Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2026-02-09
ECLI:NL:RBZWB:2026:764
Bestuursrecht; Belastingrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
7,870 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBZWB:2026:764 text/xml public 2026-03-13T10:02:27 2026-02-09 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Zeeland-West-Brabant 2026-02-09 24/4333 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Breda Bestuursrecht; Belastingrecht Rechtspraak.nl NLF 2026/0472 Viditax (FutD) 2026031001 V-N Vandaag 2026/446 http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:764 text/html public 2026-03-09T16:13:48 2026-03-09 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBZWB:2026:764 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 09-02-2026 / 24/4333 en 24/4334. Voortvarend handelen. Ambtelijk verzuim. Voor het jaar 2017 is sprake van een ambtelijk verzuim waardoor de inspecteur niet kon navorderen op grond van een nieuw feit. Voor het jaar 2018 heeft de inspecteur niet doen blijken dat door het grofschuldig handelen van belanghebbende te weinig belasting is geheven. Beroepen gegrond. RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Zittingsplaats Breda Belastingrecht zaaknummers: BRE 24/4333 en 24/4334 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 9 februari 2026 in de zaken tussen [belanghebbende] , uit [woonplaats] , belanghebbende, (gemachtigde: mr. M. van Leeuwen), en de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur, en de Staat der Nederlanden (de minister van Justitie en Veiligheid), de Staat. Inleiding 1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank de beroepen van belanghebbende tegen de uitspraken op bezwaar van 14 maart 2024. 1.1. De inspecteur heeft aan belanghebbende over de jaren 2017 en 2018 de volgende navorderingsaanslagen in de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) en vergrijpboetes opgelegd en de volgende belastingrentebeschikkingen gegeven: Jaar Belastbaar inkomen uit werk en woning Vergrijpboete (10%) Belastingrente 2017 € 145.571 € 5.188 € 9.518 2018 € 182.588 € 5.252 € 7.535 1.2. De inspecteur heeft de bezwaren van belanghebbende ongegrond verklaard. 1.3. Belanghebbende is op 22 april 2025 door de griffier uitgenodigd om op de zitting te verschijnen van 15 mei 2025. De gemachtigde van belanghebbende heeft bij brief van 7 mei 2025 verzocht om uitstel van de zitting wegens (i) de noodzaak om het dossier te bestuderen in verband met zijn recente optreden als gemachtigde in de zaken en (ii) gezondheidsproblemen van belanghebbende. Dit verdagingsverzoek is toegewezen. 1.4. De griffier heeft belanghebbende vervolgens op 22 mei 2025 uitgenodigd om op de zitting van 22 augustus 2025 te verschijnen. De gemachtigde van belanghebbende heeft bij brief van 19 augustus 2025 verzocht om uitstel van de zitting wegens gezondheidsproblemen van belanghebbende. 1.5. De griffier heeft het verdagingsverzoek bij brief van 19 augustus 2025 toegewezen en daarin opgenomen: “ (…) Belanghebbende en diens gemachtigde worden verzocht om voor de maanden september en oktober hun verhinderdata door te geven, zodat hiermee rekening kan worden gehouden bij het (opnieuw) plannen van de zitting. De rechtbank wijst erop dat de zitting niet nogmaals zal worden uitgesteld. ” 1.6. De griffier heeft belanghebbende op 1 september 2025 uitgenodigd om op de zitting van 29 december 2025 te verschijnen om 9.30 uur. De gemachtigde van belanghebbende heeft de rechtbank bij brief van 4 december 2025 bericht dat de gezondheidstoestand van belanghebbende niet is verbeterd. Om die reden wordt verzocht om aanhouding van de zaken voor onbepaalde tijd. 1.7. De griffier heeft het verdagingsverzoek bij brief van 22 december 2025 afgewezen (zie 4) en daarin opgenomen: “ (…) De rechtbank verwijst naar haar brief van 19 augustus 2025. In die brief staat dat het uitstelverzoek voor de (eerder geplande) zitting van 22 augustus 2025 akkoord is bevonden, met de uitdrukkelijke mededeling dat geen verder uitstel meer zal worden verleend .” 