal zijn voor hulpdiensten.
2.66.6.1. In het verweerschrift staat dat een verkeerskundige rijtijdenanalyse is gedaan naar de reistijden vanaf het Atriumziekenhuis naar Nuth. Uit deze analyse is gebleken dat de hulpdiensten na aanleg van de BPL een omrijbeweging moeten maken van ongeveer 4 km. De reistijd naar Nuth blijft echter onder de 10 minuten. Provinciale staten hebben ter zitting toegelicht dat de reistijd naar Vaesrade ongeveer vergelijkbaar is en dat aan de norm voor de bereikbaarheid voor hulpdiensten wordt voldaan. Stichting Platform Vaesrade heeft het tegendeel niet aannemelijk gemaakt. Derhalve hebben provinciale staten zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de bereikbaarheid van Vaesrade voor hulpdiensten blijft gewaarborgd.
2.66.7. Stichting Platform Vaesrade betoogt dat een voetbalveld van RKVV Vaesrade te dicht bij de BPL zal zijn gelegen. Zij stelt dat de luchtkwaliteit ter plaatse van het voorziene sportveld slecht is en acht het nadelig voor de gezondheid van kinderen als zij op die locatie sporten.
2.66.7.1. Zoals in het algemene deel van deze uitspraak is overwogen volgt uit het onderzoek "Luchtkwaliteit behorende bij het inpassingsplan Buitenring Parkstad Limburg" van 8 oktober 2010 dat in het plangebied aan de grenswaarden voor zwevende deeltjes (PM10) en stikstofdioxide (NO2) wordt voldaan. Stichting Platform Vaesrade heeft niet aannemelijk gemaakt dat het luchtkwaliteitsonderzoek zodanige gebreken of leemten in kennis bevat dat provinciale staten dit niet aan hun besluitvorming ten grondslag hebben mogen leggen. Het voorgaande in aanmerking genomen wordt voorts geen aanleiding gezien voor het oordeel dat provinciale staten de luchtkwaliteit ter plaatse van het voorziene sportveld niet in redelijkheid aanvaardbaar hebben kunnen achten.
2.66.8. Stichting Platform Vaesrade vreest dat de bewoners van Vaesrade geïsoleerd raken. Zij stelt hiertoe dat niet zeker is dat de aanleg van de BPL geen nadelige invloed heeft voor de verbindingen van het openbaar vervoer dat rijdt van en naar Vaesrade.
2.66.8.1. Provinciale staten stellen dat in het kader van het "Verkeerskundig onderzoek behorende bij het inpassingsplan" van 8 oktober 2010 en het rapport "Buitenring Parkstad Limburg - Toetsing op doelbereik & MKBA" van Ecorys onderzoek is gedaan naar de invloed van de BPL op de reistijden. Zij stellen dat tevens overleg is gevoerd met Veolia, de concessiehouder. Volgens provinciale staten volgt daaruit dat de gemiddelde reistijd op het traject Van Eijnattenweg - Schuureikenweg toeneemt met drie minuten. De langere reistijden worden echter gecompenseerd met reistijdwinst op andere trajecten. Het voorgaande in aanmerking genomen wordt in hetgeen Stichting Platform Vaesrade heeft aangevoerd geen aanleiding gezien voor het oordeel dat moet worden gevreesd dat de inwoners van Vaesrade geïsoleerd raken.
2.66.9. In hetgeen Stichting Platform Vaesrade heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat provinciale staten zich niet in redelijkheid op het standpunt hebben kunnen stellen dat het plan in zoverre strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep van Stichting Platform Vaesrade is ongegrond.
Het beroep van IVN
2.67. De beroepsgronden van IVN tegen de vaststelling van het plan zijn hiervoor in het algemene deel van de uitspraak en het deel over de tracékeuze, behorend bij de verbeelding - bladen 1 en 2, aan de orde geweest. In 2.35 tot en met 2.35.9 is ten aanzien van de mede door IVN ingebrachte beroepsgrond inzake stikstofdepositie geoordeeld dat het inpassingsplan voor zover het betreft de plandelen met de bestemming "Verkeer" ter hoogte van de Natura 2000-gebieden Geleenbeekdal en Brunssummerheide in strijd is met artikel 19j, derde lid, van de Nbw 1998, gelezen in samenhang met artikel 19g, eerste lid, van die wet. Het beroep van IVN is om die reden gegrond. Het bestreden besluit dient in zoverre wegens strijd met genoemde bepalingen te worden vernietigd.
Het beroep van [appellant sub 90]
2.68. [appellant sub 90] heeft in zijn beroepschrift enkel verwezen naar de inhoud van de zienswijze. De Afdeling verwijst hieromtrent naar hetgeen in het algemene deel van deze uitspraak is overwogen over het inlassen van zienswijzen. Het beroep van [appellant sub 90] is ongegrond.
Verbeelding - blad 2
Het beroep van [appellant sub 27]
2.69. Een deel van de beroepsgronden van [appellant sub 27] is hiervoor in het algemene deel van de uitspraak aan de orde geweest. Hij betoogt verder dat de milieusituatie in de gehele regio Parkstad zal verslechteren. Gelet op hetgeen in het algemene deel van deze uitspraak is overwogen faalt dit betoog.
2.69.1. [appellant sub 27] betoogt voorts dat de milieusituatie ter plaatse van zijn woning zal verslechteren door de BPL. Dit standpunt heeft hij niet nader onderbouwd. Reeds hierom kan dit niet slagen.
2.69.2. In hetgeen [appellant sub 27] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat provinciale staten zich niet in redelijkheid op het standpunt hebben kunnen stellen dat het plan in zoverre strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep van [appellant sub 27] is ongegrond.
Het beroep van [appellant sub 48]
2.70. Een deel van de beroepsgronden van [appellant sub 48] is hiervoor in het algemene deel van de uitspraak aan de orde geweest. Hij betoogt verder dat het woon- en leefklimaat ter plaatse van zijn woning aan de Burgemeester Ritzenstraat 12 te Vaesrade zal verslechteren als gevolg van de aanleg van de BPL. Hij vreest voor geluidhinder. Hij voert aan dat de weg verdiept moet worden aangelegd, zodat de nadelige gevolgen in mindere mate optreden. Ten aanzien van het aspect geluidhinder wijst hij erop dat in Vaesrade extra geluidsoverlast optreedt als gevolg van het geluid dat weerkaatst tegen het voorziene geluidsscherm ter hoogte van Vaesrade. [appellant sub 48] voert verder aan dat het plan leidt tot een waardevermindering van zijn woning.
2.70.1.1. De gronden van [appellant sub 48] liggen in de geluidszone van de BPL. Omdat de BPL ter plaatse wordt aangelegd als nieuwe weg, bedraagt de ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting vanwege deze weg ingevolge artikel 82, eerste lid, van de Wgh 48 dB.
Berekend is dat de geluidsbelasting op de gevel van de woning van [appellant sub 48] vanwege de BPL 44 dB bedraagt als geen geluidbeperkende maatregelen worden genomen. Teneinde geluidhinder voor andere woningen te beperken wordt ter hoogte van de woning van [appellant sub 48] een geluidreducerend wegdek van het type dunne deklaag B aangelegd. Hierdoor zal de geluidsbelasting vanwege de BPL ter plaatse van de woning van [appellant sub 48] 40 dB bedragen. Daarmee blijft de geluidsbelasting vanwege deze weg ruim onder de voorkeursgrenswaarde van 48 dB. Gelet hierop hebben provinciale staten zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de aanleg van de BPL ter plaatse van de woning van [appellant sub 48] niet leidt tot ernstige geluidhinder. In hetgeen [appellant sub 48] heeft aangevoerd hebben zij voorts geen aanleiding hoeven zien om aanvullende maatregelen te nemen. Zij hebben daarin evenmin aanleiding hoeven zien de BPL verdiept aan te leggen. Voorts wordt geen aanleiding gezien voor het oordeel dat het geluidsscherm ter hoogte van Vaesrade leidt tot een verdere verhoging van de geluidsbelasting vanwege de weerkaatsing van geluid.
Overwegingen
Zij zijn bij het bepalen van de noodzakelijke geluidwerende voorzieningen langs de BPL dan ook terecht uitgegaan van de situatie dat de B258n daadwerkelijk op de BPL is aangesloten.
Provinciale staten hebben verder toegelicht dat uit de berekening van de verkeersintensiteiten voor de BPL ook zonder de aansluiting van de B258n blijkt dat de aanleg van de BPL noodzakelijk is. Uit de berekeningen komt onder meer naar voren dat op het gedeelte van het tracé van de BPL waar de verkeersintensiteit van de BPL met een aansluiting van de B258n de laagste verkeersintensiteit kent, daar zonder aansluiting van de B258n een aanzienlijk hogere verkeersintensiteit zal ontstaan. Provinciale staten hebben hieruit kunnen concluderen dat ook het eventueel achterwege blijven van de aansluiting van de B258n op de BPL niet zal leiden tot andere inzichten ten aanzien van nut en noodzaak van de BPL.
Invloed BPL op langzaam verkeer en openbaar vervoer
2.15. Verscheidene appellanten hebben aangevoerd dat niet is gebleken dat de invloed van de realisatie van de BPL op langzaam verkeer is onderzocht en dat onvoldoende aandacht is besteed aan de instandhouding van veelgebruikte wandel- en fietsverbindingen.
2.15.1. Provinciale staten hebben in dit verband verwezen naar het verkeerskundig onderzoek, waarin is geconcludeerd dat het fietsverkeer zal profiteren van de verdrijving van een deel van het snelle en zware verkeer naar de BPL. Fietsers kiezen volgens dit onderzoek vrijwel altijd de kortste route. Na realisatie van de BPL liggen deze routes niet langer over dezelfde wegen als waarvan het doorgaande gemotoriseerde verkeer gebruik maakt, waardoor ruimte ontstaat voor rustige en veilige langzaam verkeersverbindingen. Voorts hebben provinciale staten toegelicht dat de met de BPL kruisende langzaam verkeersverbindingen zijn geïnventariseerd en daar waar mogelijk hersteld. Voor de inventarisatie van de verschillende fietsroutes is gebruik gemaakt van het Actieplan Fiets Parkstad Limburg van Grontmij van januari 2009, waarbij voor alle kruisingen van het onderliggende wegennet met de BPL is bezien op welke wijze deze fietsroutes zoveel mogelijk kunnen blijven bestaan. Daar waar de huidige verbinding als gevolg van de aanleg van de BPL niet kan worden hersteld, is in sommige gevallen gekozen voor het herstellen van de verbinding via een viaduct of onderdoorgang verderop, waardoor fietsers en voetgangers soms zullen moeten omrijden of omlopen. De afweging om een route op dezelfde plaats te herstellen of om te leggen is in overleg met de gemeentebesturen gemaakt op basis van de aard en de mate van het gebruik van de desbetreffende fietsverbinding en de fysieke mogelijkheden van de desbetreffende locatie. Wat betreft de kruisingen van fietsverbindingen met de op- en afritten van de BPL is daarnaast in alle gevallen sprake van een duurzaam verkeersveilige oplossing. Er is gekozen voor een ongelijkvloerse kruising voor fietsers, voor rotondes of voor met verkeerslichten geregelde kruispunten. Aanvullend daarop zijn op enkele locaties vrijliggende fietsvoorzieningen getroffen ter verbetering van de verkeersveiligheid voor fietsers. Voor het oordeel dat de invloed van de BPL op het langzaam verkeer onvoldoende is onderzocht en onvoldoende aandacht is besteed aan de instandhouding van veelgebruikte wandel- en fietsverbindingen, bestaat gezien het vorenstaande geen grond.
2.15.2. Voorts hebben enkele appellanten aangevoerd dat niet is aangetoond dat de doorstroming van het openbaar vervoer als gevolg van de BPL wordt bevorderd.
2.15.3. Uit het verkeerskundig onderzoek volgt dat geen kwantitatieve gegevens over de verbetering van het openbaar vervoer voorhanden zijn, maar dat zeer aannemelijk is dat deze vervoerswijze profiteert van de aanleg van de BPL. Immers, het voordeel van de beschreven reistijdwinst en de opheffing van de capaciteitsknelpunten op het onderliggende wegennet zijn niet alleen gunstig voor het autoverkeer. Zo zullen volgens het verkeerskundig onderzoek wachttijden voor drukke kruisingen op het onderliggende wegennet afnemen door de verschuiving van verkeer van het onderliggende wegennet naar de BPL. Dienstregelingen voor bussen kunnen daardoor mogelijk worden verkort en de betrouwbaarheid wordt verbeterd. De doorstroming voor de bus zal daardoor verbeteren. Ook kunnen nieuwe impulsen aan het openbaar vervoer worden gegeven door routes op te nemen die juist van de BPL gebruik maken. De Afdeling is van oordeel dat provinciale staten in redelijkheid hebben kunnen uitgaan van de aanname dat de doorstroming van het openbaar vervoer met de aanleg van de BPL verbetert. In hetgeen appellanten hebben aangevoerd wordt geen grond gevonden voor een ander oordeel.
Aansluiting bij Nuth
2.16. Appellanten voeren aan dat de positionering van de aansluiting Nuth gecompliceerd is door de vele, vaak tegenstrijdige, randvoorwaarden. Het provinciebestuur heeft volgens deze appellanten ten onrechte gesteld dat de gekozen oplossing voor het grootste gedeelte van het verkeer een efficiënte oplossing is. Het merendeel moet omrijden. Dit leidt ertoe dat automobilisten andere routes zullen kiezen.
2.16.1. In de Tracénota/MER Aansluiting Nuth van juni 2010 zijn het afwegingsproces en de bijbehorende afwegingscriteria voor de tracékeuze zeer uitvoerig weergegeven. Hieruit volgt dat provinciale staten bij de keuze voor zowel de locatie als de vorm van de aansluiting op de A76 zorgvuldig te werk zijn gegaan. In het verkeerskundig onderzoek zijn voorts de reistijden tussen verschillende kernen met en zonder de BPL vergeleken. Hieruit is geconcludeerd dat de reistijden voor verplaatsingen tussen Nuth en Brunssum beduidend zullen verminderen als gevolg van de BPL. Ook het effect op de reistijd vanuit Parkstad Limburg naar de A76 is aanzienlijk. Provinciale staten hebben verder toegelicht dat rekening is gehouden met de zwaarste toekomstige verkeersintensiteiten tussen de BPL en de A76-noord (van en naar Geleen). Voor de zwaarste verkeersstroom is een zo optimaal mogelijke verbinding gecreëerd zonder omrijbewegingen. Enkele hieraan ondergeschikte verkeersstromen moeten volgens provinciale staten weliswaar soms omrijden, maar dit betreft zeker niet de meerderheid van het verkeer. Gezien het vorenstaande kan het betoog dat de aansluiting van de BPL op de A76 niet efficiënt zou zijn, niet worden gevolgd.
Verkeerskundige onderbouwing
2.17. Er is aangevoerd dat in het akoestisch onderzoek en in het verkeerskundig onderzoek ten onrechte gebruik is gemaakt van verschillende verkeersmodellen. Hierdoor is volgens appellanten uitgegaan van te lage verkeersintensiteiten bij het vaststellen van de geluidsbelasting op woningen.
Voorts hebben appellanten aangevoerd dat de verkeersintensiteiten in het rapport van Ecorys afwijken van de gegevens van het Centraal Bureau voor de Statistiek.
2.17.1. Provinciale staten hebben zich op het standpunt gesteld dat de verkeerscijfers die in het akoestisch onderzoek zijn opgenomen verschillen van de cijfers die in het verkeerskundig onderzoek zijn vermeld, omdat aan de onderscheiden onderzoeken niet dezelfde onderzoeksmethode ten grondslag ligt.
2.17.2. In het akoestisch onderzoek zijn de verkeersgegevens die voor de geluidsberekeningen zijn gebruikt, ontleend aan het verkeersmodel Omnitrans van 7 april 2010. In het verkeerskundig onderzoek is het verkeersmodel Regio Parkstad gebruikt om de verkeersprognoses te berekenen.
Weliswaar verschillen de verkeersintensiteiten waarvan is uitgegaan in het verkeersmodel Omnitrans van het verkeersmodel Regio Parkstad dat ten grondslag is gelegd aan het verkeerskundig onderzoek, maar dit betekent naar het oordeel van de Afdeling niet dat in het verkeersmodel Omnitrans van verkeersintensiteiten is uitgegaan die een onvoldoende representatief beeld geven van de te verwachten verkeersaantallen.
Conclusie
Hierbij wordt in aanmerking genomen de verklaring van provinciale staten ter zitting dat in het geluidmodel rekening is gehouden met de extra geluidsbelasting die wordt veroorzaakt door de weerkaatsing van geluid. Overigens hebben provinciale staten ter zitting toegelicht dat de schermen met absorberend materiaal worden uitgevoerd, zodat bijna geen geluid wordt weerkaatst.
Ten aanzien van het betoog dat ten onrechte geen onderzoek is verricht naar de gecumuleerde geluidsbelasting wordt met verwijzing naar het algemene deel van deze uitspraak overwogen dat hiernaar slechts onderzoek hoeft te worden verricht als sprake is van een woning waarvoor in het kader van het inpassingsplan een hogere waarde is vastgesteld. Daarvan is in dit geval geen sprake. In het akoestisch onderzoek is echter uit een oogpunt van zorgvuldigheid onverplicht onderzoek gedaan naar de gecumuleerde geluidsbelasting ter plaatse van de woning van [appellant sub 48]. Uit dit onderzoek volgt dat de gecumuleerde geluidsbelasting ter plaatse van deze woning maximaal 54 dB bedraagt. Zoals in het algemene deel van de uitspraak onder het kopje 'Cumulatie' is overwogen hebben provinciale staten een gecumuleerde geluidsbelasting tot 58 dB aanvaardbaar kunnen achten, gelet op de bij de aanleg van de BPL betrokken belangen.
