Rechtspraak Rechtbank Zeeland-West-Brabant 2026-05-21
ECLI:NL:RBZWB:2026:4660
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Zittingsplaats Middelburg Bestuursrecht zaaknummer: BRE 25/3971 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 21 mei 2026 in de zaak tussen A, gevestigd te X, eiseres, gemachtigde: mr. J. van Groningen, en De Staatssecretaris van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur, voorheen: de Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur , verweerder. Als derde-partij neemt aan de zaak deel: Stichting Animal Rights, gevestigd te ’s-Gravenhage, Animal Rights, gemachtigde: [gemachtigde] . Samenvatting 1. Deze uitspraak gaat over een door Animal Rights op grond van de Wet open overheid (Woo) bij verweerder ingediend verzoek om een aantal documenten openbaar te maken. Het besluit van verweerder hierover raakt onder andere eiseres en zij is het niet eens met de openbaarmaking van documenten die op haar betrekking hebben. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank of verweerder terecht de openbaarmaking (van de documenten die op eiseres zien) in stand heeft gelaten. 1.1. Het beroep van eiseres op de door haar ingeroepen uitzonderingsgronden om openbaarmaking tegen te gaan – de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer en de veiligheid van personen en bedrijven – slagen naar het oordeel van de rechtbank niet. Eiseres krijgt dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. 1.2. Onder 2 staat het procesverloop in deze zaak. Onder 3 staan de van belang zijnde feiten en omstandigheden die hebben geleid tot het bestreden besluit. De beoordeling door de rechtbank volgt vanaf 4.4. Aan het eind staat de beslissing van de rechtbank en de gevolgen daarvan. 1.3. De wettelijke regels die van belang zijn voor deze zaak, staan in de bijlage bij deze uitspraak. Procesverloop 2. Bij besluit van 10 april 2025 heeft verweerder het Woo-verzoek van Animal Rights van 6 september 2024 toegewezen. Eiseres heeft bezwaar gemaakt tegen dit besluit en de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. In de uitspraak van 15 mei 2025 heeft de voorzieningenrechter bepaald dat de op eiseres betrekking hebbende gegevens niet eerder dan twee weken na het nemen van de beslissing op bezwaar openbaar mogen worden gemaakt. Verweerder heeft bij beslissing op bezwaar van 1 juli 2025 (het bestreden besluit) het bezwaar van eiseres tegen het besluit van 10 april 2025 ongegrond verklaard. Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit en ook tijdens deze beroepsprocedure heeft eiseres de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. In de uitspraak van 29 oktober 2025 (zaaknummer BRE 25/3969 VV) heeft de voorzieningenrechter bepaald dat de openbaarmaking van de op eiseres betrekking hebbende gegevens wordt opgeschort tot twee weken na het doen van de uitspraak in de bodemprocedure. 2.1. Met de beslissing van 11 september 2025 heeft de rechtbank bepaald dat de gevraagde beperking van kennisneming van de naam van eiseres gerechtvaardigd is. Verder is beslist dat beperking van de kennisneming van de niet-geanonimiseerde versies van het beroepschrift, het bestreden besluit, de correspondentie met de rechtbank en enkele processtukken gerechtvaardigd is. Met de beslissing van 24 februari 2026 is ook beperking van de niet-geanonimiseerde versies van het aanvullende verweerschrift gerechtvaardigd geacht. Dit betekent dat de derde partij geen informatie zal verkrijgen over de identiteit van eiseres. Eiseres is om die reden aangemerkt als ‘A’. 2.2. Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. Animal Rights heeft ook schriftelijk gereageerd. 2.3. De rechtbank heeft het beroep op 26 februari 2026 op zitting behandeld. Eiseres en Animal Rights zijn ter zitting vertegenwoordigd door hun gemachtigde. Verweerder is vertegenwoordigd door mr. C. Vooijs. 2.4. De rechtbank heeft de uitspraaktermijn met zes weken verl Artikel 1.1 van de Woo bepaalt dat in beginsel iedereen recht heeft op toegang tot publieke informatie. In (onder meer) artikel 5.1, tweede lid, van de Woo zijn uitzonderingen op het uitgangspunt van openbaarmaking geregeld. Daarbij dient het belang van openbaarmaking afgezet te worden tegen de in dat lid genoemde belangen. Openbaarmaking blijft achterwege als het algemeen belang veel minder zwaar weegt dan de in het tweede lid genoemde belangen. In het geval dat het gaat om milieu-informatie die betrekking heeft op emissies in het milieu, zijn de uitzonderingen op grond van voornoemd tweede lid niet van toepassing. Dat volgt uit artikel 5.1, zevende lid, van de Woo. Artikel 5.1, vijfde lid, van de Woo bepaalt daarnaast nog dat de openbaarmaking van andere informatie dan milieu-informatie in uitzonderlijke gevallen achterwege kan blijven als de openbaarmaking onevenredige gevolgen toebrengt aan een ander belang dan de belangen die in voornoemde tweede lid zijn opgenomen en het algemeen belang van openbaarheid niet tegen deze benadeling opweegt. 4.5. Bij de beoordeling van een besluit waarbij toepassing is gegeven aan een van de in de vorige overweging aangehaalde artikelen toetst de bestuursrechter zonder voorbehoud of het ingeroepen andere belang dan het algemeen belang bij openbaarmaking zich voordoet. Een bestuursorgaan heeft bij de te maken afweging tussen het algemeen belang bij openbaarmaking en het door de uitzonderingsgrond beschermde belang beoordelingsruimte, waardoor de bestuursrechter de afweging van een bestuursorgaan terughoudend toetst. Dit betekent dat de bestuursrechter toetst of het bestuursorgaan zich redelijkerwijs op het standpunt heeft kunnen stellen dat het algemeen belang van openbaarmaking wel of niet opweegt tegen het door de uitzonderingsgrond beschermde belang. Het uitgangspunt van de Woo – namelijk dat er een recht op toegang tot informatie bestaat – weegt in deze afweging zwaar . 4.6. Het Woo-verzoek van Animal Rights ziet op informatie die gaat over het toezicht door de NVWA op de voedselveiligheid en de misstanden in de voedselketen. Het gaat hierbij om nagenoeg hetzelfde verzoek als in de procedures die hebben geleid tot de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (AbRS) van 18 mei 2022 en 4 februari 2026 . In de uitspraak van 4 februari 2026 heeft de AbRS geoordeeld dat het openbaar maken van informatie over de wijze waarop een toezichthouder toezicht houdt op bedrijven het publiek belang van een goede en democratische bestuursvoering dient. Openbaarmaking van deze informatie draagt bij aan het maatschappelijk debat en vergroot de transparantie van het toezicht door de NVWA. Het voorgaande sluit aan op de ontwikkeling in wet- en regelgeving en in de bestuurspraktijk van toezichthouders om in toenemende mate actief toezichtinformatie over ondernemingen openbaar te maken.Daarbij geldt, zoals de AbRS in een uitspraak van 8 februari 2023 heeft geoordeeld, dat het publieke belang van openbaarmaking niet in voldoende mate wordt gediend door een geanonimiseerde openbaarmaking van informatie van de NVWA. 4.7. Eiseres heeft ter zitting gesteld dat de verzochte informatie geen milieu-informatie is, omdat die informatie op dierenwelzijn ziet en niet op het milieu. In elk geval is volgens eiseres geen sprake van milieu-informatie die betrekking heeft op emissies in het milieu. Volgens verweerder is wel sprake van milieu-informatie. Verweerder stelt ook dat die informatie niet ziet op emissies. De rechtbank volgt verweerder in dit oordeel en verwijst ter motivering daarvan naar de overwegingen van de AbRS in voornoemde uitspraken van 18 mei 2022 en 4 februari 2026 waarin in een gelijkaardige zaak over openbaarmaking van (bedrijfs)informatie over het aanbieden van levende dieren tussen kadavers, is geoordeeld dat er sprake is van milieu-informatie, maar niet van informatie over emissies. De rechtbank ziet in hetgeen eiseres ter zitting hiertegen heeft aangevoerd geen aanleiding o De griffier is verhinderd om de uitspraak te ondertekenen. griffier rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving Wet open overheid (WOO) Artikel 1.1: Eenieder heeft recht op toegang tot publieke informatie zonder daartoe een belang te hoeven stellen, behoudens bij deze wet gestelde beperkingen. Artikel 2.1: In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: document: een door een orgaan, persoon of college als bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, opgemaakt of ontvangen schriftelijk stuk of ander geheel van vastgelegde gegevens dat naar zijn aard verband houdt met de publieke taak van dat orgaan, die persoon of dat college; milieu-informatie: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 19.1a van de Wet milieubeheer; Artikel 4.1, eerste lid: 1. Eenieder kan een verzoek om publieke informatie richten tot een bestuursorgaan of een onder verantwoordelijkheid van een bestuursorgaan werkzame instelling, dienst of bedrijf. In het laatste geval beslist het verantwoordelijke bestuursorgaan op het verzoek. Artikel 5.1, tweede lid, sub e en h, vijfde en zevende lid: 2. Het openbaar maken van informatie blijft eveneens achterwege voor zover het belang daarvan niet opweegt tegen de volgende belangen: e. de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer; h. de beveiliging van personen en bedrijven en het voorkomen van sabotage; 5. In uitzonderlijke gevallen kan openbaarmaking van andere informatie dan milieu-informatie voorts achterwege blijven indien openbaarmaking onevenredige benadeling toebrengt aan een andere belang dan genoemd in het eerste of tweede lid en het algemeen belang van openbaarheid niet tegen deze benadeling opweegt. (….). 7. Het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing op milieu-informatie die betrekking heeft op emissies in het milieu. Wet milieubeheer Artikel 19.1a, eerste lid: 1. In dit hoofdstuk en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder milieu-informatie: alle informatie, neergelegd in documenten, over: a. de toestand van elementen van het milieu, zoals lucht en atmosfeer, water, bodem, land, landschap en natuurgebieden met inbegrip van vochtige biotopen, kust- en zeegebieden, biologische diversiteit en haar componenten, met inbegrip van genetisch gemodificeerde organismen, en de interactie tussen deze elementen; b. factoren, zoals stoffen, energie, geluid, straling of afval, met inbegrip van radioactief afval, emissies, lozingen en ander vrijkomen van stoffen in het milieu die de onder a bedoelde elementen van het milieu aantasten of waarschijnlijk aantasten; c. maatregelen, met inbegrip van bestuurlijke maatregelen, zoals beleidsmaatregelen, wetgeving, plannen, programma’s, milieuakkoorden en activiteiten die op de onder a en b bedoelde elementen en factoren van het milieu een uitwerking hebben of kunnen hebben, alsmede maatregelen of activiteiten ter bescherming van die elementen; d. verslagen over de toepassing van de milieuwetgeving; e. kosten-baten- en andere economische analyses en veronderstellingen die worden gebruikt in het kader van de onder c bedoelde maatregelen en activiteiten; f. de toestand van de gezondheid en veiligheid van de men, met inbegrip van de verontreiniging van de voedselketen, indien van toepassing, de levensomstandigheden van de mens, waardevolle cultuurgebieden en bouwwerken, voorzover zij worden of kunnen worden aangetast door de onder a bedoelde toestand van elementen van het milieu of, via deze elementen, door de onder b en c bedoelde factoren, maatregelen of activiteiten. Rechtbank Noord-Nederland 15 mei 2025, E