Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2026-02-09
ECLI:NL:RBZWB:2026:624
Bestuursrecht; Omgevingsrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
6,099 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBZWB:2026:624 text/xml public 2026-03-05T16:17:16 2026-02-03 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Zeeland-West-Brabant 2026-02-09 25/1898 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Breda Bestuursrecht; Omgevingsrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:624 text/html public 2026-03-05T14:42:25 2026-03-05 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBZWB:2026:624 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 09-02-2026 / 25/1898 Omgevingsvergunning voor legaliseren dakramen op voordakvlak op goede gronden verleend. Geen strijd met redelijke eisen van welstand. RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Zittingsplaats Breda Bestuursrecht zaaknummer: BRE 25/1898 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 9 februari 2026 in de zaak tussen [eiser] , uit [plaats] , eiser (gemachtigde: mr. S.C.M. Suijkerbuijk) en Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Baarle-Nassau (gemachtigde: mr. L.C.J. Nouws). Als derde-partij neemt aan de zaak deel: [vergunninghoudster] uit [plaats] (vergunninghoudster). Samenvatting 1. Deze uitspraak gaat over de aan vergunninghoudster verleende vergunning voor het legaliseren van twee dakramen op het voordakvlak van haar woning. Eiser is het daar niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Mede aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank of het college de omgevingsvergunning op goede gronden heeft verleend. 1.1. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college de omgevingsvergunning op goede gronden heeft verleend. Eiser krijgt dus geen gelijk en het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. 1.2. Onder 2 staat het procesverloop in deze zaak. Onder 3 staan de van belang zijnde feiten en omstandigheden die hebben geleid tot het bestreden besluit. De beoordeling door de rechtbank volgt vanaf 5. Aan het eind staan de beslissing van de rechtbank en de gevolgen daarvan. Procesverloop 2. Het college heeft een omgevingsvergunning verleend voor het legaliseren van twee dakramen op het voordakvlak van de woning van vergunninghoudster. Met het bestreden besluit van 6 februari 2025 op het bezwaar van eiser is het college bij dat besluit gebleven. 2.1. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. 2.2. Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. 2.3. Vergunninghoudster heeft ook schriftelijk gereageerd. 2.4. De rechtbank heeft het beroep op 27 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser bijgestaan door zijn gemachtigde en de gemachtigde van het college, vergezeld door [vertegenwoordiger] (van de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit). Namens vergunninghoudster is haar partner, [partner vergunninghoudster] , verschenen. Totstandkoming van het bestreden besluit 3. Eiser woont aan [adres 1] in [plaats] . Vergunninghoudster is zijn buurvrouw en woont aan [adres 2] in [plaats] (hierna: de woning). 3.1. In 2021 heeft vergunninghoudster twee dakramen gerealiseerd op het voordakvlak van haar woning zonder dat zij daar een vergunning voor had. Op 24 mei 2022 heeft zij alsnog een omgevingsvergunning aangevraagd. Op 8 juni 2022 heeft het college een omgevingsvergunning verleend voor het legaliseren van de twee reeds geplaatste dakramen. Eiser heeft hiertegen bezwaar gemaakt. In beroep is de verleende omgevingsvergunning in stand gelaten. Deze vergunning is vervolgens onherroepelijk geworden. 3.2. Op 20 oktober 2023 heeft eiser een verzoek om handhaving gedaan omdat de geplaatste dakramen in de praktijk afwijken van dat wat het college heeft vergund. Het college heeft dat verzoek op 20 december 2023 afgewezen. Eiser heeft hiertegen bezwaar gemaakt. Het college heeft het bezwaar van eiser gegrond verklaard, omdat de werkelijke situatie afwijkt van de tekeningen (ramen niet op een afstand van één dakpan). 