2.70.1.2. Wat de eventuele nadelige invloed van het plan op de waarde van de woning van [appellant sub 48] betreft, bestaat geen grond voor de verwachting dat die waardevermindering zodanig zal zijn dat provinciale staten bij de afweging van de belangen hieraan een groter gewicht hadden moeten toekennen dan aan de belangen die met de realisering van het plan aan de orde zijn.
2.70.2. [appellant sub 48] vreest verder voor een toename van sluipverkeer in Vaesrade.
2.70.2.1. In het verweerschrift staat dat de verkeersintensiteit op de wegen in Vaesrade en de Kathagen afneemt. Op de Naanhofsweg is weliswaar sprake van een toename van het verkeer, maar provinciale staten stellen dat deze niet wordt veroorzaakt door sluipverkeer. Zij stellen dat de verkeerscapaciteit van de wegen in Vaesrade bovendien in alle gevallen toereikend is om het verkeersaanbod op de wegen af te wikkelen. Naar het oordeel van de Afdeling heeft [appellant sub 48] niet aannemelijk gemaakt dat desondanks moet worden gevreesd voor ernstige overlast van sluipverkeer in Vaesrade.
2.70.3. [appellant sub 48] stelt dat een oude holle weg, die wordt gebruikt als wandelpad, zal moeten verdwijnen als gevolg van de aanleg van de BPL. Hij betoogt dat niet duidelijk is of, en zo ja, welk alternatief hiervoor wordt geboden.
2.70.3.1. In het verweerschrift staat met verwijzing naar het "Verkeerskundig onderzoek behorende bij het inpassingsplan buitenring" van 8 oktober 2010 dat de holle weg wordt doorsneden, maar dat deze bij de nieuw aan te leggen ongelijkvloerse kruising bij de Rozenstraat zal worden hersteld. Niet is gebleken dat dit onjuist is. [appellant sub 48] heeft in zijn beroepschrift noch ter zitting redenen aangegeven waarom het plan in zoverre desondanks tot ernstige bezwaren leidt.
2.70.4. [appellant sub 48] betoogt dat de inwoners van Vaesrade na de aanleg van de BPL 4 km moeten omrijden naar Heerlen en 3 km naar Hoensbroek. Hij vraagt zich af in hoeverre hiermee rekening is gehouden in het rapport "Buitenring Parkstad Limburg Toetsing op doelbereik & MKBA" van Ecorys van 8 oktober 2010.
2.70.4.1. Niet valt uit te sluiten dat de inwoners van Vaesrade moeten omrijden om bepaalde plaatsen te bereiken. Provinciale staten hebben zich echter in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat geen sprake is van zodanige omrijbewegingen dat hieraan een doorslaggevend gewicht moet worden toegekend. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat het slechts korte omrijbewegingen betreft en dat ook bepaalde routes worden verkort.
2.70.5. In hetgeen [appellant sub 48] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat provinciale staten zich niet in redelijkheid op het standpunt hebben kunnen stellen dat het plan in zoverre strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep van [appellant sub 48] is ongegrond.
Het beroep van [appellant sub 61]
2.71. [appellant sub 61] betoogt dat ten onrechte geen papieren exemplaar van het besluit tot vaststelling van het inpassingsplan aan hem is toegezonden. Hij stelt dat dit pas na verscheidene verzoeken aan hem is toegezonden.
2.71.1. Gelet op hetgeen in het algemene gedeelte van deze uitspraak over de beantwoording van zienswijzen is overwogen, hoefden provinciale staten geen papieren exemplaar van het bestreden besluit toe te zenden. Reeds hierom faalt het betoog.
2.71.2. [appellant sub 61] betoogt dat hij na de aanleg van het tracé bij Vaesrade te veel zal moeten omrijden.
2.71.2.1. Niet valt uit te sluiten dat de inwoners van Nuth moeten omrijden om bepaalde plaatsen te bereiken. Provinciale staten hebben zich echter in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat geen sprake is van zodanige omrijbewegingen dat hieraan een doorslaggevend gewicht moet worden toegekend. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat het slechts korte omrijbewegingen betreft en dat ook bepaalde routes worden verkort.
2.71.3. In hetgeen [appellant sub 61] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat provinciale staten zich niet in redelijkheid op het standpunt hebben kunnen stellen dat het plan in zoverre strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep van [appellant sub 61] is ongegrond.
Het beroep van [appellanten sub 79]
2.72. Een deel van de beroepsgronden van [appellanten sub 79] is hiervoor in het algemene deel van de uitspraak aan de orde geweest. Zij betogen verder dat provinciale staten onzorgvuldig met hun belangen zijn omgegaan. Hiertoe stellen zij dat provinciale staten hebben toegezegd dat zij hen regelmatig op de hoogte zouden stellen van de voortgang van het BPL-project en de gevolgen daarvan voor hen. Dit is echter niet gebeurd, aldus [appellanten sub 79].
2.72.1. Provinciale staten hebben ter zitting toegelicht dat de reden dat [appellanten sub 79] regelmatig op de hoogte zouden worden gesteld was gelegen in de aanname dat hun woning gesloopt zou moeten worden. Toen bleek dat hun woning niet behoefde te worden gesloopt, zijn zij derhalve niet regelmatig persoonlijk op de hoogte gesteld van de voortgang van het project. De Afdeling is van oordeel dat deze miscommunicatie niet reeds leidt tot het oordeel dat provinciale staten onzorgvuldig met de belangen van [appellanten sub 79] zijn omgegaan. Dit betoog faalt.
2.72.2. [appellanten sub 79] vrezen voor ernstige geluidhinder ter plaatse van hun woning aan de Jeugrubbe 2 te Hoensbroek vanwege de aanleg van de BPL. Zij stellen daarvan overlast te ondervinden en tevens dat dit leidt tot een aantasting van de natuurwaarden. Verder voeren zij aan dat provinciale staten onvoldoende onderzoek hebben verricht naar de te verwachten gecumuleerde geluidsbelasting. Zij vrezen tevens voor een waardevermindering van hun woning.
2.72.2.1. Ingevolge artikel 1.3, eerste lid, van het Reken- en meetvoorschrift geluidhinder 2006 wordt de waarde van het door berekening of door meting verkregen equivalente geluidsniveau afgerond naar het dichtstbijzijnde gehele getal, waarbij een halve eenheid wordt afgerond naar het even getal.
2.72.2.2. De gronden van [appellanten sub 79] liggen in de geluidszone van de BPL.
Overwegingen
Hierbij is van belang dat provinciale staten hebben aangegeven dat in het verkeersmodel Regio Parkstad wordt gerekend met werkdaggemiddelden en in verkeersmodel Omnitrans met weekdaggemiddelden. Dit leidt er toe dat de verkeersintensiteiten in het akoestisch onderzoek lager zijn dan die in het verkeerskundig onderzoek.
In de enkele stelling dat de verkeersintensiteiten in het rapport van Ecorys afwijken van de gegevens van het Centraal Bureau voor de Statistiek, ziet de Afdeling voorts geen aanleiding voor het oordeel dat provinciale staten niet van de uitkomsten van dit rapport hebben mogen uitgaan.
2.17.3. Voorts is aangevoerd dat met de aanleg van de BPL nieuwe knelpunten en files zullen ontstaan ter plaatse van op- en afritten.
2.17.4. Uit het verkeerskundig onderzoek volgt dat ten gevolge van de BPL zowel op kruispunt- als op wegvakniveau een verbetering optreedt ten aanzien van de capaciteitsknelpunten en dat de grootste capaciteitswinst wordt gehaald bij de wegvakken en kruispunten in de directe invloedssfeer van de BPL. Verder zijn in het verkeerskundig onderzoek alle aansluitingen van de BPL op het onderliggende wegennet onderzocht en is voor iedere aansluiting een kruispuntoplossing voorgesteld. Appellanten hebben naar het oordeel van de Afdeling niet aannemelijk gemaakt dat de toekomstige verkeersintensiteiten op de op- en afritten en op het onderliggend wegennet onvoldoende zullen kunnen worden verwerkt.
Verkeersveiligheid
2.18. Een aantal appellanten betoogt dat ten gevolge van de BPL de verkeersveiligheid zal afnemen. In dit verband voeren zij aan dat in de stukken tegenstrijdige conclusies worden getrokken. Uit de Verkeerskundige review van Witteveen en [appellanten sub 35] blijkt volgens hen dat de BPL geen verbetering van de verkeersveiligheid tot gevolg zal hebben. Voorts verwijzen zij naar hetgeen hieromtrent in het MER 2e fase staat vermeld.
2.18.1. In het verkeerskundig onderzoek wordt ingegaan op het aspect verkeersveiligheid. Zoals reeds is overwogen in 2.10.7 volgt uit de analyse van het effect van de BPL op de verkeersveiligheid dat een vermindering wordt verwacht van ongeveer 50 verkeersongevallen per jaar ten opzichte van de situatie zonder de BPL. Het aantal ziekenhuisgewonden daalt met ongeveer 55 slachtoffers op jaarbasis. Deze vermindering vindt vooral plaats op de wegen binnen de bebouwde kom. Dit betekent vooral een verbetering voor de meest kwetsbare groepen. Daarbij dient volgens het verkeerskundig onderzoek te worden opgemerkt dat deze daling wordt bereikt ondanks de absolute toename van het aantal voertuigkilometers binnen Parkstad Limburg. Geconcludeerd wordt dat de komst van de BPL een verbetering betekent voor de hiërarchie en tot een herverdeling van de verkeersstromen van het onderliggende naar het hoofdwegennet leidt. Hierdoor ontstaat per saldo een verkeersveiliger wegennet, zo staat in het verkeerskundig onderzoek. Naar het oordeel van de Afdeling hebben provinciale staten zich in het kader van de invloed van de BPL op de verkeersveiligheid terecht op het standpunt gesteld dat Witteveen en [appellanten sub 35] in haar rapport is voorbijgegaan aan het feit dat de kans op ernstige verkeersongevallen groter is naarmate meer voertuigkilometers via het onderliggende wegennet worden afgewikkeld.
Voor zover appellanten aanvoeren dat in het MER 2e fase staat vermeld dat het aantal verkeersslachtoffers in theorie in de autonome situatie kleiner is dan na de aanleg van de BPL, omdat er na de aanleg meer voertuigkilometers worden gemaakt, hebben provinciale staten ter zitting uiteengezet dat dit een theoretische aanname betreft. Nu ten gevolge van de BPL minder verkeer door de kernen en op het onderliggend wegennet zal rijden en op een weg met een ringstructuur minder confrontaties plaatsvinden, zal, naar blijkt uit nader onderzoek waarvan de resultaten zijn neergelegd in het verkeerskundig onderzoek, het aantal verkeersslachtoffers na aanleg van de BPL in absolute zin afnemen.
Gelet op het vorenstaande ziet de Afdeling in het aangevoerde geen aanleiding voor het oordeel dat provinciale staten zich niet in redelijkheid op het standpunt hebben kunnen stellen dat de verkeersveiligheid ten gevolge van de BPL zal toenemen.
Milieueffectrapport
2.19. Er is aangevoerd dat het MER in verschillende fasen is uitgevoerd, zodat de resultaten van het onderzoek een onvolledig beeld geven, en dat onvoldoende rekening is gehouden met de adviezen van de Commissie m.e.r.. Verder zijn volgens appellanten ten onrechte de indirecte gevolgen van de weg, zoals de ontwikkeling van het industrieterrein Hendrik, niet in het MER meegenomen. Appellanten voeren voorts aan dat onduidelijk is waarom ten aanzien van de aansluiting bij Nuth de Commissie m.e.r. niet om advies is gevraagd en dat het onderzoek door provinciale staten naar de (in)directe milieueffecten niet onafhankelijk is, temeer nu de Commissie m.e.r. niet betrokken was in de slotfase van het onderzoek.
2.19.1. Provinciale staten hebben er naar het oordeel van de Afdeling in redelijkheid voor kunnen kiezen de m.e.r.-procedure in verschillende fasen uit te voeren, nu het project van grote omvang is. Niet is aannemelijk gemaakt dat de opgestelde rapporten in het kader van de m.e.r.-procedure onzorgvuldig dan wel onvolledig zijn geweest. Uit de tweede aanvulling op het MER volgt verder dat antwoord is gegeven op vragen die door de Commissie m.e.r. zijn opgeworpen, zodat niet aannemelijk is gemaakt dat met de adviezen van de Commissie m.e.r. onvoldoende rekening is gehouden.
2.19.2. Niet is gebleken dat ten tijde van het bestreden besluit reeds besluitvorming over de verdere ontwikkeling van het industrieterrein Hendrik had plaatsgevonden. Van een concrete ontwikkeling waarmee provinciale staten bij de vaststelling van het inpassingsplan rekening hadden moeten houden, is daarom wat dit aspect betreft geen sprake. In hetgeen appellanten verder hebben aangevoerd, wordt geen grond gevonden voor het oordeel dat de effecten van de aanleg van de BPL op de N274 onvoldoende zijn onderzocht. Voor zover is aangevoerd dat de verdere ontwikkeling van het voornoemde industrieterrein nadelige gevolgen heeft voor de geluidsbelasting op woningen, de omliggende plaatsen Brunssum en Schinveld en de aanwezige natuur, kunnen deze bezwaren naar het oordeel van de Afdeling in de onderhavige procedure niet aan de orde komen, omdat niet dat besluit, maar het besluit tot vaststelling van het inpassingsplan ter beoordeling voorligt.
2.19.3. Nu ingevolge artikel 1.11, aanhef en onder b, van de Chw artikel 7.26 van de Wet milieubeheer niet van toepassing is, is de verplichting om advies te vragen aan de Commissie m.e.r. komen te vervallen. Gelet hierop hebben provinciale staten ervoor kunnen kiezen de Tracénota/MER Aansluiting Nuth van juni 2010 en de tweede aanvulling op het MER van 4 juni 2010 niet aan de Commissie m.e.r. voor advies voor te leggen. In hetgeen appellanten hebben aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het inpassingsplan in zoverre op onzorgvuldige wijze tot stand is gekomen of dat aan de onafhankelijkheid en onpartijdigheid van het onderzoeksbureau moet worden getwijfeld. De enkele stelling dat verschillende effecten, zoals de cumulatie van milieueffecten, niet zijn onderzocht, is voorts niet met feiten onderbouwd noch anderszins aannemelijk gemaakt.
Geluidhinder/geluidonderzoek
2.20. Veel appellanten hebben bezwaren aangevoerd met betrekking tot de te verwachten geluidhinder als gevolg van het gebruik van de BPL. Zij stellen dat de geluidsbelasting vanwege de BPL te veel zal toenemen.
Normering Wet geluidhinder
2.20.1. De BPL betreft deels de aanleg van een nieuwe weg en deels een reconstructie - dat wil zeggen een wijziging - van een bestaande weg.
Conclusie
Omdat de BPL ter plaatse wordt aangelegd als nieuwe weg, bedraagt de ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting vanwege deze weg ingevolge artikel 82, eerste lid, van de Wgh 48 dB.
Teneinde geluidhinder te beperken wordt ter hoogte van de woning van [appellanten sub 79] een geluidreducerend wegdek van het type dunne deklaag B aangelegd. Berekend is dat de geluidsbelasting op de gevel van de woning vanwege de BPL 48,38 dB zal bedragen. Ingevolge artikel 1.3 van het Reken- en meetvoorschrift geluidhinder 2006 wordt deze waarde afgerond naar 48 dB. Daarmee voldoet de geluidsbelasting vanwege deze weg aan de voorkeursgrenswaarde. Gelet hierop hebben provinciale staten zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de aanleg van de BPL ter hoogte van de woning van [appellanten sub 79] niet leidt tot ernstige geluidhinder. Ook gelet hierop hebben [appellanten sub 79] niet aannemelijk gemaakt dat de natuurwaarden in het gebied worden aangetast.
Ten aanzien van het betoog dat ten onrechte geen onderzoek is verricht naar de gecumuleerde geluidsbelasting wordt met verwijzing naar het algemene deel over geluid in deze uitspraak overwogen dat hiernaar slechts onderzoek hoeft te worden verricht als sprake is van een woning waarvoor in het kader van het inpassingsplan een hogere waarde is vastgesteld. Daarvan is in dit geval geen sprake. In het akoestisch onderzoek is echter uit een oogpunt van zorgvuldigheid onverplicht onderzoek gedaan naar de gecumuleerde geluidsbelasting ter plaatse van de woning van [appellanten sub 79]. Uit dit onderzoek volgt dat de gecumuleerde geluidsbelasting ter plaatse van deze woning maximaal 55 dB bedraagt. Zoals in het algemene deel van de uitspraak onder het kopje 'Cumulatie' is overwogen hebben provinciale staten een gecumuleerde geluidsbelasting tot 58 dB aanvaardbaar kunnen achten, gelet op de bij de aanleg van de BPL betrokken belangen.
2.72.2.3. Wat de eventuele nadelige invloed van het plandeel op de waarde van de woning van [appellanten sub 79] betreft, bestaat geen grond voor de verwachting dat die waardevermindering zodanig zal zijn dat provinciale staten bij de afweging van de belangen hieraan een groter gewicht hadden moeten toekennen dan aan de belangen die met de realisering van het plandeel aan de orde zijn.
