Rechtspraak Raad van State 1996-05-13
ECLI:NL:RVS:1996:AE9810
No. H01.95.0359. Datum uitspraak: 13 mei 1996 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: mevrouw [appellante], h.o.d.n. [handelsnaam] Interieur, te [plaats] (appellante) tegen de uitspraak van de arrondissementsrechtbank te Maastricht van 7 juni 1995 in het geschil tussen: appellante en burgemeester en wethouders van Maastricht. Procesverloop Bij besluit van 3 februari 1994 hebben burgemeester en wethouders van Maastricht (hierna te noemen: burgemeester en wethouders) appellante onder aanzegging van bestuursdwang aangeschreven tot verwijdering van de verticale reclames aan de voorgevel van het pand kadastraal bekend gemeente Maastricht, sectie […], no.[…], plaatselijk bekend [adres] te [plaats]. Tegen dit besluit heeft appellante bij brief van 24 februari 1994 een bezwaarschrift bij burgemeester en wethouders ingediend. Bij het bestreden besluit van 30 september 1994, kenmerk SOG93-138A, verzonden op 3 oktober 1994, hebben burgemeester en wethouders de bezwaren ongegrond verklaard. Zij hebben dit besluit doen steunen op het advies van de Commissie voor de behandeling van bezwaarschriften van 5 september 1994. Deze stukken zijn aan deze uitspraak gehecht. Tegen het bestreden besluit heeft appellante bij brief van 11 november 1994 beroep ingesteld bij de arrondissementsrechtbank te Maastricht. Bij de aangevallen uitspraak van 7 juni 1995, reg. no. 94/2733 GEMWT Z DAL, heeft de rechtbank het beroep ongegrond verklaard. De uitspraak van de rechtbank is aan deze uitspraak gehecht. Tegen de uitspraak van de rechtbank heeft appellante bij brief van 18 juli 1995 hoger beroep ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Het hoger-beroepschrift is aan deze uitspraak gehecht. Bij brief van 14 september 1995 hebben burgemeester en wethouders een memorie ingediend. Het hoger beroep is op 22 februari 1996 behandeld in een openbare vergadering van een Meervoudige Kamer van de Afdeling, waarin appellante vertegenwoordigd door mr A.A. K., gemachtigde, en burgemeester en wethouders vertegenwoordigd door J. B. en P. S., beiden ambtenaar der gemeente, hun standpunten hebben toegelicht. Overwegingen Ingevolge artikel 40, eerste lid, van de Woningwet is het verboden te bouwen zonder of in afwijking van een schriftelijke vergunning van burgemeester en wethouders (bouwvergunning). Blijkens artikel 1, eerste lid, aanhef en onder a, wordt voor de toepassing van het bij of krachtens deze wet bepaalde onder bouwen verstaan: het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een bouwwerk, alsmede het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een standplaats. Appellante heeft aan het onderhavige pand, ter hoogte van de eerste verdieping, twee bordeauxrode vaandeldoeken met een witte reclametekst aangebracht. De doeken zijn elk ongeveer 3,00 m hoog en 0,80 m breed. Zij zijn aan de boven- en de onderzijde bevestigd aan een tegen de gevel gemonteerde houder ("beugel"). In geschil is, of het aanbrengen van deze vaandeldoeken is aan te merken als bouwen in de zin van de Woningwet. De Afdeling overweegt dienaangaande, dat het begrip bouwwerk in de Woningwet niet nader is gedefinieerd. Evenals onder de Woningwet 1962, dient bij de uitleg van dit begrip het spraakgebruik richtinggevend te zijn. Daarbij kan aansluiting worden gezocht bij de definitie van "bouwwerk" in artikel 1.1, eerste lid, van de Modelbouwverordening 1992. Deze definitie luidt: elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die op de plaats van bestemming hetzij direct hetzij indirect met de grond verbonden is, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond, bedoeld om ter plaatse te functioneren. Uitgaande van deze begripsomschrijving, moet worden geoordeeld dat het geheel van vaandeldoek, bevestigingsmiddelen en beugels is aan te merken als een bouwwerk en dat het aanbrengen daarvan aan het pand van appellante als bouwen dient Aannemelijk is geworden dat