1.8. De rechtbank heeft de beroepen op 29 december 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van belanghebbende en namens de inspecteur, mr. [inspecteur 1] en mr. [inspecteur 2] . Beoordeling door de rechtbank 2. De rechtbank beoordeelt of de navorderingsaanslagen en de bijbehorende boetebeschikkingen terecht aan belanghebbende zijn opgelegd. Verder beoordeelt de rechtbank of de belastingrentebeschikkingen terecht en niet naar te hoge bedragen zijn vastgesteld. Tot slot beoordeelt de rechtbank of belanghebbende recht heeft op een immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn. 2.1. Naar het oordeel van de rechtbank zijn de navorderingsaanslag IB/PVV 2018 en de bijbehorende belastingrentebeschikking terecht vastgesteld. De navorderingsaanslag IB/PVV 2017, alsmede de bijbehorende boete- en belastingrentebeschikking zijn ten onrechte opgelegd en moeten worden vernietigd. Ook de vergrijpboete bij de navorderingsaanslag IB/PVV 2018 is ten onrechte aan belanghebbende opgelegd en moet worden vernietigd. Daarnaast heeft belanghebbende recht op een immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot deze oordelen komt en welke gevolgen deze oordelen hebben. Feiten 3. Belanghebbende dreef in de onderhavige jaren een onderneming in de vorm van een eenmanszaak onder de naam [eenmanszaak] . De activiteiten bestonden uit het adviseren en bemiddelen bij het afsluiten van hypotheken en verzekeringen. 3.1. De inspecteur heeft aan belanghebbende tot 1 september 2018 uitstel verleend voor het doen van aangifte IB/PVV voor het jaar 2017. Belanghebbende heeft de aangifte op 30 april 2018 ingediend. Het belastbaar inkomen uit werk en woning is als volgt samengesteld: Belastbare winst uit onderneming € 41.899 - Netto omzet € 141.639 - Som van de bedrijfslasten -/- € 85.639 - Zelfstandigenaftrek -/- € 7.280 - MKB-winstvrijstelling -/- € 6.821 - Inkomsten eigen woning - € 25.431 Belastbaar inkomen uit werk en woning € 16.468 3.2. De inspecteur heeft bij brief van 19 november 2018 een boekenonderzoek aangekondigd naar de aanvaardbaarheid van (onder meer) de aangifte IB/PVV voor het jaar 2017. Gelijktijdig heeft hij belanghebbende verzocht om (onder meer) financiële auditfiles en (uitgebreide) jaarstukken te overleggen. 3.3. In antwoord op het verzoek van de inspecteur heeft belanghebbende bij e-mailbericht van 4 januari 2019 de verdichte winst- en verliesrekening, de balans alsmede enkele kostenfacturen overgelegd. 3.4. De inspecteur heeft aan belanghebbende tot 1 september 2019 uitstel verleend voor het doen van aangifte IB/PVV voor het jaar 2018. Belanghebbende heeft de aangifte op 29 augustus 2019 ingediend. Het belastbaar inkomen uit werk en woning is als volgt samengesteld: Belastbare winst uit onderneming € 50.549 - Netto omzet € 176.664 - Som van de bedrijfslasten -/- € 110.605 - Zelfstandigenaftrek -/- € 7.280 - MKB-winstvrijstelling -/- € 8.230 Inkomsten eigen woning - € 24.906 Verzamelinkomen € 25.643 3.5. De inspecteur heeft een intern e-mailbericht van 26 november 2019 overgelegd waaruit – voor zover relevant – volgt: “Zoals eerder besproken moet het onderzoek (de 2 opdrachten) bij [eenmanszaak] nog herbelegd worden. Daarbij geldt dat de post ook niet bij [naam] ondergebracht kan worden. We zullen maw moeten uitwijken (plan B). (…) Zodra we hier helderheid over hebben wil ik jou vragen om – in overleg met mij – contact op te nemen met de ondernemer/adviseur waarbij we aangeven dat door omstandigheden de controle opgeschort wordt en dat we deze door een collega zullen laten oppakken op een nader te bepalen moment ergens in het voorjaar (…) Daarbij straks ook aan te geven richting belanghebbende dat we eea uiteraard betreuren maar dat dit helaas niet anders kan. (…)” 3.6. De inspecteur heeft belanghebbende bij brief van 2 november 2020 medegedeeld dat het boekenonderzoek in verband met Covid-19 voor onbepaalde tijd wordt opgeschort. 3.7. De inspecteur heeft bij brief van 26 januari 2021 aangekondigd dat de (primitieve) aanslag IB/PVV voor het jaar 2017 zal worden opgelegd, wegens verjaring van de aanslagtermijn. Ook heeft de inspecteur aangegeven dat de aangifte IB/PVV 2017 als volgt zal worden gecorrigeerd: “ Aangegeven inkomen box 1 € 16.468 Ambtshalve correctie € 30.000 Gecorrigeerd inkomen box 1 € 46.468 ” 3.8.