2.72.3. [appellanten sub 79] voeren voorts aan dat provinciale staten in strijd met het motiveringsbeginsel hebben gehandeld door geen reactie te geven op het in hun zienswijze gestelde met betrekking tot de pas in augustus 2010 verwachte uitkomsten van de risicoberekeningen van Gasunie.
2.72.3.1. Daargelaten of het gestelde in de door [appellanten sub 79] ingediende zienswijze moet worden opgevat als beroepsgrond, volgt uit de nota van zienswijzen dat provinciale staten op dit punt een inhoudelijke reactie hebben gegeven. Gelet hierop mist het betoog van [appellanten sub 79] feitelijke grondslag.
2.72.4. In hetgeen [appellanten sub 79] hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat provinciale staten zich niet in redelijkheid op het standpunt hebben kunnen stellen dat het plan in zoverre strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep van [appellanten sub 79] is ongegrond.
Het beroep van [appellante sub 77]
2.73. [appellante sub 77] voert aan dat het voorziene tracé van de BPL het uitzicht vanaf de weg op haar café-restaurant aan de Schuureikenweg 115 te Hoensbroek belemmert, hetgeen een nadelige invloed heeft op haar bedrijfsvoering. Zij betoogt dat in het plan dan wel anderszins moet worden verzekerd dat wordt voorzien in een goede bewegwijzering, zowel vanuit oostelijke als westelijke richting. Zij acht het in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel dat dit niet is gebeurd.
[appellante sub 77] vreest verder voor schade, veroorzaakt tijdens de werkzaamheden die met de aanleg van de BPL gepaard gaan. Zij voert hiertoe aan dat het café-restaurant mogelijk maandenlang onbereikbaar zal zijn. Ten onrechte is hier geen regeling voor getroffen.
2.73.1. Vaststaat dat de huidige directe verbinding vanaf de Randweg naar het café-restaurant aan de Schuureikenweg niet kan worden gehandhaafd. Het verkeer vanuit oostelijke en westelijke richting zal na de aanleg van de BPL via de rotonde onder aan de afrit van de BPL moeten rijden om het restaurant te bereiken. Provinciale staten hebben ter zitting toegelicht dat het restaurant zichtbaar blijft vanaf de BPL alsmede de rotonde onder aan de afrit van de BPL. [appellante sub 77] heeft het tegendeel niet aannemelijk gemaakt. Gelet hierop wordt geen aanleiding gezien voor het oordeel dat provinciale staten zich niet in redelijkheid op het standpunt hebben kunnen stellen dat het restaurant voldoende bereikbaar en zichtbaar blijft. Voorts wordt overwogen dat het plan het treffen van maatregelen ten behoeve van een goede bewegwijzering niet uitsluit. Provinciale staten hebben ter zitting verklaard dat hieraan bij de daadwerkelijke uitvoering van het plan ook aandacht zal worden besteed. In de planprocedure kunnen uitvoeringsaspecten niet aan de orde komen.
Verder staat in het verweerschrift dat het restaurant gedurende de periode waarin de BPL wordt aangelegd bereikbaar zal blijven en dat afspraken zullen worden gemaakt om de overlast zoveel als mogelijk te beperken. De Afdeling ziet geen aanleiding voor het oordeel dat de inkomstenderving zodanig zal zijn dat provinciale staten hieraan in redelijkheid een doorslaggevend gewicht hadden moeten toekennen. Voor eventuele vergoeding van planschade bestaat een eigen procedure met rechtsbeschermingsmogelijkheden.
2.73.2. In hetgeen [appellante sub 77] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat provinciale staten zich niet in redelijkheid op het standpunt hebben kunnen stellen dat het plan in zoverre strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep van [appellante sub 77] is ongegrond.
Het beroep van [appellant sub 66]
2.74. Een deel van de beroepsgronden van [appellant sub 66] is hiervoor in het algemene deel van de uitspraak aan de orde geweest. [appellant sub 66] betoogt voorts dat ten onrechte geen papieren exemplaar van het besluit tot vaststelling van het inpassingsplan aan hem is toegezonden. Hij stelt dat dit pas na meerdere verzoeken aan hem is toegezonden.
2.74.1. Gelet op hetgeen in het algemene gedeelte van deze uitspraak over de beantwoording van zienswijzen is overwogen, hoefden provinciale staten geen papieren exemplaar van het bestreden besluit toe te zenden. Reeds hierom faalt het betoog.
2.75. [appellant sub 66] vreest voor ernstige geluidhinder ter plaatse van zijn woning aan de Voorstraat 18 te Hoensbroek vanwege de BPL. Hij betoogt dat hij in de bestaande situatie reeds ernstige geluidsoverlast heeft van de AWACS-vliegtuigen, hetgeen provinciale staten onvoldoende in hun afweging hebben betrokken.
2.75.1. De gronden van [appellant sub 66] liggen in de geluidszone van de BPL. Omdat de BPL daar wordt aangelegd als nieuwe weg, bedraagt de ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting vanwege deze weg ingevolge artikel 82, eerste lid, van de Wgh 48 dB. Berekend is dat de geluidsbelasting vanwege de BPL zonder maatregelen 40 dB bedraagt ter plaatse van de woning van [appellant sub 66], zodat reeds zonder maatregelen aan de voorkeursgrenswaarde wordt voldaan.
Voorts wordt ter hoogte van de woning een geluidreducerend wegdek van het type dunne deklaag B aangelegd. Berekend is dat de geluidsbelasting op de gevel van de woning van [appellant sub 66] vanwege de BPL daardoor 35 dB zal bedragen.
Overwegingen
Ten behoeve van de aanleg van de BPL worden voorts nieuwe wegen aangelegd en bestaande wegen gewijzigd.
Ingevolge artikel 1 van de Wgh wordt in deze wet en de daarop berustende bepalingen onder 'reconstructie van een weg' verstaan: één of meer wijzigingen op of aan een aanwezige weg ten gevolge waarvan uit akoestisch onderzoek […] blijkt dat de berekende geluidsbelasting vanwege de weg in het toekomstig maatgevende jaar zonder het treffen van maatregelen ten opzichte van de geluidsbelasting die […] als de ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting geldt met 2 dB of meer wordt verhoogd.
De BPL wordt aangelegd als autoweg als bedoeld in artikel 1, aanhef en onder d, van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990. Gelet hierop en het bepaalde in artikel 1 van de Wgh worden de gronden van de zone van de BPL voor de toepassing van de Wgh aangemerkt als buitenstedelijk gebied, ook indien deze gronden binnen de bebouwde kom liggen. Ingevolge artikel 7, lid 7.1, aanhef en onder a, van de planregels zal het tracé bestaan uit niet meer dan 2x2 rijstroken.
Ingevolge artikel 74, eerste lid, aanhef en onder b, sub 2, van de Wgh heeft een weg in buitenstedelijk gebied, bestaande uit vier rijstroken, aan weerszijden een zone die zich uitstrekt vanaf de as van de weg tot 400 m. Deze afstand wordt ingevolge artikel 75, eerste lid, aan weerszijden van de weg gemeten vanaf de buitenste begrenzing van de buitenste rijstrook.
Ingevolge artikel 76, eerste lid, gelezen in samenhang met artikel 1 van de Wgh en artikel 3.26 van de Wro, worden bij de vaststelling van een inpassingsplan dat geheel of gedeeltelijk betrekking heeft op gronden, behorende tot een zone als bedoeld in artikel 74, ter zake van de geluidsbelasting, vanwege de weg waarlangs die zone ligt, van de gevel van woningen, van andere geluidsgevoelige gebouwen en van geluidsgevoelige terreinen binnen die zone de waarden in acht genomen, die ingevolge de artikelen 82 en 100 als de ten hoogste toelaatbare worden aangemerkt.
Ingevolge artikel 82, eerste lid, is, behoudens het in de artikelen 83, 100 en 100a bepaalde, de voor woningen binnen een zone ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting van de gevel, vanwege de weg, 48 dB.
Ingevolge artikel 100, eerste lid, is, behoudens het tweede en derde lid, de ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting vanwege een te reconstrueren weg, van de gevel van woningen binnen de zone 48 dB.
Ingeval eerder bij of krachtens de Wgh […] een hogere waarde […] is vastgesteld dan 48 dB, en de heersende waarde hoger is dan 48 dB, geldt ingevolge artikel 100, tweede lid, van de Wgh, de laagste van de volgende twee waarden als de ten hoogste toelaatbare:
a. de heersende waarde;
b. de eerder vastgestelde.
Ingeval de weg op 1 januari 2007 aanwezig […] was en niet eerder een hogere waarde […] is vastgesteld dan 48 dB, en de heersende waarde hoger is dan 48 dB, geldt ingevolge artikel 100, derde lid, van de Wgh, als de ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting vanwege de te reconstrueren weg, van de gevel van woningen binnen de zone die op 1 januari 2007 aanwezig, in aanbouw of geprojecteerd was de heersende waarde.
Ingevolge artikel 110d worden ten behoeve van de vaststelling van de geluidsbelasting vanwege een weg bij ministeriële regeling regels vastgesteld voor het bepalen van het equivalente geluidsniveau. Voorts kunnen ingevolge artikel 110e regels worden vastgesteld omtrent de wijze waarop de akoestisch onderzoeken, bedoeld in de Wgh, worden uitgevoerd. Deze regels zijn neergelegd in het Reken- en meetvoorschrift geluidhinder 2006, zoals dit luidt na inwerkingtreding op 1 oktober 2010 van het Besluit van 9 september 2010 tot wijziging van het Reken- en meetvoorschrift geluidhinder 2006 (Stcrt. 16 september 2010, 14303).
Ingevolge artikel 3.3, eerste lid, van het Reken- en meetvoorschrift geluidhinder 2006 wordt het equivalente geluidsniveau bepaald volgens de in hoofdstuk 2 van bijlage III beschreven Standaardrekenmethode II.
2.20.2. Appellanten betogen dat provinciale staten in aanvulling op dan wel in plaats van de toepassing van Standaardrekenmethode II uit het Reken- en meetvoorschrift 2006 ten onrechte geen geluidmetingen hebben verricht. Zij voeren hiertoe aan dat Standaardrekenmethode II onvoldoende adequaat is. In dit verband wijzen zij erop dat de heersende windrichting, de verhoogde ligging van de BPL dan wel de nabijheid van een helling tot gevolg heeft dat vanwege de BPL meer hinder moet worden verwacht dan van andere wegen.
2.20.2.1. Zoals hiervoor is weergegeven wordt Standaardrekenmethode II als bedoeld in het Reken- en meetvoorschrift geluidhinder 2006 gehanteerd bij de beoordeling of al dan niet sprake is van onaanvaardbare geluidhinder vanwege een weg. De beroepsgrond dat deze berekeningsmethode ten onrechte is gehanteerd kan slechts doel treffen voor zover het Reken- en meetvoorschrift geluidhinder 2006 in strijd is met hogere regelgeving, in het bijzonder de bepalingen in de Wgh. Hiervan is niet gebleken. Provinciale staten hebben derhalve terecht toepassing gegeven aan de in het Reken- en meetvoorschrift geluidhinder 2006 vastgelegde normering.
Voorts is niet aannemelijk gemaakt dat Standaardrekenmethode II een niet-valide model is voor de berekening van het equivalente geluidsniveau. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat in het deskundigenbericht staat dat de BPL niet zodanig hoog is gelegen dat Standaardrekenmethode II niet kan worden toegepast. Voorts wordt overwogen dat ingevolge artikel 2.2 van bijlage III behorende bij het Reken- en meetvoorschrift geluidhinder 2006 bij toepassing van de rekenmethode rekening wordt gehouden met weersinvloeden. Daarnaast wordt ingevolge artikel 2.2, gelezen in samenhang met artikel 2.4, rekening gehouden met een hellingscorrectie indien het hellingspercentage meer bedraagt dan 3.
Hogere waarden
2.20.3. Enkele appellanten betogen dat geen juiste afweging is gemaakt wat betreft de doelmatigheid van geluidbeperkende maatregelen.
2.20.3.1. Ingevolge artikel 83, eerste lid, van de Wgh kan in nieuwe situaties voor de ter plaatse ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting als bedoeld in artikel 82, eerste lid, een hogere dan de in dat artikel genoemde waarde worden vastgesteld, met dien verstande dat deze waarde […] voor woningen in buitenstedelijk gebied 53 dB […] niet te boven mag gaan.
Ingevolge het derde lid, kan met betrekking tot woningen die reeds aanwezig of in aanbouw zijn, voor zover het woningen in buitenstedelijk gebied betreft voor de toekomstige geluidsbelasting vanwege een weg die nog niet is geprojecteerd een hogere dan de in dat lid genoemde waarde worden vastgesteld, met dien verstande dat deze waarde 58 dB niet te boven mag gaan.
In geval van een te reconstrueren weg kan ingevolge artikel 100a voor de […] gevel van woningen een hogere waarde dan de ingevolge artikel 100 geldende worden vastgesteld, met dien verstande dat:
a. de verhoging 5 dB niet te boven mag gaan, behoudens in gevallen waarin:
1°. ten gevolge van de reconstructie de geluidsbelasting van de gevel van ten minste een gelijk aantal woningen elders met een ten minste gelijke waarde zal verminderen, en
2°. de wegbeheerder heeft verklaard dat hij financiële middelen ter beschikking stelt uiterlijk voor afloop van de reconstructie ten behoeve van de toepassing van artikel 90 of artikel 111, tweede of derde lid, met betrekking tot woningen die door de reconstructie een hogere geluidsbelasting ondervinden, en
b. ingeval voor de betrokken woning eerder toepassing is gegeven aan artikel 83 of artikel 84, tweede lid, zoals dat luidde voor 1 september 1991 of, indien geen toepassing is gegeven aan het betrokken artikel en de heersende waarde 53 dB niet te boven gaat, de waarde niet hoger mag worden gesteld dan:
1°. 58 dB bij een reconstructie van een weg in buitenstedelijk gebied en
2°.
Conclusie
Daarmee blijft de geluidsbelasting vanwege deze weg ruim onder de voorkeursgrenswaarde van 48 dB. Gelet hierop hebben provinciale staten zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de aanleg van de BPL ter plaatse van de woning van [appellant sub 66] niet leidt tot ernstige geluidhinder.
Ten aanzien van het betoog dat geen rekening is gehouden met de cumulatie van het geluid vanwege de BPL en het geluid vanwege de AWACS-vliegtuigen wordt met verwijzing naar het algemene deel over geluid in deze uitspraak overwogen dat slechts onderzoek naar de gecumuleerde geluidsbelasting hoeft te worden verricht als sprake is van een woning waarvoor in het kader van het inpassingsplan een hogere waarde is vastgesteld. Daarvan is in dit geval geen sprake. In het akoestisch onderzoek is echter uit een oogpunt van zorgvuldigheid onverplicht onderzoek gedaan naar de gecumuleerde geluidsbelasting ter plaatse van de woning van [appellant sub 66]. Uit dit onderzoek volgt dat de gecumuleerde geluidsbelasting ter plaatse van deze woning maximaal 50 dB bedraagt. Zoals in het algemene deel van de uitspraak onder het kopje 'Cumulatie' is overwogen hebben provinciale staten een gecumuleerde geluidsbelasting tot 58 dB aanvaardbaar kunnen achten, gelet op de bij de aanleg van de BPL betrokken belangen. Voorts hebben provinciale staten, zoals onder voormeld kopje 'Cumulatie' is overwogen, het toenemen van de geluidhinder tussen de piekgeluiden van de AWACS-vliegtuigen door aanvaardbaar kunnen achten.
2.75.2. In hetgeen [appellant sub 66] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat provinciale staten zich niet in redelijkheid op het standpunt hebben kunnen stellen dat het plan in zoverre strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep van [appellant sub 66] is ongegrond.
Het beroep van [appellant sub 82]
2.76. Een deel van de beroepsgronden van [appellant sub 82] is hiervoor in het algemene deel van de uitspraak aan de orde geweest. [appellant sub 82] vreest verder voor ernstige geluidhinder ter plaatse van zijn woning aan de Rozenstraat 55 te Vaesrade vanwege de aanleg van de BPL. Hij wijst erop dat in Vaesrade extra geluidsoverlast optreedt als gevolg van het geluid dat weerkaatst tegen het voorziene natuurscherm met een hoogte van 3 m aan de zuidzijde van de woonkern. Verder voert hij aan dat ernstige geluidsoverlast optreedt, omdat Vaesrade in een dal ligt en de BPL ter plaatse niet verdiept wordt aangelegd. Hij voert aan dat het plan daarom ten onrechte niet voorziet in aanvullende maatregelen. [appellant sub 82] vreest verder voor een waardevermindering van zijn woning.
2.76.1. Provinciale staten stellen dat de geluidsbelasting ter plaatse van de woning niet onaanvaardbaar zal toenemen.
2.76.2. De gronden van [appellant sub 82] liggen in de geluidszone van de BPL. Omdat de BPL ter plaatse wordt aangelegd als nieuwe weg bedraagt de ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting vanwege deze weg ingevolge artikel 82, eerste lid, van de Wgh 48 dB.
