Rechtspraak Raad van State 1999-11-25
ECLI:NL:RVS:1999:AA5042
Raad van State H01.98.1526. Datum uitspraak: AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: A, kantoor houdend te B, appellant, tegen de uitspraak van de arrondissementsrechtbank te 's-Hertogenbosch van 24 juni 1998 in het geding tussen: appellant en de Raad voor rechtsbijstand te 's-Hertogenbosch. 1 . Procesverloop Bij besluit van 23 juli 1997 heeft het Bureau rechtsbijstandvoorziening van de Raad voor rechtsbijstand te 's-Hertogenbosch (hierna: het bureau) de vergoeding voor door appellant op basis van een aan hem afgegeven toevoeging van 10 oktober 1996 verleende rechtsbijstand vastgesteld. Bij besluit van 10 november 199 7 heeft de Raad voor rechtsbijstand te 's-Hgrtogenbosch (hierna: de raad) het door appellant daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Dit besluit en het advies van de Commissie voor bezwaar en beroep van de raad, waarnaar in dit besluit wordt verwezen, zijn aangehecht. Bij uitspraak van 24 juni 1998, verzonden op 2 juli 1998, heeft de arrondissementsrechtbank te 's-Hertogenbosch (hierna: de rechtbank) het door appellant tegen dit besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht. Tegen deze uitspraak heeft appellant bij faxbericht, bij de Raad van State ingekomen op 13 augustus 1998, hoger beroep ingesteld. Dit bericht is aangehecht. Bij brief van 9 november 1998 heeft de raad van antwoord gediend. De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige. De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 11 juni 1999, waar appellant in persoon en de raad, vertegenwoordigd door mr J.H. Dubach, zijn verschenen. 2. Overwegingen 2.1. Ingevolge artikel 37, eerste lid, van de Wet op de rechtsbijstand (hierna: de Wrb) ontvangen rechtsbijstandverleners voor de door hen op basis van een toevoeging verleende rechtsbijstand een vergoeding volgens regels te stellen bij algemene maatregel van bestuur. Ingevolge het tweede lid wordt de voor de rechtzoekende vastgestelde eigen bijdrage op de in het eerste lid bedoelde vergoeding in mindering gebracht. In het derde lid is bepaald dat - voor zover hier van belang - bij de in het eerste lid bedoelde algemene maatregel van bestuur nadere regels kunnen worden gesteld omtrent de vaststelling vande vergoeding. Krachtens die bepaling is het Besluit vergoedingen rechtsbijstand 1994 (hierna: het Bvr) vastgesteld. Ingevolge het bij het besluit van 18 juli 1996 (Stb 422) vastgestelde en op 21 augustus 1996 in werking getreden derde lid van artikel 57 daarvan worden, indien de rechtsbijstandverlener blijkens zijn opgave aan het bureau recht heeft op betalingen van derden voor de kosten van de verlening van rechtsbijstand, anders dan op de voet van artikel 57b, tweede lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering of van artikel 8:75, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht, deze bedragen tot ten hoogste het bedrag van de overeenkomstig dit besluit vastgestelde vergoeding op die vergoeding in mindering gebracht. 2.2. De procedure, waarvoor toevoeging is verleend, eindigde met een vonnis van de arrondissementsrechtbank te Breda, waarbij - voor zover hier van belang - het bestuur van het Landelijk instituut sociale verzekeringen werd veroordeeld om aan een cliënte van appellant de proceskosten tot een bedrag van f 1.420,00 te vergoeden. Artikel 57b, tweede lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, noch artikel 8:75, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht, was in deze zaak van toepassing. 2.3. Bij de vaststelling van de aan appellant uit te betalen vergoeding heeft het bureau de voor appellant op de voet van artikel 37, tweede lid, van de Wrb berekende vergoeding, voor zo ver thans van belang, met toepassing van artikel 57, derde lid, van het Bvr verlaagd met f 1.310,00 wegens een aanspraak op betalingen van derden. De raad heeft het tegen dit besluit gerichte administratieve beroep ongegrond verklaard en daartoe overwogen dat die bepaling ook van toepassing is, indien de recht