Volledig
Vervolgens heeft de inspecteur de (primitieve) aanslag IB/PVV voor het jaar 2017 met dagtekening 23 februari 2021 aan belanghebbende opgelegd. Gelijktijdig heeft de inspecteur belastingrente in rekening gebracht. 3.9. Op 28 mei 2021 heeft de inspecteur aan belanghebbende een brief gestuurd waarin – voor zover relevant – het volgende staat: “Enige tijd geleden, op 17 maart 2021, heb ik u telefonisch gesproken inzake het lopende boekenonderzoek bij u en uw echtgenote. Tijdens dit telefoongesprek heb ik aangegeven dat ik graag de mogelijkheden met u wilde bespreken voor het maken van een afspraak inzake deze boekenonderzoeken. U gaf aan dat zowel u als uw vrouw besmet zijn geweest met Covid-19 en hier nog van aan het herstellen waren. Om deze reden heb ik met u afgesproken dat ik ongeveer een maand later wederom telefonisch contact met u op zou nemen, om te bekijken of een afspraak op dat moment wel tot de mogelijkheden zou behoren. Inmiddels heb ik u enkele malen geprobeerd telefonisch te bereiken (op [telefoonnummer] ), maar ik krijg helaas geen gehoor. Om deze reden zend ik u nu deze brief en verzoek ik u per ommegaande telefonisch contact met mij op te nemen via onderstaand telefoonnummer. Graag geef ik u hiervoor de gelegenheid tot uiterlijk 15 juni 2021. Indien ik na 15 juni 2021 niets meer van u heb vernomen, zal ik zelf overgaan tot het inplannen van een afspraak in verband met de lopende boekenonderzoeken.” 3.10. Belanghebbende heeft bij e-mailbericht van 16 juni 2021 gereageerd op de brief van de inspecteur. In dat e-mailbericht staat het volgende: “Op 28 mei 2021 heb ik van u de brief ontvangen waarin u aangeeft dat u mij niet telefonisch kon bereiken. Net voordat u mij belde is mijn schoonmoeder overleden waarvoor wij 35 jaar lang hebben gezorgd en mijn vrouw die al overspannen was heb ik alle steun gegeven met dit grote verlies. Aansluitend hebben wij beiden nog te veel last van vermoeidheid en zijn nog steeds beperkt in het dagelijkse leven. In juli 2021 krijg ik mijn Covid 19 vaccinatie toegediend en zal dan met mijn vrouw op vakantie gaan zodat we even met rust komen, daarna wil met u afspreken dat we een afspraak inplannen medio Augustus.” 3.11. Belanghebbende heeft de inspecteur op 3 augustus 2021 een e-mailbericht gestuurd naar aanleiding van het voorstel van de inspecteur om het inleidend gesprek van het boekenonderzoek op 24 augustus 2021 te laten plaatsvinden. In dat e-mailbericht heeft belanghebbende (onder meer) het volgende aangegeven: “Naar aanleiding van de afwezigheid van mijn accountant; welke tot en met 30 augustus 2021 met vakantie is (zie bijgevoegd e-mailbericht), verzoek ik u om de afspraak naar een andere datum te verschuiven. Ik wil dat mijn accountant aanwezig is bij het gesprek.” 3.12. Op 14 oktober 2021 heeft het inleidend gesprek van het boekenonderzoek plaatsgevonden. Daaraan hebben belanghebbende, diens adviseur ( [adviseur] ) en de inspecteur deelgenomen. Tijdens het gesprek heeft de inspecteur aangekondigd dat de reikwijdte van het boekenonderzoek wordt uitgebreid naar de aangiften IB/PVV 2018 en 2019. In het verslag van het inleidend gesprek staat – voor zover relevant – het volgende: “Afgesproken dat mw. [adviseur] geruim de tijd krijgt om de administratie op orde te krijgen. De administratie is een zooitje door de vorige boekhouder (dhr. [boekhouder] ). Wanneer alles op orde is (medio dec) ga ik verder met het onderzoek. Er is een afspraak gemaakt voor het daadwerkelijke boekenonderzoek op 16 december. Uiterlijk 2 weken daarvoor ontvang ik de nieuwe admin en de conceptaangiften.” 