3.3. Op 27 augustus 2024 heeft het college een last onder dwangsom opgelegd aan vergunninghoudster. Zij kon de overtreding opheffen door een nieuwe omgevingsvergunning aan te vragen, waarbij de bouwtekening conform de daadwerkelijke situatie is. 3.4. Op 30 augustus 2024 heeft vergunninghoudster daarom opnieuw een omgevingsvergunning aangevraagd voor het legaliseren van twee dakramen op het voordakvlak van de woning. De omgevingsvergunning is aangevraagd voor de activiteit: bouwactiviteit (omgevingsplan). 3.5. Op 16 september 2024 heeft de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit (CRK) beoordeeld of het plan niet in strijd is met redelijke eisen van welstand. De CRK heeft daarbij gekeken naar het uiterlijk en de plaatsing van het bouwwerk zowel op zichzelf beschouwd als in verband met de omgeving of de te verwachten ontwikkeling daarvan, beoordeeld volgens de welstandsnota; deelgebied ‘woonwijken in traditionele blokverkaveling (W4)’ en ‘reguliere welstandsgebieden’ uit de welstandsnota. De CRK heeft positief geadviseerd en daartoe overwogen: “De voorgestelde dakramen aan de voorzijde zijn in de uitstraling met de afmeting en plaatsing ondergeschikt aan het dak en tasten de bestaande karakteristieken van de woning niet aan. Een evenwichtig beeld ontstaat.” 3.6. Bij besluit van 19 september 2024 (primaire besluit) heeft het college de gevraagde omgevingsvergunning verleend aan vergunninghoudster. 3.7. Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen dit besluit. 3.8. Op 4 december 2024 heeft de CRK in een aanvullend advies overwogen: “De te legaliseren dakvensters zijn op een afstand van een halve dakpan en een nokvorst onder de nok van de woning gesitueerd. De twee voorgestelde dakvensters in het voordakvlak van de woning zijn door de plaatsing in het dakvlak en met de afmeting ondergeschikt in de uitstraling en dit wordt passend gevonden bij de bestaande architectuur. De contour van de woning blijft met een afstand van een halve dakpan en een nokvorst onder de nok gewaarborgd en voldoende afleesbaar. De toegevoegde dakvensters zijn in samenhang met de architectuur van de woning en een evenwichtig totaalbeeld in de straat ontstaat.” 3.9. Op 16 december 2024 heeft een hoorzitting plaatsgevonden bij de commissie bezwaarschriften (de commissie). 3.10. In een advies van 20 januari 2025 heeft de commissie het college geadviseerd de bezwaren ongegrond te verklaren en het bestreden besluit, met inachtneming van hetgeen door de commissie is overwogen, in stand te laten. 3.11. In het bestreden besluit heeft het college het bezwaar van eiser, in navolging van het advies van de commissie, ongegrond verklaard. Het college heeft het primaire besluit in stand gelaten, onder aanvulling van de motivering en met toevoeging van de door de CRK op 4 december 2024 beoordeelde en akkoord bevonden [tekening] . Deze tekening zal volgens het college als leidende tekening gelden voor de eindsituatie. Beroepsgronden 4. Eiser stelt dat de dakvensters in strijd zijn met de redelijke eisen van welstand en voert aan dat het welstandsadvies gebreken vertoont, zodat het college dit niet had mogen volgen. Eiser stelt verder dat de vergunde situatie afwijkt van de feitelijke situatie en dat de kozijnen niet geplaatst zijn conform de plaatsingsinstructies. Tot slot stelt eiser dat hij vreest voor precedentwerking als deze omgevingsvergunning in stand zal blijven. Beoordeling door de rechtbank Ontvankelijkheid beroep 5. Het college heeft zich in het verweerschrift op het standpunt gesteld dat het pro forma beroepschrift één dag na het verstrijken van de beroepstermijn is ontvangen door de rechtbank, zodat de rechtbank de ontvankelijkheid van het beroep dient te beoordelen. 5.1. De rechtbank volgt dat standpunt niet. Op grond van artikel 6:8 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) begint de beroepstermijn van zes weken te lopen op de dag na de dag waarop het besluit op de wettelijk voorgeschreven wijze is bekendgemaakt. De rechtbank stelt vast dat het bestreden besluit is verzonden op 6 februari 2025, zodat de termijn is aangevangen op 7 februari 2025. Het pro forma beroepschrift van eiser is precies zes weken later, op 21 maart 2025, ingekomen bij de griffie van de rechtbank . Het beroep is dus tijdig ingesteld. 5.2.
