Rechtspraak Rechtbank Zeeland-West-Brabant 2026-08-19
ECLI:NL:RBZWB:2026:7936
Werkingssfeer cao particuliere beveiliging, voor het begrip ‘werkgever’ als bedoeld in de cao PB is niet vereist dat de betreffende (rechts)persoon werknemers in dienst heeft, onvoldoende medewerking aan een onderzoek naar de naleving van de cao, toewijzing forfaitaire schadevergoeding (bevroren), geen criminal charge, algemeen verbindend verklaarde cao materieel recht, ver(nietig)ging niet mogelijk, geen aanleiding voor buiten toepassing verklaren RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Civiel recht Kantonrechter Zittingsplaats Tilburg Zaaknummer: 11809246 \ CV EXPL 25-3683 Vonnis van 19 augustus 2026 in de zaak van STICHTING SOCIAAL FONDS PARTICULIERE BEVEILIGING (SFPB) , te 's-Gravenhage, eisende partij in conventie, verwerende partij in reconventie, hierna te noemen: SFPB, gemachtigde: mr. D.P. op den Velde, tegen COMFORT BEHEER EN TOEZICHT B.V. , te Tilburg, gedaagde partij in conventie, eisende partij in reconventie, hierna te noemen: Comfort, gemachtigde: mr. B.J. Maes. 1 De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding - de conclusie van antwoord in conventie en van eis in reconventie - de brief waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald - de conclusie van antwoord in reconventie tevens akte vermeerdering van eis - het bericht van 2 februari 2026 met aanvullende productie(s) van SFPB - het bericht van 4 februari 2026 met aanvullende productie(s) van SFPB - de mondelinge behandeling van 5 februari 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt en waarbij Comfort zittingsnotities heeft overgelegd en haar reconventionele eis heeft verminderd. 1.2. Ten slotte is vonnis bepaald. 2 De feiten 2.1. SFPB is in september 2000 opgericht door werknemer- en werkgeversorganisaties in de beveiligingsbranche. Een van de taken van SFPB is het toezien op een correcte naleving van de cao Particuliere Beveiliging (hierna te noemen: de cao PB). Ter uitvoering van deze taak heeft SFPB in de periode P7 2022 tot en met P6 2023 (hierna te noemen: de onderzoeksperiode) onderzoek gedaan. 2.2. In de onderzoeksperiode was de cao PB algemeen verbindend verklaard. Naast de cao PB bestaat ook de cao Sociaal Fonds Particuliere Beveiliging (hierna te noemen cao SFPB), die in de onderzoeksperiode ook algemeen verbindend is verklaard. 2.3. Hieronder volgen citaten van de meest relevante bepalingen uit de cao PB, cao SFPB en het controlereglement. Artikel 1 cao PB: “(…) Werkgever De natuurlijk persoon of rechtspersoon die een bedrijf uitoefent als particuliere beveiligingsorganisatie. Dit doet deze (rechts)persoon al of niet in hoofdzaak. (…)” Artikel 1 cao SFPB: “(…) Werkgever De natuurlijke of rechtspersoon die, al of niet in hoofdzaak, een bedrijf uitoefent als particuliere beveiligingsorganisatie. (…)” Artikel 7 lid 2 Reglement SFPB: “ Indien een werkgever na ingebrekestelling door of namens SFPB gedurende ten minste 14 dagen nalatig blijft de vanwege SFPB verzochte gegevens met betrekking tot de wijze waarop hij de cao naleeft te verstrekken, dan wel onjuiste gegevens verstrekt, is hij verplicht door dat enkele feit aan SFPB een forfaitaire schadevergoeding te betalen. SFPB kan besluiten geheel of gedeeltelijk af te zien van het innen van deze schadevergoeding indien bijzondere omstandigheden daartoe aanleiding geven. ” Artikel 9 lid 1 Reglement SFPB: “ De forfaitaire schadevergoeding genoemd in artikel 7 lid 2 bedraagt 1% van de loonsom van het premiejaar met een minimum van € 1.500. ” Artikel 9 lid 2 Reglement SFPB: “ Elke week dat de onderneming in gebreke blijft, loopt de schadevergoeding op met het bepaalde in lid 1. ” 2.4. Tot 15 april 2025 had Comfort als handelsnaam ‘Comfort Beheer en Beveiliging B.V.’ Daarna heeft zij haar handelsnaam gewijzigd in ‘Comfort Beheer en Toezicht B.V.’ Uit het register van de Wet particuliere beveiligingsorganisaties en recherchebureaus (hierna te noemen: Wpbr) volgt dat Comfort een vergunninghouder Wpbr is met als einddatum van de vergunning (in beginsel) 24 december 2026. Per 3 juli 2025 is de beveiligingsvergunning van Comfort op haar eigen initiatief ingetrokken. 