De toekomstige geluidsbelasting ter plaatse van de woning van [appellant sub 82] bedraagt 44 dB als geen geluidbeperkende maatregelen worden genomen. Teneinde geluidhinder te beperken wordt ten behoeve van de woningen in cluster 3 een geluidreducerend wegdek van het type dunne deklaag B aangelegd. Berekend is dat de geluidsbelasting vanwege de BPL daardoor 38 dB zal bedragen ter plaatse van de woning. Daarmee blijft de geluidsbelasting vanwege deze weg ruim onder de voorkeursgrenswaarde van 48 dB. Gelet hierop hebben provinciale staten zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de aanleg van de BPL ter plaatse van de woning van [appellant sub 82] niet leidt tot ernstige geluidhinder. In hetgeen [appellant sub 82] heeft aangevoerd hebben zij voorts geen aanleiding hoeven zien om de BPL verdiept aan te leggen dan wel aanvullende geluidbeperkende maatregelen te nemen. Voorts wordt geen aanleiding gezien voor het oordeel dat de aanleg van het natuurscherm met een hoogte van 3 m aan de zuidzijde van de woonkern van Vaesrade leidt tot een verdere verhoging van de geluidsbelasting vanwege de weerkaatsing van geluid. Hierbij wordt in aanmerking genomen de verklaring van provinciale staten ter zitting dat in het geluidmodel rekening is gehouden met de extra geluidsbelasting die wordt veroorzaakt door de weerkaatsing van geluid. Voorts is van belang de toelichting van provinciale staten dat de schermen met absorberend materiaal worden uitgevoerd, zodat vrijwel geen geluid wordt weerkaatst.
2.76.3. Wat de eventuele nadelige invloed van het plan op de waarde van de woning van [appellant sub 82] betreft, bestaat geen grond voor de verwachting dat die waardevermindering zodanig zal zijn dat provinciale staten bij de afweging van de belangen hieraan een groter gewicht hadden moeten toekennen dan aan de belangen die met de realisering van het plan aan de orde zijn.
2.76.4. In hetgeen [appellant sub 82] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat provinciale staten zich niet in redelijkheid op het standpunt hebben kunnen stellen dat het plan in zoverre strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep van [appellant sub 82] is ongegrond.
Het beroep van [appellanten sub 94]
2.77. Een deel van de beroepsgronden van [appellanten sub 94] is hiervoor in het algemene deel van de uitspraak aan de orde geweest. Zij vrezen verder dat de BPL ter hoogte van Vaesrade verdiept zal worden aangelegd, omdat als gevolg van een motie die is aangenomen bij de vaststelling van het inpassingsplan onderzoek zal plaatsvinden naar de waterhuishoudkundige gevolgen van een verdiepte ligging van het tracé ter hoogte van Vaesrade.
2.77.1. Provinciale staten hebben het plan in de nu voorliggende vorm vastgesteld. Aan een motie die bij de vaststelling daarvan is aangenomen komt in het kader van het inpassingsplan geen juridisch bindende betekenis toe. Reeds hierom faalt dit betoog.
2.77.2. [appellanten sub 94] betogen dat het nut en de noodzaak van de BPL ontbreken. Zij stellen in dit verband onder meer dat de voorzitter van de Afdeling in de uitspraak van 25 november 2010 in zaak nr. 201009220/2/R3 (www.raadvanstate.nl) met betrekking tot een met de BPL vergelijkbaar feitencomplex heeft geoordeeld dat twijfel bestaat over het nut en de noodzaak van het infrastructurele project de Centrale As dat in die zaak voorlag.
2.77.3. De BPL betreft een ander infrastructureel project dan de Centrale As. Aan deze projecten liggen verschillende rapporten ten grondslag. Reeds hierom treft de vergelijking met de uitspraak van 25 november 2010 geen doel, nog daargelaten dat die uitspraak van de voorzitter van de Afdeling een voorlopig karakter heeft.
2.77.4. In hetgeen [appellanten sub 94] hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat provinciale staten zich niet in redelijkheid op het standpunt hebben kunnen stellen dat het plan in zoverre strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep van [appellanten sub 94] is ongegrond.
De beroepen van [appellant sub 9]
Besluit hogere waarden
2.78. De woning van [appellant sub 9] is gelegen aan de Hommerterweg 243 te Amstenrade in de geluidszone van de BPL. Omdat de BPL ter plaatse wordt aangelegd als nieuwe weg, bedraagt de ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting vanwege deze weg ingevolge artikel 82, eerste lid, van de Wgh 48 dB.
Overwegingen
63 dB bij een reconstructie van een weg in stedelijk gebied.
Ingevolge het tweede lid mag de krachtens het eerste lid, onder a, te stellen hogere waarde niet hoger worden gesteld dan 68 dB. Ingevolge het derde lid mag in afwijking van het tweede lid, ingeval eerder bij of krachtens deze wet, [...] een hogere waarde dan 68 dB is vastgesteld, de waarde niet hoger worden gesteld dan de eerder vastgestelde waarde.
2.20.3.2. Ingevolge artikel 110a, eerste lid, van de Wgh, gelezen in samenhang met het zevende lid van dit artikel is, ingeval van de aanleg of reconstructie van een weg in beheer van een provincie, het college van gedeputeerde staten van de provincie waarbinnen de weg is gelegen bevoegd tot het vaststellen van een hogere waarde voor de ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting.
Ingevolge het derde lid kan deze waarde ambtshalve of op verzoek van degenen die daartoe bij algemene maatregel van bestuur zijn aangewezen, worden vastgesteld.
Ingevolge het vijfde lid vindt het eerste en tweede lid slechts toepassing indien toepassing van maatregelen, gericht op het terugbrengen van de geluidsbelasting vanwege [...] de weg [...] van de gevel van de betrokken woningen [...] tot de ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting onvoldoende doeltreffend zal zijn dan wel overwegende bezwaren ontmoet van stedenbouwkundige, verkeerskundige, vervoerskundige, landschappelijke of financiële aard. Bij algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald dat de in dit lid bedoelde bevoegdheid enkel in bij die maatregel aan te geven gevallen kan worden toegepast.
Ingevolge het zesde lid geeft het college van gedeputeerde staten, voor zover van belang, indien artikel 110f van toepassing is, slechts toepassing aan het derde lid voor zover de gecumuleerde geluidsbelastingen na de correctie op grond van artikel 110f, derde lid, niet leiden tot een naar zijn oordeel onaanvaardbare geluidsbelasting.
2.20.3.3. Het college van gedeputeerde staten en provinciale staten hebben bij de beoordeling van de financiële doelmatigheid van maatregelen - de voor rijkswegen verplichte - Regeling doelmatigheid geluidmaatregelen Wet geluidhinder van 14 december 2009 (hierna: Regeling doelmatigheid geluidmaatregelen Wgh) toegepast. Niet aannemelijk is gemaakt dat het college van gedeputeerde staten en provinciale staten, mede gelet op de beoogde wijze van uitvoering van de BPL, niet in redelijkheid hebben kunnen uitgaan van deze regeling.
2.20.3.4. Ingevolge artikel 1 van de Regeling doelmatigheid geluidmaatregelen Wgh, gelezen in samenhang met artikel 7, eerste lid, wordt onder geluidreductie verstaan het verschil tussen de toekomstige geluidsbelasting, die door geluidsgevoelige objecten zou worden ondervonden vanwege een weg of spoorweg in de situatie zonder maatregelen, en de toekomstige geluidsbelasting vanwege een weg of spoorweg in de situatie dat geluidbeperkende maatregelen getroffen zijn.
Ingevolge artikel 3 is een geluidbeperkende maatregel als bedoeld in tabel 1 en tabel 2 van bijlage 1 financieel doelmatig, indien het aantal maatregelpunten van de geluidbeperkende maatregel niet hoger is dan het aantal reductiepunten behorende bij het cluster waar de maatregel voor is bedoeld.
Ingevolge het tweede lid is een geluidbeperkende maatregel, in afwijking van het eerste lid, niet financieel doelmatig, indien uit het akoestisch onderzoek blijkt dat:
a. toepassing van de geluidbeperkende maatregel de grootste geluidreductie oplevert voor het cluster,
b. het aantal maatregelpunten voor deze maatregel hoger is dan het aantal maatregelpunten voor een andere geluidbeperkende maatregel die een gelijke of nagenoeg gelijke geluidreductie kan realiseren, en
c. in vergelijking met de andere maatregel de extra maatregelpunten niet in redelijke verhouding staan tot de extra geluidreductie die door het treffen van deze maatregel bereikt kan worden.
2.20.3.5. Uit de toelichting bij de Regeling doelmatigheid geluidmaatregelen Wgh volgt dat een uitzondering op de hoofdregel dat een geluidbeperkende maatregel in beginsel financieel doelmatig is als de kosten van de maatregel, uitgedrukt in het totaal aantal maatregelpunten, niet hoger zijn dan het totale budget aan reductiepunten voor geluidsgevoelige bestemmingen die voordeel hebben van de maatregel, de situatie vormt dat een geluidsmaatregel wel binnen het reductiebudget past, maar dat met een alternatieve geluidsmaatregel een nagenoeg gelijke geluidreductie kan worden bereikt. Als de benodigde extra maatregelpunten ten opzichte van de alternatieve geluidsmaatregel niet in redelijke verhouding staan tot de extra geluidreductie, dan is de geluidsmaatregel financieel niet doelmatig. Uit de toelichting van de Regeling doelmatigheid geluidmaatregelen Wgh volgt dat per geval zal worden beoordeeld wat een nagenoeg gelijke geluidreductie is en dat het doorgaans dient te gaan om een alternatieve maatregel die een geluidreductie moet realiseren van ten minste 95% van de geluidreductie van de maximale maatregel.
2.20.3.6. In het akoestisch onderzoek "Wegverkeerslawaai behorende bij het inpassingsplan Buitenring Parkstad Limburg" van Arcadis van 8 oktober 2010 staat dat ten behoeve van de beoordeling van de doelmatigheid van te nemen maatregelen de geluidsbelastingen in de referentiesituatie en de toekomstige situatie zonder maatregelen zijn berekend en dat het aantal reductiepunten is bepaald. Vervolgens is een maatregelvariant opgesteld en doorgerekend. Hierbij leveren de benodigde maatregelen per cluster of groep van clusters een aantal maatregelpunten op.
In de plantoelichting en het akoestisch onderzoek staat dat in de eerste plaats bronmaatregelen in overweging zijn genomen. Het gaat daarbij om wegdektypen die een hogere geluidreducerende werking hebben dan het referentiewegdek dicht asfaltbeton. Voor diverse locaties van de BPL zijn voldoende reductiepunten aanwezig om het wegdektype tweelaags ZOAB toe te passen, dat meer maatregelpunten kost en een hogere geluidreducerende werking heeft dan het wegdektype dunne deklaag B (hierna: DDB). Gelet hierop is de doelmatigheid van het wegdektype DDB ten opzichte van het wegdektype tweelaags ZOAB beoordeeld, als bedoeld in artikel 3, tweede lid, van de Regeling doelmatigheid geluidmaatregelen Wgh. In het akoestisch onderzoek is hieromtrent vermeld dat het wegdektype DDB een nagenoeg gelijke geluidreductie kan realiseren als het wegdektype tweelaags ZOAB. Daartoe is in het akoestisch onderzoek een geluidreductie van 95% ten opzichte van de geluidreductie van de maximale maatregel (het wegdektype tweelaags ZOAB) aangemerkt als een nagenoeg gelijke geluidreductie, als bedoeld in artikel 3, tweede lid, onder b, van de Regeling doelmatigheid geluidmaatregelen Wgh. In het akoestisch onderzoek staat als uitkomst vermeld dat het wegdektype DDB op de desbetreffende locaties van de BPL een geluidreductie van ten minste 95% van de geluidreductie van het wegdektype tweelaags ZOAB oplevert, zodat op deze locaties het wegdektype DDB financieel doelmatig en akoestisch effectief is. Hierbij wordt overigens vermeld dat afwisseling van de wegdektypen dicht asfaltbeton en DDB in verband met de aanleg en het beheer niet gewenst is, zodat over de gehele BPL het wegdektype DDB wordt aangelegd.
Overigens is na de afweging met betrekking tot bronmaatregelen nagegaan of het plaatsen van geluidsschermen financieel doelmatig is. In het akoestisch onderzoek staat dat deze afweging niet is gemaakt indien bronmaatregelen niet doelmatig zijn gebleken, omdat schermmaatregelen per definitie duurder zijn.
2.20.3.7.
Conclusie
Gelet op het geluidreducerend wegdek van het type dunne deklaag B en de geluidwerende voorziening met een hoogte van 2 m die ter hoogte van de woning van [appellant sub 9] wordt opgericht, is berekend dat de geluidsbelasting vanwege de BPL op de gevel van de woning van [appellant sub 9] 52 dB zal bedragen. Nu deze geluidsbelasting de voorkeursgrenswaarde overschrijdt is een hogere waarde van 52 dB vastgesteld.
2.78.1. [appellant sub 9] richt zich tegen het besluit tot vaststelling van een hogere waarde van 52 dB, omdat hij ernstige geluidhinder vreest ter plaatse van zijn woning aan de Hommerterweg 243 te Amstenrade vanwege de aanleg van de BPL. Hij stelt met verwijzing naar het akoestisch rapport van HMB van 11 december 2010 dat niet van de berekening in het akoestisch onderzoek van Arcadis van 8 oktober 2010 mocht worden uitgegaan, omdat geen meetpunten zijn opgenomen op de derde verdieping van zijn woning. Verder voert hij in dit verband aan dat in de berekening ten onrechte rekening is gehouden met de geluidsafschermende werking van de woning aan de Hommerterweg 241, nu deze zal worden geamoveerd. [appellant sub 9] betoogt voorts dat onvoldoende maatregelen zijn genomen om geluidsoverlast te voorkomen. Hij stelt ook dat onvoldoende onderzoek is verricht naar de te verwachten gecumuleerde geluidsbelasting.
2.78.2. In het standpunt dat ten onrechte geen meetpunten op de derde verdieping zijn opgenomen, wordt geen aanleiding gezien voor het oordeel dat het college van gedeputeerde staten niet van de juistheid van de berekende geluidswaarde mocht uitgaan. Hiertoe wordt overwogen dat [appellant sub 9] ter zitting desgevraagd heeft verklaard dat op de derde verdieping thans geen geluidgevoelige ruimte aanwezig is, zodat het college van gedeputeerde staten geen meetpunt op de derde verdieping hoefde op te nemen. Voorts mist het betoog dat de geluidsafschermende werking van de woning aan de Hommerterweg 241 ten onrechte in de geluidsberekeningen is betrokken feitelijke grondslag. Hiertoe wordt overwogen dat uit het deskundigenbericht het tegendeel volgt.
De vastgestelde hogere waarde van 52 dB gaat de maximaal toegestane waarde van 58 dB als bedoeld in artikel 83, derde lid, van de Wgh niet te boven. Gelet hierop heeft het college van gedeputeerde staten zich ten aanzien van deze woning in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de aanleg van de BPL ter plaatse van de woning van [appellant sub 9] niet leidt tot onaanvaardbare geluidhinder. In hetgeen [appellant sub 9] heeft aangevoerd heeft het voorts geen aanleiding hoeven zien om een geluidsscherm met een hoogte van 5 m op te richten. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat met toepassing van de 95%-regel als bedoeld in het algemene deel van de uitspraak over geluid is berekend dat een scherm van 5 m hoog niet effectief is, omdat een alternatieve maatregel - in dit geval een scherm met een hoogte van 2 m - een geluidreductie oplevert van ten minste 95% van de maximale maatregel.
Voorts faalt het betoog van [appellant sub 9] dat ten onrechte geen onderzoek is verricht naar de gecumuleerde geluidsbelasting ter plaatse van zijn woning. Uit het akoestisch onderzoek volgt immers dat wel onderzoek is verricht en dat deze geluidsbelasting maximaal 57 dB bedraagt. Zoals in het algemene deel van de uitspraak onder het kopje 'Cumulatie' is overwogen heeft het college van gedeputeerde staten een gecumuleerde geluidsbelasting tot 58 dB aanvaardbaar kunnen achten, gelet op het met de aanleg van de BPL gediende maatschappelijk belang en de bij het vaststellen van hogere waarden wettelijk gegarandeerde binnenwaarde.
2.78.3. Het beroep van [appellant sub 9] tegen het besluit tot vaststelling van een hogere waarde is ongegrond.
Inpassingsplan
2.78.4. [appellant sub 9] voert aan dat provinciale staten in strijd met het motiveringsbeginsel hebben gehandeld door geen reactie te geven op het in zijn zienswijze gestelde met betrekking tot de pas in augustus 2010 verwachte uitkomsten van de risicoberekeningen van Gasunie.
2.78.5. Daargelaten of het gestelde in de door van [appellant sub 9] ingediende zienswijze moet worden opgevat als een beroepsgrond, volgt uit de nota van zienswijzen dat provinciale staten op dit punt een inhoudelijke reactie hebben gegeven. Gelet hierop mist het betoog van [appellant sub 9] feitelijke grondslag.
2.78.6. De beroepsgronden van [appellant sub 9] tegen het besluit tot vaststelling van het inpassingsplan, voor zover betrekking hebbend op het aspect geluid, zijn gelijkluidend aan de beroepsgronden tegen het besluit tot vaststelling van een hogere waarde.
2.78.6.1. Provinciale staten stellen zich op het standpunt dat geen ernstige geluidhinder optreedt als gevolg van de BPL.
