Rechtspraak Rechtbank Zeeland-West-Brabant 2026-01-28
ECLI:NL:RBZWB:2026:493
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Zittingsplaats Breda Bestuursrecht zaaknummer: BRE 25/6796 uitspraak van de voorzieningenrechter van 28 januari 2026 in de zaak tussen Genuva B.V., uit Best, verzoekster (gemachtigde: mr. J. van Groningen), en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Moerdijk. Samenvatting 1. Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over het opleggen van een last onder dwangsom vanwege het emissieplafond voor ammoniak. De voorzieningenrechter beoordeelt bij de vraag of zij een voorlopige voorziening zal treffen of het bezwaar een redelijke kans van slagen heeft. Dat kan een reden zijn om het bestreden besluit te schorsen. Deze vraag beantwoordt zij aan de hand van de gronden van Genuva. 1.1. De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek toe. Er zijn nog teveel onduidelijkheden over hoe de overtreding opgeheven kan worden. Ook is niet gebleken van een zo zwaarwegend algemeen belang dat onmiddellijk ingegrepen zou moeten worden voordat op het bezwaar is beslist . Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet. Procesverloop 2. Met het bestreden besluit van 9 december 2025 heeft het college aan Genuva een last onder dwangsom opgelegd van € 3.000,- per overtreding, met een maximum van € 15.000,-, vanwege het gesteld overschrijden van het emissieplafond voor ammoniak op het perceel aan de [adres] . Genuva heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen. 2.1. Het college heeft op het verzoek gereageerd met een verweerschrift. 2.2. De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 20 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: J.H. van Dis, bedrijfsleider, namens Genuva en de gemachtigde van Genuva. Het college heeft zich afgemeld voor de zitting. 2.3. Aan het einde van de zitting heeft de voorzieningenrechter een ordemaatregel getroffen die inhoudt dat de last onder dwangsom is geschorst tot de dag na bekendmaking van de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening. Beoordeling door de voorzieningenrechter Feiten en totstandkoming van het besluit 3. Genuva heeft een bedrijf waarin zij varkens houdt. 3.1. Naar aanleiding van controles op 13 oktober 2023, 10 december 2024 en 19 juni 2025 heeft het college geconcludeerd dat Genuva het emissieplafond voor ammoniak overschrijdt. 3.2. Op 15 oktober 2024 is een omgevingsvergunning verleend voor het aansluiten van een (laatste) deel van de stallen op luchtwassers. 3.3. Na diverse hersteltermijnen stuurt het college Genuva op 12 maart 2025 een voornemen om een last onder dwangsom op te leggen. 3.4. Genuva dient hiertegen een zienswijze in. Op 9 december 2025 legt het college een last onder dwangsom op. Inhoudelijke beoordeling Was het college bevoegd handhavend op te treden? 4. Op grond van artikel 125 van de Gemeentewet is het college bevoegd tot het opleggen van een last onder bestuursdwang, indien de last strekt tot handhaving van regels die het gemeentebestuur uitvoert. Op grond van artikel 18.2 en 4.9 van de Omgevingswet voert het college de handhaving over activiteiten waarvoor algemene regels zijn gesteld uit. Het college is dus in beginsel bevoegd om handhavend op te treden. Toetsingskader 5. Het college is handhavend opgetreden wegens overtreding van de artikelen 3.200 en 3.203, eerste lid onder d in samenhang met artikelen 4.805, 4.820 en 4.833 van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal). Kort gezegd houdt dit in dat het college heeft geconstateerd dat Genuva te veel ammoniak uitstoot. De emissiewaarden van artikel 4.820 van het Bal worden overschreden. Dit kan volgens het college opgelost worden door het aantal dierplaatsen en het aantal te houden dieren te verminderen of door stallen die niet volledig zijn aangesloten op luchtwassers alsnog De voorzieningenrechter moet echter ook een belangenafweging maken. Ze vindt het niet acceptabel dat door het ontbreken van duidelijkheid over de te nemen maatregelen dwangsommen zouden verbeuren. Bovendien staat nog niet helemaal vast dat er daadwerkelijk sprake is van een overtreding. Dat heeft de voorzieningenrechter afgewogen tegen het natuurbelang dat gebaat is bij vermindering van de ammoniakemissie. Omdat niet weersproken is dat de daadwerkelijke emissie op basis van het aantal dieren, in plaats van het aantal dierplaatsen, onder het emissieplafond ligt, ziet de voorzieningenrechter aanleiding de voorziening toe te wijzen. Conclusie en gevolgen 9. De voorzieningenrechter zal het verzoek toewijzen en de last onder dwangsom schorsen tot twee weken na de beslissing op bezwaar. Het college zal in de beslissing op bezwaar beter moeten motiveren dat er sprake is van een overtreding en hoe die opgeheven kan worden. 9.1. Omdat het verzoek wordt toegewezen moet het college het griffierecht van € 385,- aan Genuva vergoeden. Het college wordt ook veroordeeld in betaling van de proceskosten. Dit is vastgesteld op basis van 2 punten (het indienen van een verzoekschrift en het bijwonen van de zitting), met een waarde van € 934,- per punt. Dat is in totaal € 1.868,-. Beslissing De voorzieningenrechter: schorst het bestreden besluit van 9 december 2025 tot twee weken na de beslissing op bezwaar; bepaalt dat het college het griffierecht van € 385,- aan Genuva moet vergoeden; veroordeelt het college in betaling van een proceskostenvergoeding aan Genuva voor een bedrag van € 1.868,-. Deze uitspraak is gedaan door mr. S. Hindriks, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. drs. R.J. Wesel, griffier, op 28 januari 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl. griffier voorzieningenrechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open. Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving Besluit activiteiten leefomgeving Artikel 3.203. (algemene regels) 1. Bij het verrichten van de activiteiten, bedoeld in artikel 3.200, en lozingsactiviteiten op een oppervlaktewaterlichaam die daarbij worden verricht, wordt voldaan aan de regels over: [.] d. dierenverblijven, bedoeld in paragraaf 4.82; [.] Artikel 4.805. (toepassingsbereik) 1. Deze paragraaf is van toepassing op het houden van landbouwhuisdieren in een dierenverblijf. 2 Als landbouwhuisdieren worden gehouden in een dierenverblijf, is deze paragraaf ook van toepassing op het daarnaast reinigen en ontsmetten van veewagens. Artikel 4.820. (lucht: emissie ammoniak bij varkens, kippen of kalkoenen) 1. Bij een huisvestingssysteem, met inbegrip van een aanvullende techniek, voor varkens, kippen of kalkoenen is de emissie van ammoniak niet meer dan de emissiegrenswaarde, bedoeld in tabel 4.820. 2 Als een dierenverblijf is opgericht op of na 1 juli 2015, geldt in tabel 4.820 kolom A in plaats van kolom B als: a. de omgevingsvergunning voor het bouwen van een bouwwerk, bedoeld in artikel 2.1 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, uiterlijk op 30 juni 2015 onherroepelijk is, en het dierenverblijf uiterlijk op 30 september 2016 is opgericht; of b. een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het bouwen van een bouwwerk als bedoeld in artikel 2.1 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, zoals die tot de inwerkingtreding van dit besluit gold, uiterlijk op 30 juni 2015 is ingediend en: 1°.de aanvraag op 30 juni 2015 voldeed aan hoofdstuk 2 van de Regeling omgevingsrecht zoals die tot de inwerkingtreding van dit besluit gold; en 2°.het dierenverblijf binnen vijftien maanden nadat de omgevingsvergunning voor het bouwen van een bouwwerk, bedoeld in artikel 2.1 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, zoals die tot de inwerkingtreding van dit besluit gold, onherroepelijk is, is opgericht. 3 Het eerste en tweede lid zijn van overeenkomstige toepassing op de ui