2.5. Op 28 mei 2024 heeft SFPB onderzoek gedaan bij Comfort. Bij die gelegenheid heeft Comfort meegedeeld dat zij geen werknemers in dienst heeft en alleen beveiligers inhuurt als zzp’ers. Vervolgens heeft SFPB aanvullende informatie opgevraagd bij de politie, waaruit bleek dat in de onderzoeksperiode 12 beveiligingspassen zijn uitgegeven aan Comfort. Naar aanleiding daarvan heeft SFPB Comfort in correspondentie vanaf 4 november 2024 verzocht om nadere gegevens te verschaffen. Comfort heeft daarop afwijzend gereageerd. Vervolgens heeft SFPB Comfort bij e-mailbericht van 28 mei 2025 gesommeerd om alsnog de gevraagde stukken aan te leveren, met de mededeling dat Comfort bij gebreke daarvan een forfaitaire schadevergoeding verschuldigd is van € 1.500,00 voor iedere week dat Comfort nalatig blijft met het aanleveren van deze stukken. 3 Het geschil In conventie 3.1. SFPB vordert - na vermeerdering van eis -: te verklaren voor recht dat sprake is van een of meerdere arbeidsovereenkomst(en) in de zin van artikel 7:610 BW tussen Comfort en beveiligingsmedewerkers die werkzaamheden hebben verricht via Comfort in de controleperiode p7 2022 tot en met p6 2023 veroordeling van Comfort tot naleving van de cao PB en de cao SFPB indien en voor zover deze algemeen verbindend zijn verklaard, onder meer door het verlenen van medewerking aan een onderzoek naar de naleving van de cao PB en cao SFPB in de controleperiode op straffe van een dwangsom van € 500,- voor iedere dag dat zij daarmee vanaf twee weken na betekening van dit vonnis in gebreke is veroordeling van Comfort tot betaling van € 48.000,- aan forfaitaire schadevergoeding ex artikel 7 lid 2 controlereglement, te vermeerderen met wettelijke rente veroordeling van Comfort tot betaling van € 1.518,55 inclusief btw aan buitengerechtelijke incassokosten, te vermeerderen met wettelijke rente veroordeling van Comfort in de proceskosten. 3.2. Comfort voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vorderingen, met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van SFPB in de proceskosten, te vermeerderen met wettelijke rente. 3.3. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan. In reconventie 3.4. Comfort vordert - na vermindering van eis - te verklaren voor recht dat: de definitie van werkgever in artikel 1 van de cao PB te ruim en dus nietig is, danwel deze bepaling te vernietigen, dan wel deze buiten toepassing te verklaren, danwel een maatregel op te leggen die tot gevolg heeft dat deze definitie in de cao wordt beperkt tot werkgevers die daadwerkelijk werknemers in dienst hebben deze procedure en de gevorderde forfaitaire schadevergoeding is aan te merken als ‘vervolging’- ‘criminal charge’- in de zin van artikel 6 EVRM en daaraan de gevolgen te verbinden die de kantonrechter dienstig acht artikel 110 lid 2 onder d, tweede aandachtsstreepje van de cao PB nietig is en voorts 4. veroordeling van SFPB in de proceskosten, te vermeerderen met wettelijke rente. 3.5. SFPB voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vorderingen, met veroordeling van Comfort in de proceskosten. 3.6. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan. 4 De beoordeling in conventie 1. Verklaring voor recht arbeidsovereenkomst 4.1. De kantonrechter zal deze vordering wegens onvoldoende belang afwijzen. Of er arbeidsovereenkomsten zijn gesloten is voor de toepasselijkheid van de cao PB en cao SFPB namelijk niet relevant. De kantonrechter zal dit oordeel hierna toelichten. 