Rechtspraak Rechtbank Zeeland-West-Brabant 2026-05-06
ECLI:NL:RBZWB:2026:5289
,RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Civiel recht Kantonrechter Zittingsplaats Bergen op Zoom Zaaknummer: 11668103 \ CV EXPL 25-1369 Vonnis van 6 mei 2026 in de zaak van 1 [huurder 1] , te [plaats] ,2. [huurder 2] , te [plaats] , eisende partijen in conventie, verwerende partijen in reconventie, hierna samen te noemen: [huurders] , gemachtigde: mr. T.M. Kools, tegen START HOME RENTALS B.V. , te Rotterdam, gedaagde partij in conventie, eisende partij in reconventie, hierna te noemen: SHR, gemachtigde: mr. P. Smit. 1 De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - het tussenvonnis van 3 december 2025 en de daarin genoemde stukken,- de akte van [huurders] ,- de akte van SHR. 1.2. Ten slotte is vonnis bepaald. 2 De verdere beoordeling Tussenvonnis 2.1. In het tussenvonnis van 3 december is vastgesteld dat SHR recht heeft op huurprijsvermindering doordat [huurders] niet een toereikende vergunning heeft aangevraagd, wat een gebrek oplevert. Over de omvang van de huurprijsvermindering was nog niet voldoende gedebatteerd. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld zich in een akte uit te laten over wat volgens hen de omvang van de huurprijsvermindering dient te zijn. Aktes 2.2. [huurders] heeft in zijn akte geprotesteerd tegen de vastgestelde huurprijsvermindering. Hoewel de plicht om de vergunning aan te vragen op [huurders] rust, is het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onredelijk dat SHR zich hierop beroept. Zij wist volgens [huurders] dat een vergunning verplicht was, maar heeft [huurders] daar niet van op de hoogte gesteld. Voorts beroept [huurders] zich, gelet op het voorgaande, op eigen schuld uit artikel 6:101 BW. Ook zou SHR niet hebben voldaan aan haar stelplicht. 2.3. SHR heeft zich in haar akte uitgelaten over haar standpunt met betrekking tot de omvang van de huurprijsvermindering. Dit standpunt komt in essentie overeen met hetgeen zij reeds in haar conclusie van antwoord naar voren heeft gebracht. Waar zij voorheen een maandelijkse huurprijs van € 3.150,00 aan haar onderhuurders in rekening bracht, verhuurt zij de woning thans voor € 1.750,00 per maand. Dit betekent dat zij maandelijks € 1.400,00 minder aan huurinkomsten ontvangt. Niettemin heeft SHR, uit coulance, niet het volledige bedrag van € 1.400,00 opgeschort, maar een bedrag van € 1.181,83. Zij heeft daarbij aansluiting gezocht bij een puntentelling op basis van het woningwaarderingsstelsel. Uit deze berekening volgt een huurprijs van € 860,17 per maand, welke zij als een redelijke huurprijs beschouwt. Beoordeling huurprijsvermindering 2.4. Nu partijen zich bij akte hebben uitgelaten, dient de kantonrechter de omvang van de huurprijsvermindering te beoordelen. De kantonrechter zal daartoe eerst de standpunten in de aktes bespreken, waarna de huurprijsvermindering wordt vastgesteld. 2.5. [huurders] heeft in zijn akte diverse verweren aangevoerd. Deze zien met name op de vraag of een huurprijsvermindering aan de orde is. Die vraag staat echter niet meer ter beoordeling, nu bij tussenvonnis reeds is geoordeeld dat SHR recht heeft op huurprijsvermindering. Deze verweren blijven daarom in beginsel buiten beschouwing. Niettemin overweegt de kantonrechter, ten overvloede, het volgende. Dwingend recht en redelijkheid & billijkheid 2.5.1. Artikel 7:209 BW is van dwingend recht en bepaalt dat van de artikelen 7:206 lid 1 en 2, 7:207 en 7:208 BW niet ten nadele van de huurder kan worden afgeweken, voor zover het gebreken betreft die de verhuurder bij het aangaan van de huurovereenkomst kende of behoorde te kennen. Daarvan is hier sprake. De op het gehuurde rustende vergunningsplicht bestond reeds ten tijde van het sluiten van de huurovereenkomst, zodat deze voor [huurders] kenbaar was, dan wel had behoren te zijn. Daarmee is sprake van een gebrek in de zin van artikel 7:204 BW, waarop artikel 7:209 BW dus van toepassing is. Voor de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid is daarom geen plaats. Toepassing daarvan zou namelijk neerkomen op he