Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2026-05-27
ECLI:NL:RBZWB:2026:4649
Bestuursrecht
Eerste aanleg - meervoudig
28,001 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBZWB:2026:4649 text/xml public 2026-06-03T11:19:44 2026-05-27 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Zeeland-West-Brabant 2026-05-27 25/5225, 25/5227 en 25/5780 Uitspraak Eerste aanleg - meervoudig NL Breda Bestuursrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:4649 text/html public 2026-06-03T11:19:21 2026-06-03 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBZWB:2026:4649 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 27-05-2026 / 25/5225, 25/5227 en 25/5780 1. intrekking exploitatievergunning wegens onjuiste tenaamstelling: gegrond, kennelijke fout die de burgemeester kan herstellen 2. weigering exploitatievergunning o.g.v. Bibob: onevenredig 3. last onder dwangsom wegens ontbreken exploitatievergunning: ten onrechte opgelegd RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Zittingsplaats Breda Bestuursrecht zaaknummers: 25/5225, 25/5227 en 25/5780 uitspraak van de meervoudige kamer van 27 mei 2026 in de zaken tussen VOF [eiseres 1] , uit [plaats 2] , eiseres 1, [eiser] , uit [plaats 2] , eiser 2, [eiseres 2] , uit [plaats 1] , eiseres 3, samen: eisers, (gemachtigden: mr. J.L. Baar en mr. T.C. Lensen), en de burgemeester van de gemeente Schouwen-Duiveland , de burgemeester, (gemachtigde: mr. F.A. Pommer). Procesverloop Eisers hebben beroep ingesteld tegen de beslissing op bezwaar van 2 oktober 2025 met [kenmerk 1] (bestreden besluit I), over het intrekken van een exploitatievergunning voor de exploitatie van ‘ [eiseres 1] ’ in een pand aan [het pand en het perceel] (hierna: het pand en het perceel). De rechtbank heeft dit beroep geregistreerd onder zaaknummer 25/5227. Eisers hebben ook beroep ingesteld tegen de beslissing op bezwaar van 2 oktober 2025 met [kenmerk 2] (bestreden besluit II), over het opleggen van een last onder dwangsom vanwege het zonder exploitatievergunning exploiteren van pension ‘ [eiseres 1] ’ op het perceel. De rechtbank heeft dit beroep geregistreerd onder zaaknummer 25/5780. Eisers hebben daarnaast beroep ingesteld tegen de beslissing op bezwaar van 2 oktober 2025 met [kenmerk 3] (bestreden besluit III), over het weigeren van een exploitatievergunning voor de exploitatie van een pension op het perceel. De rechtbank heeft dit beroep geregistreerd onder zaaknummer 25/5225. De rechtbank heeft de beroepen op 15 april 2026 op zitting behandeld. Eiser 2 en eiseres 3, die als vennoten ook eiseres 1 vertegenwoordigen, waren samen met hun gemachtigden aanwezig. Verweerders hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigde, mr. L.W.F. van Deyzen, mr. B.W.B.G. Dings, mr. D.J. Heemskerk en [persoon] . Beoordeling door de rechtbank 1 Feiten 1.1 Feiten bestreden besluit I 1.1.1 Op 15 mei 2022 heeft [b.v.] (hierna: [b.v.] ) een exploitatievergunning aangevraagd voor het exploiteren van een pension ( [eiseres 1] ) aan [het pand en het perceel] . 1.1.2 De burgemeester heeft die exploitatievergunning op 12 oktober 2022 verleend. 1.1.3 In een brief van 23 februari 2023 heeft de burgemeester aan [b.v.] medegedeeld voornemens te zijn om de exploitatievergunning in te trekken. [b.v.] heeft daar een zienswijze over kenbaar gemaakt. 1.1.4 Bij besluit van 4 april 2023 ( primair besluit I ) heeft de burgemeester de exploitatievergunning ingetrokken op grond van artikel 1:6, onder b en d, van de Algemene Plaatselijke Verordening van de gemeente Schouwen-Duiveland (APV). De burgemeester heeft de exploitatievergunning ingetrokken, omdat de exploitatievergunning aan [b.v.] is verleend en dit niet de feitelijke exploitant is van het pension. 1.1.5 Eisers hebben daar in een brief van 10 mei 2023 bezwaar tegen gemaakt. Eisers hebben de voorzieningenrechter daarnaast verzocht om een voorlopige voorziening. In een uitspraak van 7 juli 2023 heeft de voorzieningenrechter dat verzoek toegewezen. De voorzieningenrechter heeft primair besluit I geschorst en heeft bepaald dat eiseres 3 van de exploitatievergunning gebruik mag maken als ware zij de adressant van de exploitatievergunning. 1.1.6 Bij bestreden besluit I heeft de burgemeester het bezwaar tegen primair besluit I ongegrond verklaard. Daarnaast heeft de burgemeester de juridische grondslag voor primair besluit I aangevuld in die zin dat de exploitatievergunning ook wordt ingetrokken op grond van artikel 7 en artikel 3, eerste lid, onder b, van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur (Wet Bibob). Volgens de burgemeester is sprake is van ernstig gevaar dat de exploitatievergunning zal worden gebruikt om strafbare feiten te plegen. 1.1.7 Eisers hebben daar op 14 oktober 2025 beroep tegen ingesteld. Zij hebben de voorzieningenrechter op dezelfde datum verzocht om een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter heeft het verzoek om een voorlopige voorziening in een uitspraak van 20 november 2025 toegewezen. De voorzieningenrechter heeft de voorlopige voorziening getroffen dat [eiseres 1] mag handelen als ware zij in het bezit van de exploitatievergunning tot twee weken na de uitspraak van de rechtbank in de hoofdzaken met de zaaknummers 25/5225 en 25/5227. 1.1.8 De burgemeester heeft de motivering van bestreden besluit I aangevuld op 12 maart 2026. Het beroep tegen bestreden besluit I heeft van rechtswege mede betrekking op dat besluit tot wijziging van het bestreden besluit I. In een aanvulling van 2 april 2026 hebben eisers gereageerd op dit 6:19-besluit. 1.2 Feiten bestreden besluit II 1.2.1 De burgemeester heeft op 5 juli 2021 aan eiseres 3 een last onder dwangsom opgelegd, vanwege o.a. overtreding van artikel 2:28, eerste lid, van de APV. De burgemeester heeft daar een dwangsom aan verbonden van € 2.500,- per overtreding, per kalenderdag en met een maximum van € 12.500,-. 1.2.2 De burgemeester heeft eisers in kennisgevingen van 13 april 2023, 18 april 2023 en 12 mei 2023 medegedeeld dat is geconstateerd dat de last op 8 april 2023, 11 april 2023, 13 april 2023, 5 mei 2023 en 6 mei 2023 is overtreden en dat vijf keer een dwangsom is verbeurd van € 2.500,- (in totaal € 12.500,-). Gelet daarop was de volledige dwangsom volgens de burgemeester verbeurd. 1.2.3 In een brief van 16 mei 2023 heeft de burgemeester aan eisers medegedeeld voornemens te zijn om een tweede last onder dwangsom op te leggen, vanwege het zonder exploitatievergunning exploiteren van een pension aan [het pand en het perceel] . Eisers hebben daar een zienswijze over kenbaar gemaakt. 1.2.4 Bij besluit van 25 mei 2023 heeft de burgemeester aan eisers een last onder dwangsom opgelegd, vanwege het zonder exploitatievergunning exploiteren van een pension aan [het pand en het perceel] ( primair besluit II ). De burgemeester heeft eisers gelast om de overtreding te beëindigen en/of beëindigd te houden. De burgemeester heeft daar een dwangsom aan verbonden van € 5.000,- per overtreding, met een maximum van € 25.000,-. 1.2.5 Eiseres 1 heeft daar in een brief van 2 juni 2023 bezwaar tegen gemaakt. 1.2.6 De burgemeester heeft eisers in kennisgevingen van 13 juni 2023, 20 juni 2023, 27 juni 2023 en 6 juli 2023 medegedeeld dat is geconstateerd de last is overtreden en dat vier keer een dwangsom is verbeurd van € 5.000,- (in totaal € 20.000,-). 1.2.7 Bij bestreden besluit II heeft de burgemeester het bezwaar tegen primair besluit II ongegrond verklaard. 1.2.8 Eisers hebben daar beroep tegen ingesteld. 1.3 Feiten bestreden besluit III 1.3.1 Eiseres 3 heeft op 8 maart 2023 een exploitatievergunning aangevraagd voor het exploiteren van een pension aan [het pand en het perceel] . 1.3.2 In een brief van 8 december 2023 heeft de burgemeester aan eisers medegedeeld voornemens te zijn om de exploitatievergunning te weigeren. Eisers hebben daar een zienswijze over kenbaar gemaakt in een brief van 10 januari 2024. De burgemeester heeft het voornemen aangevuld in een brief van 17 juni 2023. 1.3.3 Bij besluit van 26 september 2024 ( primair besluit III ) heeft de burgemeester de aanvraag om een exploitatievergunning geweigerd. De burgemeester heeft de weigering gebaseerd op artikel 7 en artikel 3, eerste lid, onder b, van de Wet Bibob. 1.3.4 Eisers hebben daar op 4 oktober 2024 bezwaar tegen gemaakt. Zij hebben de voorzieningenrechter daarnaast verzocht om een voorlopige voorziening.
Volledig
ECLI:NL:RBZWB:2026:4649 text/xml public 2026-06-03T11:19:44 2026-05-27 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Zeeland-West-Brabant 2026-05-27 25/5225, 25/5227 en 25/5780 Uitspraak Eerste aanleg - meervoudig NL Breda Bestuursrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:4649 text/html public 2026-06-03T11:19:21 2026-06-03 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBZWB:2026:4649 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 27-05-2026 / 25/5225, 25/5227 en 25/5780 1. intrekking exploitatievergunning wegens onjuiste tenaamstelling: gegrond, kennelijke fout die de burgemeester kan herstellen 2. weigering exploitatievergunning o.g.v. Bibob: onevenredig 3. last onder dwangsom wegens ontbreken exploitatievergunning: ten onrechte opgelegd RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Zittingsplaats Breda Bestuursrecht zaaknummers: 25/5225, 25/5227 en 25/5780 uitspraak van de meervoudige kamer van 27 mei 2026 in de zaken tussen VOF [eiseres 1] , uit [plaats 2] , eiseres 1, [eiser] , uit [plaats 2] , eiser 2, [eiseres 2] , uit [plaats 1] , eiseres 3, samen: eisers, (gemachtigden: mr. J.L. Baar en mr. T.C. Lensen), en de burgemeester van de gemeente Schouwen-Duiveland , de burgemeester, (gemachtigde: mr. F.A. Pommer). Procesverloop Eisers hebben beroep ingesteld tegen de beslissing op bezwaar van 2 oktober 2025 met [kenmerk 1] (bestreden besluit I), over het intrekken van een exploitatievergunning voor de exploitatie van ‘ [eiseres 1] ’ in een pand aan [het pand en het perceel] (hierna: het pand en het perceel). De rechtbank heeft dit beroep geregistreerd onder zaaknummer 25/5227. Eisers hebben ook beroep ingesteld tegen de beslissing op bezwaar van 2 oktober 2025 met [kenmerk 2] (bestreden besluit II), over het opleggen van een last onder dwangsom vanwege het zonder exploitatievergunning exploiteren van pension ‘ [eiseres 1] ’ op het perceel. De rechtbank heeft dit beroep geregistreerd onder zaaknummer 25/5780. Eisers hebben daarnaast beroep ingesteld tegen de beslissing op bezwaar van 2 oktober 2025 met [kenmerk 3] (bestreden besluit III), over het weigeren van een exploitatievergunning voor de exploitatie van een pension op het perceel. De rechtbank heeft dit beroep geregistreerd onder zaaknummer 25/5225. De rechtbank heeft de beroepen op 15 april 2026 op zitting behandeld. Eiser 2 en eiseres 3, die als vennoten ook eiseres 1 vertegenwoordigen, waren samen met hun gemachtigden aanwezig. Verweerders hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigde, mr. L.W.F. van Deyzen, mr. B.W.B.G. Dings, mr. D.J. Heemskerk en [persoon] . Beoordeling door de rechtbank 1 Feiten 1.1 Feiten bestreden besluit I 1.1.1 Op 15 mei 2022 heeft [b.v.] (hierna: [b.v.] ) een exploitatievergunning aangevraagd voor het exploiteren van een pension ( [eiseres 1] ) aan [het pand en het perceel] . 1.1.2 De burgemeester heeft die exploitatievergunning op 12 oktober 2022 verleend. 1.1.3 In een brief van 23 februari 2023 heeft de burgemeester aan [b.v.] medegedeeld voornemens te zijn om de exploitatievergunning in te trekken. [b.v.] heeft daar een zienswijze over kenbaar gemaakt. 1.1.4 Bij besluit van 4 april 2023 ( primair besluit I ) heeft de burgemeester de exploitatievergunning ingetrokken op grond van artikel 1:6, onder b en d, van de Algemene Plaatselijke Verordening van de gemeente Schouwen-Duiveland (APV). De burgemeester heeft de exploitatievergunning ingetrokken, omdat de exploitatievergunning aan [b.v.] is verleend en dit niet de feitelijke exploitant is van het pension. 1.1.5 Eisers hebben daar in een brief van 10 mei 2023 bezwaar tegen gemaakt. Eisers hebben de voorzieningenrechter daarnaast verzocht om een voorlopige voorziening. In een uitspraak van 7 juli 2023 heeft de voorzieningenrechter dat verzoek toegewezen. De voorzieningenrechter heeft primair besluit I geschorst en heeft bepaald dat eiseres 3 van de exploitatievergunning gebruik mag maken als ware zij de adressant van de exploitatievergunning. 1.1.6 Bij bestreden besluit I heeft de burgemeester het bezwaar tegen primair besluit I ongegrond verklaard. Daarnaast heeft de burgemeester de juridische grondslag voor primair besluit I aangevuld in die zin dat de exploitatievergunning ook wordt ingetrokken op grond van artikel 7 en artikel 3, eerste lid, onder b, van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur (Wet Bibob). Volgens de burgemeester is sprake is van ernstig gevaar dat de exploitatievergunning zal worden gebruikt om strafbare feiten te plegen. 1.1.7 Eisers hebben daar op 14 oktober 2025 beroep tegen ingesteld. Zij hebben de voorzieningenrechter op dezelfde datum verzocht om een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter heeft het verzoek om een voorlopige voorziening in een uitspraak van 20 november 2025 toegewezen. De voorzieningenrechter heeft de voorlopige voorziening getroffen dat [eiseres 1] mag handelen als ware zij in het bezit van de exploitatievergunning tot twee weken na de uitspraak van de rechtbank in de hoofdzaken met de zaaknummers 25/5225 en 25/5227. 1.1.8 De burgemeester heeft de motivering van bestreden besluit I aangevuld op 12 maart 2026. Het beroep tegen bestreden besluit I heeft van rechtswege mede betrekking op dat besluit tot wijziging van het bestreden besluit I. In een aanvulling van 2 april 2026 hebben eisers gereageerd op dit 6:19-besluit. 1.2 Feiten bestreden besluit II 1.2.1 De burgemeester heeft op 5 juli 2021 aan eiseres 3 een last onder dwangsom opgelegd, vanwege o.a. overtreding van artikel 2:28, eerste lid, van de APV. De burgemeester heeft daar een dwangsom aan verbonden van € 2.500,- per overtreding, per kalenderdag en met een maximum van € 12.500,-. 1.2.2 De burgemeester heeft eisers in kennisgevingen van 13 april 2023, 18 april 2023 en 12 mei 2023 medegedeeld dat is geconstateerd dat de last op 8 april 2023, 11 april 2023, 13 april 2023, 5 mei 2023 en 6 mei 2023 is overtreden en dat vijf keer een dwangsom is verbeurd van € 2.500,- (in totaal € 12.500,-). Gelet daarop was de volledige dwangsom volgens de burgemeester verbeurd. 1.2.3 In een brief van 16 mei 2023 heeft de burgemeester aan eisers medegedeeld voornemens te zijn om een tweede last onder dwangsom op te leggen, vanwege het zonder exploitatievergunning exploiteren van een pension aan [het pand en het perceel] . Eisers hebben daar een zienswijze over kenbaar gemaakt. 1.2.4 Bij besluit van 25 mei 2023 heeft de burgemeester aan eisers een last onder dwangsom opgelegd, vanwege het zonder exploitatievergunning exploiteren van een pension aan [het pand en het perceel] ( primair besluit II ). De burgemeester heeft eisers gelast om de overtreding te beëindigen en/of beëindigd te houden. De burgemeester heeft daar een dwangsom aan verbonden van € 5.000,- per overtreding, met een maximum van € 25.000,-. 1.2.5 Eiseres 1 heeft daar in een brief van 2 juni 2023 bezwaar tegen gemaakt. 1.2.6 De burgemeester heeft eisers in kennisgevingen van 13 juni 2023, 20 juni 2023, 27 juni 2023 en 6 juli 2023 medegedeeld dat is geconstateerd de last is overtreden en dat vier keer een dwangsom is verbeurd van € 5.000,- (in totaal € 20.000,-). 1.2.7 Bij bestreden besluit II heeft de burgemeester het bezwaar tegen primair besluit II ongegrond verklaard. 1.2.8 Eisers hebben daar beroep tegen ingesteld. 1.3 Feiten bestreden besluit III 1.3.1 Eiseres 3 heeft op 8 maart 2023 een exploitatievergunning aangevraagd voor het exploiteren van een pension aan [het pand en het perceel] . 1.3.2 In een brief van 8 december 2023 heeft de burgemeester aan eisers medegedeeld voornemens te zijn om de exploitatievergunning te weigeren. Eisers hebben daar een zienswijze over kenbaar gemaakt in een brief van 10 januari 2024. De burgemeester heeft het voornemen aangevuld in een brief van 17 juni 2023. 1.3.3 Bij besluit van 26 september 2024 ( primair besluit III ) heeft de burgemeester de aanvraag om een exploitatievergunning geweigerd. De burgemeester heeft de weigering gebaseerd op artikel 7 en artikel 3, eerste lid, onder b, van de Wet Bibob. 1.3.4 Eisers hebben daar op 4 oktober 2024 bezwaar tegen gemaakt. Zij hebben de voorzieningenrechter daarnaast verzocht om een voorlopige voorziening.