4.2. In artikel 1 van de cao PB staat dat in de cao PB met het begrip ‘werkgever’ wordt bedoeld “ De natuurlijke persoon of rechtspersoon die een bedrijf uitoefent als particuliere beveiligingsorganisatie. Dit doet deze (rechts)persoon al of niet in hoofdzaak. ” (Ook) in artikel 1 van de cao SFPB wordt het begrip ‘werkgever’ als volgt gedefinieerd: “ De natuurlijke of rechtspersoon die, al of niet in hoofdzaak, een bedrijf uitoefent als particuliere beveiligingsorganisatie. ” Uit voormelde definities volgt dat het voor het begrip ‘werkgever’ als bedoeld in de cao PB en de cao SFPB niet vereist is dat de betreffende (rechts)persoon werknemers in dienst heeft. In die zin is het werkgeversbegrip in de zin van de cao PB en de cao SFPB anders dan bijvoorbeeld het werkgeversbegrip in het Burgerlijk Wetboek, aangezien uit artikel 7:610 BW volgt dat een werkgever in de zin van het Burgerlijk Wetboek per definitie een of meerdere werknemers in dienst heeft. Maar dat is bij het werkgeversbegrip in de cao PB en de cao SFPB (dus) niet vereist. Daarvoor is blijkens de tekst van de cao alleen vereist dat de (rechts)persoon een bedrijf uitoefent als particuliere beveiligingsorganisatie. In dat kader is nog relevant dat in artikel 2 van zowel de cao PB als van de cao SFPB is bepaald dat onder particuliere beveiligingsorganisatie (onder andere) wordt verstaan een particulier beveiligingsbedrijf dat een vergunninghouder Wpbr is. Comfort heeft niet (voldoende gemotiveerd) betwist dat zij in de onderzoeksperiode een vergunninghouder Wpbr was. Dat Comfort haar beveiligingsvergunning per 3 juli 2025 heeft ingetrokken of laten intrekken maakt dat oordeel niet anders. Immers, deze intrekking dateert van na de onderzoeksperiode en heeft geen terugwerkende kracht. Het voorgaande brengt mee dat Comfort naar het oordeel van de kantonrechter gedurende de onderzoeksperiode onder de werkingssfeer van de cao PB en de cao SFPB viel, ook als zij in die periode geen werknemers in dienst had. Daarom heeft SFPB naar het oordeel van de kantonrechter onvoldoende belang bij de door haar gevorderde verklaring voor recht, zodat deze zal worden afgewezen. Aangezien het voor de beslechting van dit geschil(punt) niet nodig is, zal de kantonrechter – ondanks het verzoek van Comfort – geen prejudiciële vragen stellen. 2. Naleving cao’s en medewerking onderzoek 4.3. Hiervoor heeft de kantonrechter geoordeeld dat Comfort onder de werkingssfeer van de cao PB en de cao SFPB valt. Aangezien de cao PB en de cao SFPB in de onderzoeksperiode algemeen verbindend zijn verklaard, zijn deze cao’s (dus) ook van toepassing op Comfort. Daarom is Comfort gehouden om de betreffende cao’s na te leven. Dat brengt mee dat de vordering om Comfort te veroordelen tot naleving van de cao PB en de cao SFPB in beginsel toewijsbaar, mits SFPB daarbij voldoende belang heeft. SFPB heeft aan haar vordering toegevoegd dat de gevorderde naleving onder meer bestaat uit het verlenen van medewerking aan een onderzoek naar de naleving van de cao PB en de cao SFPB in de onderzoeksperiode. 4.4. Comfort stelt allereerst dat zij haar medewerking heeft verleend door het opgaveformulier van SFPB terug te sturen met de vermelding dat de loonsom in 2023 en het aantal werknemers allebei 0 was. Daarmee heeft Comfort naar het oordeel van de kantonrechter in de huidige stand van zaken voldoende medewerking verleend voor wat betreft werknemers die (niet) bij haar in dienst zijn. Daarmee staat overigens nog niet vast dat Comfort in die periode daadwerkelijk geen werknemers in dienst had. 4.5. Echter, SFPB heeft bij Comfort ook stukken opgevraagd met betrekking tot door Comfort ingehuurde zzp’ers. In dat kader is van belang dat Comfort zich ten onrechte op het standpunt stelt dat zij niet gehouden is om die medewerking te verlenen. Echter, met verwijzing naar rechtsoverweging 4.3. is de kantonrechter van oordeel dat Comfort wel dient mee te werken aan dit onderzoek naar de naleving van de cao PB en de cap SFPB. Ter uitvoering van dit onderzoek heeft SFPB bij e-mailbericht van 4 november 2024 bepaalde stukken opgevraagd. Per e-mail van 18 december 2024 heeft SFPB op verzoek van Comfort daarop nog een toelichting gegeven, maar een reactie van Comfort bleef uit. Na een herinnering op 20 januari 2025 heeft Comfort SFPB medio januari 2024 laten weten dat zij de gevraagde stukken niet hoeft, zal en kan aanleveren. Vervolgens heeft SFPB op 10 maart 2025 een nadere toelichting gegeven en herhaald welke gegevens zij wenst te ontvangen (waaronder het percentage