Rechtspraak
Raad van State
2010-08-18
ECLI:NL:RVS:2010:BN4279
Bestuursrecht, Bestuursrecht; Omgevingsrecht
Hoger beroep
3,015 tokens
Inleiding
200909847/1/H1.
Datum uitspraak: 18 augustus 2010
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
het college van burgemeester en wethouders van Nijmegen,
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 24 november 2009 in zaak nr. 09/1405 in het geding tussen:
[wederpartij a], wonende te [woonplaats],
[wederpartij b], wonende te [woonplaats],
[wederpartij c], wonende te [woonplaats],
[wederpartij d], gevestigd te [plaats],
[wederpartij e], wonende te [woonplaats],
[wederpartij f], wonende te [woonplaats],
(hierna: [wederpartijen])
en
het college.
Procesverloop
Bij besluit van 27 augustus 2008 heeft het college aan de provincie Gelderland reguliere bouwvergunning verleend voor het vergroten van een zoutloods op het perceel Griftdijk 17A te Oosterhout (hierna: het perceel).
Bij besluit van 27 februari 2009 heeft het college het door [wederpartijen] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 24 november 2009, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank het door [wederpartijen] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 27 februari 2009 vernietigd en bepaald dat het college met inachtneming van de uitspraak een nieuw besluit op bezwaar neemt. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft het college bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 17 december 2009, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 27 januari 2010.
[wederpartijen] hebben een verweerschrift ingediend.
Bij besluit van 19 februari 2010 heeft het college het door [wederpartijen] tegen het besluit van 27 augustus 2008 gemaakte bezwaar opnieuw ongegrond verklaard.
Daartoe in de gelegenheid gesteld hebben [wederpartijen] bij brief van 8 maart 2010 een schriftelijke uiteenzetting gegeven
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 19 juli 2010, waar het college, vertegenwoordigd door mr. S.G. Blasweiler, werkzaam bij de gemeente, is verschenen.
Overwegingen
2.1. Ingevolge artikel 8, tweede lid, onderdeel c, van de Woningwet bevat de bouwverordening voorschriften met betrekking tot het tegengaan van bouwen op verontreinigde bodem.
Ingevolge het vierde lid, hebben de voorschriften, bedoeld in het tweede lid, onderdeel c, in ieder geval betrekking op
a. het verrichten van onderzoek naar aard en mate van verontreiniging van de bodem;
b. aard en omvang van het onderzoek, en
c. inrichting van het op te stellen onderzoeksrapport.
Ingevolge artikel 52a, eerste lid, voor zover thans van belang, houden burgemeester en wethouders in afwijking van artikel 46, eerste lid, de beslissing op een aanvraag om bouwvergunning aan, indien er geen grond is de bouwvergunning te weigeren en uit het onderzoeksrapport, bedoeld in artikel 8, vierde lid, onderdeel c, blijkt dat de bodem ter plaatse van het te bouwen bouwwerk in zodanige mate is verontreinigd dan wel bij hen uit anderen hoofde een redelijk vermoeden bestaat dat overeenkomstig de Wet bodembescherming (hierna: de Wbb) sprake is van een geval van ernstige bodemverontreiniging. Het besluit tot aanhouding van de beslissing op de aanvraag om bouwvergunning wordt genomen binnen twee weken na ontvangst van die aanvraag; indien er geen grond is de bouwvergunning te weigeren en de beslissing niet binnen deze termijn is genomen en uit het onderzoeksrapport blijkt dat de bodem ernstig is verontreinigd, is die beslissing van rechtswege genomen.
Ingevolge het tweede lid, voor zover thans van belang, duurt de aanhouding totdat het krachtens de Wbb bevoegd gezag met het saneringsplan, bedoeld in artikel 39, eerste lid, van die wet, overeenkomstig het tweede lid van dat artikel, heeft ingestemd dan wel overeenkomstig artikel 29, eerste lid, juncto 37, eerste lid, van die wet heeft vastgesteld dat geen sprake is van een geval van ernstige verontreiniging ten aanzien waarvan spoedige sanering noodzakelijk is. In geval van een melding als bedoeld in artikel 28 juncto 39b van de Wbb, duurt de aanhouding totdat is gebleken dat de melding overeenkomstig de bij of krachtens die wet gestelde eisen is gedaan.