Volledig
Het college heeft in het verweerschrift ook nog opgemerkt dat er achttien weken zijn verstreken voor eiser zijn aanvullende beroepsgronden heeft ingediend en vraagt zich af of nog gesproken kan worden van een redelijke termijn voor het aanvullen van beroepsgronden. 5.3. De rechtbank overweegt dat eiser op 29 april 2025 is verzocht om binnen vier weken aanvullende gronden in te dienen. Eiser heeft geen aanvullende gronden ingediend binnen die termijn en heeft op 1 juli 2025 verzocht om uitstel. Op 15 juli 2025 heeft de rechtbank uitstel verleend aan eiser tot 1 augustus 2025 . De rechtbank stelt vast dat eiser zijn aanvullende gronden op 31 juli 2025, dus binnen de hem gegeven (tweede) termijn, heeft ingediend. De rechtbank ziet dan ook onvoldoende aanleiding om te oordelen dat eiser niet ontvankelijk is in zijn beroep omdat de aanvullende beroepsgronden niet tijdig zouden zijn ingediend. Toetsingskader 6. Op 1 januari 2024 is de Omgevingswet in werking getreden. Met de inwerkingtreding van deze wet heeft elke gemeente direct een omgevingsplan van rechtswege dat regels geeft over de fysieke leefomgeving voor het gehele grondgebied van de gemeente. Dat omgevingsplan bestaat voor nu uit een tijdelijk deel, waarin onder meer alle bestemmingsplannen zijn opgenomen die vóór 1 januari 2024 golden. Op het perceel [adres 2] in [plaats] was vóór 1 januari 2024 het bestemmingsplan “Dorpen, 1e herziening” van kracht. Dat bestemmingsplan maakt dus onderdeel uit van het tijdelijk deel van het omgevingsplan van de gemeente Baarle-Nassau . Volgens het bestemmingsplan “Dorpen, 1e herziening” gelden op het perceel de bestemmingen ‘Wonen’ en ‘Waarde – Archeologie’. 6.1. Op grond van artikel 22.29, eerste lid, van het omgevingsplan geldt dat voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een bouwactiviteit en het in stand houden en gebruiken van het te bouwen bouwwerk, de omgevingsvergunning alleen wordt verleend als: a. de activiteit niet in strijd is met de in dit omgevingsplan gestelde regels over het bouwen, in stand houden en gebruiken van bouwwerken, met uitzondering van Paragraaf 22.2.4; het uiterlijk of de plaatsing van het bouwwerk, met uitzondering van een tijdelijk bouwwerk dat geen seizoensgebonden bouwwerk is, zowel op zichzelf beschouwd als in verband met de omgeving of de te verwachten ontwikkeling daarvan, niet in strijd is met redelijke eisen van welstand, beoordeeld volgens de criteria van de welstandsnota, bedoeld in artikel 12a, eerste lid, van de Woningwet, zoals dat artikel luidde voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet; en de activiteit betrekking heeft op een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie en: 1. de toelaatbare kwaliteit van de bodem niet wordt overschreden; of 2. bij overschrijding van de toelaatbare kwaliteit van de bodem: als aannemelijk is dat een sanerende of andere beschermende maatregelen wordt getroffen. Een sanerende of andere beschermende maatregel is in ieder geval een sanering overeenkomstig paragraaf 4.121 van het Besluit activiteiten leefomgeving. Op grond van het tweede lid van artikel 22.29 van het omgevingsplan is het eerste lid, aanhef en onder b, niet van toepassing als (a) het gaat om een in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, aangewezen gebied of bouwwerk waarvoor geen redelijke eisen van welstand van toepassing zijn; of (b) het bevoegd gezag van oordeel is dat de omgevingsvergunning in afwijking van het eerste lid, aanhef en onder b, toch moet worden verleend. 6.2. Een activiteit die in strijd is met het (tijdelijk deel van) het omgevingsplan wordt een omgevingsplanactiviteit genoemd. Op grond van artikel 5.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Omgevingswet is het verboden om zonder omgevingsvergunning een omgevingsplanactiviteit te verrichten. In het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) staan beoordelingsregels. Deze beoordelingsregels vormen het toetsingskader dat geldt wanneer het college de omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit verleent. 