inhuur zelfstandigen, de gehanteerde contracten en de gemiddelde arbeidsduur). Echter, uit een e-mail van 18 maart 2025 blijkt dat Comfort bij haar eerdere standpunt blijft. Tot slot heeft SFPB op 28 mei 2025 (tevergeefs) een ingebrekestelling als bedoeld in artikel 7 lid 2 van het Controlereglement naar Comfort gestuurd. Overigens heeft Comfort SFPB bij e-mails van 2 juni 2025 en 10 juni 2025 nog wel verzocht om aan te geven welke gegevens SFPB wil ontvangen. In reactie daarop heeft SFPB verwezen naar haar eerdere e-mail van 10 maart 2025, die voldoende duidelijkheid geeft over de gegevens die SFPB wenste te ontvangen. SFPB heeft de betreffende gegevens echter niet ontvangen. 4.6. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat Comfort geen (voldoende) medewerking heeft verleend aan het onderzoek van SFPB. Om die reden zal deze tweede vordering van SFPB worden toegewezen, met dien verstande dat de rechter geen dwangsom zal opleggen met het oog op de bevroren forfaitaire schadevergoeding die hierna zal worden behandeld. 3. Forfaitaire schadevergoeding (bevroren) 4.7. Hiervoor heeft de kantonrechter geoordeeld dat Comfort ten aanzien van door haar ingehuurde zzp’ers onvoldoende medewerking heeft verleend aan het onderzoek van SFPB, ondanks de ingebrekestelling van 28 mei 2025. Dat brengt op grond van de artikelen 7 lid 2 en 9 lid 1 en lid 2 van het Controlereglement mee dat Comfort in beginsel een forfaitaire schadevergoeding verschuldigd is van € 1.500,00 voor iedere week dat Comfort vanaf 12 juni 2025 in gebreke blijft met het verlenen van (voldoende) medewerking aan het onderzoek van SFPB. 4.8. Comfort heeft tegen deze schadevergoeding als verweer gevoerd dat sprake is van een criminal charge in de zin van artikel 6 EVRM en dat niet aan alle bijbehorende waarborgen is voldaan. De kantonrechter is echter van oordeel dat van een criminal charge geen sprake is. In eerste instantie beriep Comfort zich er in dit kader op dat SFPB aangemerkt moet worden als een bestuursorgaan in de zin van artikel 1:1 lid 1 aanhef en onder b. BW, maar tijdens de mondelinge behandeling heeft Comfort deze stelling niet langer gehandhaafd. Dat brengt mee dat ook het verweer met betrekking tot de criminal charge niet slaagt. Weliswaar is niet uitgesloten dat in zeer uitzonderlijke gevallen sprake kan zijn van een criminal charge door een niet-overheidsorgaan, maar dat dit in deze zaak het geval is heeft Comfort onvoldoende onderbouwd gesteld. 4.9. Gelet op het voorgaande is Comfort in beginsel vanaf 12 juni 2025 een forfaitaire schadevergoeding verschuldigd van € 1.500,00 per week. SFPB heeft haar aanspraak ter zake beperkt tot € 48.000,00. Comfort heeft daarnaast een beroep gedaan op matiging van de forfaitaire schadevergoeding. In dat kader stelt de kantonrechter voorop dat de artikelen 7 lid 2 en 9 lid 1 en lid 2 van het Controlereglement kwalificeren als een boetebeding in de zin van artikel 6:91 BW. Dat brengt mee dat de kantonrechter deze boete op grond van artikel 6:94 lid 1 BW (slechts) kan matigen als de billijkheid dat klaarblijkelijk eist. In de gegeven omstandigheden van het geval ziet de kantonrechter aanleiding om de forfaitaire schadevergoeding te matigen tot € 24.000,00. Daarbij speelt met name een rol dat Comfort zich op het onjuiste, maar niet onpleitbare standpunt heeft gesteld dat zij niet gehouden was om medewerking aan het onderzoek te verlenen en dat zij overigens al voldoende medewerking had verleend. Bovendien weegt mee dat van schade aan de zijde van SFPB geen sprake is. Tot slot is van belang dat ook artikel 7 lid 2 van het Controlereglement SFPB de mogelijkheid biedt om geheel of gedeeltelijk af te zien van het innen van de forfaitaire schadevergoeding. 4.10. Op grond van het voorgaande zal Comfort worden veroordeeld tot betaling van € 24.000,00 aan forfaitaire schadevergoeding ex artikel 7 lid 2 controlereglement, te vermeerderen met wettelijke rente daarover vanaf 5 februari 2026 tot de dag van (volledige) betaling. 4.11. SFPB vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten.