Rechtspraak Rechtbank Zeeland-West-Brabant 2026-07-31
ECLI:NL:RBZWB:2026:7169
NiNbi beschikking RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Zittingsplaats Breda Belastingrecht zaaknummer: BRE 25/6087 uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 31 juli 2026 in de zaak tussen [belanghebbende] , uit [woonplaats] , belanghebbende, en de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur. Inleiding 1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 20 november 2025. 1.1. De inspecteur heeft voor het jaar 2022 een beschikking ‘Niet in Nederland belastbaar inkomen’(hierna NiNbi-beschikking) vastgesteld. 1.2. De inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard. 1.3. De rechtbank heeft het beroep op 7 juli 2026 op zitting behandeld. Belanghebbende heeft zich voorafgaand aan de zitting afgemeld. Namens de inspecteur hebben aan de zitting deelgenomen: mr. [inspecteur 1] , mr. [inspecteur 2] en mr. [inspecteur 3] . Beoordeling door de rechtbank 2. De rechtbank beoordeelt of het wereldinkomen in de NiNbi-beschikking te hoog is vastgesteld. Daarna beoordeelt de rechtbank of het vertrouwensbeginsel is geschonden. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende. 3. De rechtbank is van oordeel dat de Ninbi-beschikking dient te worden verlaagd conform het nader door de inspecteur ingenomen standpunt (zie 6.). Het vertrouwensbeginsel is naar het oordeel van de rechtbank niet geschonden. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Feiten 4. Belanghebbende woont in Duitsland en is buitenlandse belastingplichtige. 4.1. In het jaar 2022 heeft belanghebbende zijn lijfrente polis bij de [bank] N.V. ( [bank] ) afgekocht, wat tot een uitkering van € 190.105 heeft geleid (de afkoopsom). Daarnaast heeft belanghebbende een uitkering ontvangen vanuit Duitsland (de Duitse uitkering). 4.2. Belanghebbende heeft direct na ontvangst van de afkoopsom een lijfrentepolis afgesloten bij de Duitse verzekeraar [verzekeraar] en de waarde van de afkoopsom in de lijfrentepolis ingebracht. 4.3. Belanghebbende heeft een opgaaf wereldinkomen over het jaar 2022 ingediend. 4.4. Bij het opleggen van de NiNbi-beschikking is de inspecteur afgeweken van de door belanghebbende gedane opgaaf wereldinkomen. Het verschil is dat de afkoopsom tot het wereldinkomen is gerekend. De NiNbi-beschikking is als volgt opgebouwd: Wereldinkomen: € 257.735 Waarvan in Nederland belastbaar: € 47.326 -/- NiNbi: € 210.409 4.5. Zowel de afkoopsom als de Duitse uitkering zijn niet belast bij de aanslag IB/PVV 2022 van belanghebbende. 4.6. Ten aanzien van de afkoopsom heeft de inspecteur een vrijstelling voor de inhouding van loonheffingen afgegeven. Motivering Vooraf 5. Belanghebbende voert in zijn beroepschrift aan dat hij dubbel premies moet betalen aan het Centraal Administratie Kantoor (CAK). De belastingrechter is echter niet bevoegd om te oordelen over de hoogte van de verdragsbijdrage die belanghebbende aan het CAK verschuldigd is. In deze procedure kan de belastingrechter enkel oordelen over de juistheid van de NiNbi-beschikking 2022. Hoogte van het Niet in Nederland belast inkomen 6. De inspecteur heeft in het verweerschrift het nadere standpunt ingenomen dat de Duitse uitkering van € 7.070 niet tot het NiNbi 2022 had moeten worden gerekend. 6.1. Naar het oordeel van de rechtbank moet de NiNbi-beschikking in ieder geval worden verminderd overeenkomstig het nadere standpunt van de inspecteur. Het beroep van belanghebbende is in zoverre gegrond. 6.2. Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat ook de afkoopsom van € 190.105 niet tot het NiNbi 2022 moet worden gerekend. 6.3. Het NiNbi wordt voor de buitenlandse belastingplichtige op grond van artikel 8a, tweede lid, onderdeel b van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen vastgesteld op: “het verschil tussen enerzijds het verzamelinkomen dat hij zou hebben genoten ingeval hij binnenlandse belastingplichtige zou zijn en, in geval van vrijstelling op grond op grond van bepalingen van interregionaal of internationaal recht, zonder die vrijstelling, en anderzijds het verzamelinkomen dat hij heeft genoten als buitenlandse belastingplichtige;”. 6.4. Dat de hoogte van het inkomen dat belanghebbende heeft genoten als buitenlandse belastingplichtige € 47.326 bedraagt, is tussen partijen niet in geschil. De vraagt die voorligt is of de afkoopsom tot het verzamelinkomen zou hebben gehoord dat hij als binnenlandse belastingplichtige zou hebben genoten. 6.5. De afkoop van een lijfrente is in strijd met de formele voorwaarden waaraan een vrijgestelde aanspraak moet voldoen. Indien een lijfrente wordt afgekocht of vervreemd wordt de afkoop aangemerkt als negatieve uitgave voor inkomensvoorzieningen en wordt deze in aanmerking genomen bij de bepaling van het belastbaar inkomen uit werk en woning. Indien belanghebbende binnenlandse belastingplichtige was geweest had de afkoopsom op grond van het voorgaande tot zijn verzamelinkomen behoord. 6.6. De omstandigheid dat belanghebbende de waarde van de afkoopsom direct heeft ondergebracht in een nieuwe lijfrentepolis bij een Duitse verzekeraar, verandert het voorgaande oordeel niet. Er is geen bepaling in de Wet IB 2001 die de uitkering in dat geval niet als inkomen aanmerkt. Vertrouwensbeginsel 7. Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat het vertrouwensbeginsel is geschonden. Hij voert aan dat hij aan een uitvoerig overleg met een medewerker van de Belastingdienst het vertrouwen kon ontlenen dat de afkoopsom niet tot het NiNbi 2022 zou worden gerekend. 7.1. De rechtbank overweegt dat voor een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel belanghebbende aannemelijk moet maken dat door de inspecteur toezeggingen of andere uitlatingen zijn gedaan of gedragingen zijn verricht waaruit belanghebbende in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs kon en mocht afleiden of en zo ja, hoe de inspecteur in een concreet geval zijn bevoegdheden zou uitoefenen. 7.2. Naar het oordeel van de rechtbank heeft belanghebbende niet aannemelijk gemaakt dat het vertrouwensbeginsel is geschonden. Belanghebbende heeft in het geheel geen onderliggende stukken van het overleg met de medewerker overgelegd en heeft niet geconcretiseerd wat hem specifiek zou zijn toegezegd. Conclusie en gevolgen 8. Het beroep is gegrond gelet op het nadere standpunt van de inspecteur (6.). De rechtbank zal het niet in Nederland belast inkomen daarom verlagen met € 7.070 tot € 203.339. 8.1. Omdat het beroep gegrond is moet de inspecteur het griffierecht aan belanghebbende vergoeden. Belanghebbende heeft geen proceskosten gemaakt die vergoed kunnen worden. Beslissing De rechtbank: - verklaart het beroep gegrond; - vernietigt de uitspraak op bezwaar; - vermindert de NiNbi-beschikking tot een NiNbi van € 203.339; - gelast dat de inspecteur het door belanghebbende betaalde griffierecht van € 53 aan hem vergoedt. Deze uitspraak is gedaan door mr. G.H. de Soeten, rechter, in aanwezigheid van mr. S.A. van Beijsterveldt, griffier. griffier rechter Uitgesproken op 31 juli 2026. De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld. Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt. Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch. De werking van deze uitspraak wordt opgeschort totdat de termijn voor het instellen van hoger beroep is verstreken, of indien hoger beroep wordt ingesteld, op dat hoger beroep is beslist. Artikel 1.7, eerste lid van de Wet IB 2001. Dit volgt uit artikel 3.133, tweede lid, onderdeel d van de Wet IB 2001. Vgl. Hoge Raad 19 juni 2020, ECLI:NL:HR:2020:1069.