3.13. De adviseur van belanghebbende heeft de inspecteur op 21 januari 2022 een e-mailbericht gestuurd en daarin het volgende aangegeven: “ ik zit met een probleem. Om de administraties van 2018 en 2019 af te kunnen ronden heb ik [vader en zoon] nog een aantal vragen gesteld over grote posten die ik niet kan thuisbrengen. Ik hoor nu dat de zoon, die de stukken zou aanleveren, ziek is van Corona. Daarnaast moeten beide heren blijkbaar een moeilijk examen doen op 1 april en verzoeken ze om de controle te mogen uitstellen tot na 1 april. Kunt u hiermee akkoord gaan?” 3.14. De inspecteur heeft bij brief van 7 februari 2022 aangekondigd dat de (primitieve) aanslag IB/PVV voor het jaar 2018 zal worden opgelegd, wegens verjaring van de aanslagtermijn. Ook heeft de inspecteur aangegeven dat de aangifte IB/PVV 2018 als volgt zal worden gecorrigeerd: “ Aangegeven inkomen box 1 € 25.643 Ambtshalve correctie € 55.000 Gecorrigeerd inkomen box 1 € 80.643 ” 3.15. Vervolgens heeft de inspecteur de (primitieve) aanslag IB/PVV voor het jaar 2018 met dagtekening 10 maart 2022 aan belanghebbende opgelegd. Gelijktijdig heeft de inspecteur belastingrente in rekening gebracht. 3.16. De adviseur van belanghebbende heeft de auditfiles, jaaropgaven, bankafschriften en (herziene) conceptaangiften bij e-mailbericht van 8 april 2022 aan de inspecteur gezonden. 3.17. De bevindingen van het boekenonderzoek zijn vastgelegd in het controlerapport met dagtekening 24 februari 2023. Op grond van (onder meer) de nieuw opgezette administratie door de adviseur en de conceptaangiften heeft de inspecteur geconcludeerd dat de winst uit onderneming moet worden gecorrigeerd met € 83.728 (2017) en € 72.687 (2018). Voorts heeft de inspecteur geconcludeerd dat de aftrekbare kosten moeten worden gecorrigeerd met € 37.797 (2017) en € 52.298 (2017). Ook staat in het controlerapport – voor zover relevant – het volgende: “2.3.1Bewaarplicht Er wordt niet voldaan aan de bewaarplicht overeenkomstig artikel 52 Algemene wet inzake rijksbelastingen, omdat: (…) Tijdens het boekenonderzoek is gebleken dat van de kosten zoals verantwoord op grootboekrekening 52220 Representatiekosten en grootboekrekening 52300 Reis-en verblijfkosten geen facturen bewaard zijn gebleven. Dit is niet juist. Om deze reden breng ik correcties aan (zie hoofdstuk 3 van dit rapport en de bijgevoegde vaststellingsovereenkomst). (…) 2.4 Adviseur (…) In het verleden maakte belastingplichtige gebruik van de werkzaamheden van boekhouder de heer [boekhouder] . Destijds werd geen overleg gevoerd over de fiscale aangiften van belastingplichtige. Nadat belastingplichtige afscheid nam van de vorige boekhouder, heeft hij de fiscale aangiften gedeeltelijk zelf, dan wel via een plaatselijk administratiekantoor laten verzorgen. Aangezien de boekhouding over het controletijdvak bij aanvang van de controle niet op orde was, heb ik de huidige adviseur de gelegenheid gegeven orde op zaken te stellen. De administratie is gedurende het boekenonderzoek volledig opnieuw opgezet door de nieuwe adviseur. Naar aanleiding van het opzetten van de nieuwe administratie heeft de nieuwe adviseur tevens conceptaangiften inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen 2017, 2018 en 2019 opgesteld. Deze conceptaangiften heb ik als uitgangspunt genomen gedurende mijn controle. (…) 7.2.1 Vergrijpboeten wegens grove schuld bij navordering (…) De feiten en omstandigheden op grond waarvan deze vergrijpboeten worden opgelegd betreffen: Belanghebbende is ondernemer voor de inkomstenbelasting en is in die hoedanigheid verplicht een administratie te voeren; Belanghebbende heeft de financiële administratie in eerste aanleg volledig uitbesteed aan een adviseur (de heer [boekhouder] ) zonder daarbij toezicht te houden op de aangiften die de adviseur voor hem indiende; De samenwerking met de oude adviseur was zeer onzorgvuldig te noemen.
Volledig
De oude adviseur diende diverse fiscale aangiften in voor belanghebbende, hierop werd door belanghebbende niet gecontroleerd; Belanghebbende moet hebben geweten dat de aangiften die de oude adviseur voor hem indiende onvolledig waren gezien de verhouding van de te betalen belasting ten opzichte van de behaalde resultaten; Na beëindiging van de verstoorde relatie met de oude adviseur heeft belanghebbende de administratie zelfstandig opgepakt; Belanghebbende heeft onvoldoende kennis van de fiscale wetgeving, maar heeft gedurende het controletijdvak nagelaten op zoek te gaan naar een professional om zijn administratie over het controletijdvak volledig en juist te verwerken/te herstellen; Belanghebbende moet hebben geweten dat de resultaten zoals gepresenteerd in de fiscale aangiften niet volledig zijn geweest. Door geen controle te houden op de ingediende aangiften en niet tijdig actie te ondernemen wanneer is gebleken dat de oude adviseur zijn werkzaamheden niet op de juiste wijze verrichtte heeft belanghebbende dermate lichtvaardig gehandeld en daarmee de kans dat aangiften onjuist werden ingediend en aanslagen tot een te laag bedrag werden vastgesteld aanvaard. (…) 7.3 Nadere straftoemeting (…) In de huidige situatie zijn er verzachtende omstandigheden aanwezig, waardoor ik bereid ben de boeten te matigen. Deze omstandigheden zijn de volgende: Belanghebbende heeft zich op enig moment vergewist van het felt dat hij en zijn echtgenote de boekhouding niet zelfstandig konden voeren; Belanghebbende is daarom op zoek gegaan naar een professional om zijn boekhouding te verwerken en de fiscale aangiften in te dienen; Belanghebbende maakt sinds enkele jaren gebruik van de boekhoud- en advieswerkzaamheden van adviseur mevrouw [adviseur] ; Ten tijde van het vooraankondigen van het boekenonderzoek (19 november 2018) maakte belanghebbende nog geen gebruik van de kwaliteiten van mevrouw [adviseur] ; Het contact met de nieuwe adviseur is pas ná de vooraankondiging van het boekenonderzoek ontstaan; Echter gedurende het boekenonderzoek heeft belanghebbende er samen met de nieuwe adviseur voor gezorgd dat de volledige financiële administratie opnieuw werd opgezet; Belanghebbende heeft daarom, in samenwerking met zijn adviseur, goed meegewerkt aan het boekenonderzoek en probeert vanaf heden de administratie op dusdanige wijze te voeren zoals van een ondernemer mag worden verwacht. Dit geeft aanleiding om (…) de boete te matigen tot: 10 % van de boetegrondslag.” 3.18. De inspecteur heeft vervolgens de navorderingsaanslagen met dagtekening 1 april 2023 aan belanghebbende opgelegd. Gelijktijdig heeft de inspecteur de boete- en belastingrentebeschikkingen vastgesteld (zie 1.1). Overwegingen Vooraf: afwijzing verdagingsverzoek 4. De rechtbank heeft op 4 december 2025 een brief van de gemachtigde van belanghebbende ontvangen met het verzoek de zitting te verdagen omdat belanghebbende wegens gezondheidsproblemen niet op de zitting aanwezig kan zijn. De rechtbank heeft in het licht van een goede procesgang en voortgang van de zaken besloten de zitting door te laten gaan en daaraan voorrang te geven boven het belang van belanghebbende om de behandeling van de zaken te laten plaatsvinden op een ander moment. Bij deze beslissing heeft de rechtbank meegewogen dat de zitting tweemaal eerder op verzoek van (de gemachtigde van) belanghebbende is uitgesteld; oorspronkelijk stond de zitting gepland op 15 mei 2025. Daarnaast heeft de rechtbank in haar brief van 19 augustus 2025 uitdrukkelijk aangegeven dat de zitting niet opnieuw zal worden uitgesteld (zie 1.5). Mocht de inspecteur navorderen? 4.1. Indien een feit grond oplevert voor het vermoeden dat een aanslag tot een te laag bedrag is vastgesteld (een zogenaamd nieuw feit), kan de inspecteur de te weinig geheven belasting navorderen. Een feit dat de inspecteur bekend was of redelijkerwijs bekend had kunnen zijn, kan geen grond voor navordering opleveren, tenzij de belastingplichtige ten aanzien van dit feit te kwader trouw is. 4.2. Belanghebbende heeft zich – kort samengevat – op het standpunt gesteld dat de inspecteur voor de jaren 2017 en 2018 niet beschikt over het voor navordering vereiste nieuwe feit. In dit verband voert belanghebbende aan dat de inspecteur een ambtelijk verzuim heeft begaan door na de ontvangst van de onvolledige administratie op 4 januari 2019 onvoldoende voortvarend te handelen. 4.3. De inspecteur stelt dat voldoende voortvarend is gehandeld. Het boekenonderzoek heeft als gevolg van organisatorische problemen, Covid-19 en ziekte van belanghebbende vertraging opgelopen. Omdat de aanslagtermijn dreigde te verstrijken, kon de inspecteur niet wachten met het opleggen van de (primitieve) aanslagen totdat de resultaten van het boekenonderzoek bekend waren. 4.4. De rechtbank stelt voorop dat de inspecteur, indien hij zodanig twijfelt aan de juistheid van een aangifte en om die reden een onderzoek instelt, in beginsel moet wachten met het opleggen van een aanslag totdat hij beschikking heeft over de resultaten van het onderzoek. In het geval dat de inspecteur een aanslag oplegt zonder te wachten op de resultaten van het onderzoek, dan begaat hij daarmee een ambtelijk verzuim dat niet door middel van navordering kan worden hersteld. Dat is alleen anders indien er gegronde redenen zijn waardoor het geboden is de aanslag al op te leggen voordat met de resultaten van dat onderzoek rekening kan worden gehouden. 4.5. Uit het arrest van de Hoge Raad van 22 april 2022 volgt dat het verstrijken van de aanslagtermijn een gegronde reden vormt voor het opleggen van een primitieve aanslag, ook tijdens een lopend boekenonderzoek. Daarbij is van belang met welke omvang van de belastingschuld de inspecteur op het moment van het opleggen van de primitieve aanslag in redelijkheid ten minste rekening moest houden. De gegevens waarmee de inspecteur in redelijkheid rekening moet houden, betreffen de gegevens waarover hij bij een behoorlijke en voortvarende taakuitoefening had kunnen beschikken. Als blijkt dat de inspecteur niet behoorlijk en voortvarend heeft gehandeld, dan is sprake van een ambtelijk verzuim dat navordering in de weg staat. 4.6. De rechtbank is van oordeel dat de inspecteur voor het jaar 2017 onvoldoende behoorlijk en voortvarend heeft gehandeld. Daartoe overweegt de rechtbank als volgt. Uit de feiten volgt dat belanghebbende de door de inspecteur opgevraagde stukken ten behoeve van het boekenonderzoek gedeeltelijk heeft overgelegd op 4 januari 2019 (zie 3.2). Nadien is verder contact uitgebleven totdat de inspecteur belanghebbende op 2 november 2020 informeerde dat het boekenonderzoek werd opgeschort (zie 3.6), dit ondanks het verstrijken van de aanslagtermijn op 30 april 2021. De rechtbank constateert dat de inspecteur na de ontvangst van de gevraagde stukken gedurende een periode van ruim 21 maanden geen (relevante) controlehandelingen heeft verricht. Daarmee heeft de inspecteur niet gehandeld zoals bij een behoorlijke taakuitoefening van hem mag worden verwacht. Het betoog van de inspecteur dat (mede) sprake was van organisatorische problemen, doet daar niet aan af. Onder deze omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat sprake is van een ambtelijk verzuim aan de zijde van de inspecteur, hetgeen navordering op grond van een nieuw feit in de weg staat. Dit betekent dat de rechtbank de navorderingsaanslag IB/PVV 2017 en de daarbij horende boete- en belastingrentebeschikking zal vernietigen. 4.7. De rechtbank is van oordeel dat de inspecteur voor het jaar 2018 beschikte over een nieuw feit dat navordering rechtvaardigt. Uit de stukken volgt dat de inspecteur vanaf 17 maart 2021 (telefonisch) heeft gepoogd om het inleidend gesprek van het boekenonderzoek te laten plaatsvinden (zie 3.9). Vanwege verschillende (persoonlijke) omstandigheden aan de zijde van belanghebbende heeft dit gesprek uiteindelijk pas op 14 oktober 2021 plaatsgevonden (zie 3.10 tot en met 3.12). Voorts heeft (de adviseur van) belanghebbende de nieuw opgezette administratie pas op 8 april 2022 aan de inspecteur toegezonden, ondanks de afspraak dat de administratie begin december 2021 gereed moest zijn (zie 3.12).