2.78.6.2. Gelet op hetgeen hiervoor in het kader van de beroepsgronden tegen het besluit tot vaststelling van een hogere waarde is overwogen heeft [appellant sub 9] niet aannemelijk gemaakt dat het akoestisch onderzoek zodanige gebreken of leemten in kennis bevat dat provinciale staten niet hebben kunnen uitgaan van de juistheid van de berekende geluidsbelasting van 52 dB. Nu deze geluidsbelasting de vastgestelde hogere waarde niet overschrijdt, staat de Wgh in zoverre niet aan het plan in de weg.
2.78.7. [appellant sub 9] betoogt voorts dat het inpassingsplan leidt tot een waardevermindering van zijn woning.
2.78.7.1. Wat de eventuele nadelige invloed van het plan op de waarde van de woning van [appellant sub 9] betreft, bestaat geen grond voor de verwachting dat die waardevermindering zodanig zal zijn dat provinciale staten bij de afweging van de belangen hieraan een groter gewicht hadden moeten toekennen dan aan de belangen die met de realisering van het plan aan de orde zijn.
2.78.8. In hetgeen [appellant sub 9] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat provinciale staten zich niet in redelijkheid op het standpunt hebben kunnen stellen dat het plan in zoverre strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep van [appellant sub 9] tegen het inpassingsplan is ongegrond.
De beroepen van [appellant sub 7]
Besluit hogere waarden
2.79. De woning van [appellant sub 7] is gelegen aan de Hommerterweg 235 te Hoensbroek in de geluidszone van de BPL. Omdat de BPL ter plaatse wordt aangelegd als nieuwe weg, bedraagt de ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting vanwege deze weg ingevolge artikel 82, eerste lid, van de Wgh 48 dB. Met inachtneming van de juiste maaiveldhoogte, uitgaande van een steil talud met daarop een 2 m hoge wal en de aanleg van een geluidreducerend wegdek van het type dunne deklaag B is berekend dat de geluidsbelasting vanwege de BPL op de gevel van de woning van [appellant sub 7] 52 dB zal bedragen. Nu deze geluidsbelasting de voorkeursgrenswaarde overschrijdt is een hogere waarde van 52 dB vastgesteld.
2.79.1. [appellant sub 7] betoogt dat ten onrechte een hogere waarde is vastgesteld van 52 dB voor zijn woning aan de Hommerterweg 235. Hij vreest voor ernstige geluidsoverlast. In dit verband stelt hij dat geen rekening is gehouden met de toename van de geluidsbelasting in zijn tuin en op zijn dakterras. Daarnaast is ten onrechte slechts rekening gehouden met de geluidsbelasting op de voorgevel, terwijl ook de zij- en achtergevel worden belast. Verder voert hij aan dat niet duidelijk is welke geluidbeperkende maatregelen zullen worden genomen. [appellant sub 7] betoogt voorts dat in het ontwerpplan is uitgegaan van een andere gecumuleerde geluidsbelasting dan in het vastgestelde plan. Niet duidelijk is hoe dit verschil kan worden verklaard. Hij vreest verder voor een waardevermindering van zijn woning.
2.79.2.
Overwegingen
Geen aanleiding bestaat voor het oordeel dat het college van gedeputeerde staten en provinciale staten bij het bepalen van een nagenoeg gelijke geluidreductie, als bedoeld in artikel 3, tweede lid, onder b, van de Regeling doelmatigheid geluidmaatregelen Wgh niet in redelijkheid aansluiting hebben kunnen zoeken bij de toelichting bij artikel 3 van de Regeling doelmatigheid geluidmaatregelen Wgh, waarin staat dat per geval zal worden beoordeeld wat een nagenoeg gelijke geluidreductie is en dat het doorgaans dient te gaan om een alternatieve maatregel die een geluidreductie moet realiseren van ten minste 95% van de geluidreductie van de maximale maatregel.
Ten aanzien van het betoog van enkele appellanten dat de geluidreductie van het beoogde wegdektype DDB ten opzichte van het wegdektype tweelaags ZOAB volgens de berekeningen die aan het akoestisch onderzoek ten grondslag zijn gelegd slechts 94,6% bedraagt in plaats van 95%, overweegt de Afdeling dat het college van gedeputeerde staten en provinciale staten zich in redelijkheid op het standpunt hebben kunnen stellen dat een geluidreductie van 94,6% een nagenoeg gelijke geluidreductie betreft, nu dit percentage afgerond 95 bedraagt.
2.20.3.8. Enkele appellanten voeren omtrent de doelmatigheid van de geluidbeperkende maatregelen aan dat de geluidreductie van het beoogde wegdektype DDB ten opzichte van het wegdektype tweelaags ZOAB lager dan 95% is. In dit verband wijzen zij op de volgens het deskundigenbericht te verwachten geluidreducties van beide wegdektypen.
2.20.3.9. In het deskundigenbericht staat dat de in het akoestisch onderzoek berekende geluidreducties afwijken van hetgeen op basis van de vastgestelde wegdekcorrectie en emissiecijfers voor beide wegdektypen verwacht mag worden.
2.20.3.10. Het college van gedeputeerde staten en provinciale staten hebben zich in reactie op het deskundigenbericht en ter zitting op het standpunt gesteld dat de in het deskundigenbericht vermelde geluidreducties voor beide wegdektypen emissiewaarden betreffen en dat in het akoestisch onderzoek de immissiewaarden, dat wil zeggen de geluidreducties op de gevels van de desbetreffende woningen, zijn onderzocht. Voorts hebben het college van gedeputeerde staten en provinciale staten zich op het standpunt gesteld dat de geluidreducties van beide wegdektypen een verschillende frequentiekarakteristiek hebben. Doordat de afname van een geluidsbelasting over een bepaalde afstand afhankelijk is van de frequentiekarakteristiek van die geluidsbelasting, zijn geluidreducties van beide wegdektypen uitgedrukt in immissiewaarden niet vergelijkbaar met geluidreducties van beide wegdektypen uitgedrukt in emissiewaarden, aldus het college van gedeputeerde staten en provinciale staten.
Voorts hebben het college van gedeputeerde staten en provinciale staten in reactie op het deskundigenbericht toegelicht dat de berekeningsresultaten bij de bepaling van de financiële doelmatigheid van geluidbeperkende maatregelen afwijken van de in de bijlagen van het akoestisch onderzoek weergegeven geluidsbelastingen, omdat bij laatstgenoemde cijfers naast de geluidreductie van het wegdektype ook de geluidreductie van de geluidsschermen is betrokken.
Verder hebben het college van gedeputeerde staten en provinciale staten ter zitting toegelicht dat de Regeling doelmatigheid geluidmaatregelen Wgh bij het bepalen van de reductiepunten geen rekening houdt met geluidsbelastingen onder de voorkeursgrenswaarde. Hieruit volgt volgens het college van gedeputeerde staten en provinciale staten dat de hogere geluidreductie van het wegdektype tweelaags ZOAB ten opzichte van het wegdektype DDB wegvalt voor een groot aantal woningen waarbij reeds met het wegdektype DDB de voorkeursgrenswaarde wordt bereikt.
Gelet op voormelde toelichting van het college van gedeputeerde staten en provinciale staten ziet de Afdeling in het aangevoerde geen aanleiding voor het oordeel dat zij zich in zoverre niet op het akoestisch onderzoek hebben kunnen baseren.
2.20.3.11. Enkele appellanten voeren omtrent de doelmatigheid van de geluidbeperkende maatregelen aan dat het wegdektype DDB niet voor de BPL kan worden toegepast nu die maatregel volgens het deskundigenbericht is beperkt tot wegen met een maximumsnelheid van 80 km/uur.
2.20.3.12. Ingevolge artikel 3.4 van het Reken- en meetvoorschrift geluidhinder 2006 wordt, bij een van dicht asfaltbeton afwijkend wegdektype, het effect van het afwijkende wegdektype op de geluidemissie bepaald overeenkomstig de in hoofdstuk 4 van bijlage III beschreven methode.
In de toelichting van deze bijlage staat dat concrete wegdekcorrectiefactoren niet meer in dit voorschrift zijn opgenomen maar dat in een publicatie van de stichting CROW en op haar website gegevens zijn opgenomen over diverse wegdektypen en dat daarin bronnen zijn opgenomen om aan de wegdekcorrectiefactoren van andere wegdekken te komen.
2.20.3.13. Niet in geschil is dat de BPL geen hoofdweg is als bedoeld in artikel 2 van de Tracéwet, zodat de Regeling doelmatigheid geluidmaatregelen Wgh onverplicht is toegepast. Evenmin is in geschil dat de toegelaten rijsnelheid op de BPL nergens meer dan 100 km/uur zal bedragen.
In het akoestisch onderzoek staat dat, voor de bepaling van de financiële doelmatigheid van het voor de BPL gekozen wegdektype DDB als geluidsmaatregel, is aangesloten bij het aantal maatregelpunten voor dunne deklagen uit tabel 1 van bijlage 1 van de Regeling doelmatigheid geluidmaatregelen Wgh. Voor de maximale snelheid waarbij dit wegdektype kan worden toegepast en de daarvoor geldende emissieparameters is gebruik gemaakt van de publicaties van de stichting CROW, aldus het akoestisch onderzoek.
Het betoog dat het wegdektype DDB volgens het deskundigenbericht niet als geluidbeperkende maatregel kan worden toegepast bij snelheden boven 80 km/uur ziet, gelet op de bewoordingen van het deskundigenbericht, op tabel 1 van bijlage 1 van de Regeling doelmatigheid geluidmaatregelen Wgh. De Regeling doelmatigheid geluidmaatregelen Wgh ziet evenwel niet op wegdekcorrectiefactoren, maar op de financiële doelmatigheid van geluidsmaatregelen. De vraag onder welke omstandigheden een wegdektype kan worden toegepast als geluidbeperkende maatregel dient naar het oordeel van de Afdeling te worden beoordeeld aan de hand van artikel 3.4 van het Reken- en meetvoorschrift geluidhinder 2006, gelezen in samenhang met de toelichting bij bijlage III, waarin wordt verwezen naar de wegdekcorrectiefactoren uit de publicaties van de stichting CROW. Deze publicaties zijn verwerkt in de tabel "Wegdekcorrectiefactoren voor gebruik in het Reken- en Meetvoorschrift Geluidhinder 2006". Het college van gedeputeerde staten en provinciale staten hebben toegelicht dat hierin staat dat het wegdektype DDB als geluidmaatregel kan worden toegepast tot maximumsnelheden van 130 km/uur voor lichte motorvoertuigen en 100 km/uur voor zwaar verkeer. Voorts hebben zij toegelicht dat in de publicatie "Stille wegdekken" van de stichting CROW van juni 2010 hieromtrent een positief advies is gegeven. Daarnaast wijzen het college van gedeputeerde staten en provinciale staten op het advies van het Innovatieprogramma Geluid van maart 2008 (hierna: het IPG-advies), waarin staat dat dunne deklagen zonder meer kunnen worden toegepast op niet-autosnelwegen en op autosnelwegen met een lagere intensiteit dan 50.000 mvt/etmaal. In het Verkeerskundig onderzoek staat dat de verkeersintensiteit in 2025 lager is dan dit aantal. Ter zitting hebben het college van gedeputeerde staten en provinciale staten dit bevestigd.
Conclusie
De Afdeling stelt voorop dat een besluit tot het vaststellen van hogere waarden als bedoeld in artikel 100a, eerste lid, van de Wgh betrekking heeft op de vaststelling van hogere waarden voor de ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting op de gevel van woningen. De bezwaren van [appellant sub 7] met betrekking tot het wooncomfort in zijn tuin en serre en op zijn dakterras en de beroepsgrond die ziet op een eventuele waardevermindering, kunnen hierbij geen rol spelen.
2.79.3. Wat betreft het betoog dat niet duidelijk is welke geluidbeperkende maatregelen worden genomen, wordt overwogen dat het college van gedeputeerde staten ter zitting heeft verklaard dat een geluidsvoorziening van 600 m lang en 2 m hoog wordt opgericht. Teneinde geluidhinder te beperken wordt ter hoogte van de woning ook een geluidreducerend wegdek van het type dunne deklaag B aangelegd.
2.79.4. Voorts staat in het verweerschrift dat in het akoestisch onderzoek behorend bij het ontwerpinpassingsplan bij de berekening van de gecumuleerde geluidsbelasting niet is uitgegaan van de juiste bijdrage van het luchtverkeerslawaai. De gecumuleerde geluidsbelasting in het akoestisch onderzoek behorend bij het vastgestelde plan is echter juist en bedraagt 62 dB, aldus het college van gedeputeerde staten. [appellant sub 7] heeft niet aannemelijk gemaakt dat niet van deze gecumuleerde geluidsbelasting kan worden uitgegaan. In hetgeen [appellant sub 7] heeft aangevoerd wordt voorts geen aanleiding gezien voor het oordeel dat het college van gedeputeerde staten de gecumuleerde geluidsbelasting ter plaatse van de woning van [appellant sub 7] niet in redelijkheid aanvaardbaar heeft kunnen achten. Hiertoe wordt overwogen dat uit het akoestisch onderzoek, het deskundigenbericht en hetgeen ter zitting naar voren is gekomen, is gebleken dat de gecumuleerde geluidsbelasting met name wordt veroorzaakt door het bestaande wegverkeerslawaai en slechts in geringe mate door het inpassingsplan. Het verschil tussen de vastgestelde hogere waarde en de gecumuleerde geluidsbelasting is zodanig groot dat de Afdeling, onder verwijzing naar het algemene deel van de uitspraak onder het kopje 'Cumulatie', met het college van gedeputeerde staten aannemelijk acht dat het inpassingsplan niet in belangrijke mate bijdraagt aan de gecumuleerde geluidsbelasting. Gelet hierop, het garanderen van de wettelijke binnenwaarde voor de geluidsbelasting vanwege het inpassingsplan en het met de aanleg van de BPL gediende maatschappelijk belang, bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat het college van gedeputeerde staten in dit geval de gecumuleerde geluidsbelasting niet in redelijkheid aanvaardbaar heeft kunnen achten.
Voorts wordt overwogen dat het college van gedeputeerde staten ter zitting heeft verklaard dat het gehanteerde rekenpunt op de voorgevel representatief is te achten voor de hoogste geluidsbelasting op de gevel van de woning. Het deskundigenbericht bevestigt dat de geluidsbelasting op de zij- en achtergevel lager is dan de geluidsbelasting op de voorgevel. Bovendien heeft het college van gedeputeerde staten in reactie op het deskundigenbericht een nadere berekening gemaakt met betrekking tot de achtergevel. Daaruit volgt dat de geluidsbelasting vanwege de BPL op de achtergevel 43 dB bedraagt en dat de gecumuleerde waarde op die gevel 56 dB bedraagt. Voorts is berekend dat de geluidsbelasting op de zijgevel ter plaatse van de serre 48 dB bedraagt. [appellant sub 7] heeft niet aannemelijk gemaakt dat dit onjuist is.
2.79.5. Het beroep van [appellant sub 7] tegen het besluit tot vaststelling van een hogere waarde is ongegrond.
Inpassingsplan
2.79.6. Een deel van de beroepsgronden van [appellant sub 7] is hiervoor in het algemene deel van de uitspraak aan de orde geweest. De beroepsgronden van [appellant sub 7] met betrekking tot het aspect geluid zijn gelijkluidend aan de beroepsgronden tegen het besluit tot vaststelling van een hogere waarde.
2.79.7. Provinciale staten stellen zich op het standpunt dat ter plaatse van de woning van [appellant sub 7] geen ernstige geluidhinder optreedt als gevolg van de BPL.
2.79.8. Gelet op hetgeen hiervoor in het kader van de beroepsgronden tegen het besluit tot vaststelling van een hogere waarde is overwogen heeft [appellant sub 7] niet aannemelijk gemaakt dat het akoestisch onderzoek zodanige gebreken of leemten in kennis bevat dat provinciale staten niet hebben kunnen uitgaan van de juistheid van de berekende geluidsbelasting van 52 dB vanwege de BPL op de gevel van zijn woning. Nu deze geluidsbelasting de vastgestelde hogere waarde niet overschrijdt, staat de Wgh in zoverre niet aan het plan in de weg.
Zoals hiervoor in het deel over de hogere waarde is vermeld, bedraagt de geluidsbelasting vanwege de BPL op de achtergevel - gelegen aan de tuinzijde - 43 dB. De geluidsbelasting op de zijgevel - gelegen aan de zijde van de serre - bedraagt 48 dB. Provinciale staten hebben ter zitting verklaard dat ook ter hoogte van het dakterras is gemeten en dat de geluidsbelasting daar 52 dB bedraagt. Niet aannemelijk is gemaakt dat dit onjuist is. Voorts staat vast dat de gecumuleerde geluidswaarde op de zij- en achtergevel lager is dan de gecumuleerde geluidswaarde van 62 dB op de voorgevel. Het voorgaande in aanmerking genomen hebben provinciale staten zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het geluid ter plaatse van de tuin, de serre en het dakterras niet ernstig toeneemt. Voor zover [appellant sub 7] betoogt dat hij als gevolg van de aanleg van de BPL geen geluidluwe gevel meer heeft - wat daarvan ook zij - wordt overwogen dat provinciale staten zich terecht op het standpunt hebben gesteld dat dit niet is vereist. Hiertoe wordt overwogen dat de aanwezigheid van een geluidluwe gevel in de Wgh niet verplicht is voorgeschreven. Provinciale staten hebben verklaard dat zij ook geen beleid hebben dat daartoe verplicht.
2.79.9. [appellant sub 7] vreest voorts voor een verslechtering van zijn woon- en leefklimaat als gevolg van trillinghinder en lichthinder, veroorzaakt door autolampen. Verder voert hij aan dat het uitzicht vanuit zijn woning zal worden aangetast.