Volledig
In een uitspraak van 2 december 2024 heeft de voorzieningenrechter dat verzoek toegewezen en de voorziening getroffen dat [eiseres 1] mag handelen als zijnde in bezit van de exploitatievergunning. 1.3.5. Bij bestreden besluit III heeft de burgemeester het bezwaar tegen primair besluit III ongegrond verklaard. 1.3.6 Eisers hebben daar op 14 oktober 2025 beroep tegen ingesteld. Zij hebben de voorzieningenrechter op dezelfde datum verzocht om een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter heeft het verzoek om een voorlopige voorziening in een uitspraak van 20 november 2025 toegewezen. De voorzieningenrechter heeft de voorlopige voorziening getroffen dat [eiseres 1] mag handelen als ware zij in het bezit van de exploitatievergunning tot twee weken na de uitspraak van de rechtbank in de hoofdzaken met de zaaknummers 25/5225 en 25/5227. 1.3.7 De burgemeester heeft de motivering van bestreden besluit III aangevuld op 12 maart 2026. Het beroep tegen bestreden besluit III heeft van rechtswege mede betrekking op dat besluit tot wijziging van het bestreden besluit III. In een aanvulling van 2 april 2026 hebben eisers gereageerd op dit 6:19-besluit. 2 Wettelijk kader 2.1 De relevante wettelijke bepalingen zijn opgenomen in een bijlage, die deel uitmaakt van deze uitspraak. 3. Beoordeling beroepen tegen bestreden besluit I (25/5227, intrekken exploitatievergunning) en bestreden besluit III (25/5225, weigeren exploitatievergunning) 3.1 Bestreden besluiten I en III 3.1.1 Uit bestreden besluit I blijkt dat de burgemeester de exploitatievergunning heeft ingetrokken, op grond van artikel 1:6, onder b en onder d, van de APV, omdat de exploitatievergunning aan [b.v.] is verleend en dit niet de feitelijke exploitant is van het pension. 3.1.2 Uit bestreden besluit I blijkt daarnaast dat de burgemeester de exploitatievergunning ook heeft ingetrokken op grond van artikel 7 en artikel 3, eerste lid, onder b, van de Wet Bibob. Uit bestreden besluit III blijkt dat de burgemeester de aanvraag voor een exploitatievergunning op diezelfde grondslag heeft geweigerd. Volgens de burgemeester is sprake van ernstig gevaar dat de exploitatievergunning zal worden gebruikt om strafbare feiten te plegen. 3.1.3 Ter onderbouwing van dat standpunt verwijst de burgemeester onder andere naar adviezen van het Landelijk Bureau Bibob van 9 november 2023 en 15 april 2024. In die adviezen wordt het ernstig gevaar gebaseerd op de volgende feiten en omstandigheden die ernstig doen vermoeden dat eisers de volgende strafbare feiten hebben gepleegd: het van 30 juli 2013 tot en met 13 december 2013 (vermoedelijk) handelen door eiser 2 in strijd met artikel 2.1, eerste lid, onder c, en 2.3a van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) en artikel 3, eerste lid, van de Drank- en Horecawet ten aanzien van [het pand en het perceel] ; het van 17 juni 2021 tot en met 28 januari 2024 (vermoedelijk) handelen door eiser 2 in strijd met de Woningwet, het Bouwbesluit 2012 en artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de Wabo ten aanzien van de [adressen 1] ; het van 17 juni 2021 tot en met 6 mei 2023 (vermoedelijk) handelen door eiseres 3 in strijd met artikel 2.1, eerste lid, onder a, c en d, van de Wabo, de Woningwet en het Bouwbesluit 2012 ten aanzien van [het pand en het perceel] ; het op 20 juni 2023 (vermoedelijk) handelen van Zondak.nu B.V. in strijd met artikel 3.16, eerste lid, van het Arbeidsomstandighedenbesluit. 3.1.4 Ambtshalve heeft de burgemeester daar in bestreden besluit I en bestreden besluit III de volgende feiten en omstandigheden aan toegevoegd, die de burgemeester ambtshalve bekend zijn, en volgens de burgemeester doen vermoeden dat eisers de volgende strafbare feiten hebben gepleegd: 5. het op 8 maart 2023 ten onrechte niet vermelden op een Bibob-vragenformulier dat eisers (in ieder geval eiser 2) als verdachte waren aangemerkt in een strafrechtelijke procedure, wat volgens de burgemeester een vermoeden rechtvaardigt van het plegen van valsheid in geschrifte; 6. het meerdere keren overtreden van een op 5 juli 2021 opgelegde last onder dwangsom in de periode van 29 juli 2023 tot en met 28 januari 2024, betreffende het gebruik van de panden aan de [adressen 1] als logiesgebouw; 7. het voortzetten van dat strijdige gebruik in de periode januari 2024 tot en met 15 mei 2024 en een nieuwe last onder dwangsom die daarvoor is opgelegd op 25 februari 2025; 8. het niet voldoen aan een vordering om inlichtingen van de toezichthouder van 30 juli 2023 en een daarop volgende last onder dwangsom op grond van artikel 5:20 van de Awb; 9. het plaatsen van zonnepanelen op de panden aan [adressen 2] , zonder daarvoor vereiste omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit. Op 19 maart 2024 is daar een last onder dwangsom voor opgelegd; 10. de aan eiseres 3 opgelegde last onder dwangsom van 25 mei 2023, vanwege het exploiteren van [eiseres 1] aan [het pand en het perceel] ; 11. de aan eisers op 21 januari 2025 opgelegde last onder bestuursdwang en last onder dwangsom, vanwege overtreding van artikel 2:10 van de APV, artikel 7.10 en 7.9 van het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl), met betrekking tot [adres] . 3.1.5 Volgens de burgemeester bestaat samenhang tussen deze strafbare feiten en de ingetrokken en geweigerde exploitatievergunning, omdat: het handelen in strijd met de Wabo/Omgevingswet, de Drank- en horecawet, het Bouwbesluit 2012 en de Woningwet zijn gepleegd bij de onderneming aan [het pand en het perceel] en bij een zusteronderneming aan de [adressen 1] en daarmee gepleegd zijn bij beschikkingsactiviteiten die overeenkomen met activiteiten waarvoor de exploitatievergunning is aangevraagd; de aangevraagde exploitatievergunning het mogelijk maakt om de strafbare feiten onder 1 t/m 11 te plegen; het niet voldoen aan het omgevingsplan ook een weigeringsgrond oplevert voor de exploitatievergunning op grond van artikel 2:28, tweede lid, van de APV; het vermoeden van valsheid in geschrifte is gepleegd bij de aanvraag om een exploitatievergunning; de verbouwing van het pand aan de [adres] ertoe strekt om het te betrekken bij het pand aan [het pand en het perceel] , waarop de exploitatievergunning betrekking heeft. Het is de bedoeling dat dit pand ook wordt betrokken bij het logiesgebouw en dat daar ook commerciële exploitatie als logiesgebouw zal gaan plaatsvinden. 3.1.6 Gelet op de mate van het gevaar, de hoeveelheid van de (vermoedelijk) gepleegde strafbare feiten, de samenhang van deze feiten met de aangevraagde exploitatievergunning en de ernst van de feiten is de burgemeester van oordeel dat de intrekking en weigering noodzakelijk en evenwichtig zijn. 3.1.7 Op 12 maart 2026 heeft de burgemeester de motivering van bestreden besluit I en III aangevuld. De burgemeester heeft een nieuw feit ten grondslag gelegd aan deze bestreden besluiten. Dit betreft het in de periode tussen maart 2025 en juni 2025 stilleggen van sloop- en bouwwerkzaamheden in [plaats 1] waardoor bouwwerken in zodanige staat zijn gebracht en/of gelaten dat dit tot gevaar voor de gezondheid of veiligheid kon leiden. Dat is een overtreding van artikel 7.4 of artikel 3.5 van het Bbl dan wel artikel 1.6 en artikel 1.7/1.7a van de Omgevingswet (Ow). Daar is een last onder bestuursdwang voor opgelegd aan eisers. Uit een uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Rotterdam blijkt dat het college van burgemeester en wethouders van de gemeente [plaats 1] bevoegd was om handhavend op te treden, omdat sprake was van overtreding van de zorgplichten uit het Bbl. Volgens de burgemeester is sprake van samenhang, omdat sprake is van dezelfde dan wel sterk vergelijkbare overtredingen. Op dezelfde wijze zijn namelijk ook overtredingen begaan bij het verbouwen van het pand aan [het pand en het perceel] en de ingebruikname daarvan als logiesgebouw, waarop de verleende en aangevraagde exploitatievergunning betrekking hebben. Beide kwesties hebben gemeen dat de overtredingen in het teken staan van en dienstig zijn aan het gewijzigde gebruik van het pand. De vergunde en aangevraagde exploitatievergunningen kunnen de overtredingen ook faciliteren.
