Rechtspraak Raad van State 1999-08-17
ECLI:NL:RVS:1999:AA3753
Raad van State H01.98.1547. Datum uitspraak: 17 augustus 1999 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: A te B, appellant, tegen de uitspraak van de arrondissementsrechtbank te Breda van 7 juli 1998 in het geding tussen: appellant en de Directeur-generaal van de Rijksluchtvaartdienst. 1 . Procesverloop Bij brief van 21 juli 1997 heeft de Directeur-generaal van de Rijksluchtvaartdienst (hierna: de Directeur-generaal) afwijzend gereageerd op het verzoek van appellant van 9 april 1997 tot aanpassing van de VFR-gids Nederland (Visual Flight Rules-gids) aan het circuit van de aanwijzing (lees: het besluit van de Minister van Verkeer en Waterstaat van 15 oktober 1996 als bedoeld in artikel 27 samen met artikel 24 van de Luchtvaartwet tot gewijzigde aanwijzing van vliegveld Seppe als luchtvaartterrein). Bij brief van 24 juli 1997 heeft appellant hiertegen bezwaar gemaakt. Bij brief van 4 maart 1998, met als onderwerp 'Bezwaar tegen beslissing d.d. 21 juli 1997' heeft de Directeur-generaal appellant meegedeeld niet aan zijn verzoek tegemoet te kunnen komen. Deze brief is aangehecht. Bij uitspraak van 7 juli 1998, verzonden op 8 juli 1998, heeft de arrondissementsrechtbank te Breda (hierna: de rechtbank) het beroep tegen de als beslissing op bezwaar aangemerkte brief van 4 maart 1998 gegrond verklaard, het besluit van 4 maart 1998 vernietigd, het bezwaar van 24 juli 1997 a1snog niet-ontvankelijk verklaard en bepaald dat haar uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit. Deze uitspraak is aangehecht. Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief van 17 augustus 1998, bij de Raad van State ingekomen op 19 augustus 1998, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht. Bij brief van 27 november 1998 heeft de Minister van Verkeer en Waterstaat (hierna: de Minister) een memorie van antwoord ingediend. De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 15 maart 1999, waar appellant in persoon, en de Directeur-generaal, vertegenwoordigd door mr. J. Reiss en mr. G.J. Voorsteegh, juridisch medewerker bij de Stafafdeling Juridische en Bestuurlijke Zaken respectievelijk medewerker bij de Afdeling Vliegzaken, zijn verschenen. 2. Overwegingen 2.1. De rechtbank heeft het inleidende verzoek van appellant niet ten onrechte opgevat als een verzoek tot wijziging van het voor vliegveld Seppe aangewezen verkeerscircuitgebied. Bij het bestreden besluit op bezwaar van 4 maart 1998 heeft de Directeur-generaal de weigering het circuitgebied te wijzigen, gehandhaafd. 2.2. De rechtbank is in de aangevallen uitspraak tot de slotsom gekomen dat uit het in deze zaak relevante wettelijke kader op basis van de Wet Luchtverkeer en het luchtverkeersreglement, zoals door haar aangehaald, naar voren komt dat aan een verkeerscircuitgebied als hier in geding, rechtsgevolgen zijn verbonden voor de gezagvoerder van een luchtvaartuig dat een luchtvaartterrein nadert of verlaat, en dat het vaststellen of wijzigen van een verkeerscircuitgebied dan wel de weigering daartoe, is aan te merken als een publiekrechtelijke rechtshandeling en dus als een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb). Desondanks, aldus de rechtbank, is de brief van 21 juli 1997, gelet op artikel 8:2, aanhef en onder a, van de Awb, niet vatbaar voor bezwaar aangezien het vaststellen van een verkeerscircuitgebied geschiedt in de vorm van een algemeen verbindend voorschrift. De rechtbank heeft daarbij in aanmerking genomen dat een verkeerscircuitgebied geldt voor onbepaalde tijd en voor een ieder die het betrokken luchtvaartterrein verlaat of nadert, dat de bevoegdheid tot het vaststellen van een verkeerscircuitgebied is te herleiden tot een wet in formele zin, te weten de Wet Luchtverkeer (WLV), en dat van de vaststelling of wijziging van een verkeerscircuitgebied die haar beslag krijgt in een in de VFR-gids opgenomen kaart, mededeling wordt gedaan in de Staatscourant. Gelet hierop heeft de rechtbank de beslissi