Ingevolge artikel 13 van de Wbb is een ieder die op of in de bodem handelingen verricht als bedoeld in de artikelen 6 tot en met 11 en die weet of redelijkerwijs had kunnen vermoeden dat door die handelingen de bodem kan worden verontreinigd of aangetast, verplicht alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van hem kunnen worden gevergd, teneinde die verontreiniging of aantasting te voorkomen, dan wel indien die verontreiniging of aantasting zich voordoet, de verontreiniging of de aantasting en de directe gevolgen daarvan te beperken en zoveel mogelijk ongedaan te maken. Indien de verontreiniging of aantasting het gevolg is van een ongewoon voorval, worden de maatregelen onverwijld genomen.
Ingevolge artikel 27, eerste lid, maakt degene die op of in de bodem handelingen verricht als bedoeld in de artikelen 6 tot en met 11 en daarbij kennis neemt van een verontreiniging of aantasting van de bodem die door die handelingen wordt veroorzaakt, zo spoedig mogelijk melding van de verontreiniging of de aantasting bij gedeputeerde staten van de provincie waar zij plaatsvindt, en geeft daarbij aan welke van de in artikel 13 bedoelde maatregelen hij voornemens is te treffen of reeds heeft getroffen.
Ingevolge het tweede lid, kunnen gedeputeerde staten in een geval als bedoeld in het eerste lid aanwijzingen geven met betrekking tot de te nemen maatregelen.
Ingevolge artikel 1 van het Besluit aanwijzing bevoegd gezag gemeenten Wet bodembescherming wordt de gemeente Nijmegen voor toepassing van de Wbb gelijkgesteld met een provincie.
2.2. Het college betoogt dat de rechtbank, door te overwegen dat artikel 52a van de Woningwet onverkort op de bouwaanvraag van toepassing is, heeft miskend dat de in dit artikel opgenomen aanhoudingsverplichting niet ziet op bodemverontreinigingen die zijn ontstaan na 1987, waarvan in dit geval sprake is. Het college voert daartoe aan dat artikel 13 van de Wbb van toepassing is op de na 1987 veroorzaakte nieuwe verontreinigingen en dat in dat geval niet wordt beoordeeld of sprake is van een geval van ernstige bodemverontreiniging. Voorts voert het college in dit verband aan dat bij toepassing van artikel 13 van de Wbb de in het tweede lid van artikel 52a van de Woningwet genoemde besluiten niet worden genomen en meldingen niet worden gedaan. Dat de in het tweede lid van artikel 52a van de Woningwet genoemde besluiten niet bedoeld zijn voor zogenoemde nieuwe verontreinigingen blijkt volgens het college tevens uit de geschiedenis van de totstandkoming van de Wbb. Ten slotte wijst het college op de Circulaire bodemsanering 2009 waaruit volgt dat de aanhoudingsplicht niet ziet op verontreinigingen die na 1987 zijn veroorzaakt.