6.3. Artikel 8.0a, eerste lid, van het Bkl bepaalt dat voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een omgevingsplanactiviteit, als het gaat om een activiteit waarvoor in het omgevingsplan is bepaald dat het is verboden deze zonder omgevingsvergunning te verrichten, de omgevingsvergunning wordt verleend als de activiteit niet in strijd is met de regels die in het omgevingsplan zijn gesteld over het verlenen van de omgevingsvergunning. Het betreft een limitatief-imperatief stelsel. Als een vergunning wordt gevraagd voor een omgevingsplanactiviteit zal het bevoegd gezag eerst nagaan of de activiteit met toepassing van binnenplanse beoordelingsregels kan worden vergund. Wanneer de vergunning op grond van deze beoordelingsregels niet kan worden geweigerd, moet de vergunning worden verleend. Deze kant van het stelsel werkt limitatief-imperatief. Buiten het gelimiteerde stelsel van beoordelingsregels in het omgevingsplan, kunnen geen andere gronden worden aangevoerd om de vergunning te weigeren. Wanneer de aangevraagde activiteit op grond van de binnenplanse beoordelingsregels (al dan niet onder het stellen van aan de vergunning te verbinden voorschriften) aanvaardbaar is te achten, moet (imperatief) de vergunning worden verleend. 6.4. Het college stelt zich op het standpunt dat zich geen weigeringsgrond voordoet. Volgens het college voldoet de aanvraag van vergunninghoudster aan de beoordelingsregels voor het ruimtelijk bouwen, in stand houden en gebruiken van het bouwwerk, aan redelijke eisen van welstand en heeft het plan geen gevolgen voor de bodem. Gelet op het limitatief-imperatief stelsel is het college van mening dat het de gevraagde omgevingsvergunning moest verlenen. Voldoet het bouwplan aan de redelijke eisen van welstand? 7. Eiser stelt dat het college de welstandsadviezen van de CRK van 16 september en 4 december 2024 niet aan zijn besluitvorming ten grondslag heeft kunnen leggen omdat deze gebreken vertonen. Hij is het niet eens met de overweging dat “de contour van de woning met afstand van een halve dakpan en een nokvorst gewaarborgd en voldoende afleesbaar blijft”. Volgens eiser is de contour juist verbroken door de hoogte van de dakramen op het dakvlak. Ook de overwegingen dat “de toegevoegde dakvensters in samenhang zijn met de overige architectuur” en “dat sprake is van een evenwichtig totaalbeeld in de straat” kan eiser niet volgen. Nergens in het straatbeeld zijn volgens eiser dakvensters aan de voorzijde van een woning op deze hoogte. 7.1. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) volgt dat het college, hoewel het niet aan een welstandsadvies is gebonden en de verantwoordelijkheid voor welstandstoetsing bij hem berust, aan het advies in beginsel doorslaggevende betekenis mag toekennen. Tenzij het advies naar inhoud of wijze van totstandkoming zodanige gebreken vertoont dat het college dit niet - of niet zonder meer - aan zijn oordeel omtrent de welstand ten grondslag heeft mogen leggen, behoeft het overnemen van een welstandsadvies in beginsel geen nadere toelichting. Dit is anders indien de aanvrager of een derde-belanghebbende een advies overlegt van een andere deskundig te achten persoon of instantie dan wel gemotiveerd aanvoert dat het welstandsadvies in strijd is met de volgens de welstandsnota geldende criteria. 7.2. De welstandscriteria zijn neergelegd in de Welstandsnota gemeente Baarle-Nassau uit 2004 (de welstandsnota). Tussen partijen is niet in geschil dat het perceel van vergunninghoudster zich in deelgebied “woonwijken in traditionele blokverkaveling (W4)” bevindt dat hier welstandsniveau ‘reguliere welstandsgebieden’ geldt. 7.3. Tussen partijen is ook niet in geschil dat het bouwplan niet voldoet aan de sneltoetscriteria voor wat betreft de plaatsing van de dakramen. Daarom is het bouwplan voorgelegd aan de CRK. Die is in haar adviezen van 16 september en 4 december 2024 tot de conclusie gekomen dat de dakvensters niet in strijd zijn met redelijke eisen van welstand. 7.4.