Volledig
Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de inspecteur niet beschikte – en niet behoefde te beschikken – over alle relevante informatie die benodigd was om de primitieve aanslag tot het juiste bedrag vast te stellen. Het niet tijdig overleggen van de administratie door (de adviseur van) belanghebbende, is een omstandigheid die niet aan de inspecteur kan worden tegengeworpen. Tevens faalt het betoog van belanghebbende dat de inspecteur bij de aanslagregeling nog rekening kon houden met overgelegde administratie. De aanslagtermijn eindigde in dit geval – gelet op het door de inspecteur verleende uitstel (zie 3.4) – op 30 april 2022. Het is een feit van algemene bekendheid dat de inspecteur voor het controleren van de overgelegde stukken en het opleggen van een aanslag meer tijd benodigd heeft dan een periode van (afgerond) drie weken. Vergrijpboete (2018) 4.8. Aan belanghebbende is bij de navorderingsaanslag IB/PVV 2018 een vergrijpboete opgelegd van 10% van de verschuldigde belasting op basis van artikel 67e van de Awr. De inspecteur heeft de vergrijpboete opgelegd naar aanleiding van de bevindingen in het controlerapport. Volgens de inspecteur heeft het grofschuldig handelen van belanghebbende ertoe geleid dat over het jaar 2018 te weinig belasting is geheven (zie 3.17). 4.9. De rechtbank stelt voorop dat de aanwezigheid van een beboetbaar feit alleen kan worden aangenomen als de daarvoor vereiste feiten en omstandigheden buiten redelijke twijfel zijn komen vast te staan. Dit dient begrepen te worden als ‘doen blijken’, dat wil zeggen: ‘overtuigend aantonen’. De rechtbank zal daarom beoordelen of de inspecteur overtuigend heeft aangetoond dat het aan de grove schuld van belanghebbende is te wijten dat de aanslag IB/PVV 2018 tot een te laag bedrag is vastgesteld. 4.10. Indien een belastingplichtige zich laat bijstaan door een adviseur die hij voor voldoende deskundig mocht houden, is er geen aanleiding tot het stellen van de algemene eis dat de belastingplichtige zich ter voorkoming van fouten ook zelf in de inhoudelijke aspecten van op hem toepasselijke belastingregelingen verdiept. 4.11. Tussen partijen is niet in geschil dat belanghebbende de oud-adviseur ( [boekhouder] ) heeft ontslagen zodra duidelijk werd dat deze zijn werkzaamheden niet naar behoren verrichtte (zie 3.17). Daarna heeft belanghebbende een nieuwe adviseur ( [adviseur] ) ingeschakeld. De rechtbank is van oordeel dat de inspecteur niet overtuigend heeft aangetoond dat niet de oud-adviseur maar belanghebbende zelf een deel van de administratie over 2018 heeft gevoerd en de aangifte IB/PVV 2018 heeft ingediend. Tevens heeft de inspecteur niet onderbouwd en daarom niet overtuigend aangetoond dat belanghebbende niet alle relevante gegevens aan de oud-adviseur overgelegd zou hebben. 4.12. De rechtbank overweegt dat belanghebbende zich heeft laten bijstaan door een adviseur die hij voor voldoende deskundig mocht houden en hij erop mocht vertrouwen dat de aangifte IB/PVV 2018 correct was opgemaakt. Hierbij neemt de rechtbank in aanmerking dat tussen partijen niet in geschil is dat belanghebbende onvoldoende kennis heeft van de fiscale regelgeving (zie 3.17). Onder die omstandigheden kan niet worden vastgesteld – en dus niet overtuigend worden aangetoond – dat sprake is van grove schuld aan de zijde van belanghebbende. Naar het oordeel van de rechtbank is de inspecteur daarom niet geslaagd in de op hem rustende bewijslast Dit betekent dat de rechtbank de boetebeschikking behorend bij de navorderingsaanslag IB/PVV 2018 zal vernietigen. Belastingrentebeschikking (2018) 4.13. De beroepen worden geacht mede betrekking te hebben op de belastingrentebeschikking. Belanghebbende heeft geen zelfstandige gronden tegen de in rekening gebrachte belastingrente aangevoerd. De rechtbank ziet geen aanleiding af te wijken van de belastingrentebeschikking met betrekking tot het belastingjaar 2018. Immateriële schadevergoeding 4.14. Belanghebbende maakt aanspraak op vergoeding van immateriële schade in verband met de duur van de bezwaar- en beroepsprocedures. 