2.2.1. Met de in de wet van 14 februari 1998 tot wijziging van de Woningwet (tegengaan van bouwen op verontreinigde grond) (Stb. 1998, 132) opgenomen wijziging van artikel 8 van de Woningwet heeft de wetgever beoogd de opdracht aan de gemeenteraden te verduidelijken om in de bouwverordening voorschriften te geven omtrent het tegengaan van bouwen op verontreinigde grond. De regeling van artikel 8, tweede lid, onderdeel c, van de Woningwet, waaruit een onderzoeksverplichting volgt, is erop gericht om vast te stellen of de bodem ter plaatse waar men gebouwen voor het voortdurend of nagenoeg voortdurend verblijven van mensen wil oprichten, al dan niet is verontreinigd en of die verontreiniging een belemmering is voor het gebruik dat men van het op te richten gebouw wil maken. De eveneens met deze wetswijziging in artikel 52a van de Woningwet opgenomen aanhoudingsregeling voorziet in de wijze van afdoening van een aanvraag om bouwvergunning indien uit het bodemonderzoek, voorgeschreven in artikel 8 blijkt dat de bodem ter plaatse ernstig is verontreinigd of het college hiertoe uit anderen hoofde een redelijk vermoeden heeft. Weliswaar wordt in artikel 52a van de Woningwet verwezen naar een aantal met name genoemde bepalingen uit de Wbb, maar dat neemt niet weg dat in de Woningwet een zelfstandige aanhoudingsregeling is getroffen teneinde het bouwen op verontreinigde bodem te voorkomen.
Zoals de rechtbank met juistheid heeft overwogen, biedt de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 52a van de Woningwet geen aanknopingspunten voor het oordeel dat de aanhoudingsplicht uitsluitend van toepassing is op gevallen van bodemverontreiniging die zijn ontstaan voor 1987.
Dat bij toepassing van artikel 13 van de Wbb de in het tweede lid van artikel 52a van de Woningwet genoemde besluiten niet worden genomen en meldingen niet worden gedaan, is evenmin beslissend. Een redelijke uitleg van deze bepaling brengt mee dat aan een aanwijzingsbesluit als bedoeld in artikel 27 van de Wbb als vervolg op een melding, in dit artikellid dezelfde betekenis moet worden toegekend als aan de daargenoemde besluiten, en de aanhoudingsplicht derhalve eveneens doet eindigen. Tot slot kan in de geschiedenis van de totstandkoming van de Wbb noch in de Circulaire bodemsanering 2009 steun gevonden worden voor het standpunt van het college. Gelet hierop heeft de rechtbank terecht overwogen dat artikel 52a van de Woningwet onverkort van toepassing is op de aanvraag om bouwvergunning. Het betoog faalt.
2.3. Gelet op vorenstaande behoeft het betoog van het college dat de rechtbank heeft miskend dat in dit geval sprake is van na 1987 ontstane bodemverontreiniging die met toepassing van artikel 13 van de Wbb moet worden gesaneerd, geen bespreking meer.
2.4. Het betoog van het college dat de rechtbank heeft miskend dat de verplichting om de beslissing op de aanvraag om bouwvergunning aan te houden in dit geval niet geldt omdat niet kan worden vastgesteld of sprake is van een geval van ernstige bodemverontreiniging, slaagt niet.
Dictum
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
I. verklaart het hoger beroep gegrond;
II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 24 november 2009 in zaak nr. 09/1405, voor zover daarin is bepaald dat het college een nieuw besluit op bezwaar dient te nemen met inachtneming van de uitspraak van de rechtbank;
III. bepaalt dat de rechtsgevolgen van het door de rechtbank vernietigde besluit van het college van burgemeester en wethouders van Nijmegen van 27 februari 2009, kenmerk G 140/LV Z08.005564/D09.102839, in stand blijven;
IV. verklaart het beroep van [wederpartij a], [wederpartij b], [wederpartij c], [wederpartij d], [wederpartij e] en [wederpartij f] tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Nijmegen van 19 februari 2010, kenmerk G140/SB 10.0004282, gegrond;
V. vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Nijmegen van 19 februari 2010, kenmerk G140/SB 10.0004282;
VI. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Nijmegen tot vergoeding van bij [wederpartij a], [wederpartij b],[wederpartij c], [wederpartij d], [wederpartij e] en [wederpartij f] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 437,00 (zegge: vierhonderdzevenendertig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de anderen.
Aldus vastgesteld door mr. D.A.C. Slump, voorzitter, en mr. S.F.M. Wortmann en mr. J.C. Kranenburg, leden, in tegenwoordigheid van mr. V. van Dorst, ambtenaar van Staat.
w.g. Slump w.g. Van Dorst
voorzitter ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 18 augustus 2010
357-604.