Volledig
In een uitspraak van 2 december 2024 heeft de voorzieningenrechter dat verzoek toegewezen en de voorziening getroffen dat [eiseres 1] mag handelen als zijnde in bezit van de exploitatievergunning. 1.3.5. Bij bestreden besluit III heeft de burgemeester het bezwaar tegen primair besluit III ongegrond verklaard. 1.3.6 Eisers hebben daar op 14 oktober 2025 beroep tegen ingesteld. Zij hebben de voorzieningenrechter op dezelfde datum verzocht om een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter heeft het verzoek om een voorlopige voorziening in een uitspraak van 20 november 2025 toegewezen. De voorzieningenrechter heeft de voorlopige voorziening getroffen dat [eiseres 1] mag handelen als ware zij in het bezit van de exploitatievergunning tot twee weken na de uitspraak van de rechtbank in de hoofdzaken met de zaaknummers 25/5225 en 25/5227. 1.3.7 De burgemeester heeft de motivering van bestreden besluit III aangevuld op 12 maart 2026. Het beroep tegen bestreden besluit III heeft van rechtswege mede betrekking op dat besluit tot wijziging van het bestreden besluit III. In een aanvulling van 2 april 2026 hebben eisers gereageerd op dit 6:19-besluit. 2 Wettelijk kader 2.1 De relevante wettelijke bepalingen zijn opgenomen in een bijlage, die deel uitmaakt van deze uitspraak. 3. Beoordeling beroepen tegen bestreden besluit I (25/5227, intrekken exploitatievergunning) en bestreden besluit III (25/5225, weigeren exploitatievergunning) 3.1 Bestreden besluiten I en III 3.1.1 Uit bestreden besluit I blijkt dat de burgemeester de exploitatievergunning heeft ingetrokken, op grond van artikel 1:6, onder b en onder d, van de APV, omdat de exploitatievergunning aan [b.v.] is verleend en dit niet de feitelijke exploitant is van het pension. 3.1.2 Uit bestreden besluit I blijkt daarnaast dat de burgemeester de exploitatievergunning ook heeft ingetrokken op grond van artikel 7 en artikel 3, eerste lid, onder b, van de Wet Bibob. Uit bestreden besluit III blijkt dat de burgemeester de aanvraag voor een exploitatievergunning op diezelfde grondslag heeft geweigerd. Volgens de burgemeester is sprake van ernstig gevaar dat de exploitatievergunning zal worden gebruikt om strafbare feiten te plegen. 3.1.3 Ter onderbouwing van dat standpunt verwijst de burgemeester onder andere naar adviezen van het Landelijk Bureau Bibob van 9 november 2023 en 15 april 2024. In die adviezen wordt het ernstig gevaar gebaseerd op de volgende feiten en omstandigheden die ernstig doen vermoeden dat eisers de volgende strafbare feiten hebben gepleegd: het van 30 juli 2013 tot en met 13 december 2013 (vermoedelijk) handelen door eiser 2 in strijd met artikel 2.1, eerste lid, onder c, en 2.3a van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) en artikel 3, eerste lid, van de Drank- en Horecawet ten aanzien van [het pand en het perceel] ; het van 17 juni 2021 tot en met 28 januari 2024 (vermoedelijk) handelen door eiser 2 in strijd met de Woningwet, het Bouwbesluit 2012 en artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de Wabo ten aanzien van de [adressen 1] ; het van 17 juni 2021 tot en met 6 mei 2023 (vermoedelijk) handelen door eiseres 3 in strijd met artikel 2.1, eerste lid, onder a, c en d, van de Wabo, de Woningwet en het Bouwbesluit 2012 ten aanzien van [het pand en het perceel] ; het op 20 juni 2023 (vermoedelijk) handelen van Zondak.nu B.V. in strijd met artikel 3.16, eerste lid, van het Arbeidsomstandighedenbesluit. 3.1.4 Ambtshalve heeft de burgemeester daar in bestreden besluit I en bestreden besluit III de volgende feiten en omstandigheden aan toegevoegd, die de burgemeester ambtshalve bekend zijn, en volgens de burgemeester doen vermoeden dat eisers de volgende strafbare feiten hebben gepleegd: 5. het op 8 maart 2023 ten onrechte niet vermelden op een Bibob-vragenformulier dat eisers (in ieder geval eiser 2) als verdachte waren aangemerkt in een strafrechtelijke procedure, wat volgens de burgemeester een vermoeden rechtvaardigt van het plegen van valsheid in geschrifte; 6. het meerdere keren overtreden van een op 5 juli 2021 opgelegde last onder dwangsom in de periode van 29 juli 2023 tot en met 28 januari 2024, betreffende het gebruik van de panden aan de [adressen 1] als logiesgebouw; 7. het voortzetten van dat strijdige gebruik in de periode januari 2024 tot en met 15 mei 2024 en een nieuwe last onder dwangsom die daarvoor is opgelegd op 25 februari 2025; 8. het niet voldoen aan een vordering om inlichtingen van de toezichthouder van 30 juli 2023 en een daarop volgende last onder dwangsom op grond van artikel 5:20 van de Awb; 9. het plaatsen van zonnepanelen op de panden aan [adressen 2] , zonder daarvoor vereiste omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit. Op 19 maart 2024 is daar een last onder dwangsom voor opgelegd; 10. de aan eiseres 3 opgelegde last onder dwangsom van 25 mei 2023, vanwege het exploiteren van [eiseres 1] aan [het pand en het perceel] ; 11. de aan eisers op 21 januari 2025 opgelegde last onder bestuursdwang en last onder dwangsom, vanwege overtreding van artikel 2:10 van de APV, artikel 7.10 en 7.9 van het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl), met betrekking tot [adres] . 3.1.5 Volgens de burgemeester bestaat samenhang tussen deze strafbare feiten en de ingetrokken en geweigerde exploitatievergunning, omdat: het handelen in strijd met de Wabo/Omgevingswet, de Drank- en horecawet, het Bouwbesluit 2012 en de Woningwet zijn gepleegd bij de onderneming aan [het pand en het perceel] en bij een zusteronderneming aan de [adressen 1] en daarmee gepleegd zijn bij beschikkingsactiviteiten die overeenkomen met activiteiten waarvoor de exploitatievergunning is aangevraagd; de aangevraagde exploitatievergunning het mogelijk maakt om de strafbare feiten onder 1 t/m 11 te plegen; het niet voldoen aan het omgevingsplan ook een weigeringsgrond oplevert voor de exploitatievergunning op grond van artikel 2:28, tweede lid, van de APV; het vermoeden van valsheid in geschrifte is gepleegd bij de aanvraag om een exploitatievergunning; de verbouwing van het pand aan de [adres] ertoe strekt om het te betrekken bij het pand aan [het pand en het perceel] , waarop de exploitatievergunning betrekking heeft. Het is de bedoeling dat dit pand ook wordt betrokken bij het logiesgebouw en dat daar ook commerciële exploitatie als logiesgebouw zal gaan plaatsvinden. 3.1.6 Gelet op de mate van het gevaar, de hoeveelheid van de (vermoedelijk) gepleegde strafbare feiten, de samenhang van deze feiten met de aangevraagde exploitatievergunning en de ernst van de feiten is de burgemeester van oordeel dat de intrekking en weigering noodzakelijk en evenwichtig zijn. 3.1.7 Op 12 maart 2026 heeft de burgemeester de motivering van bestreden besluit I en III aangevuld. De burgemeester heeft een nieuw feit ten grondslag gelegd aan deze bestreden besluiten. Dit betreft het in de periode tussen maart 2025 en juni 2025 stilleggen van sloop- en bouwwerkzaamheden in [plaats 1] waardoor bouwwerken in zodanige staat zijn gebracht en/of gelaten dat dit tot gevaar voor de gezondheid of veiligheid kon leiden. Dat is een overtreding van artikel 7.4 of artikel 3.5 van het Bbl dan wel artikel 1.6 en artikel 1.7/1.7a van de Omgevingswet (Ow). Daar is een last onder bestuursdwang voor opgelegd aan eisers. Uit een uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Rotterdam blijkt dat het college van burgemeester en wethouders van de gemeente [plaats 1] bevoegd was om handhavend op te treden, omdat sprake was van overtreding van de zorgplichten uit het Bbl. Volgens de burgemeester is sprake van samenhang, omdat sprake is van dezelfde dan wel sterk vergelijkbare overtredingen. Op dezelfde wijze zijn namelijk ook overtredingen begaan bij het verbouwen van het pand aan [het pand en het perceel] en de ingebruikname daarvan als logiesgebouw, waarop de verleende en aangevraagde exploitatievergunning betrekking hebben. Beide kwesties hebben gemeen dat de overtredingen in het teken staan van en dienstig zijn aan het gewijzigde gebruik van het pand. De vergunde en aangevraagde exploitatievergunningen kunnen de overtredingen ook faciliteren.
Volledig
3.2 Gronden Eisers hebben – kort samengevat – aangevoerd dat de burgemeester een advies van [naam] over de Wet Bibob – in strijd met artikel 7:4, tweede lid, en artikel 8:42 van de Awb – niet heeft overgelegd. Eisers hebben tegen bestreden besluit I aangevoerd dat de burgemeester de exploitatievergunning niet heeft kunnen intrekken. De exploitatievergunning is niet aan [b.v.] , maar aan eiseres 3 verleend voor het pension aan [het pand en het perceel] . Eisers hebben tegen bestreden besluit I en III aangevoerd dat de burgemeester de exploitatievergunning niet mocht intrekken en weigeren op grond van de Wet Bibob, omdat geen sprake is van ernstig gevaar dat de exploitatievergunning mede zal worden gebruikt voor het plegen van strafbare feiten. 3.3 Advies [naam] Beroepsgrond 3.3.1 Eisers hebben aangevoerd dat de burgemeester in strijd met artikel 7:4, tweede lid, en artikel 8:42 van de Awb niet alle stukken heeft overgelegd. Advocatenkantoor [naam] heeft een advies uitgebracht over de wijze waarop de Wet Bibob is toegepast. In dat advies werd geadviseerd over het te nemen besluit. De burgemeester heeft het bij diens besluitvorming betrokken. Gelet daarop is het een op bestreden besluiten I en III betrekking hebbend stuk. Het niet overleggen van het stuk maakt de bezwaarprocedure onzorgvuldig en maakt ook dat het beginsel van equality of arms is geschonden. Dat de burgemeester dit stuk niet kenbaar in de motivering van deze besluiten heeft betrokken, maakt dat volgens eisers niet anders. Toetsingskader 3.3.2 Artikel 7:4, tweede lid, van de Awb verplicht het bestuursorgaan om het bezwaarschrift en alle verder op de zaak betrekking hebbende stukken voorafgaand aan het horen voor belanghebbenden ter inzage te leggen. Tot de op de zaak betrekking hebbende stukken behoren ten minste de stukken die door het bestuursorgaan zijn gebruikt bij de voorbereiding en het nemen van het besluit. Artikel 8:42, eerste lid, van de Awb bepaalt dat het bestuursorgaan de op de zaak betrekking hebbende stukken aan de bestuursrechter zendt. Tot deze stukken behoren alle stukken die het bestuursorgaan ter raadpleging ter beschikking staan of hebben gestaan en van belang kunnen zijn voor de beslechting van het geschil. Beoordeling 3.3.3 De rechtbank is van oordeel dat eisers onvoldoende aannemelijk hebben gemaakt waarom het advies behoort tot de op de zaak betrekking hebbende stukken. Uit primair besluit I en III of bestreden besluit I en III blijkt niet dat dit advies ten grondslag is gelegd aan de intrekking en weigering van de exploitatievergunning. Uit rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: Afdeling) blijkt dat de schriftelijke neerslag van de raadpleging van interne of externe adviseurs door het bestuursorgaan die betrekking heeft op de positiebepaling ten aanzien van aan de orde zijnde rechtsvragen niet een op de zaak betrekking hebbend stuk is als bedoeld in artikel 7:4, tweede lid, van de Awb. Hetzelfde heeft de Afdeling overwogen ten aanzien van artikel 8:42, eerste lid, van de Awb. Deze grond slaagt dus niet. 3.4 Intrekking op grond van de APV Beroepsgrond 3.4.1 Eisers hebben aangevoerd dat de burgemeester de exploitatievergunning niet heeft kunnen intrekken op grond van artikel 1:6, eerste lid, onder b en d, van de APV. De exploitatievergunning is niet aan [b.v.] , maar aan eiseres 3 verleend voor het pension aan [het pand en het perceel] . Zij heeft de exploitatievergunning aangevraagd, het zijn door eiseres 3 aangeleverde stukken die zijn getoetst en de exploitatievergunning is ook gericht aan eiseres 3. Uit de tekst van de exploitatievergunning blijkt ook dat deze aan eiseres 3 is verleend en er wordt gerefereerd aan de aan eiseres 3 afgegeven omgevingsvergunning waarmee de exploitatievergunning samenhangt. Beoordeling 3.4.2 De rechtbank is van oordeel dat de burgemeester de exploitatievergunning niet heeft kunnen intrekken op grond van artikel 1:6, eerste lid, onder b en onder d, van de APV. De rechtbank is van oordeel dat ervan uit moet worden gegaan dat de exploitatievergunning op 12 oktober 2022 is verleend aan eiseres 3 en niet aan [b.v.] . De rechtbank heeft daarbij in aanmerking genomen dat het voor de burgemeester op het moment van het verlenen van de exploitatievergunning bekend was dat het pension door eiseres 3 werd geëxploiteerd. De burgemeester heeft namelijk op 5 juli 2021 aan eiseres 3 een last onder dwangsom opgelegd vanwege het zonder exploitatievergunning gebruiken van het pand als logiesgebouw. Daarnaast blijkt duidelijk uit de aanvraag dat de exploitatievergunning werd aangevraagd door [b.v.] , maar namens eiseres 3. Bij contactgegevens staat in de aanvraag expliciet de naam van eiseres 3. Ook staat bij ondernemingsvorm ‘natuurlijk persoon’. In de exploitatievergunning wordt daarnaast ook gerefereerd aan een omgevingsvergunning die op 5 oktober 2022 aan eiseres 3 is verleend voor het in strijd met het bestemmingsplan gebruiken van het pand als pension. Onder deze omstandigheden moet ervan uit worden gegaan dat de exploitatievergunning – ondanks de onjuiste adressering aan [b.v.] – feitelijk is verleend aan eiseres 3. Het had op de weg van de burgemeester gelegen om die door hemzelf gemaakte kennelijke fout in de adressering ambtshalve te wijzigen. Anders dan de burgemeester meent, is hij daartoe bevoegd. Er is immers geen sprake van het verlenen van de vergunning aan een ander, maar van het herstellen van een kennelijke fout. De bevoegdheid tot het verlenen van een vergunning impliceert naar het oordeel van de rechtbank ook een bevoegdheid tot het herstellen van een kennelijke fout in het besluit tot verlening van die vergunning. 3.5 Intrekking op grond van de Wet Bibob Beroepsgrond 3.5.1 Eisers hebben daarnaast aangevoerd dat de burgemeester de exploitatievergunning niet mocht intrekken en weigeren op grond van artikel 7 en artikel 3, eerste lid, onder b, van de Wet Bibob, omdat geen sprake is van ernstig gevaar dat de exploitatievergunning mede zal worden gebruikt voor het plegen van strafbare feiten. Ter onderbouwing van dat standpunt hebben zij het volgende aangevoerd. 3.5.2 Eisers betwisten de hierna volgende onder overwegingen 3.1.3 t/m 3.1.5 genoemde overtredingen en/of samenhang: overtredingen onder 1: De burgemeester heeft – gelet op het tijdsverloop – ten onrechte rekening gehouden met de overtredingen onder 1. De pleegdatum van deze overtredingen ligt verder dan zes jaar in het verleden. De leidraad gevaarsbeoordeling waardeert feiten af als het tijdsverloop zes jaar of meer bedraagt. overtredingen onder 3: Eisers betwisten deze overtredingen en verwijzen naar de gronden die zijn aangevoerd in het beroep met zaaknummer 25/3831. Daarnaast bestaat geen samenhang tussen deze overtredingen en de exploitatievergunning. De samenhang moet zien op de activiteit waar de exploitatievergunning op ziet en de activiteit waarbij de overtredingen zijn gepleegd. Die zijn niet gelijk. De exploitatievergunning kan geen bouwovertredingen faciliteren. overtreding onder 4: Eisers betwisten deze overtreding. Er is geen boete opgelegd en er is geen handhaving gevolgd. Uit een inspectierapport blijkt dat er een mondelinge stillegging is geweest die ter plekke mondeling is opgeheven. De stillegging had plaatsgevonden omdat er geen valbeveiliging op het dak geïnstalleerd was. De stillegging is opgeheven, omdat er op dat moment niet werd gewerkt. De valbeveiliging was aanwezig in de auto met de medewerkers, die het werk nog moesten aanvangen. Eisers kan niet worden verweten dat ze daar geen bezwaar tegen hebben gemaakt, omdat dan zou zijn geoordeeld dat geen sprake was van procesbelang. Tussen deze overtreding en de exploitatievergunning bestaat ook geen samenhang. Het leggen van zonnepanelen hangt op geen enkele wijze samen met het exploiteren van een pension. overtreding onder 5: Eisers zijn vrijgesproken van deze overtreding. Op geen enkele wijze is aannemelijk dat eisers de burgemeester onjuist hebben willen voorlichten. Gelet op de vrijspraak, mag dit feit niet meer betrokken worden op grond van artikel 3a, derde lid, van de Wet Bibob.
Volledig
3.2 Gronden Eisers hebben – kort samengevat – aangevoerd dat de burgemeester een advies van [naam] over de Wet Bibob – in strijd met artikel 7:4, tweede lid, en artikel 8:42 van de Awb – niet heeft overgelegd. Eisers hebben tegen bestreden besluit I aangevoerd dat de burgemeester de exploitatievergunning niet heeft kunnen intrekken. De exploitatievergunning is niet aan [b.v.] , maar aan eiseres 3 verleend voor het pension aan [het pand en het perceel] . Eisers hebben tegen bestreden besluit I en III aangevoerd dat de burgemeester de exploitatievergunning niet mocht intrekken en weigeren op grond van de Wet Bibob, omdat geen sprake is van ernstig gevaar dat de exploitatievergunning mede zal worden gebruikt voor het plegen van strafbare feiten. 3.3 Advies [naam] Beroepsgrond 3.3.1 Eisers hebben aangevoerd dat de burgemeester in strijd met artikel 7:4, tweede lid, en artikel 8:42 van de Awb niet alle stukken heeft overgelegd. Advocatenkantoor [naam] heeft een advies uitgebracht over de wijze waarop de Wet Bibob is toegepast. In dat advies werd geadviseerd over het te nemen besluit. De burgemeester heeft het bij diens besluitvorming betrokken. Gelet daarop is het een op bestreden besluiten I en III betrekking hebbend stuk. Het niet overleggen van het stuk maakt de bezwaarprocedure onzorgvuldig en maakt ook dat het beginsel van equality of arms is geschonden. Dat de burgemeester dit stuk niet kenbaar in de motivering van deze besluiten heeft betrokken, maakt dat volgens eisers niet anders. Toetsingskader 3.3.2 Artikel 7:4, tweede lid, van de Awb verplicht het bestuursorgaan om het bezwaarschrift en alle verder op de zaak betrekking hebbende stukken voorafgaand aan het horen voor belanghebbenden ter inzage te leggen. Tot de op de zaak betrekking hebbende stukken behoren ten minste de stukken die door het bestuursorgaan zijn gebruikt bij de voorbereiding en het nemen van het besluit. Artikel 8:42, eerste lid, van de Awb bepaalt dat het bestuursorgaan de op de zaak betrekking hebbende stukken aan de bestuursrechter zendt. Tot deze stukken behoren alle stukken die het bestuursorgaan ter raadpleging ter beschikking staan of hebben gestaan en van belang kunnen zijn voor de beslechting van het geschil. Beoordeling 3.3.3 De rechtbank is van oordeel dat eisers onvoldoende aannemelijk hebben gemaakt waarom het advies behoort tot de op de zaak betrekking hebbende stukken. Uit primair besluit I en III of bestreden besluit I en III blijkt niet dat dit advies ten grondslag is gelegd aan de intrekking en weigering van de exploitatievergunning. Uit rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: Afdeling) blijkt dat de schriftelijke neerslag van de raadpleging van interne of externe adviseurs door het bestuursorgaan die betrekking heeft op de positiebepaling ten aanzien van aan de orde zijnde rechtsvragen niet een op de zaak betrekking hebbend stuk is als bedoeld in artikel 7:4, tweede lid, van de Awb. Hetzelfde heeft de Afdeling overwogen ten aanzien van artikel 8:42, eerste lid, van de Awb. Deze grond slaagt dus niet. 3.4 Intrekking op grond van de APV Beroepsgrond 3.4.1 Eisers hebben aangevoerd dat de burgemeester de exploitatievergunning niet heeft kunnen intrekken op grond van artikel 1:6, eerste lid, onder b en d, van de APV. De exploitatievergunning is niet aan [b.v.] , maar aan eiseres 3 verleend voor het pension aan [het pand en het perceel] . Zij heeft de exploitatievergunning aangevraagd, het zijn door eiseres 3 aangeleverde stukken die zijn getoetst en de exploitatievergunning is ook gericht aan eiseres 3. Uit de tekst van de exploitatievergunning blijkt ook dat deze aan eiseres 3 is verleend en er wordt gerefereerd aan de aan eiseres 3 afgegeven omgevingsvergunning waarmee de exploitatievergunning samenhangt. Beoordeling 3.4.2 De rechtbank is van oordeel dat de burgemeester de exploitatievergunning niet heeft kunnen intrekken op grond van artikel 1:6, eerste lid, onder b en onder d, van de APV. De rechtbank is van oordeel dat ervan uit moet worden gegaan dat de exploitatievergunning op 12 oktober 2022 is verleend aan eiseres 3 en niet aan [b.v.] . De rechtbank heeft daarbij in aanmerking genomen dat het voor de burgemeester op het moment van het verlenen van de exploitatievergunning bekend was dat het pension door eiseres 3 werd geëxploiteerd. De burgemeester heeft namelijk op 5 juli 2021 aan eiseres 3 een last onder dwangsom opgelegd vanwege het zonder exploitatievergunning gebruiken van het pand als logiesgebouw. Daarnaast blijkt duidelijk uit de aanvraag dat de exploitatievergunning werd aangevraagd door [b.v.] , maar namens eiseres 3. Bij contactgegevens staat in de aanvraag expliciet de naam van eiseres 3. Ook staat bij ondernemingsvorm ‘natuurlijk persoon’. In de exploitatievergunning wordt daarnaast ook gerefereerd aan een omgevingsvergunning die op 5 oktober 2022 aan eiseres 3 is verleend voor het in strijd met het bestemmingsplan gebruiken van het pand als pension. Onder deze omstandigheden moet ervan uit worden gegaan dat de exploitatievergunning – ondanks de onjuiste adressering aan [b.v.] – feitelijk is verleend aan eiseres 3. Het had op de weg van de burgemeester gelegen om die door hemzelf gemaakte kennelijke fout in de adressering ambtshalve te wijzigen. Anders dan de burgemeester meent, is hij daartoe bevoegd. Er is immers geen sprake van het verlenen van de vergunning aan een ander, maar van het herstellen van een kennelijke fout. De bevoegdheid tot het verlenen van een vergunning impliceert naar het oordeel van de rechtbank ook een bevoegdheid tot het herstellen van een kennelijke fout in het besluit tot verlening van die vergunning. 3.5 Intrekking op grond van de Wet Bibob Beroepsgrond 3.5.1 Eisers hebben daarnaast aangevoerd dat de burgemeester de exploitatievergunning niet mocht intrekken en weigeren op grond van artikel 7 en artikel 3, eerste lid, onder b, van de Wet Bibob, omdat geen sprake is van ernstig gevaar dat de exploitatievergunning mede zal worden gebruikt voor het plegen van strafbare feiten. Ter onderbouwing van dat standpunt hebben zij het volgende aangevoerd. 3.5.2 Eisers betwisten de hierna volgende onder overwegingen 3.1.3 t/m 3.1.5 genoemde overtredingen en/of samenhang: overtredingen onder 1: De burgemeester heeft – gelet op het tijdsverloop – ten onrechte rekening gehouden met de overtredingen onder 1. De pleegdatum van deze overtredingen ligt verder dan zes jaar in het verleden. De leidraad gevaarsbeoordeling waardeert feiten af als het tijdsverloop zes jaar of meer bedraagt. overtredingen onder 3: Eisers betwisten deze overtredingen en verwijzen naar de gronden die zijn aangevoerd in het beroep met zaaknummer 25/3831. Daarnaast bestaat geen samenhang tussen deze overtredingen en de exploitatievergunning. De samenhang moet zien op de activiteit waar de exploitatievergunning op ziet en de activiteit waarbij de overtredingen zijn gepleegd. Die zijn niet gelijk. De exploitatievergunning kan geen bouwovertredingen faciliteren. overtreding onder 4: Eisers betwisten deze overtreding. Er is geen boete opgelegd en er is geen handhaving gevolgd. Uit een inspectierapport blijkt dat er een mondelinge stillegging is geweest die ter plekke mondeling is opgeheven. De stillegging had plaatsgevonden omdat er geen valbeveiliging op het dak geïnstalleerd was. De stillegging is opgeheven, omdat er op dat moment niet werd gewerkt. De valbeveiliging was aanwezig in de auto met de medewerkers, die het werk nog moesten aanvangen. Eisers kan niet worden verweten dat ze daar geen bezwaar tegen hebben gemaakt, omdat dan zou zijn geoordeeld dat geen sprake was van procesbelang. Tussen deze overtreding en de exploitatievergunning bestaat ook geen samenhang. Het leggen van zonnepanelen hangt op geen enkele wijze samen met het exploiteren van een pension. overtreding onder 5: Eisers zijn vrijgesproken van deze overtreding. Op geen enkele wijze is aannemelijk dat eisers de burgemeester onjuist hebben willen voorlichten. Gelet op de vrijspraak, mag dit feit niet meer betrokken worden op grond van artikel 3a, derde lid, van de Wet Bibob.
Volledig
overtreding onder 9: Er bestaat geen samenhang tussen de exploitatievergunning en deze overtreding. Het plaatsen van zonnepanelen hangt niet samen met de exploitatie van een pension. overtredingen onder 2, 6 en 7: De overtredingen in de periode van 17 juni 2021 tot en met 28 januari 2024 ten aanzien van de [adressen 1] en waarvoor lasten onder dwangsom zijn opgelegd op 25 mei 2025 worden betwist. Ook de overtredingen van de eerder opgelegde last onder dwangsom (van 5 juli 2021) worden betwist. Eisers verwijzen naar de gronden uit het hoger beroepschrift tegen het invorderingsbesluit. Er is ook geen sprake van samenhang tussen de exploitatievergunning en de overtredingen van de Wabo, het Bouwbesluit en de Woningwet. overtreding onder 10: Eisers betwisten deze overtreding en verwijzen naar het beroepschrift in het beroep met zaaknummer 25/5780. overtredingen onder 11: Eisers betwisten deze overtredingen en verwijzen naar het beroepschrift in het beroep met zaaknummer 25/3839. Dat de [adres] naast [nummer] ligt, maakt niet dat van samenhang gesproken kan worden. 6:19 besluit: Eisers betwisten de overtredingen in de gemeente [plaats 1] . Ter onderbouwing verwijzen zij naar het bezwaarschrift tegen de opgelegde handhavingssanctie. Ook stellen zij dat ten aanzien van die overtredingen niet is voldaan aan het samenhangcriterium. 3.5.3 Volgens eisers is het intrekken en weigeren van de exploitatievergunning ook niet in overeenstemming met artikel 3, vijfde lid, van de Wet Bibob. De bestreden besluiten kunnen de daarin opgenomen toets aan het evenredigheidsbeginsel en de daarover opgenomen voorwaarden in de jurisprudentie van de Afdeling niet doorstaan. De overtredingen waarop de burgemeester zich baseert, zijn namelijk Wabo-overtredingen, die gedateerd zijn, die niet als ernstig zijn aan te merken en ook is niet gebleken dat eisers structureel overtredingen hebben gepleegd. De Wet Bibob is bedoeld om ondermijning tegen te gaan. De overtredingen die de burgemeester heeft meegenomen, zijn niet als ondermijnende criminaliteit aan te merken. Bovendien gaat het om overtredingen die nadien zijn opgeheven dan wel gelegaliseerd. Toetsingskader 3.5.4 De burgemeester kan een exploitatievergunning op grond van artikel 3, eerste lid, onder b, van de Wet Bibob weigeren of intrekken, indien ernstig gevaar bestaat dat die beschikking mede zal worden gebruikt om strafbare feiten te plegen. 3.5.5 In het derde lid is aangegeven op welke wijze moet worden vastgesteld in hoeverre een gevaar bestaat dat de beschikking mede zal worden gebruikt om strafbare feiten te plegen. In de eerste plaats moet sprake zijn van feiten en omstandigheden (concrete indicaties) die erop wijzen of redelijkerwijs doen vermoeden dat de betrokkene in relatie staat tot strafbare feiten die zijn gepleegd bij activiteiten die overeenkomen of samenhangen met activiteiten waarvoor de beschikking wordt aangevraagd dan wel is gegeven. Om vast te stellen of sprake is van dergelijke strafbare feiten is een strafrechtelijke veroordeling niet vereist. Wel moet aan de hand van concrete indicaties aannemelijk zijn dat die strafbare feiten zijn gepleegd. Dat betekent dat zozeer waarschijnlijk is dat die feiten hebben plaatsgevonden, dat ze daarom als vaststaand behoren te worden aangenomen. Daarnaast moet sprake zijn van samenhang. Van activiteiten die samenhangen met die waarvoor de beschikking is gevraagd, kan worden gesproken indien het gaat om activiteiten die in elkaars verlengde liggen. In de praktijk komt het erop neer dat aan deze voorwaarde is voldaan als een beschikking het plegen van strafbare feiten kan faciliteren. Op grond van het derde lid moet ook het aantal strafbare feiten in ogenschouw worden genomen. Een reeks van overtredingen draagt uiteraard niet bij tot het vertrouwen dat de betrokkene in de toekomst zich wel binnen het kader van de wet zal bewegen. Met andere woorden: naarmate het aantal in het verleden gepleegde of vermoedelijk gepleegde strafbare feiten groter is, is het gevaar dat ook in de toekomst strafbare feiten zullen worden gepleegd groter. 3.5.6 In het vijfde lid, onder b, staat dat de weigering dan wel intrekking, slechts plaatsvindt indien deze evenredig is met de ernst van de strafbare feiten. Ernstig gevaar 3.5.7 De rechtbank is van oordeel dat de burgemeester in bestreden besluit I en bestreden besluit III voldoende heeft gemotiveerd dat is gebleken van feiten en omstandigheden die erop wijzen of redelijkerwijs doen vermoeden, dat eisers in relatie staan tot strafbare feiten die zijn gepleegd bij activiteiten die overeenkomen of samenhangen met activiteiten waarvoor de exploitatievergunning wordt aangevraagd dan wel is gegeven. Gelet daarop heeft de burgemeester voldoende gemotiveerd dat sprake is van ernstig gevaar dat de exploitatievergunning mede zal worden gebruikt om strafbare feiten te plegen. 3.5.8 De burgemeester heeft uit het overgrote deel van de in overwegingen 3.1.3 en 3.1.4 genoemde feiten en omstandigheden kunnen afleiden dat eisers in relatie staan tot strafbare feiten, doordat zij deze zelf hebben begaan of doordat deze zijn begaan door bedrijven binnen de directe invloedssfeer van eisers. Het gaat om de volgende feiten en omstandigheden: Eisers hebben de onder 1 genoemde overtredingen niet betwist. De burgemeester heeft in bestreden besluit I en III voldoende gemotiveerd dat hij al rekening heeft gehouden met het tijdsverloop, door deze overtredingen minder zwaar mee te wegen bij de beoordeling van het mate van gevaar. In een uitspraak van de voorzieningenrechter van 18 augustus 2021 , heeft de voorzieningenrechter ten aanzien van de onder 2 genoemde overtredingen geoordeeld dat aannemelijk is dat op 17 juni 2021 is geconstateerd dat door eiser 2 in strijd werd gehandeld met artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de Wabo. Ook de overtredingen na die datum zijn voldoende aannemelijk, gezien de uitspraak van de rechtbank van 25 september 2025 . In de uitspraak van deze rechtbank van heden in het beroep met zaaknummer 25/3831, heeft de rechtbank ten aanzien van de onder 3 genoemde overtredingen geoordeeld dat aannemelijk is dat in die periode sprake was van overtredingen door eiseres 3 van in ieder geval artikel 2.1, eerste lid, onder a, onder c en onder d, van de Wabo en artikel 2:28 van de APV. De rechtbank is van oordeel dat de burgemeester – door te verwijzen naar het inspectierapport van de Nederlandse arbeidsinspectie van 27 juni 2023 – voldoende heeft gemotiveerd dat aannemelijk is dat de onder 4 genoemde overtreding op 27 juni 2023 is begaan door een bedrijf binnen de directe invloedssfeer van eisers. In een uitspraak van de rechtbank van 25 september 2025 , heeft de rechtbank ten aanzien van de onder 6 genoemde overtredingen geoordeeld dat aannemelijk is dat in die periode sprake was van overtredingen door eiser 2 van de op 5 juli 2021 opgelegde last onder dwangsom. In de uitspraak van deze rechtbank van heden in de beroepen met zaaknummers 25/5782 en 25/5784, heeft de rechtbank ten aanzien van de onder 7 genoemde overtredingen geoordeeld dat aannemelijk is dat in die periode sprake was van overtredingen door eiser 2 van artikel 5.1, eerste lid, onder a, van de Ow. Omdat het beroep tegen de last onder dwangsom ten aanzien van artikel 2:28 van de APV ongegrond is verklaard, kan ook uit worden gegaan van de aannemelijkheid van die overtreding. Eisers hebben de onder 8 en 9 genoemde overtredingen niet betwist. In de uitspraak van deze rechtbank van heden in het beroep met zaaknummer 25/3839 heeft de rechtbank ten aanzien van de onder 11 genoemde overtredingen geoordeeld dat aannemelijk is dat eisers die overtredingen hebben begaan. In de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Rotterdam van 1 juli 2025 heeft de voorzieningenrechter geoordeeld dat aannemelijk is dat in ieder geval de in overweging 3.1.7 genoemde overtredingen van het Bbl zijn begaan. 3.5.9 De rechtbank overweegt voor de volledigheid dat de burgemeester de volgende feiten en omstandigheden redelijkerwijs niet heeft kunnen betrekken bij het oordeel dat eisers in relatie staan tot strafbare feiten.
Volledig
overtreding onder 9: Er bestaat geen samenhang tussen de exploitatievergunning en deze overtreding. Het plaatsen van zonnepanelen hangt niet samen met de exploitatie van een pension. overtredingen onder 2, 6 en 7: De overtredingen in de periode van 17 juni 2021 tot en met 28 januari 2024 ten aanzien van de [adressen 1] en waarvoor lasten onder dwangsom zijn opgelegd op 25 mei 2025 worden betwist. Ook de overtredingen van de eerder opgelegde last onder dwangsom (van 5 juli 2021) worden betwist. Eisers verwijzen naar de gronden uit het hoger beroepschrift tegen het invorderingsbesluit. Er is ook geen sprake van samenhang tussen de exploitatievergunning en de overtredingen van de Wabo, het Bouwbesluit en de Woningwet. overtreding onder 10: Eisers betwisten deze overtreding en verwijzen naar het beroepschrift in het beroep met zaaknummer 25/5780. overtredingen onder 11: Eisers betwisten deze overtredingen en verwijzen naar het beroepschrift in het beroep met zaaknummer 25/3839. Dat de [adres] naast [nummer] ligt, maakt niet dat van samenhang gesproken kan worden. 6:19 besluit: Eisers betwisten de overtredingen in de gemeente [plaats 1] . Ter onderbouwing verwijzen zij naar het bezwaarschrift tegen de opgelegde handhavingssanctie. Ook stellen zij dat ten aanzien van die overtredingen niet is voldaan aan het samenhangcriterium. 3.5.3 Volgens eisers is het intrekken en weigeren van de exploitatievergunning ook niet in overeenstemming met artikel 3, vijfde lid, van de Wet Bibob. De bestreden besluiten kunnen de daarin opgenomen toets aan het evenredigheidsbeginsel en de daarover opgenomen voorwaarden in de jurisprudentie van de Afdeling niet doorstaan. De overtredingen waarop de burgemeester zich baseert, zijn namelijk Wabo-overtredingen, die gedateerd zijn, die niet als ernstig zijn aan te merken en ook is niet gebleken dat eisers structureel overtredingen hebben gepleegd. De Wet Bibob is bedoeld om ondermijning tegen te gaan. De overtredingen die de burgemeester heeft meegenomen, zijn niet als ondermijnende criminaliteit aan te merken. Bovendien gaat het om overtredingen die nadien zijn opgeheven dan wel gelegaliseerd. Toetsingskader 3.5.4 De burgemeester kan een exploitatievergunning op grond van artikel 3, eerste lid, onder b, van de Wet Bibob weigeren of intrekken, indien ernstig gevaar bestaat dat die beschikking mede zal worden gebruikt om strafbare feiten te plegen. 3.5.5 In het derde lid is aangegeven op welke wijze moet worden vastgesteld in hoeverre een gevaar bestaat dat de beschikking mede zal worden gebruikt om strafbare feiten te plegen. In de eerste plaats moet sprake zijn van feiten en omstandigheden (concrete indicaties) die erop wijzen of redelijkerwijs doen vermoeden dat de betrokkene in relatie staat tot strafbare feiten die zijn gepleegd bij activiteiten die overeenkomen of samenhangen met activiteiten waarvoor de beschikking wordt aangevraagd dan wel is gegeven. Om vast te stellen of sprake is van dergelijke strafbare feiten is een strafrechtelijke veroordeling niet vereist. Wel moet aan de hand van concrete indicaties aannemelijk zijn dat die strafbare feiten zijn gepleegd. Dat betekent dat zozeer waarschijnlijk is dat die feiten hebben plaatsgevonden, dat ze daarom als vaststaand behoren te worden aangenomen. Daarnaast moet sprake zijn van samenhang. Van activiteiten die samenhangen met die waarvoor de beschikking is gevraagd, kan worden gesproken indien het gaat om activiteiten die in elkaars verlengde liggen. In de praktijk komt het erop neer dat aan deze voorwaarde is voldaan als een beschikking het plegen van strafbare feiten kan faciliteren. Op grond van het derde lid moet ook het aantal strafbare feiten in ogenschouw worden genomen. Een reeks van overtredingen draagt uiteraard niet bij tot het vertrouwen dat de betrokkene in de toekomst zich wel binnen het kader van de wet zal bewegen. Met andere woorden: naarmate het aantal in het verleden gepleegde of vermoedelijk gepleegde strafbare feiten groter is, is het gevaar dat ook in de toekomst strafbare feiten zullen worden gepleegd groter. 3.5.6 In het vijfde lid, onder b, staat dat de weigering dan wel intrekking, slechts plaatsvindt indien deze evenredig is met de ernst van de strafbare feiten. Ernstig gevaar 3.5.7 De rechtbank is van oordeel dat de burgemeester in bestreden besluit I en bestreden besluit III voldoende heeft gemotiveerd dat is gebleken van feiten en omstandigheden die erop wijzen of redelijkerwijs doen vermoeden, dat eisers in relatie staan tot strafbare feiten die zijn gepleegd bij activiteiten die overeenkomen of samenhangen met activiteiten waarvoor de exploitatievergunning wordt aangevraagd dan wel is gegeven. Gelet daarop heeft de burgemeester voldoende gemotiveerd dat sprake is van ernstig gevaar dat de exploitatievergunning mede zal worden gebruikt om strafbare feiten te plegen. 3.5.8 De burgemeester heeft uit het overgrote deel van de in overwegingen 3.1.3 en 3.1.4 genoemde feiten en omstandigheden kunnen afleiden dat eisers in relatie staan tot strafbare feiten, doordat zij deze zelf hebben begaan of doordat deze zijn begaan door bedrijven binnen de directe invloedssfeer van eisers. Het gaat om de volgende feiten en omstandigheden: Eisers hebben de onder 1 genoemde overtredingen niet betwist. De burgemeester heeft in bestreden besluit I en III voldoende gemotiveerd dat hij al rekening heeft gehouden met het tijdsverloop, door deze overtredingen minder zwaar mee te wegen bij de beoordeling van het mate van gevaar. In een uitspraak van de voorzieningenrechter van 18 augustus 2021 , heeft de voorzieningenrechter ten aanzien van de onder 2 genoemde overtredingen geoordeeld dat aannemelijk is dat op 17 juni 2021 is geconstateerd dat door eiser 2 in strijd werd gehandeld met artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de Wabo. Ook de overtredingen na die datum zijn voldoende aannemelijk, gezien de uitspraak van de rechtbank van 25 september 2025 . In de uitspraak van deze rechtbank van heden in het beroep met zaaknummer 25/3831, heeft de rechtbank ten aanzien van de onder 3 genoemde overtredingen geoordeeld dat aannemelijk is dat in die periode sprake was van overtredingen door eiseres 3 van in ieder geval artikel 2.1, eerste lid, onder a, onder c en onder d, van de Wabo en artikel 2:28 van de APV. De rechtbank is van oordeel dat de burgemeester – door te verwijzen naar het inspectierapport van de Nederlandse arbeidsinspectie van 27 juni 2023 – voldoende heeft gemotiveerd dat aannemelijk is dat de onder 4 genoemde overtreding op 27 juni 2023 is begaan door een bedrijf binnen de directe invloedssfeer van eisers. In een uitspraak van de rechtbank van 25 september 2025 , heeft de rechtbank ten aanzien van de onder 6 genoemde overtredingen geoordeeld dat aannemelijk is dat in die periode sprake was van overtredingen door eiser 2 van de op 5 juli 2021 opgelegde last onder dwangsom. In de uitspraak van deze rechtbank van heden in de beroepen met zaaknummers 25/5782 en 25/5784, heeft de rechtbank ten aanzien van de onder 7 genoemde overtredingen geoordeeld dat aannemelijk is dat in die periode sprake was van overtredingen door eiser 2 van artikel 5.1, eerste lid, onder a, van de Ow. Omdat het beroep tegen de last onder dwangsom ten aanzien van artikel 2:28 van de APV ongegrond is verklaard, kan ook uit worden gegaan van de aannemelijkheid van die overtreding. Eisers hebben de onder 8 en 9 genoemde overtredingen niet betwist. In de uitspraak van deze rechtbank van heden in het beroep met zaaknummer 25/3839 heeft de rechtbank ten aanzien van de onder 11 genoemde overtredingen geoordeeld dat aannemelijk is dat eisers die overtredingen hebben begaan. In de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Rotterdam van 1 juli 2025 heeft de voorzieningenrechter geoordeeld dat aannemelijk is dat in ieder geval de in overweging 3.1.7 genoemde overtredingen van het Bbl zijn begaan. 3.5.9 De rechtbank overweegt voor de volledigheid dat de burgemeester de volgende feiten en omstandigheden redelijkerwijs niet heeft kunnen betrekken bij het oordeel dat eisers in relatie staan tot strafbare feiten.
Volledig
In de uitspraak van deze rechtbank van heden in het beroep met zaaknummer 25/3831, heeft de rechtbank ten aanzien van de onder 3 genoemde overtredingen geoordeeld dat niet aannemelijk is dat in die periode sprake was van overtreding door eiseres 3 van artikel 1b van de Woningwet en artikel 6.19 en 6.20 van het Bouwbesluit. In het verweerschrift schrijft de burgemeester dat het onder 5 genoemde strafbare feit op grond van artikel 3a, derde lid, van de Wet Bibob niet langer aan de bestreden besluiten I en III ten grondslag kan worden gelegd, omdat eisers daarvan zijn vrijgesproken door de strafrechter. In overweging 4.3 van deze uitspraak overweegt de rechtbank dat de burgemeester niet bevoegd was om de onder 10 genoemde last onder dwangsom op te leggen aan eisers. 3.5.10 Naar het oordeel van de rechtbank heeft de burgemeester redelijkerwijs niet kunnen besluiten dat de overtreding van het Arbeidsomstandighedenbesluit ( de overtreding onder 4 ) samenhangt met activiteiten waarvoor de exploitatievergunning is verleend. De rechtbank heeft daarbij in aanmerking genomen dat het Arbeidsomstandighedenbesluit een heel ander soort regelgeving is dan de overige door eisers overtreden omgevingsrechtelijke en APV-bepalingen. 3.5.11 De burgemeester heeft echter redelijkerwijs kunnen besluiten dat de overige in overweging 3.5.8 genoemde overtredingen zijn gepleegd bij activiteiten die samenhangen met activiteiten waarvoor de exploitatievergunning is verleend en aangevraagd. De burgemeester heeft kunnen besluiten dat deze overtredingen in het verlengde liggen van de activiteiten waarvoor de exploitatievergunning is verleend en aangevraagd. De exploitatievergunning maakt het mogelijk om soortgelijke overtredingen van omgevingsrechtelijke regelgeving en de APV te plegen; vrijwel al deze overtredingen zijn gepleegd op dezelfde locatie dan wel binnen of voor rekening van hetzelfde bedrijf ( [eiseres 1] ) en veel overtredingen zien op soortgelijke activiteiten, namelijk het gebruiken van panden als pension. Voor de overtredingen met betrekking tot [adressen 1] geldt dat deze panden feitelijk fungeren als dependance van [eiseres 1] op [nummer] . Voor de overtredingen onder 9 en 11 (plaatsing zonnepanelen en ‘ [plaats 1] ’) is de samenhang minder evident, nu deze op een andere locatie plaatsvonden en geen direct verband houden met de exploitatie van het pension, maar het betreft eveneens overtredingen van omgevingsrechtelijke regelgeving bij de verbouwing van een pand. Dat ligt in de lijn van een aantal andere overtredingen en deze kunnen dan ook worden betrokken bij de gevaarsbeoordeling. 3.5.12 De rechtbank is van oordeel dat de burgemeester uit het voorgaande redelijkerwijs heeft kunnen afleiden dat een ernstig gevaar bestaat dat de exploitatievergunning mede zal worden gebruikt voor het plegen van strafbare feiten. De in overweging 3.5.8 genoemde overtredingen zijn aangemerkt als strafbare feiten in de Wet op de economische delicten. Naarmate het aantal in het verleden gepleegde of vermoedelijk gepleegde strafbare feiten groter is, is het gevaar dat ook in de toekomst strafbare feiten zullen worden gepleegd groter. Het grote aantal overtredingen schetst het beeld dat eisers veelvuldig activiteiten verrichten zonder (voorafgaand) te voldoen aan de daarvoor geldende regelgeving. Gelet daarop kon de burgemeester redelijkerwijs twijfelen of eisers bij het gebruikmaken van de exploitatievergunning aan alle overige geldende regelgeving zouden voldoen. Evenredigheid 3.5.13 De rechtbank is echter van oordeel dat de burgemeester gelet op artikel 3, vijfde lid, onder b, van de Wet Bibob redelijkerwijs niet heeft kunnen besluiten dat intrekking en weigering van de exploitatievergunning in dit specifieke geval evenredig is met de mate van het gevaar en de ernst van de strafbare feiten. Die intrekking en weigering hebben tot gevolg dat het pension aan [het pand en het perceel] moet worden gesloten en in de toekomst ook gesloten moet blijven. De rechtbank is van oordeel dat dit gevolg niet evenredig is met de ernst van de strafbare feiten. Niet is gebleken dat eisers door een strafrechter zijn veroordeeld voor het plegen van strafbare feiten. De overtredingen die de burgemeester ten grondslag heeft gelegd aan die intrekking en weigering zijn naar het oordeel van de rechtbank lichter van aard, omdat het gaat om overtredingen van omgevingsrechtelijke regelgeving en de APV. In de uitspraak van de Afdeling van 17 juli 2019 ziet de rechtbank bevestigd dat dergelijke overtredingen in het kader van de toets aan de evenredigheid als lichter kunnen worden aangemerkt. De rechtbank is van oordeel dat intrekking of weigering in dit geval onevenredig is, omdat redelijkerwijs minder ingrijpende middelen mogelijk zijn om te voorkomen dat soortgelijke overtredingen worden gepleegd met de exploitatievergunning. Het is voor de burgemeester bijvoorbeeld mogelijk om voorschriften aan de exploitatievergunning te verbinden ter voorkoming van nieuwe overtredingen. Daarnaast is het mogelijk om extra toezicht te houden op de activiteiten van eisers en beschikt zowel de burgemeester als het college van burgemeester en wethouders over verschillende bestuursrechtelijke bevoegdheden om handhavend op te treden ter beëindiging van eventuele toekomstige overtredingen. 3.6 Conclusie beroep tegen bestreden besluit I en III 3.6.1 Gelet op het voorgaande zal de rechtbank het beroep tegen bestreden besluit I gegrond verklaren en bestreden besluit I vernietigen. De rechtbank ziet helaas geen mogelijkheid om dit langlopende geschil definitief te beslechten. Er is geen aanleiding om de rechtsgevolgen in stand te laten of zelf in de zaak te voorzien, omdat het aan de burgemeester is om opnieuw te beslissen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak. Ook ziet de rechtbank geen aanleiding om een bestuurlijke lus toe te passen, omdat dat naar verwachting geen doelmatige en efficiënte afdoeningswijze zou inhouden. Zoals hiervoor is overwogen is er geen grond voor intrekking van de exploitatievergunning van 12 oktober 2022, maar het is aan de burgemeester om te besluiten of er eventueel extra voorschriften aan die vergunning moeten worden verbonden. 3.6.2 De rechtbank ziet wel aanleiding om ambtshalve een voorlopige voorziening te treffen, te weten een schorsing van primair besluit I tot zes weken na de te nemen beslissing op bezwaar. Dat betekent dat de exploitatievergunning van 12 oktober 2022 – in ieder geval tijdelijk – herleeft. De rechtbank stelt ook vast dat ervan uit moet worden gegaan dat die exploitatievergunning is verleend aan eiseres 3 voor het exploiteren van een pension ( [eiseres 1] ) aan [het pand en het perceel] . 3.6.3 Gelet op het voorgaande zal de rechtbank het beroep tegen bestreden besluit III ook gegrond verklaren en bestreden besluit III vernietigen. De rechtbank ziet aanleiding om zelf in de zaak te voorzien in die zin dat de rechtbank de weigering van de exploitatievergunning zal baseren op een andere grondslag. De rechtbank zal bepalen dat de aanvraag om een exploitatievergunning van 8 maart 2023 wordt afgewezen, omdat aan eiseres 3 op 12 oktober 2022 al een exploitatievergunning is verleend voor het exploiteren van een pension ( [eiseres 1] ) aan [het pand en het perceel] en die nog steeds geldt. 4 Beroep tegen bestreden besluit II (25/5780, last onder dwangsom) 4.1 De burgemeester heeft op 25 mei 2023 aan eisers een last onder dwangsom opgelegd, vanwege het zonder exploitatievergunning exploiteren van een pension aan [het pand en het perceel] . Het daartegen gerichte bezwaar heeft de burgemeester bij bestreden besluit II ongegrond verklaard. 4.2 Eisers hebben – kort samengevat – aangevoerd dat de burgemeester de last onder dwangsom ten onrechte heeft opgelegd, omdat geen sprake was van een overtreding van artikel 2:28, eerste lid, van de APV. De burgemeester heeft de exploitatievergunning van 12 oktober 2022 ten onrechte ingetrokken. 4.3 De rechtbank is van oordeel dat de burgemeester niet bevoegd was om op 25 mei 2023 een last onder dwangsom aan eisers op te leggen.
Volledig
In de uitspraak van deze rechtbank van heden in het beroep met zaaknummer 25/3831, heeft de rechtbank ten aanzien van de onder 3 genoemde overtredingen geoordeeld dat niet aannemelijk is dat in die periode sprake was van overtreding door eiseres 3 van artikel 1b van de Woningwet en artikel 6.19 en 6.20 van het Bouwbesluit. In het verweerschrift schrijft de burgemeester dat het onder 5 genoemde strafbare feit op grond van artikel 3a, derde lid, van de Wet Bibob niet langer aan de bestreden besluiten I en III ten grondslag kan worden gelegd, omdat eisers daarvan zijn vrijgesproken door de strafrechter. In overweging 4.3 van deze uitspraak overweegt de rechtbank dat de burgemeester niet bevoegd was om de onder 10 genoemde last onder dwangsom op te leggen aan eisers. 3.5.10 Naar het oordeel van de rechtbank heeft de burgemeester redelijkerwijs niet kunnen besluiten dat de overtreding van het Arbeidsomstandighedenbesluit ( de overtreding onder 4 ) samenhangt met activiteiten waarvoor de exploitatievergunning is verleend. De rechtbank heeft daarbij in aanmerking genomen dat het Arbeidsomstandighedenbesluit een heel ander soort regelgeving is dan de overige door eisers overtreden omgevingsrechtelijke en APV-bepalingen. 3.5.11 De burgemeester heeft echter redelijkerwijs kunnen besluiten dat de overige in overweging 3.5.8 genoemde overtredingen zijn gepleegd bij activiteiten die samenhangen met activiteiten waarvoor de exploitatievergunning is verleend en aangevraagd. De burgemeester heeft kunnen besluiten dat deze overtredingen in het verlengde liggen van de activiteiten waarvoor de exploitatievergunning is verleend en aangevraagd. De exploitatievergunning maakt het mogelijk om soortgelijke overtredingen van omgevingsrechtelijke regelgeving en de APV te plegen; vrijwel al deze overtredingen zijn gepleegd op dezelfde locatie dan wel binnen of voor rekening van hetzelfde bedrijf ( [eiseres 1] ) en veel overtredingen zien op soortgelijke activiteiten, namelijk het gebruiken van panden als pension. Voor de overtredingen met betrekking tot [adressen 1] geldt dat deze panden feitelijk fungeren als dependance van [eiseres 1] op [nummer] . Voor de overtredingen onder 9 en 11 (plaatsing zonnepanelen en ‘ [plaats 1] ’) is de samenhang minder evident, nu deze op een andere locatie plaatsvonden en geen direct verband houden met de exploitatie van het pension, maar het betreft eveneens overtredingen van omgevingsrechtelijke regelgeving bij de verbouwing van een pand. Dat ligt in de lijn van een aantal andere overtredingen en deze kunnen dan ook worden betrokken bij de gevaarsbeoordeling. 3.5.12 De rechtbank is van oordeel dat de burgemeester uit het voorgaande redelijkerwijs heeft kunnen afleiden dat een ernstig gevaar bestaat dat de exploitatievergunning mede zal worden gebruikt voor het plegen van strafbare feiten. De in overweging 3.5.8 genoemde overtredingen zijn aangemerkt als strafbare feiten in de Wet op de economische delicten. Naarmate het aantal in het verleden gepleegde of vermoedelijk gepleegde strafbare feiten groter is, is het gevaar dat ook in de toekomst strafbare feiten zullen worden gepleegd groter. Het grote aantal overtredingen schetst het beeld dat eisers veelvuldig activiteiten verrichten zonder (voorafgaand) te voldoen aan de daarvoor geldende regelgeving. Gelet daarop kon de burgemeester redelijkerwijs twijfelen of eisers bij het gebruikmaken van de exploitatievergunning aan alle overige geldende regelgeving zouden voldoen. Evenredigheid 3.5.13 De rechtbank is echter van oordeel dat de burgemeester gelet op artikel 3, vijfde lid, onder b, van de Wet Bibob redelijkerwijs niet heeft kunnen besluiten dat intrekking en weigering van de exploitatievergunning in dit specifieke geval evenredig is met de mate van het gevaar en de ernst van de strafbare feiten. Die intrekking en weigering hebben tot gevolg dat het pension aan [het pand en het perceel] moet worden gesloten en in de toekomst ook gesloten moet blijven. De rechtbank is van oordeel dat dit gevolg niet evenredig is met de ernst van de strafbare feiten. Niet is gebleken dat eisers door een strafrechter zijn veroordeeld voor het plegen van strafbare feiten. De overtredingen die de burgemeester ten grondslag heeft gelegd aan die intrekking en weigering zijn naar het oordeel van de rechtbank lichter van aard, omdat het gaat om overtredingen van omgevingsrechtelijke regelgeving en de APV. In de uitspraak van de Afdeling van 17 juli 2019 ziet de rechtbank bevestigd dat dergelijke overtredingen in het kader van de toets aan de evenredigheid als lichter kunnen worden aangemerkt. De rechtbank is van oordeel dat intrekking of weigering in dit geval onevenredig is, omdat redelijkerwijs minder ingrijpende middelen mogelijk zijn om te voorkomen dat soortgelijke overtredingen worden gepleegd met de exploitatievergunning. Het is voor de burgemeester bijvoorbeeld mogelijk om voorschriften aan de exploitatievergunning te verbinden ter voorkoming van nieuwe overtredingen. Daarnaast is het mogelijk om extra toezicht te houden op de activiteiten van eisers en beschikt zowel de burgemeester als het college van burgemeester en wethouders over verschillende bestuursrechtelijke bevoegdheden om handhavend op te treden ter beëindiging van eventuele toekomstige overtredingen. 3.6 Conclusie beroep tegen bestreden besluit I en III 3.6.1 Gelet op het voorgaande zal de rechtbank het beroep tegen bestreden besluit I gegrond verklaren en bestreden besluit I vernietigen. De rechtbank ziet helaas geen mogelijkheid om dit langlopende geschil definitief te beslechten. Er is geen aanleiding om de rechtsgevolgen in stand te laten of zelf in de zaak te voorzien, omdat het aan de burgemeester is om opnieuw te beslissen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak. Ook ziet de rechtbank geen aanleiding om een bestuurlijke lus toe te passen, omdat dat naar verwachting geen doelmatige en efficiënte afdoeningswijze zou inhouden. Zoals hiervoor is overwogen is er geen grond voor intrekking van de exploitatievergunning van 12 oktober 2022, maar het is aan de burgemeester om te besluiten of er eventueel extra voorschriften aan die vergunning moeten worden verbonden. 3.6.2 De rechtbank ziet wel aanleiding om ambtshalve een voorlopige voorziening te treffen, te weten een schorsing van primair besluit I tot zes weken na de te nemen beslissing op bezwaar. Dat betekent dat de exploitatievergunning van 12 oktober 2022 – in ieder geval tijdelijk – herleeft. De rechtbank stelt ook vast dat ervan uit moet worden gegaan dat die exploitatievergunning is verleend aan eiseres 3 voor het exploiteren van een pension ( [eiseres 1] ) aan [het pand en het perceel] . 3.6.3 Gelet op het voorgaande zal de rechtbank het beroep tegen bestreden besluit III ook gegrond verklaren en bestreden besluit III vernietigen. De rechtbank ziet aanleiding om zelf in de zaak te voorzien in die zin dat de rechtbank de weigering van de exploitatievergunning zal baseren op een andere grondslag. De rechtbank zal bepalen dat de aanvraag om een exploitatievergunning van 8 maart 2023 wordt afgewezen, omdat aan eiseres 3 op 12 oktober 2022 al een exploitatievergunning is verleend voor het exploiteren van een pension ( [eiseres 1] ) aan [het pand en het perceel] en die nog steeds geldt. 4 Beroep tegen bestreden besluit II (25/5780, last onder dwangsom) 4.1 De burgemeester heeft op 25 mei 2023 aan eisers een last onder dwangsom opgelegd, vanwege het zonder exploitatievergunning exploiteren van een pension aan [het pand en het perceel] . Het daartegen gerichte bezwaar heeft de burgemeester bij bestreden besluit II ongegrond verklaard. 4.2 Eisers hebben – kort samengevat – aangevoerd dat de burgemeester de last onder dwangsom ten onrechte heeft opgelegd, omdat geen sprake was van een overtreding van artikel 2:28, eerste lid, van de APV. De burgemeester heeft de exploitatievergunning van 12 oktober 2022 ten onrechte ingetrokken. 4.3 De rechtbank is van oordeel dat de burgemeester niet bevoegd was om op 25 mei 2023 een last onder dwangsom aan eisers op te leggen.
Volledig
De rechtbank heeft in overweging 3.5.13 overwogen dat de burgemeester redelijkerwijs niet heeft kunnen besluiten tot intrekking van de op 12 oktober 2022 verleende exploitatievergunning op grond van de Wet Bibob. In overweging 3.4.2 heeft de rechtbank overwogen dat ervan uit moet worden gegaan dat die exploitatievergunning op 12 oktober 2022 is verleend aan eiseres 3 voor het exploiteren van een pension ( [eiseres 1] ) aan [het pand en het perceel] . Dat betekent dat eiseres 3 op 25 mei 2023 beschikte over een exploitatievergunning. Onder die omstandigheden heeft de burgemeester niet kunnen besluiten dat sprake was van een overtreding van artikel 2:28, eerste lid, van de APV. 4.5 De rechtbank zal het beroep tegen bestreden besluit II daarom gegrond verklaren en dat besluit vernietigen. Omdat de burgemeester niet bevoegd was om de last onder dwangsom op te leggen, zal de rechtbank primair besluit II herroepen. 5 Redelijke termijn 5.1 Eisers hebben daarnaast in alle drie de beroepen verzocht om schadevergoeding vanwege overschrijding van de redelijke termijn. 5.2 Op grond van vaste rechtspraak is een redelijke termijn voor de afhandeling van bezwaar en beroep als uitgangspunt twee jaar. Daarbij mag de behandeling van het bezwaar ten hoogste een half jaar en de behandeling van het beroep ten hoogste anderhalf jaar duren. De rechtbank volgt het standpunt van de burgemeester daarom niet dat een termijn van vier jaar zou moeten worden aangehouden. De redelijke termijn vangt aan op het moment waarop het bestuursorgaan het bezwaarschrift heeft ontvangen. 5.3 Als de redelijke termijn is overschreden bestaat er recht op schadevergoeding van € 500,- per overschrijding van een half jaar of een deel daarvan. Beroep met zaaknummer 25/5227 (bestreden besluit I, intrekken exploitatievergunning) 5.4 Gerekend van de ontvangst van het bezwaarschrift tegen primair besluit I op 10 mei 2023 tot de datum van deze uitspraak (27 mei 2026) zijn ruim drie jaar verstreken. In het beroep tegen bestreden besluit I (25/5227) is de redelijke termijn dus met ruim één jaar overschreden. 5.5 Dat betekent dat eisers recht hebben op een schadevergoeding van € 1.500,-. De rechtbank ziet aanleiding om het bedrag te matigen, in die zin dat het bedrag aan schadevergoeding wordt toegekend aan eisers gezamenlijk en door hen moet worden gedeeld . Uit vaste rechtspraak van de Afdeling blijkt dat deze matiging redelijk wordt geacht, vanwege de matigende invloed die het samen deelnemen als partij heeft op de mate van stress, ongemak en onzekerheid die zij hebben ondervonden door de te lang durende procedure. 5.6 De bezwaarfase heeft ongeveer twee jaar en vijf maanden (van 10 mei 2023 tot 2 oktober 2025) geduurd. De beroepsfase heeft, gerekend vanaf de ontvangst van het beroepschrift van eisers op 14 oktober 2025, ongeveer zeven maanden geduurd. De overschrijding van de redelijke termijn is daarom volledig aan de burgemeester toe te rekenen, omdat de beroepsfase niet langer dan anderhalf jaar heeft geduurd. De burgemeester dient daarom de schadevergoeding van € 1.500,- aan eisers te betalen. Beroep met zaaknummer 25/5780 (bestreden besluit II, last onder dwangsom) 5.7 Gerekend van de ontvangst van het bezwaarschrift tegen primair besluit II op 2 juni 2023 tot de datum van deze uitspraak (27 mei 2026) zijn (naar boven afgerond) drie jaar verstreken. In het beroep tegen bestreden besluit II (25/5780) is de redelijke termijn met één jaar overschreden. 5.8 Dat betekent dat eisers recht hebben op een schadevergoeding van € 1.000,-. De rechtbank ziet aanleiding om het bedrag te matigen, in die zin dat het bedrag aan schadevergoeding wordt toegekend aan eisers gezamenlijk en door hen moet worden gedeeld. 5.9 De bezwaarfase heeft ongeveer twee jaar en vier maanden (van 3 juni 2023 tot 2 oktober 2025) geduurd. De beroepsfase heeft, gerekend vanaf de ontvangst van het beroepschrift van eisers op 5 november 2025, ongeveer zeven maanden geduurd. De overschrijding van de redelijke termijn is volledig aan de burgemeester toe te rekenen, omdat de beroepsfase niet langer dan anderhalf jaar heeft geduurd. De burgemeester dient daarom de schadevergoeding van € 1.000,- aan eisers te betalen. Beroep met zaaknummer 25/5225 (bestreden besluit III, weigeren exploitatievergunning) 5.10 Gerekend van de ontvangst van het bezwaarschrift tegen primair besluit III op 4 oktober 2024 tot de datum van deze uitspraak (27 mei 2026) zijn nog geen twee jaar verstreken. In het beroep met zaaknummer 25/5225 is de redelijke termijn dus niet verstreken. Het verzoek om schadevergoeding in deze zaak wordt dan ook afgewezen. 6 Griffierecht en proceskosten 6.1 Omdat de rechtbank de beroepen gegrond zal verklaren, bepaalt de rechtbank dat de burgemeester aan eisers het door hen betaalde griffierecht voor de beroepen vergoedt. 6.2 De burgemeester zal worden veroordeeld in de door eisers gemaakte proceskosten ten aanzien van de beroepen tegen de bestreden besluiten I en III. Op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht stelt de rechtbank deze proceskosten voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.868,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 934,- en wegingsfactor 1). Omdat eisers voor beide zaken één beroepschrift hebben ingediend en de zaken gelijktijdig zijn behandeld, worden de beroepen tegen bestreden besluit I en III aangemerkt als samenhangende zaken als bedoeld in artikel 3 van het Besluit proceskosten bestuursrecht. De rechtbank ziet geen aanleiding om, zoals door eisers is verzocht, in dit geval een hogere wegingsfactor toe te passen. 6.3 De rechtbank ziet aanleiding de burgemeester ook te worden veroordelen in de door eisers gemaakte kosten in de bezwaarfase ten aanzien van bestreden besluit III. Die vergoeding bedraagt € 1.332,- (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift en 1 punt voor het bijwonen van de hoorzitting, met een waarde per punt van € 666,-). 6.4 Bij de nieuw te nemen beslissing op het bezwaar tegen primair besluit I dient de burgemeester ook te beslissen over de vergoeding van de kosten in de bezwaarfase. 6.5 De burgemeester zal ook worden veroordeeld in de door eisers gemaakte proceskosten ten aanzien van het beroep tegen bestreden besluit II. Op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht stelt de rechtbank deze proceskosten voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 2.266,- (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift, 1 punt voor het bijwonen van de hoorzitting in bezwaar met een waarde per punt van € 666,- en 1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 934,- en wegingsfactor 1). In overweging 6.2 is al een punt toegekend voor het verschijnen ter zitting, daarom wordt daarvoor in dit beroep geen extra punt toegekend. 6.6 Omdat de overschrijding van de redelijke termijn aan de burgemeester is toe te rekenen bestaat aanleiding de burgemeester te veroordelen in de proceskosten van eisers in verband met het indienen van de verzoeken om schadevergoeding vanwege deze overschrijdingen. Deze kosten worden begroot op € 467,- (1 punt met wegingsfactor 0,5 en een waarde per punt van € 934,-) in beide zaken.
Volledig
De rechtbank heeft in overweging 3.5.13 overwogen dat de burgemeester redelijkerwijs niet heeft kunnen besluiten tot intrekking van de op 12 oktober 2022 verleende exploitatievergunning op grond van de Wet Bibob. In overweging 3.4.2 heeft de rechtbank overwogen dat ervan uit moet worden gegaan dat die exploitatievergunning op 12 oktober 2022 is verleend aan eiseres 3 voor het exploiteren van een pension ( [eiseres 1] ) aan [het pand en het perceel] . Dat betekent dat eiseres 3 op 25 mei 2023 beschikte over een exploitatievergunning. Onder die omstandigheden heeft de burgemeester niet kunnen besluiten dat sprake was van een overtreding van artikel 2:28, eerste lid, van de APV. 4.5 De rechtbank zal het beroep tegen bestreden besluit II daarom gegrond verklaren en dat besluit vernietigen. Omdat de burgemeester niet bevoegd was om de last onder dwangsom op te leggen, zal de rechtbank primair besluit II herroepen. 5 Redelijke termijn 5.1 Eisers hebben daarnaast in alle drie de beroepen verzocht om schadevergoeding vanwege overschrijding van de redelijke termijn. 5.2 Op grond van vaste rechtspraak is een redelijke termijn voor de afhandeling van bezwaar en beroep als uitgangspunt twee jaar. Daarbij mag de behandeling van het bezwaar ten hoogste een half jaar en de behandeling van het beroep ten hoogste anderhalf jaar duren. De rechtbank volgt het standpunt van de burgemeester daarom niet dat een termijn van vier jaar zou moeten worden aangehouden. De redelijke termijn vangt aan op het moment waarop het bestuursorgaan het bezwaarschrift heeft ontvangen. 5.3 Als de redelijke termijn is overschreden bestaat er recht op schadevergoeding van € 500,- per overschrijding van een half jaar of een deel daarvan. Beroep met zaaknummer 25/5227 (bestreden besluit I, intrekken exploitatievergunning) 5.4 Gerekend van de ontvangst van het bezwaarschrift tegen primair besluit I op 10 mei 2023 tot de datum van deze uitspraak (27 mei 2026) zijn ruim drie jaar verstreken. In het beroep tegen bestreden besluit I (25/5227) is de redelijke termijn dus met ruim één jaar overschreden. 5.5 Dat betekent dat eisers recht hebben op een schadevergoeding van € 1.500,-. De rechtbank ziet aanleiding om het bedrag te matigen, in die zin dat het bedrag aan schadevergoeding wordt toegekend aan eisers gezamenlijk en door hen moet worden gedeeld . Uit vaste rechtspraak van de Afdeling blijkt dat deze matiging redelijk wordt geacht, vanwege de matigende invloed die het samen deelnemen als partij heeft op de mate van stress, ongemak en onzekerheid die zij hebben ondervonden door de te lang durende procedure. 5.6 De bezwaarfase heeft ongeveer twee jaar en vijf maanden (van 10 mei 2023 tot 2 oktober 2025) geduurd. De beroepsfase heeft, gerekend vanaf de ontvangst van het beroepschrift van eisers op 14 oktober 2025, ongeveer zeven maanden geduurd. De overschrijding van de redelijke termijn is daarom volledig aan de burgemeester toe te rekenen, omdat de beroepsfase niet langer dan anderhalf jaar heeft geduurd. De burgemeester dient daarom de schadevergoeding van € 1.500,- aan eisers te betalen. Beroep met zaaknummer 25/5780 (bestreden besluit II, last onder dwangsom) 5.7 Gerekend van de ontvangst van het bezwaarschrift tegen primair besluit II op 2 juni 2023 tot de datum van deze uitspraak (27 mei 2026) zijn (naar boven afgerond) drie jaar verstreken. In het beroep tegen bestreden besluit II (25/5780) is de redelijke termijn met één jaar overschreden. 5.8 Dat betekent dat eisers recht hebben op een schadevergoeding van € 1.000,-. De rechtbank ziet aanleiding om het bedrag te matigen, in die zin dat het bedrag aan schadevergoeding wordt toegekend aan eisers gezamenlijk en door hen moet worden gedeeld. 5.9 De bezwaarfase heeft ongeveer twee jaar en vier maanden (van 3 juni 2023 tot 2 oktober 2025) geduurd. De beroepsfase heeft, gerekend vanaf de ontvangst van het beroepschrift van eisers op 5 november 2025, ongeveer zeven maanden geduurd. De overschrijding van de redelijke termijn is volledig aan de burgemeester toe te rekenen, omdat de beroepsfase niet langer dan anderhalf jaar heeft geduurd. De burgemeester dient daarom de schadevergoeding van € 1.000,- aan eisers te betalen. Beroep met zaaknummer 25/5225 (bestreden besluit III, weigeren exploitatievergunning) 5.10 Gerekend van de ontvangst van het bezwaarschrift tegen primair besluit III op 4 oktober 2024 tot de datum van deze uitspraak (27 mei 2026) zijn nog geen twee jaar verstreken. In het beroep met zaaknummer 25/5225 is de redelijke termijn dus niet verstreken. Het verzoek om schadevergoeding in deze zaak wordt dan ook afgewezen. 6 Griffierecht en proceskosten 6.1 Omdat de rechtbank de beroepen gegrond zal verklaren, bepaalt de rechtbank dat de burgemeester aan eisers het door hen betaalde griffierecht voor de beroepen vergoedt. 6.2 De burgemeester zal worden veroordeeld in de door eisers gemaakte proceskosten ten aanzien van de beroepen tegen de bestreden besluiten I en III. Op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht stelt de rechtbank deze proceskosten voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.868,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 934,- en wegingsfactor 1). Omdat eisers voor beide zaken één beroepschrift hebben ingediend en de zaken gelijktijdig zijn behandeld, worden de beroepen tegen bestreden besluit I en III aangemerkt als samenhangende zaken als bedoeld in artikel 3 van het Besluit proceskosten bestuursrecht. De rechtbank ziet geen aanleiding om, zoals door eisers is verzocht, in dit geval een hogere wegingsfactor toe te passen. 6.3 De rechtbank ziet aanleiding de burgemeester ook te worden veroordelen in de door eisers gemaakte kosten in de bezwaarfase ten aanzien van bestreden besluit III. Die vergoeding bedraagt € 1.332,- (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift en 1 punt voor het bijwonen van de hoorzitting, met een waarde per punt van € 666,-). 6.4 Bij de nieuw te nemen beslissing op het bezwaar tegen primair besluit I dient de burgemeester ook te beslissen over de vergoeding van de kosten in de bezwaarfase. 6.5 De burgemeester zal ook worden veroordeeld in de door eisers gemaakte proceskosten ten aanzien van het beroep tegen bestreden besluit II. Op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht stelt de rechtbank deze proceskosten voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 2.266,- (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift, 1 punt voor het bijwonen van de hoorzitting in bezwaar met een waarde per punt van € 666,- en 1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 934,- en wegingsfactor 1). In overweging 6.2 is al een punt toegekend voor het verschijnen ter zitting, daarom wordt daarvoor in dit beroep geen extra punt toegekend. 6.6 Omdat de overschrijding van de redelijke termijn aan de burgemeester is toe te rekenen bestaat aanleiding de burgemeester te veroordelen in de proceskosten van eisers in verband met het indienen van de verzoeken om schadevergoeding vanwege deze overschrijdingen. Deze kosten worden begroot op € 467,- (1 punt met wegingsfactor 0,5 en een waarde per punt van € 934,-) in beide zaken.
Volledig
Beslissing De rechtbank: 25/5227 verklaart het beroep tegen bestreden besluit I gegrond; vernietigt bestreden besluit I; draagt de burgemeester op een nieuwe beslissing te nemen op het bezwaar tegen primair besluit I binnen 6 weken na het verzenden van deze uitspraak; schorst primair besluit I tot zes weken na de beslissing op bezwaar; bepaalt dat ervan uit moet worden gegaan dat de exploitatievergunning van 12 oktober 2022 voor het exploiteren van een pension ( [eiseres 1] ) aan [het pand en het perceel] is verleend aan eiseres 3; veroordeelt de burgemeester tot het betalen van een schadevergoeding vanwege overschrijding van de redelijke termijn aan eisers van € 1.500,- totaal; bepaalt dat de burgemeester het griffierecht van € 385,- aan eisers moet vergoeden; 25/5225 verklaart het beroep tegen bestreden besluit III gegrond; vernietigt bestreden besluit III; bepaalt dat de aanvraag om een exploitatievergunning van 8 maart 2023 wordt afgewezen, omdat aan eiseres 3 op 12 oktober 2022 al een exploitatievergunning is verleend voor het exploiteren van een pension ( [eiseres 1] ) aan [het pand en het perceel] ; bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van bestreden besluit III; wijst het verzoek om schadevergoeding af; bepaalt dat de burgemeester het griffierecht van € 385,- aan eisers moet vergoeden; 25/5225 en 25/5227 - veroordeelt de burgemeester tot betaling van € 3.667,- aan proceskosten aan eisers ten aanzien van de beroepen met zaaknummers 25/5225 en 25/5227; 25/5780 verklaart het beroep tegen bestreden besluit II gegrond; vernietigt bestreden besluit II; herroept primair besluit II; bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van bestreden besluit II; veroordeelt de burgemeester tot het betalen van een schadevergoeding vanwege overschrijding van de redelijke termijn aan eisers van € 1.000,- totaal; bepaalt dat de burgemeester het griffierecht van € 385,- aan eisers moet vergoeden; veroordeelt de burgemeester tot betaling van € 2.733,- aan proceskosten aan eisers. Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Breeman, voorzitter, mr. R.P. Broeders en mr. M.J. Schouw, leden, in aanwezigheid van mr. N. van Asten, griffier, op 27 mei 2026 en wordt geanonimiseerd gepubliceerd op rechtspraak.nl. De griffier is niet in de gelegenheid om deze uitspraak te ondertekenen. griffier rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Wettelijk kader Algemene plaatselijke verordening van de gemeente Schouwen-Duiveland (APV) Artikel 1:6, eerste lid, onder b en onder d, van de APV De vergunning of ontheffing kan worden ingetrokken of gewijzigd als: b. op grond van een verandering van de omstandigheden of inzichten opgetreden na het verlenen van de vergunning of ontheffing, intrekking of wijziging noodzakelijk is vanwege het belang of de belangen ter bescherming waarvan de vergunning of ontheffing is vereist; d. van de vergunning of ontheffing geen gebruik wordt gemaakt binnen of gedurende een daarin gestelde termijn dan wel, bij het ontbreken van een gestelde termijn, binnen een redelijke termijn. Artikel 2:28, eerste lid, van de APV Het is verboden een openbare inrichting te exploiteren zonder vergunning van de burgemeester. Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur (Wet Bibob) Artikel 3 van de Wet Bibob 1. Voorzover bestuursorganen bij of krachtens de wet daartoe de bevoegdheid hebben gekregen, kunnen zij weigeren een aangevraagde beschikking te geven dan wel een gegeven beschikking intrekken, indien ernstig gevaar bestaat dat de beschikking mede zal worden gebruikt om: uit gepleegde strafbare feiten verkregen of te verkrijgen, op geld waardeerbare voordelen te benutten, of strafbare feiten te plegen. 2. Voorzover het ernstig gevaar als bedoeld in het eerste lid, aanhef en onderdeel a, betreft, wordt de mate van het gevaar vastgesteld op basis van: feiten en omstandigheden die erop wijzen of redelijkerwijs doen vermoeden dat de betrokkene in relatie staat tot strafbare feiten als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, ingeval van vermoeden de ernst daarvan, de aard van de relatie en e grootte van de verkregen of te verkrijgen voordelen. 3. Voorzover het ernstig gevaar als bedoeld in het eerste lid, aanhef en onderdeel b, betreft, wordt de mate van het gevaar vastgesteld op basis van: feiten en omstandigheden die erop wijzen of redelijkerwijs doen vermoeden dat de betrokkene in relatie staat tot strafbare feiten die zijn gepleegd bij activiteiten die overeenkomen of samenhangen met activiteiten waarvoor de beschikking wordt aangevraagd dan wel is gegeven, ingeval van vermoeden de ernst daarvan, de aard van de relatie en het aantal van de gepleegde strafbare feiten. 4. De betrokkene staat in relatie tot strafbare feiten als bedoeld in het tweede en derde lid, indien: hij deze strafbare feiten zelf heeft begaan, hij direct of indirect leiding geeft dan wel heeft gegeven aan, zeggenschap heeft dan wel heeft gehad over of vermogen verschaft dan wel heeft verschaft aan een rechtspersoon in de zin van artikel 51 van het Wetboek van Strafrecht die deze strafbare feiten heeft begaan, of een ander deze strafbare feiten heeft gepleegd en deze persoon leidinggevende van betrokkene is, dan wel zeggenschaphebbende over betrokkene, vermogensverschaffer van betrokkene of een persoon die in een zakelijk samenwerkingsverband tot betrokkene staat of heeft gestaan. 5. De weigering dan wel intrekking, bedoeld in het eerste lid, vindt slechts plaats indien deze evenredig is met: de mate van het gevaar en voorzover het ernstig gevaar als bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, betreft, de ernst van de strafbare feiten. 6. Eenzelfde bevoegdheid tot weigering dan wel intrekking als bedoeld in het eerste lid hebben bestuursorganen, indien feiten en omstandigheden erop wijzen of redelijkerwijs doen vermoeden dat ter verkrijging of behoud van de aangevraagde dan wel gegeven beschikking een strafbaar feit is gepleegd. De weigering dan wel intrekking vindt slechts plaats, indien deze tenminste evenredig is met, ingeval van vermoedens, de ernst daarvan en met de ernst van het strafbare feit. 7. Voorzover blijkt dat geen sprake is van ernstig gevaar als bedoeld in het eerste lid, kan het bestuursorgaan bij mindere mate van gevaar aan de beschikking voorschriften verbinden. Deze voorschriften zijn gericht op het wegnemen of beperken van dergelijk gevaar. Het bestuursorgaan heeft eenzelfde bevoegdheid indien sprake is van een ernstig gevaar waarbij de ernst van de strafbare feiten weigering of intrekking van de beschikking niet rechtvaardigt. Het bestuursorgaan kan een op grond van deze bepaling gegeven voorschrift wijzigen. Indien niet wordt voldaan aan een op grond van deze bepaling gegeven voorschrift, kan het bestuursorgaan de beschikking intrekken. Artikel 7, eerste lid, van de Wet Bibob Een gemeentelijke vergunning die op grond van een verordening verplicht is gesteld voor een inrichting of bedrijf, kan door het college van burgemeester en wethouders respectievelijk de burgemeester worden geweigerd dan wel ingetrokken in het geval en onder de voorwaarden, bedoeld in artikel 3. Voordat een beslissing als bedoeld in het eerste lid wordt genomen, kan het college van burgemeester en wethouders respectievelijk de burgemeester het Bureau om een advies vragen. Het eerste en tweede lid zijn van overeenkomstige toepassing op een gemeentelijke ontheffing. Tegelijkertijd met de samenhangende beroepen met zaaknummers 25/3831, 25/3839, 25/4776, 25/5782 en 25/5784. Rechtbank Zeeland-West-Brabant 7 juli 2023, ECLI:NL:RBZWB:2023:5096. Met toepassing van artikel 29 van de Wet Bibob. Rechtbank Zeeland-West-Brabant 20 november 2025, ECLI:NL:RBZWB:2025:8121. Artikel 6:19, eerste lid, van de Awb. Met toepassing van artikel 29 van de Wet Bibob.
Volledig
Beslissing De rechtbank: 25/5227 verklaart het beroep tegen bestreden besluit I gegrond; vernietigt bestreden besluit I; draagt de burgemeester op een nieuwe beslissing te nemen op het bezwaar tegen primair besluit I binnen 6 weken na het verzenden van deze uitspraak; schorst primair besluit I tot zes weken na de beslissing op bezwaar; bepaalt dat ervan uit moet worden gegaan dat de exploitatievergunning van 12 oktober 2022 voor het exploiteren van een pension ( [eiseres 1] ) aan [het pand en het perceel] is verleend aan eiseres 3; veroordeelt de burgemeester tot het betalen van een schadevergoeding vanwege overschrijding van de redelijke termijn aan eisers van € 1.500,- totaal; bepaalt dat de burgemeester het griffierecht van € 385,- aan eisers moet vergoeden; 25/5225 verklaart het beroep tegen bestreden besluit III gegrond; vernietigt bestreden besluit III; bepaalt dat de aanvraag om een exploitatievergunning van 8 maart 2023 wordt afgewezen, omdat aan eiseres 3 op 12 oktober 2022 al een exploitatievergunning is verleend voor het exploiteren van een pension ( [eiseres 1] ) aan [het pand en het perceel] ; bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van bestreden besluit III; wijst het verzoek om schadevergoeding af; bepaalt dat de burgemeester het griffierecht van € 385,- aan eisers moet vergoeden; 25/5225 en 25/5227 - veroordeelt de burgemeester tot betaling van € 3.667,- aan proceskosten aan eisers ten aanzien van de beroepen met zaaknummers 25/5225 en 25/5227; 25/5780 verklaart het beroep tegen bestreden besluit II gegrond; vernietigt bestreden besluit II; herroept primair besluit II; bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van bestreden besluit II; veroordeelt de burgemeester tot het betalen van een schadevergoeding vanwege overschrijding van de redelijke termijn aan eisers van € 1.000,- totaal; bepaalt dat de burgemeester het griffierecht van € 385,- aan eisers moet vergoeden; veroordeelt de burgemeester tot betaling van € 2.733,- aan proceskosten aan eisers. Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Breeman, voorzitter, mr. R.P. Broeders en mr. M.J. Schouw, leden, in aanwezigheid van mr. N. van Asten, griffier, op 27 mei 2026 en wordt geanonimiseerd gepubliceerd op rechtspraak.nl. De griffier is niet in de gelegenheid om deze uitspraak te ondertekenen. griffier rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Wettelijk kader Algemene plaatselijke verordening van de gemeente Schouwen-Duiveland (APV) Artikel 1:6, eerste lid, onder b en onder d, van de APV De vergunning of ontheffing kan worden ingetrokken of gewijzigd als: b. op grond van een verandering van de omstandigheden of inzichten opgetreden na het verlenen van de vergunning of ontheffing, intrekking of wijziging noodzakelijk is vanwege het belang of de belangen ter bescherming waarvan de vergunning of ontheffing is vereist; d. van de vergunning of ontheffing geen gebruik wordt gemaakt binnen of gedurende een daarin gestelde termijn dan wel, bij het ontbreken van een gestelde termijn, binnen een redelijke termijn. Artikel 2:28, eerste lid, van de APV Het is verboden een openbare inrichting te exploiteren zonder vergunning van de burgemeester. Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur (Wet Bibob) Artikel 3 van de Wet Bibob 1. Voorzover bestuursorganen bij of krachtens de wet daartoe de bevoegdheid hebben gekregen, kunnen zij weigeren een aangevraagde beschikking te geven dan wel een gegeven beschikking intrekken, indien ernstig gevaar bestaat dat de beschikking mede zal worden gebruikt om: uit gepleegde strafbare feiten verkregen of te verkrijgen, op geld waardeerbare voordelen te benutten, of strafbare feiten te plegen. 2. Voorzover het ernstig gevaar als bedoeld in het eerste lid, aanhef en onderdeel a, betreft, wordt de mate van het gevaar vastgesteld op basis van: feiten en omstandigheden die erop wijzen of redelijkerwijs doen vermoeden dat de betrokkene in relatie staat tot strafbare feiten als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, ingeval van vermoeden de ernst daarvan, de aard van de relatie en e grootte van de verkregen of te verkrijgen voordelen. 3. Voorzover het ernstig gevaar als bedoeld in het eerste lid, aanhef en onderdeel b, betreft, wordt de mate van het gevaar vastgesteld op basis van: feiten en omstandigheden die erop wijzen of redelijkerwijs doen vermoeden dat de betrokkene in relatie staat tot strafbare feiten die zijn gepleegd bij activiteiten die overeenkomen of samenhangen met activiteiten waarvoor de beschikking wordt aangevraagd dan wel is gegeven, ingeval van vermoeden de ernst daarvan, de aard van de relatie en het aantal van de gepleegde strafbare feiten. 4. De betrokkene staat in relatie tot strafbare feiten als bedoeld in het tweede en derde lid, indien: hij deze strafbare feiten zelf heeft begaan, hij direct of indirect leiding geeft dan wel heeft gegeven aan, zeggenschap heeft dan wel heeft gehad over of vermogen verschaft dan wel heeft verschaft aan een rechtspersoon in de zin van artikel 51 van het Wetboek van Strafrecht die deze strafbare feiten heeft begaan, of een ander deze strafbare feiten heeft gepleegd en deze persoon leidinggevende van betrokkene is, dan wel zeggenschaphebbende over betrokkene, vermogensverschaffer van betrokkene of een persoon die in een zakelijk samenwerkingsverband tot betrokkene staat of heeft gestaan. 5. De weigering dan wel intrekking, bedoeld in het eerste lid, vindt slechts plaats indien deze evenredig is met: de mate van het gevaar en voorzover het ernstig gevaar als bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, betreft, de ernst van de strafbare feiten. 6. Eenzelfde bevoegdheid tot weigering dan wel intrekking als bedoeld in het eerste lid hebben bestuursorganen, indien feiten en omstandigheden erop wijzen of redelijkerwijs doen vermoeden dat ter verkrijging of behoud van de aangevraagde dan wel gegeven beschikking een strafbaar feit is gepleegd. De weigering dan wel intrekking vindt slechts plaats, indien deze tenminste evenredig is met, ingeval van vermoedens, de ernst daarvan en met de ernst van het strafbare feit. 7. Voorzover blijkt dat geen sprake is van ernstig gevaar als bedoeld in het eerste lid, kan het bestuursorgaan bij mindere mate van gevaar aan de beschikking voorschriften verbinden. Deze voorschriften zijn gericht op het wegnemen of beperken van dergelijk gevaar. Het bestuursorgaan heeft eenzelfde bevoegdheid indien sprake is van een ernstig gevaar waarbij de ernst van de strafbare feiten weigering of intrekking van de beschikking niet rechtvaardigt. Het bestuursorgaan kan een op grond van deze bepaling gegeven voorschrift wijzigen. Indien niet wordt voldaan aan een op grond van deze bepaling gegeven voorschrift, kan het bestuursorgaan de beschikking intrekken. Artikel 7, eerste lid, van de Wet Bibob Een gemeentelijke vergunning die op grond van een verordening verplicht is gesteld voor een inrichting of bedrijf, kan door het college van burgemeester en wethouders respectievelijk de burgemeester worden geweigerd dan wel ingetrokken in het geval en onder de voorwaarden, bedoeld in artikel 3. Voordat een beslissing als bedoeld in het eerste lid wordt genomen, kan het college van burgemeester en wethouders respectievelijk de burgemeester het Bureau om een advies vragen. Het eerste en tweede lid zijn van overeenkomstige toepassing op een gemeentelijke ontheffing. Tegelijkertijd met de samenhangende beroepen met zaaknummers 25/3831, 25/3839, 25/4776, 25/5782 en 25/5784. Rechtbank Zeeland-West-Brabant 7 juli 2023, ECLI:NL:RBZWB:2023:5096. Met toepassing van artikel 29 van de Wet Bibob. Rechtbank Zeeland-West-Brabant 20 november 2025, ECLI:NL:RBZWB:2025:8121. Artikel 6:19, eerste lid, van de Awb. Met toepassing van artikel 29 van de Wet Bibob.