2.79.10. Niet valt uit te sluiten dat lichthinder optreedt dan wel dat het uitzicht ter plaatse van de woning van [appellant sub 7] in enige vorm kan worden aangetast door de voorziene infrastructuur met bijbehorende bebouwing, aangezien deze is voorzien op een thans onbebouwd terrein op een afstand van ongeveer 40 m tot de woning van [appellant sub 7]. Provinciale staten hebben zich echter in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de aantasting van het uitzicht dan wel de overlast van lichthinder niet dusdanig zal zijn dat hieraan een doorslaggevend gewicht moet worden toegekend. Hierbij wordt in aanmerking genomen de verklaring van provinciale staten ter zitting dat in het kader van de uitvoering van het plan de mogelijkheden aan de orde zullen komen voor het beperken van de aantasting van het uitzicht en lichthinder met beplanting. Het plan maakt dit ook mogelijk. In het niet nader onderbouwde standpunt dat als gevolg van de BPL moet worden gevreesd voor trillinghinder, wordt voorts geen aanleiding gezien voor het oordeel dat provinciale staten het ontstaan van ernstige trillinghinder hadden moeten aannemen.
2.79.11. [appellant sub 7] voert verder aan dat het plan leidt tot een waardevermindering van zijn woning. Hij betoogt tevens dat zijn woning onverkoopbaar zal worden.
2.79.12. Wat de eventuele nadelige invloed van het plan op de waarde van de woning van [appellant sub 7] betreft, bestaat geen grond voor de verwachting dat die waardevermindering zodanig zal zijn dat provinciale staten bij de afweging van de belangen hieraan een groter gewicht hadden moeten toekennen dan aan de belangen die met de realisering van het plan aan de orde zijn. [appellant sub 7] heeft voorts niet aannemelijk gemaakt dat zijn woning onverkoopbaar zal worden als gevolg van het plan.
2.79.13.
Overwegingen
Voorts staat in het deskundigenbericht dat, afgezien van de Regeling doelmatigheid geluidmaatregelen Wgh, op grond van de publicaties van de stichting CROW en het IPG-advies geen belemmeringen bestaan om het wegdektype DDB toe te passen bij de BPL.
Gelet op het vorenstaande ziet de Afdeling in het aangevoerde geen aanleiding voor het oordeel dat het college van gedeputeerde staten en provinciale staten zich niet op het akoestisch onderzoek konden baseren, voor zover hierin is uitgegaan van het wegdektype DDB.
2.20.3.14. Gelet op het hiervoor overwogene hebben appellanten niet aannemelijk gemaakt dat de gehanteerde beoordelingsmethodiek, wat betreft de doelmatigheid van geluidbeperkende maatregelen, als zodanig niet in overeenstemming is met het bepaalde in de Regeling doelmatigheid geluidmaatregelen Wgh. De Afdeling zal hierna bij de bespreking van de individuele beroepen, voor zover in geschil, nagaan of de afweging wat betreft de financiële doelmatigheid met betrekking tot een specifiek cluster in overeenstemming is met de wettelijke normering. Indien dit het geval is faalt het betoog van appellanten.
Cumulatie
2.20.4. Verscheidene appellanten voeren aan dat het college van gedeputeerde staten en provinciale staten onvoldoende onderzoek hebben verricht naar de te verwachten gecumuleerde geluidsbelasting bij hun woningen na aanleg van de BPL in het algemeen en naar het aandeel daarin van AWACS-luchtverkeer dat vliegt van en naar de thuisbasis in de Duitse grensplaats Geilenkirchen in het bijzonder.
Zij betogen meer specifiek dat uitvoeriger onderzoek had moeten worden verricht ter plaatse van woningen, die op korte afstand van de aan- en uitvliegroute zijn gelegen. Naar hun stelling is ten onrechte geen rekening gehouden met het piekgeluid van de AWACS-vliegtuigen. Nu de BPL de rustmomenten verstoort tussen de piekgeluiden van de AWACS-vliegtuigen, neemt ten gevolge van de BPL de geluidsbelasting toe. Volgens appellanten klemt het voorgaande temeer, nu uit de uitspraak van de Afdeling van 7 april 2010 in zaak nr. 200806952/1/R1 (www.raadvanstate.nl) volgt dat de geluidsbelasting vanwege de AWACS-vliegtuigen in Schinveld en Brunssum reeds zodanig hoog is dat geen enkele toename - hoe gering ook - aanvaardbaar is.
2.20.4.1. Het college van gedeputeerde staten en provinciale staten stellen zich op het standpunt dat voor woningen waarvoor hogere waarden zijn vastgesteld de aanvaardbaarheid van de gecumuleerde geluidsbelasting onder meer is beoordeeld aan de hand van het met de aanleg van de BPL gediende maatschappelijk belang en de bij het vaststellen van hogere waarden wettelijk gegarandeerde binnenwaarde. Het college van gedeputeerde staten en provinciale staten achten in dit verband gecumuleerde geluidsbelastingen tot 58 dB in ieder geval aanvaardbaar. Bij een beperkt aantal woningen waarvoor hogere waarden zijn vastgesteld is de gecumuleerde geluidsbelasting aanzienlijk hoger dan de verleende hogere waarde. Dit wordt voornamelijk veroorzaakt door het onderliggende wegennet of de AWACS-vliegtuigen. Daar waar de gecumuleerde geluidsbelasting hoger is dan 58 dB is de bijdrage van het inpassingsplan aan de gecumuleerde geluidsbelasting minimaal, aldus het college van gedeputeerde staten en provinciale staten.
Daarnaast stellen provinciale staten zich op het standpunt dat voor woningen waarvoor geen hogere waarde is vastgesteld, in het kader van het inpassingsplan uit het oogpunt van zorgvuldigheid onverplicht de gecumuleerde geluidsbelasting is onderzocht.
2.20.4.2. Zoals hiervoor onder het kopje 'Hogere waarden' is overwogen, kan het college van gedeputeerde staten ingevolge artikel 110a, zesde lid, van de Wgh, gelezen in samenhang met het eerste en het derde lid, indien artikel 110f van toepassing is een hogere waarde voor de ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting slechts vaststellen voor zover de gecumuleerde geluidsbelastingen na de correctie op grond van artikel 110f, derde lid, niet leiden tot een naar het oordeel van het college van gedeputeerde staten onaanvaardbare geluidsbelasting.
Indien afdeling 2, 2a, 3 en 4 van hoofdstuk VI van de Wgh van toepassing is op woningen, andere geluidsgevoelige gebouwen en geluidsgevoelige terreinen gelegen in twee of meer aanwezige geluidszones als bedoeld in de artikelen 40, 52, 74, 106b en 108, of als vastgesteld krachtens artikel 107, dan wel in één of meer hiervoor genoemde geluidszones alsmede in een met het oog op de geluidsbelasting vastgesteld beperkingengebied als bedoeld in hoofdstuk 8 of artikel 10.17 van de Wet luchtvaart, dient degene die bij of krachtens deze wet verplicht is tot het verrichten van een akoestisch onderzoek ingevolge artikel 110f, eerste lid, ter plaatse van die woningen, andere geluidsgevoelige gebouwen en geluidsgevoelige terreinen, overeenkomstig de door de minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, thans: de minister van Infrastructuur en Milieu, gestelde regels, tevens onderzoek te doen naar de effecten van samenloop van de verschillende geluidsbronnen. Aangegeven dient te worden op welke wijze met de samenloop rekening is gehouden bij de te treffen maatregelen.
Ingevolge het tweede lid draagt de minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, thans: de minister van Infrastructuur en Milieu, zorg voor de noodzakelijke onderlinge afstemming en samenhang van de te treffen maatregelen indien in een bepaald gebied een of meer van de in het eerste lid genoemde onderdelen van deze wet of van het krachtens die onderdelen bepaalde van toepassing zijn, terwijl voor dat gebied tevens uit anderen hoofde van Rijkswege een saneringsprogramma ter zake van het voorkomen of bestrijden van geluidhinder moet worden opgesteld.
Ingevolge het derde lid zijn het eerste en tweede lid uitsluitend van toepassing indien voor een woning, […]:
a. een hogere waarde zal worden vastgesteld, en
b. voor dezelfde woning […] de geluidsbelasting, vanwege ten minste een andere geluidsbron als bedoeld in het eerste lid, in de toekomstige situatie de voorkeurswaarde overschrijdt.
Ingevolge het vierde lid worden het eerste en tweede lid alleen toegepast ten aanzien van geluidsbronnen als bedoeld in het eerste lid waarvan de geluidsbelasting in de toekomstige situatie de voorkeurswaarde overschrijdt.
Ingevolge het vijfde lid kan de minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, thans: de minster van Infrastructuur en Milieu, ten behoeve van de uitvoering van het eerste lid bepalen, dat bij de berekening en meting van de onderscheidene geluidsbelastingen van de gevels van de woningen en andere geluidsgevoelige gebouwen en de grens van geluidsgevoelige terreinen op de resultaten een door hem aan te geven correctie kan worden toegepast.
Ingevolge artikel 1.4 van het Reken- en meetvoorschrift geluidhinder 2006 wordt het effect van de samenloop van de verschillende geluidsbronnen, bedoeld in artikel 110f, bepaald overeenkomstig de in hoofdstuk 2 van bijlage I bij dat besluit beschreven rekenmethode.
2.20.4.3. In bijlage 5, behorend bij het akoestisch onderzoek, staan de berekende gecumuleerde geluidsbelastingen voor alle woningen en geluidgevoelige bestemmingen binnen de zone van de BPL vermeld. De Afdeling stelt voorop dat de Wgh alleen verplicht tot het verrichten van onderzoek naar de effecten van samenloop van de verschillende geluidbronnen ter plaatse van woningen waarvoor een hogere waarde is vastgesteld én die tevens zijn gelegen in twee of meer aanwezige of toekomstige geluidszones als bedoeld in de artikelen 40, 52, 74, 106b en 108 van de Wgh. Het akoestisch onderzoek, voor zover betrekking hebbend op de gecumuleerde geluidsbelasting ter plaatse van woningen die niet in twee of meer aanwezige of toekomstige geluidszones liggen of waarvoor geen hogere waarde is vastgesteld moet dan ook worden aangemerkt als een uit hoofde van de Wgh onverplicht, vrijwillig opgesteld onderdeel.
Conclusie
[appellant sub 7] vreest ten slotte voor overlast en schade als gevolg van de werkzaamheden tijdens de aanleg van de BPL.
2.79.14. Provinciale staten stellen dat de werkzaamheden niet zullen leiden tot ernstige overlast ter plaatse van de woning van [appellant sub 7] dan wel aanzienlijke schade aan de woning. Zij stellen voorts dat met de aannemer afspraken zullen worden gemaakt om trillinghinder vanwege de aanleg zoveel mogelijk te beperken.
2.79.15. De Afdeling stelt voorop dat dit aspect ziet op de uitvoering van het plan, hetgeen in beginsel in de onderhavige procedure niet aan de orde kan komen. Bovendien heeft [appellant sub 7] niet aannemelijk gemaakt dat de uitvoering van het plan zal leiden tot aanzienlijke schade aan zijn woning en overlast ter plaatse van zijn woning. Daarbij komt dat provinciale staten ter zitting hebben toegezegd dat een nulmeting zal worden uitgevoerd.
2.79.16. In hetgeen [appellant sub 7] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat provinciale staten zich niet in redelijkheid op het standpunt hebben kunnen stellen dat het plan in zoverre strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep van [appellant sub 7] tegen het inpassingsplan is ongegrond.
Het beroep van [appellant sub 108]
2.80. Een deel van de beroepsgronden van [appellant sub 108] is hiervoor in het algemene deel van de uitspraak aan de orde geweest. [appellant sub 108] voert verder aan dat hij zich niet kan verenigen met de keuze om het noordelijk trajectdeel aan te leggen langs Vaesrade, omdat hij hierdoor een gedeelte van zijn perceel, kadastraal bekend gemeente Hoensbroek, sectie A, nummer 5892, verliest. Hiertoe stelt hij dat een gedeelte van het tracé op deze gronden is voorzien.
2.80.1. Provinciale staten stellen met verwijzing naar het MER "Buitenring Parkstad Limburg, Deel A-1: Hoofdnota-Noord" dat een ander tracé dan het tracé langs Vaesrade leidt tot een hogere geluidsbelasting in de woonwijk Mariagewanden en Mariarade in Hoensbroek. Daarnaast leidt dit mogelijk tot een grotere aantasting van de EHS ter plaatse van het Jeugrubbebos, aldus provinciale staten.
2.80.2. In hetgeen [appellant sub 108] heeft aangevoerd wordt geen aanleiding gezien voor het oordeel dat provinciale staten aan het woon- en leefklimaat van inwoners van Hoensbroek en het behoud van natuurwaarden in het EHS-gebied niet in redelijkheid een groter gewicht hebben kunnen toekennen dan aan het belang van [appellant sub 108] bij het behoud van zijn gronden. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat hij vanwege het verlies aan gronden een schadeloosstelling op onteigeningsbasis ontvangt.
2.80.3. In hetgeen [appellant sub 108] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat provinciale staten zich niet in redelijkheid op het standpunt hebben kunnen stellen dat het plan in zoverre strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep van [appellant sub 108] is ongegrond.
Het beroep van Adelante Zorggroep
2.81. Adelante Zorggroep richt zich tegen het plandeel met de bestemming "Verkeer" op en in de nabijheid van haar gronden, voor zover ter plaatse de aanleg van de BPL mogelijk wordt gemaakt. Zij betoogt dat zij hierdoor bouwgronden verliest, zodat zij wordt beperkt in haar uitbreidingsmogelijkheden. Dit belemmert ook haar mogelijkheden om samen te werken met aan haar gelieerde organisaties. Verder betoogt zij dat niet duidelijk is in hoeverre de aanleg van de BPL, mede gelet op de hoogteligging, gevolgen heeft voor de ontsluiting van haar resterende gronden.
2.81.1. De Afdeling overweegt dat provinciale staten ter zitting hebben uiteengezet dat de keuze voor het tracé op deze locatie het resultaat is van een afweging van belangen en dat de keuze voor een ander tracé zou leiden tot een groter ruimtebeslag op het terrein van Adelante Zorggroep dan bij het nu voorliggende tracé. In hetgeen Adelante Zorggroep heeft aangevoerd wordt geen aanleiding gezien voor het oordeel dat provinciale staten aan het belang bij de aanleg van de BPL niet in redelijkheid een groter gewicht hebben kunnen toekennen dan aan het belang van Adelante Zorggroep bij het behoud van haar gronden. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat zij vanwege het verlies aan gronden een schadeloosstelling op onteigeningsbasis ontvangt dan wel dat het verlies van gronden wordt gecompenseerd met andere gronden met daarop bouwmogelijkheden. Provinciale staten hebben ter zitting voorts toegezegd dat een oplossing wordt geboden voor de ontsluiting van het terrein van Adelante Zorggroep. Het voorgaande in aanmerking genomen heeft Adelante Zorggroep niet aannemelijk gemaakt dat zij desondanks ernstig wordt benadeeld.
2.81.2. Adelante Zorggroep richt zich voorts tegen het plandeel met de bestemming "Agrarisch met waarden" voor haar gronden. Zij betoogt dat daarmee ten onrechte niet dezelfde bouwmogelijkheden als in het vorige plan zijn toegekend.
2.81.2.1. Provinciale staten hebben ter zitting verklaard dat de bestemming "Agrarisch met waarden" ten opzichte van het voorheen geldende planologische regime niet is gewijzigd. Deze bestemming is toegekend ten behoeve van de realisering van een migratieroute voor klein wild. De Afdeling is van oordeel dat provinciale staten deze bestemming in redelijkheid hebben kunnen toekennen aan de desbetreffende gronden. Adelante Zorggroep heeft geen feiten of omstandigheden aangevoerd die aanleiding geven voor een ander oordeel.
2.81.3. In hetgeen Adelante Zorggroep heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat provinciale staten zich niet in redelijkheid op het standpunt hebben kunnen stellen dat het plan in zoverre strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep van Adelante Zorggroep is ongegrond.
Het beroep van Stichting winkelcentrum Hoensbroek en Stichting Centrummanagement Hoensbroek
2.82. Stichting winkelcentrum Hoensbroek en Stichting Centrummanagement Hoensbroek vrezen dat het centrum van Hoensbroek onbereikbaar zal worden voor het verkeer vanuit Nuth en omstreken en het verkeer vanaf de A76 richting Eindhoven als gevolg van de aansluiting van de BPL op de A76 bij Nuth. In dit verband wijzen zij erop dat de aansluiting te veel in de richting van Schinnen zal worden gesitueerd en dat tevens de bestaande spoorbrug zal worden gesaneerd. Dit leidt volgens hen tot dalende inkomsten voor de ondernemers in Hoensbroek. Zij voeren verder aan dat de route via de Randweg en de Pastoorskuilenweg naar Hoensbroek moet blijven bestaan.
2.82.1. De route via de Randweg en de Pastoorskuilenweg naar Hoensbroek ligt buiten het plangebied. In het verweerschrift staat dat Hoensbroek vanuit Nuth bereikbaar blijft via de Reijmersbekerweg en de BPL. Hoensbroek blijft verder bereikbaar vanaf de A76 uit noordelijke richting via de aansluiting Nuth, de BPL en vervolgens de Randweg en de Pastoorskuilenweg. Gelet op hetgeen hiervoor onder het kopje 'Aansluiting bij Nuth' is overwogen wordt geen aanleiding gezien voor het oordeel dat provinciale staten niet in redelijkheid de aansluiting bij Nuth mogelijk hebben kunnen maken. Voorts wordt in het aangevoerde geen aanleiding gezien voor het oordeel dat de bereikbaarheid van Hoensbroek ernstig wordt beperkt.
2.82.2.
Overwegingen
Het betoog dat dit onderdeel van het akoestisch onderzoek niet in overeenstemming is met de Wgh kan reeds hierom geen doel treffen.
2.20.4.4. Provinciale staten hebben de gecumuleerde geluidsbelasting uit een oogpunt van zorgvuldigheid ook onderzocht voor woningen waarvoor dit ingevolge artikel 110f, derde lid, van de Wgh niet is vereist omdat geen hogere waarde is vastgesteld of omdat voor dezelfde woning geen andere geluidsbron, als bedoeld in het eerste lid, in de toekomstige situatie de voorkeurswaarde overschrijdt. Gelet op de aanwezigheid van hoge gecumuleerde geluidsbelastingen door onder meer de AWACS-vliegtuigen, en de motivering van provinciale staten hieromtrent aan de hand van de gecumuleerde geluidsbelasting, zal de Afdeling de gecumuleerde geluidsbelastingen in voormelde gevallen in het kader van de vraag of sprake is van een goede ruimtelijke ordening bij haar oordeel betrekken.
De Afdeling acht voor woningen waarvoor geen hogere waarde behoeft te worden vastgesteld, behoudens bijzondere omstandigheden, niet aannemelijk dat de geluidsbelasting als gevolg van het inpassingsplan meer dan in geringe mate bijdraagt aan een hoge gecumuleerde geluidsbelasting. Gelet hierop hebben provinciale staten voor de gevallen waarin ten behoeve van het inpassingsplan geen hogere waarde behoefde te worden vastgesteld in beginsel de gevolgen van het inpassingsplan voor de gecumuleerde geluidsbelasting aanvaardbaar kunnen achten.
2.20.4.5. Gelet op het met de aanleg van de BPL gediende maatschappelijk belang en de bij het vaststellen van hogere waarden wettelijk gegarandeerde binnenwaarde acht de Afdeling voorts het uitgangspunt van het college van gedeputeerde staten en provinciale staten dat gecumuleerde geluidsbelastingen tot 58 dB in het algemeen aanvaardbaar zijn, niet onredelijk.
2.20.4.6. In een aantal gevallen wordt de gecumuleerde geluidsbelasting met name veroorzaakt door AWACS-vliegtuigen. Wat betreft de gevallen waarin ten behoeve van het inpassingsplan een hogere waarde is vastgesteld en de gevallen waarin dit niet hoefde, overweegt de Afdeling als volgt.
In het akoestisch onderzoek staat dat het geluid van de AWACS-vliegtuigen is betrokken bij de berekening van de gecumuleerde geluidsbelasting. Daarbij is gebruik gemaakt van berekeningsresultaten, welke ten behoeve van het project BPL door het Nationaal Lucht- en Ruimtevaartlaboratorium zijn aangeleverd. De bijdrage van het luchtvaartverkeer is berekend als Lden-waarde, dat wil zeggen dat de geluidsbelasting is gemiddeld over het jaar. De Afdeling acht dit in overeenstemming met artikel 1.4 van het Reken- en meetvoorschrift geluidhinder 2006 en hoofdstuk 2 van bijlage 1. Voorts is bij de berekening van de gecumuleerde geluidsbelasting rekening gehouden met het verschil in geluidbeleving tussen piekgeluid en constante geluiden. Daartoe is de bijdrage van de AWACS-vliegtuigen met ongeveer 6 dB verhoogd. Gelet hierop faalt het betoog van appellanten dat het college van gedeputeerde staten en provinciale staten ten onrechte geen rekening hebben gehouden met het piekgeluid van de AWACS-vliegtuigen in de geluidszone van de BPL. Voorts biedt de wettelijk voorgeschreven rekenmethode geen aanknopingspunt voor het oordeel dat het college van gedeputeerde staten en provinciale staten niet hebben kunnen afgaan op voormelde berekeningsresultaten van het Nationaal Lucht- en Ruimtevaartlaboratorium, maar ten behoeve van de BPL ter plaatse van de woningen van appellanten geluidmetingen hadden moeten verrichten.
Verder heeft de Afdeling in haar uitspraak van 7 april 2010 in zaak nr. 200806952/1/R1 (www.raadvanstate.nl) geoordeeld dat de minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, thans: de minister van Infrastructuur en Milieu, met betrekking tot het vrijstellingsbesluit dat in die procedure voorlag, gelet op de bestaande reeds hoge geluidsbelasting in Schinveld en Brunssum vanwege de vliegbasis, onvoldoende heeft gemotiveerd waarom de mogelijke toename van de geluidsbelasting, hoe gering ook, desalniettemin aanvaardbaar is. De bij voormelde uitspraak betrokken omstandigheden, dat de bestaande situatie in ernstige mate overbelast is, dat de wettelijke normen omtrent de maximaal toelaatbare gevelbelasting worden overschreden, dat (verdere) isolatie van de woningen in de betrokken kernen tegen geluidhinder niet mogelijk is gebleken en dat tegen de overschrijding van de geluidnormen niet handhavend kan worden opgetreden, hebben betrekking op het piekgeluid van de AWACS-vliegtuigen. Het inpassingsplan leidt niet tot een toename van dit piekgeluid zodat deze omstandigheden - en de conclusie die de Afdeling daar in voormelde uitspraak aan heeft verbonden - geen gevolgen kunnen hebben voor het wegverkeerslawaai van de BPL en het onderliggende wegennet.
Appellanten stellen met juistheid dat door de BPL de geluidhinder in de periodes tussen de piekgeluiden van de AWACS-vliegtuigen toeneemt. De Afdeling ziet in dat betoog geen aanleiding voor een ander oordeel dan dat het college van gedeputeerde staten en provinciale staten het toevoegen van een op zichzelf aanvaardbare geluidsbelasting aanvaardbaar hebben kunnen achten in gevallen waarin een hoge gecumuleerde geluidsbelasting met name door de AWACS-vliegtuigen wordt veroorzaakt. Hierbij neemt de Afdeling in aanmerking dat deze piekgeluiden zijn meegeteld bij de berekening van de hoogte van de gecumuleerde geluidsbelasting, het met de aanleg van de BPL gediende maatschappelijk belang en de bij het vaststellen van hogere waarden wettelijk gegarandeerde binnenwaarde.
2.20.4.7. In een aantal gevallen is voor het inpassingsplan weliswaar een hogere waarde vastgesteld, maar wordt de gecumuleerde geluidsbelasting met name veroorzaakt door de geluidsbelasting vanwege het bestaande wegverkeer op het onderliggende wegennet. In die gevallen hebben het college van gedeputeerde staten en provinciale staten in beginsel de gevolgen van het inpassingsplan voor de gecumuleerde geluidsbelasting aanvaardbaar kunnen achten. Hierbij neemt de Afdeling in aanmerking het met de aanleg van de BPL gediende maatschappelijk belang en de bij het vaststellen van hogere waarden wettelijk gegarandeerde binnenwaarde.
2.20.4.8. Bij sommige woningen, waarvoor ten behoeve van het inpassingsplan een hogere waarde is vastgesteld, leidt het inpassingsplan tevens tot een intensivering van een andere, reeds hoge geluidsbelasting ten gevolge van het onderliggende wegennet dan waarvoor thans een hogere waarde is vastgesteld. Voor deze situaties waar een directe relatie ligt met het inpassingsplan, hebben het college van gedeputeerde staten en provinciale staten ter zitting toegezegd dat het garanderen van de wettelijke binnenwaarde zal plaatsvinden berekend vanuit de (hoogst berekende) gecumuleerde geluidsbelasting in plaats van berekend vanuit de vastgestelde hogere waarde.
2.20.4.9. De Afdeling zal zich bij de afdoening van het beroep van de individuele appellanten uitspreken over de aanvaardbaarheid van de gecumuleerde geluidsbelasting.
2.20.5. Enkele appellanten betogen dat het college van gedeputeerde staten ten aanzien van woningen in Brunssum, Schinnen en Schinveld invulling had moeten geven aan de in artikel 110f, tweede lid, van de Wgh bedoelde afstemming en samenhang.
2.20.5.1. Vaststaat dat voor woningen in Brunssum, Schinnen en Schinveld waarvoor een hogere waarde is vastgesteld geen sprake is van een saneringssituatie. Gelet hierop en in aanmerking genomen dat artikel 110f, tweede lid, van de Wgh slechts ziet op situaties waarin een hogere waarde wordt vastgesteld en waarin tevens een saneringsprogramma moet worden opgesteld, faalt het betoog.
2.20.5.2. Het betoog van enkele appellanten, dat ten onrechte geen rekening is gehouden met industrielawaai en railverkeerslawaai, mist feitelijke grondslag, nu in het akoestisch onderzoek van 8 oktober 2010 staat dat met deze geluidbronnen rekening is gehouden bij het bepalen van de gecumuleerde geluidsbelasting.
Akoestisch onderzoek
2.20.6.
Overwegingen
Enkele appellanten betogen dat op de berekende gecumuleerde waarde ten onrechte ingevolge artikel 110g van de Wgh een aftrek van 2 dB is toegepast. Hiertoe stellen zij dat de op 1 oktober 2010 in werking getreden wijziging van de rekenmethode bepaalt dat deze aftrek niet meer mag worden toegepast.
2.20.6.1. In artikel III van de Regeling van de minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 9 september 2010, nr. LOK 2010020662, houdende wijziging van het Reken- en meetvoorschrift geluidhinder 2006, staat dat de wijziging van de rekenmethode in werking treedt met ingang van 1 oktober 2010. Voorts staat in artikel III dat het Reken- en meetvoorschrift geluidhinder 2006 zoals dat luidde onmiddellijk voorafgaand aan het tijdstip van inwerkingtreding van deze regeling van toepassing blijft op een akoestisch onderzoek dat reeds vóór dat tijdstip is ingesteld, tenzij het rapport van dat onderzoek de keuze bevat voor toepassing van de nieuwe regeling. Vaststaat dat het onderzoek dat heeft geleid tot het akoestisch rapport van Arcadis van 8 oktober 2010, is aangevangen voor 1 oktober 2010. Nu dit rapport geen keuze bevat voor de regeling die geldt vanaf 1 oktober 2010, mochten het college van gedeputeerde staten en provinciale staten de aftrek van 2 dB toepassen.
2.20.7. Voorts voeren appellanten aan dat het college van gedeputeerde staten en provinciale staten bij de berekening van de toekomstige geluidsbelasting vanwege de BPL van te lage verkeersintensiteiten zijn uitgegaan. Zij voeren in dit verband aan dat geen rekening is gehouden met de verkeerstoename vanwege de mogelijke vestiging van een pretpark bij Brunssum.
2.20.7.1. Uit artikel 3.1 van het Reken- en meetvoorschrift geluidhinder 2006 volgt dat in het akoestisch onderzoek uitgegaan moet worden van de verkeersintensiteit in het toekomstig maatgevende jaar. Uit de toelichting bij het Reken- en meetvoorschrift geluidhinder 2006 volgt dat dit normaliter het tiende jaar is na openstelling van de weg. Het college van gedeputeerde staten en provinciale staten stellen dat nog onzeker is of, en zo ja, wanneer het pretpark bij Brunssum zal worden gerealiseerd. Gelet hierop hoefden het college van gedeputeerde staten en provinciale staten geen rekening te houden met de verkeerstoename ten gevolge van de realisering van een pretpark bij Brunssum.
2.20.8. Appellanten betogen dat de berekende geluidsbelastingen voor de huidige situatie in het akoestisch onderzoek dat ten grondslag ligt aan het inpassingsplan, verschillen ten opzichte van het Detailrapport Geluid en Lucht van 4 april 2008 van Arcadis dat ten grondslag ligt aan het MER.
2.20.8.1. In het akoestisch onderzoek dat aan het MER ten grondslag ligt staat dat de geluidsberekeningen zijn uitgevoerd zonder toepassing van de aftrek als bedoeld in artikel 110g van de Wgh. Verder staat in het deskundigenbericht dat geen onderzoek op woningniveau is uitgevoerd, maar dat is gerekend met rasterpunten van 50 m bij 50 m. In het verweerschrift staat bovendien dat in het onderzoek ten behoeve van het MER is uitgegaan van het peiljaar 2004, waarin sprake is van andere verkeersintensiteiten dan in het peiljaar 2014, waarvan in het akoestisch onderzoek, behorend bij het inpassingsplan, is uitgegaan. Uit het deskundigenbericht volgt dat de verschillen hierdoor kunnen worden verklaard. Appellanten hebben niet aannemelijk gemaakt dat dit onjuist is.
2.20.9. Enkele appellanten betogen dat in het akoestisch onderzoek ten onrechte niet is ingegaan op de gevolgen van de aanleg van de BPL voor de regio Parkstad Limburg als geheel.
2.20.9.1. De Afdeling stelt voorop dat in het MER met betrekking tot het aspect geluid een algehele afweging is gemaakt voor de gehele regio Parkstad Limburg. Het betoog dat in het kader van het akoestisch onderzoek had moeten worden ingegaan op de gevolgen voor de regio als geheel, faalt. Hiertoe wordt overwogen dat de Wgh, afgezien van het bepaalde in artikel 99, tweede lid, slechts verplicht tot het verrichten van akoestisch onderzoek gericht op de geluidsbelasting, welke individuele woningen of andere gevoelige bestemmingen binnen de geluidszones van de BPL of andere aan te leggen of te wijzigen wegen zullen ondervinden.
2.20.10. Enkele appellanten betogen dat ten behoeve van de aanleg van een nieuwe weg ten onrechte geen vergelijking is gemaakt tussen de geluidsbelasting in de huidige situatie en de nieuwe situatie.
2.20.10.1. Uit artikel 82 van de Wgh volgt dat de toekomstige geluidsbelasting vanwege een nieuwe weg bepalend is. De Wgh noch enig ander wettelijk voorschrift verplicht ertoe een vergelijking te maken tussen de geluidsbelasting in de huidige situatie en de situatie na realisering van de weg.
Voorts volgt uit artikel 100, tweede lid, van de Wgh dat ingeval van een reconstructie de heersende waarde bepalend kan zijn voor de ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting. De Afdeling zal hierna bij de bespreking van de individuele beroepen, indien dit in een dergelijke situatie wordt aangevoerd, nagaan of en in hoeverre het college van gedeputeerde staten en provinciale staten voldoende onderzoek hebben gedaan naar de heersende geluidsbelasting.
2.20.11. Enkele appellanten betogen dat ten onrechte geen rekening is gehouden met de extra geluidsbelasting als gevolg van optrekkend en afremmend verkeer bij kruispunten dan wel de extra geluidsbelasting vanwege een helling.
2.20.11.1. Het college van gedeputeerde staten en provinciale staten stellen dat in de berekeningen, waar nodig, rekening is gehouden met de kruispunttoeslag en de hellingscorrectie als bedoeld in artikel 3.2 van het Reken- en meetvoorschrift geluidhinder 2006. Indien dit juist is, is voldoende rekening gehouden met de extra geluidsbelasting als gevolg van optrekkend en afremmend verkeer bij kruispunten en de extra geluidsbelasting vanwege een helling. De Afdeling zal hierna bij de bespreking van de individuele beroepen, voor zover in geschil, nagaan of het college van gedeputeerde staten en provinciale staten met recht betogen dat rekening is gehouden met de kruispunttoeslag en de hellingscorrectie.
Luchtkwaliteit
2.20.12. Een groot aantal appellanten heeft bezwaren aangevoerd ten aanzien van de gevolgen van het inpassingsplan voor de luchtkwaliteit en het ten behoeve van het inpassingsplan verrichte luchtkwaliteitsonderzoek.
2.21. Ingevolge artikel 5.16, eerste lid, van de Wet milieubeheer maken bestuursorganen bij de uitoefening van een in het tweede lid bedoelde bevoegdheid of toepassing van een daar bedoeld wettelijk voorschrift, welke uitoefening of toepassing gevolgen kan hebben voor de luchtkwaliteit, gebruik van een of meer van de volgende gronden en maken daarbij aannemelijk:
a. dat een uitoefening of toepassing, rekening houdend met de effecten op de luchtkwaliteit van onlosmakelijk met die uitoefening of toepassing samenhangende maatregelen ter verbetering van de luchtkwaliteit, niet leidt tot het overschrijden, of tot het op of na het tijdstip van ingang waarschijnlijk overschrijden, van een in bijlage 2 opgenomen grenswaarde;
b. dat, met inachtneming van het vijfde lid en de krachtens dat lid gestelde regels:
1°. de concentratie in de buitenlucht van de desbetreffende stof als gevolg van die uitoefening of toepassing per saldo verbetert of ten minste gelijk blijft, of
2°. bij een beperkte toename van de concentratie van de desbetreffende stof, door een met die uitoefening of toepassing samenhangende maatregel of een door die uitoefening of toepassing optredend effect, de luchtkwaliteit per saldo verbetert;
c. dat een uitoefening of toepassing, rekening houdend met de effecten op de luchtkwaliteit van onlosmakelijk met die uitoefening of toepassing samenhangende maatregelen ter verbetering van de luchtkwaliteit, niet in betekenende mate bijdraagt aan de concentratie in de buitenlucht van een stof waarvoor in bijlage 2 een grenswaarde is opgenomen;
d.