Volledig
Eiser betwist dat de dakvensters in overeenstemming zijn met de redelijke eisen van welstand en heeft voorafgaand aan de zitting een contra-expertise in het geding gebracht, verricht door de heer [naam] . In deze contra-expertise wordt onder meer overwogen: “Het uitgangspunt dat een dakkapel of dakvenster een ondergeschikte toevoeging moet blijven aan het dakvlak is — zonder uitzondering — als bepaling opgenomen in welstandsnota’s in Nederland. De kap is het bouwdeel dat de woning afsluit die, bij geschakelde woningen, wordt gedeeld met de buren. De dakkapel of het dakvenster moet daaraan ondergeschikt blijven. Die ondergeschiktheid, het zich hiërarchisch voegen naar het verbindende dak is afhankelijk van de maat en positie van de dakdoorbreking. Een dakraam dat reikt tot aan de nok van het dakvlak van de woning, ver voorbij de vergunningvrije criteria, is strijdig met redelijke eisen van welstand. Het dakraam (hier de dakramen) ligt niet in het vlak van het dak. Het onderbreekt het dakvlak doordat er aan de bovenzijde een hap uit het vlak met de pannen wordt genomen, ongeacht of de nokvorsten nog zichtbaar zijn of fysiek doorloopt. Landelijk wordt daarom voor het plaatsen van daglichtvoorzieningen een minimale maat van 50cm van de randen van het dakvlak gehanteerd. Aanvullend mag een daglichtvoorziening op het voordakvlak niet uitsteken buiten het dakvlak (ter vergelijking met een dakkapel). Zoals ook in paragraaf 8 staat zijn ‘de vergunningvrije mogelijkheden voor deze bouwwerken al zo ruim zijn dat een overschrijding van die mogelijkheden in vrijwel alle gevallen op ernstige bezwaren zal stuiten’. De twee happen uit de bovenzijde van het dakvlak, tasten het dakvlak als verbindend en afsluitend bouwdeel van de dubbele woning op ernstige wijze aan. De afmetingen van de beide vensters en het gegeven dat de antraciet kleurige vensters als donkere vlakken in het rode dakvlak afsteken, versterken deze beleving.” 7.5. De [vertegenwoordiger] heeft ter zitting gereageerd op de contra-expertise van [naam] . [vertegenwoordiger] blijft namens de CRK bij het standpunt dat sprake is van een evenwichtige plaatsing in het dakvlak en dat de vergunde dakramen voldoen aan de redelijke eisen van welstand. [vertegenwoordiger] voert in reactie op de overwegingen van [naam] aan dat wanneer tussen het dakraam en de randen van het dakvlak (minimaal) vijftig centimeter afstand zit het dakraam vergunningvrij is. Omdat daar in dit geval van wordt afgeweken, is een vergunning vereist. Daarom heeft de CRK de dakramen ook beoordeeld. [vertegenwoordiger] is niet met [naam] eens dat de dakramen niet in het dakvlak liggen en dat er aan de bovenzijde een hap uit het dakvlak wordt genomen. Daartoe voert hij aan dat rondom de dakramen nog dakpannen aanwezig zijn en dat de dakramen niet reiken tot de nokvorst. Dat de dakramen wat hoger in het dakvlak zijn geplaatst, komt door de aanwezigheid van een gording aan de binnenzijde. Dat maakt volgens [vertegenwoordiger] echter niet dat de dakramen niet meer ondergeschikt zijn aan het dakvlak. De conclusie van [naam] dat het dakvlak als verbindend en afsluitend bouwdeel van de dubbele woning op ernstige wijze wordt aangetast door de dakramen en dat de afmetingen en de antracieten kleur van de vensters, die als donkere vlakken in het rode dakvlak afsteken, die beleving versterken, is volgens [vertegenwoordiger] subjectief. Gelet op de tien antraciet kleurige zonnepanelen op het voordakvlak van de woning van eiser is deze conclusie volgens [vertegenwoordiger] ook moeilijk te volgen. 7.6. De rechtbank is op grond het voorgaande van oordeel dat uit de contra-expertise van [naam] niet overtuigend blijkt dat de welstandsadviezen van de CRK gebreken vertonen en/of in strijd zijn met de welstandscriteria. Het college heeft zich dan ook in redelijkheid kunnen baseren op deze adviezen. De rechtbank merkt daarbij op dat vergunninghoudster reeds over een onherroepelijke omgevingsvergunning beschikt voor de dakramen wanneer deze zouden zijn geplaatst op een hele dakpan afstand van de nokvorst. Het enige discussiepunt dat resteert is dus de plaatsing van de dakramen op een halve dakpan afstand tot de nokvorst in plaats van op een hele dakpan (zoals ter zitting vastgesteld feitelijk een verschil van ongeveer twintig centimeter) en de gevolgen daarvan voor de welstand. [naam] heeft dat in zijn contra-expertise niet onderkend. Uit de contra-expertise blijkt onvoldoende dat dit minimale hoogteverschil van een halve dakpan invloed heeft op het aanzicht vanaf de openbare weg en dus op de redelijke eisen van welstand. 