Rechtspraak Raad van State 1999-11-04
ECLI:NL:RVS:1999:AA3691
475 / Raad van State No's: H01.98.0357, 0376, 0377, 0379, 0384, 0385, 0391, 0393, 0416, 0418 t/m 0421 en 0423. Datum uitspraak: 4 november 1999 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op de hoger beroepen van: 1. A B.V., gevestigd te B 2. C Holding B.V. en D Scheepvaart Maatschappij B.V., gevestigd te B 3. D & Co. B.V., gevestigd te B 4. E Agenturen B.V., gevestigd te F 5. G & H B.V., gevestigd te F 6. I & J B.V., gevestigd te F (hierna: de agenten) 7. de door de agenten vertegenwoordigden (d.w.z. de kapitein, eigenaar of rompbevrachter van een zeeschip) (appellanten) tegen de uitspraken van de arrondissementsrechtbank te Rotterdam van 19 januari 1998 in de gedingen tussen: appellanten en de Inspecteur van de Belastingdienst Douane, district Rotterdam. 1. Procesverloop De Inspecteur van de Belastingdienst Douane, district Rotterdam, (hierna: de Inspecteur) heeft aan ieder der agenten een of meer facturen gezonden voor de heffing van het verkeersbegeleidingstarief voor het scheepvaartverkeer (hierna: het VBS-tarief). Tegen deze besluiten is door de agenten bezwaar gemaakt. Bij verschillende, nagenoeg gelijkluidende, besluiten heeft de Inspecteur de bezwaren ongegrond verklaard. Eén van deze besluiten is aangehecht. Tegen deze besluiten hebben de agenten mede namens de door hen vertegenwoordigden beroep ingesteld bij de arrondissementsrechtbank te Rotterdam (hierna: de rechtbank). Bij afzonderlijke, nagenoeg gelijkluidende, uitspraken van 19 januari 1998, verzonden op 23 januari 1998, kenmerk DIVERS 9611755-F4, respectievelijk nrs 1764, 1766, 1769, 1770, 1918, 1920, 1921 en 2185 t/m 2190, heeft de rechtbank de beroepen van de agenten gegrond verklaard, de beslissingen op bezwaar vernietigd, het bezwaar van de agenten alsnog niet-ontvankelijk verklaard en de beroepen van de door de agenten vertegenwoordigden niet-ontvankelijk verklaard. Eén van deze uitspraken is aangehecht. Tegen deze uitspraken hebben appellanten bij brief van 2 maart 1998, bij de Raad van State ingekomen op 3 maart 1998, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht. Bij brief van 19 juni 1998 heeft de Inspecteur een memorie ingediend. Na afloop van het vooronderzoek zijn nog stukken ontvangen van appellanten. Deze zijn aan de Inspecteur toegezonden. De Afdeling heeft de zaken gevoegd ter zitting behandeld op 14 september 1998, waar appellanten, vertegenwoordigd door mr G.J.W. Smallegange, advocaat te Rotterdam, ir. P.P. Noë en P. van Santen, en de Inspecteur, vertegenwoordigd door mr A.B. van Rijn en mr R.J.M. van den Tweel, advocaten te Den Haag, en mr L.J. Clement en mr J.A.A. Schreuder, ambtenaren bij het Ministerie van Verkeer en Waterstaat, zijn verschenen. 2. Overwegingen 2.1 Ingevolge artikel 15c, eerste lid, van de Scheepvaartverkeerswet (hierna: de Svw), voor zover hier van belang, is de kapitein, eigenaar of rompbevrachter van een zeeschip gehouden het VBS-tarief te betalen. In artikel 1 5d, tweede lid, is bepaald dat het VBS-tarief verschuldigd is aan het Rijk en dat bij algemene maatregel van bestuur de scheepvaartwegen worden aangewezen waarop het tarief is verschuldigd en de maatstaven voor de toepassing en de vrijstellingen van het VBS-tarief worden geregeld. Aan het bepaalde in artikel 15d, tweede lid, van de Svw is uitvoering gegeven bij het Besluit verkeersbegeleidingstarieven scheepvaartverkeer van 4 november 1994, Stb. 807 (hierna: het BVS). Ingevolge artikel 8 van het BVS dient door of namens de kapitein, eigenaar of rompbevrachter van een naar zee vertrekkend zeeschip, waarvoor het tarief nog niet is voldaan, ten genoegen van de met de inning van dit tarief belaste instantie zekerheid te worden gesteld voor de betaling van het tarief. Ten aanzien van de hoger beroepen van de agenten 2.2 De rechtbank heeft, samengevat weergegeven, overwogen dat door de agenten bezwaar is gemaakt tegen de facturen voor de heffing van het VBS-tarief en dat het beroep tegen de diverse beslissingen op bezwaar is ingesteld mede namens de door de agenten ver