de welstandscommissie, waar zij in haar advies verwijst naar "gesanctioneerde richtlijnen inzake reclamebeleid", het oog heeft op de "Richtlijnen beoordeling aanvragen ex artikel 6 Verordening op het Stedeschoon 1980" en de ter nadere uitwerking daarvan in juni 1989 door burgemeester en wethouders vastgestelde "Nota reclamebeleid". Dat deze stukken primair zijn opgesteld ten behoeve van de toepassing van de gemeentelijke Verordening op het Stedeschoon 1980, neemt niet weg dat zij mede kunnen - en in de praktijk ook worden - gehanteerd bij de welstandstoetsing van reclameobjecten in het kader van de Woningwet. Daarbij is van belang dat het in beide gevallen gaat om een beoordeling van de esthetische aanvaardbaarheid van het reclameobject, zowel op zichzelf als in zijn relatie tot de omgeving. Bovendien komt uit de "Nota reclamebeleid" naar voren dat de daarin neergelegde richtlijnen in overleg met de welstandscommissie tot stand zijn gekomen. De welstandscommissie acht, blijkens haar advies, de in geding zijnde vaandeldoeken op twee hoofdpunten in strijd met het in de "Nota reclamebeleid" gestelde. Het betreft in de eerste plaats de richtlijn dat reclame in het beschermd stadsgezicht optimaal moet worden afgestemd op het stadsbeeld en de architectuur van de individuele panden, waarbij bestaande architectuur met een gaaf en compleet karakter in het algemeen slechts beperkte toevoegingen verdraagt. Daarnaast gaat het om de richtlijn dat reclame in het beschermd stadsgezicht in principe beperkt moet worden tot de ruimte van de voorgevel tussen begane grond en eerste verdieping, aangezien hoger aangebrachte reclames snel gaan overheersen en vaak storend zijn voor de eventuele woonfunctie op de verdiepingen. Naar het oordeel van de Afdelingen zijn deze richtlijnen, mede gelet op het karakter van het beschermde stadsgezicht, op zichzelf niet onjuist of anderszins onaanvaardbaar. Evenmin kan worden staande gehouden dat de welstandscommissie, door als haar oordeel uit te spreken dat de vaandeldoeken niet aan de gestelde maatstaven beantwoorden, aan de richtlijnen een toepassing heeft gegeven die zich niet met de bewoordingen of de strekking ervan verdraagt. Een en ander brengt met zich dat burgemeester en wethouders niet ten onrechte op grond van het negatieve welstandsadvies tot het oordeel zijn gekomen dat de vaandeldoeken niet aan redelijke eisen van welstand voldoen. Dit betekent, gelet op het dwingend bepaalde in artikel 44, aanhef en onder d, van de Woningwet, dat de vereiste bouwvergunning niet alsnog kan worden verleend. Of moet worden aangenomen dat de vaandeldoeken ook op een derde punt, te weten het verbod van verticale belettering, met de reclamerichtlijnen in strijd zijn, kan gezien het vorenstaande buiten beschouwing blijven. Indien sprake is van een overtreding en mogelijkheden tot legalisering van de onwettige toestand ontbreken, is het in beginsel niet onredelijk of anderszins onaanvaardbaar dat bestuursdwang wordt aangezegd met het oog op het belang dat wettelijke voorschriften worden nageleefd en precedentwerking wordt voorkomen. Niet is gebleken van bijzondere omstandigheden op grond waarvan burgemeester en wethouders van hun bevoegdheid om bestuursdwang aan te zeggen geen gebruik hadden mogen maken. De gemeenteambtenaar met wie appellante vooraf over het aanbrengen van vaandeldoeken heeft gesproken, is niet belast met de toepassing van voorschriften inzake bouwen. Reeds daarom kon appellante aan de uitlatingen van deze ambtenaar - wat daarvan verder zij - niet het vertrouwen ontlenen dat het ontbreken van een bouwvergunning geen problemen zou opleveren. De door appellante naar voren gebrachte financiele en commerciele belangen bij handhaving van de vaandels zijn niet zodanig klemmend dat burgemeester en wethouders daaraan doorslaggevende betekenis hadden moeten toekennen, en dit te minder nu burgemeester en wethouders appellante hebben gewezen op andere, voor hen wel aanvaardbare mogelij