7.7. De rechtbank concludeert dat het college voldoende heeft gemotiveerd dat de dakramen niet in strijd zijn met de criteria uit de gemeentelijke welstandsnota en voldoen aan de redelijke eisen van welstand. Het college kon de gevraagde omgevingsvergunning op die grondslag dus niet weigeren. Wijkt de vergunde situatie af van de feitelijke situatie? 8. Eiser stelt dat de vergunde situatie afwijkt van de feitelijke situatie. Daarbij wijst eiser erop dat de welstandbeoordeling heeft gezien op de feitelijke situatie, terwijl de vergunde situatie daarvan afwijkt. Ook wijkt de bouwdetaillering van de nok bij de onderhavige vergunning volgens eiser af van de bouwtekening die in 2021 aan de plaatsing van de dakvensters ten grondslag is gelegd. De vergunning kan volgens eiser geen stand houden als die is gebaseerd op een foutieve bouwtekening. 8.1. De rechtbank overweegt dat het college onweersproken heeft aangevoerd dat de bouwtekening uit 2021 waar eiser naar verwijst hoort bij de omgevingsvergunning voor het plaatsen van de dakkapel aan de achterzijde van de woning. Dat verklaart de mogelijke verschillen. Deze tekening is voor de onderhavige beoordeling ook niet relevant. Het college heeft weersproken dat de vergunde situatie afwijkt van de feitelijke situatie. Ter zitting is namens het college toegelicht dat de feitelijke situatie is opgemeten en dat op basis daarvan is vergund, juist omdat het de bedoeling was om de vergunde situatie in overeenstemming te brengen met de feitelijke situatie. Deze afmetingen komen overeen met de door de producent van de dakramen aan vergunninghoudster opgegeven afmetingen van de dakramen. 8.2. Gelet op deze omstandigheden heeft eiser naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende onderbouwd dat de vergunde situatie afwijkt van de feitelijke situatie. Dat het college niet goed zou hebben gemeten, zoals eiser ter zitting heeft gesteld, is op geen enkele wijze onderbouwd. De rechtbank begrijpt dat eiser kennelijk meent dat vergunninghoudster een ander type dakraam (met een ander serienummer en andere afmetingen) heeft geplaatst dan zij heeft aangegeven. Waar eiser dat op baseert, is niet duidelijk. De rechtbank ziet hiervoor geen aanknopingspunten. Bovendien zijn de feitelijk gemeten afmetingen van de dakramen hier doorslaggevend. De plaatsingsinstructies 9. Eiser stelt dat de kozijnen niet geplaatst zijn conform de plaatsingsinstructies. Door deze afwijkingen zijn de geplaatste dakramen volgens eiser vocht gevoeliger dan door de fabrikant beoogd. Eiser vreest dat hij hierdoor vochtproblemen zal krijgen met zijn dak. 9.1. De rechtbank overweegt dat deze plaatsingsinstructies geen onderdeel zijn van het toetsingskader. Vanwege het limitatief-imperatief stelsel kunnen geen andere gronden worden aangevoerd om de vergunning te weigeren. De rechtbank zal hier daarom verder niet op ingaan. Precedentwerking 10. Eiser stelt dat hij vreest voor precedentwerking gelet op de trendsettersregeling op pagina 35 van deel A van de welstandsnota, die inhoudt dat goedgekeurde bouwaanvragen richtinggevend zijn voor nadere aanvragen. Volgens eiser zullen de door vergunninghoudster geplaatste dakramen tot gevolg hebben dat – indien hij ook dakramen aan de voorzijde van zijn woning zou willen plaatsen – hij vanwege welstandsoverwegingen genoodzaakt zal worden de dakramen ook zo hoog te plaatsen, terwijl dit volgens eiser op grond van de plaatsingsinstructies niet kan. 10.1. De rechtbank overweegt dat ook hiervoor geldt dat dit geen onderdeel is van het toetsingskader gelet op het limitatief-imperatief stelsel.