4.15. De Hoge Raad heeft als uitgangspunt bepaald dat een redelijke behandeltijd voor de bezwaar- en beroepsfase in eerste aanleg een periode van twee jaar bedraagt. Indien deze termijn wordt overschreden, is er aanleiding voor een vergoeding van immateriële schade van € 500 per half jaar overschrijding. Uitsluitend bijzondere omstandigheden kunnen aanleiding zijn voor verlenging van de redelijke termijn. 4.16. De inspecteur heeft de (afzonderlijke) bezwaarschriften op 16 mei 2023 ontvangen. Aangezien de rechtbank uitspraak doet op 9 februari 2026, heeft de bezwaar- en beroepsprocedure (afgerond) twee jaar en negen maanden geduurd. 4.17. De rechtbank heeft op verzoek van (de gemachtigde van) belanghebbende de behandeling van de beroepen tweemaal uitgesteld. De rechtbank ziet daarin aanleiding om de redelijke termijn te verlengen met de periode tussen de datum waarop de tweede zitting was gepland, te weten 22 augustus 2025, en de datum van de uiteindelijk zitting, te weten 29 december 2025. 4.18. Uit het voorgaande volgt dat de redelijke termijn is overschreden met vijf maanden. Belanghebbende heeft daarom recht op een schadevergoeding van € 500. De bezwaarfase is geëindigd met het op de voorgeschreven wijze bekendmaken van de uitspraken op bezwaar op 14 maart 2024. De bezwaarfase heeft afgerond tien maanden geduurd en daarmee vier maanden te lang. Dit brengt mee dat € 400 voor rekening van de inspecteur komt en de rest (€ 100) voor rekening van de Staat der Nederlanden. De Nederlandse Staat is daarom in zoverre aangemerkt als partij in dit geding. Conclusie en gevolgen 5. Het beroep met betrekking tot de navorderingsaanslag IB/PVV 2017 en de daarbij horende vergrijpboete en belastingrentebeschikking is gegrond. Het beroep met betrekking tot de navorderingsaanslag IB/PVV 2018 is gegrond voor zover het ziet op de vergrijpboete. Dat betekent dat de rechtbank de vergrijpboetes, de navorderingsaanslag IB/PVV 2017 en de daarbij horende belastingrentebeschikking vernietigt. De navorderingsaanslag IB/PVV 2018 en de daarbij horende belastingrentebeschikking blijven in stand. 5.1. Omdat het beroep gegrond is, moet de inspecteur het griffierecht aan belanghebbende vergoeden. Belanghebbende krijgt ook een vergoeding van haar proceskosten die zij in verband met de behandeling van het beroep heeft moeten maken. De inspecteur moet die vergoeding betalen. De vergoeding wordt op basis van het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld. Bij het vaststellen van de proceskostenvergoeding gaat de rechtbank ervan uit dat de zaken van belanghebbende samenhangen. De zaken zijn immers nagenoeg gelijktijdig door de inspecteur en door de rechtbank behandeld, waarbij de werkzaamheden van de gemachtigde in elk van deze zaken betrekking hadden op dezelfde materie en casuïstiek. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt belanghebbende een vast bedrag per proceshandeling. In de bezwaarfase worden de kosten van rechtsbijstand vastgesteld op basis van 2 punten (bezwaarschrift en het verschijnen ter hoorzitting), met een waarde van € 666 per punt. Ook heeft belanghebbende recht op 1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het bijwonen van de zitting, met een waarde van € 934 per punt. De rechtbank hanteert een wegingsfactor van 1. De rechtbank kent geen punt toe voor het indienen van het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn. Dit verzoek gaat als nevenvordering op in de proceshandeling ‘indienen beroepschrift’. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 3.200.