Overwegingen
dat een uitoefening dan wel toepassing is genoemd of beschreven in, dan wel betrekking heeft op, een ontwikkeling of voorgenomen besluit welke is genoemd of beschreven in, dan wel past binnen of in elk geval niet in strijd is met een op grond van artikel 5.12, eerste lid, of artikel 5.13, eerste lid, vastgesteld programma.
2.22. Ten behoeve van het inpassingsplan is onderzoek verricht naar de gevolgen van het plan voor de luchtkwaliteit. De resultaten van dit onderzoek zijn neergelegd in het rapport "Luchtkwaliteitsonderzoek behorende bij het inpassingsplan Buitenring Parkstad Limburg" van 8 oktober 2010 (hierna: het luchtkwaliteitsonderzoek). In het luchtkwaliteitsonderzoek wordt, samengevat weergegeven, geconcludeerd dat kan worden voldaan aan de grenswaarden voor zwevende deeltjes (PM10) en stikstofdioxide (NO2).
Weghellingen
2.23. Een aantal appellanten betoogt dat in het luchtkwaliteitsonderzoek ten onrechte geen rekening is gehouden met de invloed van weghellingen.
2.23.1. In het luchtkwaliteitsonderzoek is vermeld dat de berekeningen voor de buitenstedelijke wegen binnen het onderzoeksgebied zijn uitgevoerd met Standaardrekenmethode 2. Bij deze rekenmethode wordt rekening gehouden met hoogteverschillen binnen het onderzoeksgebied. In de Regeling beoordeling luchtkwaliteit worden geen nadere eisen gesteld ten aanzien van hellingspercentages van wegen. In het deskundigenbericht staat hieromtrent vermeld dat een helling in de weg geen gevolgen heeft voor de luchtkwaliteit, omdat de iets hogere emissie van het wegverkeer dat de helling op zal rijden wordt gecompenseerd door de iets lagere emissie van het wegverkeer dat de helling in tegengestelde richting zal afrijden. In hetgeen appellanten hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat dit onjuist is. Derhalve bestaat geen grond voor het oordeel dat in het luchtkwaliteitsonderzoek ten onrechte geen rekening is gehouden met weghellingen.
Zeer fijn stof
2.24. Verschillende appellanten hebben aangevoerd dat ten onrechte geen onderzoek is verricht naar de concentratie zwevende deeltjes (PM2,5) ter plaatse van de Vogelzankweg te Landgraaf.
2.24.1. Ingevolge voorschrift 4.4 van bijlage 2 bij de Wet milieubeheer blijft de grenswaarde voor zwevende deeltjes (PM2,5) tot 1 januari 2015 buiten toepassing bij de uitoefening van een bevoegdheid of toepassing van een wettelijk voorschrift met toepassing van artikel 5.16, eerste lid, van de Wet milieubeheer, ongeacht of de desbetreffende uitoefening of toepassing ook na de genoemde datum gevolgen voor de luchtkwaliteit heeft of kan hebben. Gelet hierop bestond ten tijde van de vaststelling van het inpassingsplan geen verplichting onderzoek te verrichten naar de gevolgen van het inpassingsplan voor de concentratie zwevende deeltjes (PM2,5). Overigens staat in het deskundigenbericht vermeld dat nu niet is te verwachten dat de grenswaarden voor de concentratie zwevende deeltjes (PM10) ter plaatse van de Vogelzankweg in 2015 en 2020 na aanleg van de BPL zullen worden overschreden, evenmin is te verwachten dat de grenswaarde voor de concentratie zwevende deeltjes (PM2,5) zal worden overschreden.
Piekconcentraties
2.25. Een aantal appellanten voert daarnaast aan dat de piekconcentratie voor stikstofdioxide (NO2) en het aantal etmaaloverschrijdingen van zwevende deeltjes (PM10) niet zijn onderzocht. Niet is gebleken waar en hoe vaak per jaar de uurgemiddelde NO2-concentraties hoger zijn dan de grenswaarde. Voorts is niet duidelijk waar de daggemiddelde waarde voor zwevende deeltjes (PM10) meer dan 35 maal per jaar wordt overschreden, aldus appellanten. In dit verband heeft een groot aantal appellanten aangevoerd dat zij te maken zullen krijgen met piekconcentraties ten gevolge van filevorming. Volgens appellanten zal dit ernstige gevolgen hebben voor de gezondheid van omwonenden en is hier ten onrechte geen rekening mee gehouden.
2.25.1. Ingevolge voorschrift 2.1 van bijlage 2 bij de Wet milieubeheer gelden voor stikstofdioxide (NO2) de volgende grenswaarden voor de bescherming van de gezondheid van de mens:
a. 200 microgram per m3 als uurgemiddelde concentratie, waarbij geldt dat deze maximaal achttien maal per kalenderjaar mag worden overschreden, en
b. 40 microgram per m3 als jaargemiddelde concentratie.
Ingevolge voorschrift 4.1 van bijlage 2 bij de Wet milieubeheer gelden voor zwevende deeltjes (PM10) de volgende grenswaarden voor de bescherming van de gezondheid van de mens:
a. 40 microgram per m3 als jaargemiddelde concentratie;
b. 50 microgram per m3 als vierentwintig-uurgemiddelde concentratie, waarbij geldt dat deze maximaal 35 maal per kalenderjaar mag worden overschreden.
2.25.2. In het luchtkwaliteitsonderzoek staat vermeld dat voor stikstofdioxide (NO2) de jaargemiddelde concentratie maatgevend is. De norm voor het aantal overschrijdingen van de uurgemiddelde concentraties voor stikstofdioxide (NO2) wordt pas overschreden bij een jaargemiddelde concentratie van 82 µg/m3. Gezien de hoogste berekende jaargemiddelde concentratie van 32,1 µg/m3, kan worden geconcludeerd dat geen overschrijdingen van de uurgemiddelde norm zullen plaatsvinden, zo staat in het luchtkwaliteitsonderzoek vermeld. Het deskundigenbericht bevestigt dit. In het aangevoerde ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat dit onjuist is.
Ten aanzien van zwevende deeltjes (PM10) staat in het luchtkwaliteitsonderzoek vermeld dat voor de berekeningen en beoordeling van de concentraties met name de grenswaarde voor de vierentwintig-uurgemiddelde concentratie relevant is. Deze grenswaarde is voor zwevende deeltjes (PM10) maatgevend. De grenswaarde voor de vierentwintig-uurgemiddelde concentratie wordt overschreden bij jaargemiddelde concentraties hoger dan 32,6 µg/m3. Uit de uitgevoerde berekeningen blijkt dat er direct langs de weg in het onderzoeksgebied geen jaargemiddelde concentraties boven 32,6 µg/m3 zijn. De hoogst berekende jaargemiddelde concentratie bedraagt 26,1 µg/m3. In het luchtkwaliteitsonderzoek wordt dan ook geconcludeerd dat er geen overschrijdingen van de grenswaarden voor zwevende deeltjes (PM10) voorkomen. In hetgeen appellanten op dit punt hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat dit onjuist is.
Met betrekking tot de filevorming staat in het luchtkwaliteitsonderzoek vermeld dat de berekende emissies en concentraties zijn gebaseerd op de weekdaggemiddelde verkeersintensiteiten, rijsnelheden en congestiepercentages. Het congestiepercentage wordt gehanteerd als invoerparameter voor de berekeningen. Op basis van de verhouding tussen de intensiteit en capaciteit (I/C-verhouding) van een wegdeel is bepaald in hoeverre filevorming zal optreden, zo staat in het luchtkwaliteitsonderzoek vermeld. De verkeersgegevens zijn ontleend aan het verkeersmodel dat voor de BPL is opgesteld. Gelet op het vorenstaande bestaat naar het oordeel van de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat onvoldoende rekening is gehouden met filevorming. Nu voorts aan de grenswaarden uit de Wet milieubeheer zal worden voldaan bestaat geen grond voor het oordeel dat ten gevolge van filevorming ernstige gezondheidsrisico's te verwachten zijn.
Vergelijking huidige en autonome luchtkwaliteit
2.26. Voorts betogen verschillende appellanten dat ten aanzien van het aspect luchtkwaliteit ten onrechte geen vergelijking is gemaakt tussen de huidige luchtkwaliteit en de luchtkwaliteit in de autonome ontwikkeling. In dit verband voeren zij aan dat voorts onvoldoende inzicht is gegeven in het aantal blootgestelden in en buiten de bebouwde kom.
2.26.1. Vaststaat dat ten behoeve van het luchtkwaliteitsonderzoek geen berekening is uitgevoerd naar de huidige situatie waarin de BPL nog niet is aangelegd. Wel is de autonome ontwikkeling in het luchtkwaliteitsonderzoek bezien. Met het luchtkwaliteitsonderzoek is bezien in hoeverre na aanleg van de BPL zal kunnen worden voldaan aan de grenswaarden.
Overwegingen
Uit het luchtkwaliteitsonderzoek volgt dat de luchtkwaliteitberekeningen overeenkomstig de Wet milieubeheer zijn uitgevoerd voor het eerste volledige jaar na openstelling van de BPL (2016) en voor het toekomstige peiljaar (2025) voor de autonome situatie zonder BPL en voor de situatie met BPL, zodat de effecten van het inpassingsplan op de luchtkwaliteit in beeld zijn gebracht. De Wet milieubeheer noch enig ander wettelijk voorschrift verplicht ertoe de huidige situatie met betrekking tot het aspect luchtkwaliteit in het studiegebied in kaart te brengen.
Ten aanzien van hetgeen appellanten hebben aangevoerd omtrent het aantal blootgestelden in het onderzoeksgebied hebben provinciale staten uiteengezet dat hiernaar geen onderzoek is verricht omdat de grenswaarden nergens worden overschreden. In hetgeen appellanten hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het aantal blootgestelden desondanks in kaart diende te worden gebracht.
Zichtjaren
2.27. Een aantal appellanten brengt daarnaast naar voren dat ten aanzien van de luchtkwaliteit geen berekeningen voor 2025 zijn gemaakt. Voorts hadden voor het zichtjaar 2010 eveneens berekeningen ten aanzien van de effecten van de BPL voor de luchtkwaliteit moeten worden uitgevoerd.
2.27.1. In bijlage 5 tot en met bijlage 8 van het luchtkwaliteitsonderzoek zijn contourenplots opgenomen voor de situatie in 2025. In het luchtkwaliteitsonderzoek staat voorts vermeld dat voor het peiljaar 2025 de hoogste jaargemiddelde concentratie voor stikstofdioxide (NO2) 25 µg/m3 bedraagt in de autonome ontwikkeling en 24 µg/m3 in de ontwikkeling met de BPL. Voor zwevende deeltjes (PM10) bedraagt in 2025 de hoogste jaargemiddelde concentratie 22 µg/m3 in zowel de autonome situatie zonder de BPL als de situatie met de BPL. Bij een norm van 40 µg/m3 voor zowel stikstofdioxide als zwevende deeltjes (PM10) is de conclusie, dat ook voor het peiljaar 2025 ruim wordt voldaan aan de grenswaarden krachtens de Wet milieubeheer. Ook aan de grenswaarde voor het aantal overschrijdingsdagen van de vierentwintig-uurgemiddelde concentratie van 50 µg/m3 wordt ruim voldaan. De grenswaarde voor de uurgemiddelde concentratie stikstofdioxide (NO2)wordt ook niet overschreden. Anders dan appellanten kennelijk veronderstellen zijn derhalve wel berekeningen gemaakt voor de situatie in 2025.
Met betrekking tot de gekozen zichtjaren hebben provinciale staten voorts uiteengezet dat de BPL naar verwachting in 2015 zal worden opengesteld. Nu in dat jaar de BPL nog niet volledig zal worden gebruikt, is dit geen representatief jaar om berekeningen voor uit te voeren en is gekozen voor het jaar 2016. In 2010 is de BPL in het geheel nog niet aangelegd en in gebruik genomen, zodat berekeningen voor dat jaar volgens provinciale staten geen enkele realiteitsgehalte zouden hebben. De Afdeling acht dit standpunt niet onjuist.
Achtergrondconcentraties
2.28. Volgens appellanten gaan provinciale staten er ten onrechte vanuit dat geen sprake zal zijn van een overschrijding van de grenswaarden, omdat de berekeningen zijn gebaseerd op sterk verouderde achtergrondconcentraties en emissiefactoren. Pas in 2010 zijn juiste gegevens beschikbaar gekomen, zodat bij de vaststelling van het inpassingsplan is uitgegaan van onjuiste, niet actuele, gegevens, zo stellen appellanten.
2.28.1. Uit het deskundigenbericht volgt dat voor zover is gerekend met Standaardrekenmethode 1 gebruik is gemaakt van CAR II, versie 9, en voor zover is gerekend met standaardrekenmethode 2 gebruik is gemaakt van PluimSnelweg, versie 1.5 van mei 2010. In beide softwarepakketten zijn de meest actuele gegevens en achtergrondconcentraties verwerkt, zo staat in het deskundigenbericht vermeld. Provinciale staten hebben voorts uiteengezet dat tussen de terinzagelegging van het ontwerpplan en de vaststelling van het plan een actualisatie van het luchtkwaliteitsonderzoek heeft plaatsgevonden. Volgens het deskundigenbericht zijn provinciale staten bij de vaststelling van het plan uitgegaan van de op dat moment meest actuele gegevens omtrent verkeersintensiteiten, emissiefactoren en achtergrondconcentraties. Ook is uitgegaan van het meest actuele wegontwerp. In hetgeen appellanten hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat dit onjuist is. Gelet op het vorenstaande bestaat derhalve geen aanleiding voor het oordeel dat bij de berekening ten behoeve van het luchtkwaliteitsonderzoek is uitgegaan van verouderde achtergrondconcentraties.
Locaties
2.29. Appellanten betogen voorts dat in het luchtkwaliteitsonderzoek ten onrechte slechts op een beperkt aantal locaties onderzoek is verricht. Volgens hen geeft het luchtkwaliteitsonderzoek daarom geen representatief beeld van de gevolgen van de BPL voor de luchtkwaliteit. Daarnaast is geen rekening gehouden met kruispunten, viaducten, street canyon en andere knelpunten, aldus appellanten.
2.29.1. In het luchtkwaliteitsonderzoek is vermeld dat ten aanzien van alle binnenstedelijke wegen die binnen een afstand van 1.000 m vanaf de voorziene BPL liggen, berekeningen zijn uitgevoerd volgens Standaardrekenmethode 1 met behulp van CAR II. Provinciale staten hebben uiteengezet dat ten behoeve van het luchtkwaliteitsonderzoek meer dan 1.000 wegvakken zijn doorgerekend. Omdat de resultaten daarvan zo omvangrijk waren heeft een filtering van de gegevens plaatsgevonden. De resultaten van de berekeningen van de vijf wegen met de grootste afname van intensiteiten, de vijf wegen met de grootste toename van intensiteiten en de vijf wegen met de hoogste absolute intensiteiten zijn in het luchtkwaliteitsonderzoek weergegeven. In hetgeen appellanten hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de weergave van berekeningsresultaten in het luchtkwaliteitsonderzoek reeds hierom onvoldoende representatief zouden zijn.
Voor zover appellanten hebben aangevoerd dat het luchtkwaliteitsonderzoek te veel is gebaseerd op berekeningen en te weinig op metingen, overweegt de Afdeling dat het gelet op de omstandigheid dat in het luchtkwaliteitsonderzoek een toekomstige bijdrage aan de luchtkwaliteit wordt onderzocht, onvermijdelijk is dat het onderzoek grotendeels is gebaseerd op berekeningen.
Bij de berekeningen ten behoeve van het luchtkwaliteitsonderzoek is uitgegaan van de meest ongunstige situatie. Bij de standaardinvoer voor de berekening van de meest ongunstige benadering wordt rekening gehouden met verslechterende factoren zoals onder meer stagnerend verkeer en street canyon. In hetgeen appellanten hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat deze invoergegevens op onjuiste wijze zijn gehanteerd.
Verbetering of verslechtering van de luchtkwaliteit
2.30. Een aantal appellanten betoogt dat de luchtkwaliteit ten gevolge van de aanleg van de BPL zal verslechteren. De stelling van provinciale staten dat de luchtkwaliteit in de bebouwde kom verbetert is volgens hen onjuist. Slechts op een beperkt aantal plaatsen treedt volgens appellanten een verbetering op, maar over het algemeen genomen is binnen de woonkernen sprake van een verslechtering. Voorts liggen ook naast de BPL bebouwde kommen.
2.30.1. In het luchtkwaliteitsonderzoek is bezien of na aanleg van de BPL kan worden voldaan aan de grenswaarden krachtens de Wet milieubeheer. Het onderzoek heeft niet tot doel te bezien in hoeverre de luchtkwaliteit ten opzichte van de huidige situatie verslechtert. Uit het luchtkwaliteitsonderzoek volgt dat de verkeersintensiteiten op de BPL en de toeleidende wegen toenemen waardoor de emissies op de BPL en wegen direct daar omheen toenemen. Doordat het verkeer door de BPL wordt onttrokken aan het onderliggende wegennet nemen op de meeste wegvakken de emissies af. Ondanks de toename van de emissies op diverse wegvakken in het onderzoeksgebied wordt in het gehele plangebied voldaan aan de gestelde grenswaarden voor zwevende deeltjes (PM10) en stikstofdioxide (NO2). Het overschrijdingsoppervlak bedraagt dan ook 0 m².