Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2026-05-27
ECLI:NL:RBZWB:2026:4645
Bestuursrecht; Omgevingsrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
16,173 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBZWB:2026:4645 text/xml public 2026-06-02T15:03:18 2026-05-27 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Zeeland-West-Brabant 2026-05-27 25/3839 en 25/4776 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Breda Bestuursrecht; Omgevingsrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:4645 text/html public 2026-06-02T15:02:29 2026-06-02 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBZWB:2026:4645 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 27-05-2026 / 25/3839 en 25/4776 Handhaving wegens sloopwerkzaamheden (asbest) zonder melding RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Zittingsplaats Breda Bestuursrecht zaaknummers: 25/3839 en 25/4776 uitspraak van de meervoudige kamer van 27 mei 2026 in de zaken tussen [eiser] , uit [plaats 1], eiser 1, [eiseres] , uit [plaats 2] , eiseres 2, samen: eisers, (gemachtigden: mr. J.L. Baar en mr. T.C. Lensen), en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Schouwen-Duiveland , het college, (gemachtigde: mr. F.A. Pommer). Procesverloop Eisers hebben beroep ingesteld tegen de beslissing op bezwaar van het college van 24 juni 2025 ( bestreden besluit I ). Bestreden besluit I ziet op een pand en een perceel aan de [adres 1] . Bestreden besluit I gaat over het opleggen van een last onder bestuursdwang en een last onder dwangsom. Dit beroep is door de rechtbank geregistreerd onder zaaknummer 25/3839. Eisers hebben daarnaast beroep ingesteld tegen de beslissing op bezwaar van het college van 28 augustus 2025 ( bestreden besluit II ), over het afwijzen van een verzoek om intrekking van die last onder bestuursdwang en last onder dwangsom. Dit beroep is door de rechtbank geregistreerd onder zaaknummer 25/4776. De rechtbank heeft de beroepen op 15 april 2026 op zitting behandeld. Eisers waren samen met hun gemachtigden aanwezig. Verweerders hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigde, mr. L.W.F. van Deyzen, mr. B.W.B.G. Dings, mr. D.J. Heemskerk en [persoon] . Beoordeling door de rechtbank 1 Feiten 1.1 Eisers zijn eigenaar van het pand en het perceel. 1.2 Toezichthouders van de gemeente Schouwen-Duiveland hebben op 14, 15, 16 en 17 januari 2025 controles uitgevoerd bij het perceel en in het pand. Zij hebben hun bevindingen opgenomen in een controlerapport. Tijdens die controles is geconstateerd dat sloopwerkzaamheden werden uitgevoerd in het pand, zonder sloopmelding en zonder asbestinventarisatierapport. Dat is volgens het college in strijd met artikel 3.5, 7.9, eerste lid, en 7.10, eerste lid, van het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl). Daarnaast is geconstateerd dat een afvalcontainer op de openbare weg stond, zonder ontheffing op grond van de Algemene plaatselijke verordening van de gemeente Schouwen-Duiveland (hierna: APV). Op 17 januari 2025 hebben de toezichthouders bestuursdwang toegepast door het pand te sluiten en te verzegelen. Het college heeft dat in een besluit van 20 januari 2025 ( primair besluit I ) op schrift gesteld. Uit dat besluit blijkt dat naast de toegepaste bestuursdwang ook een last onder dwangsom is opgelegd. Het college heeft eisers gelast om de sluiting en verzegeling van het pand na te (laten) leven en na te (laten) blijven leven. Het college heeft daar een dwangsom aan verbonden van € 25.000,- ineens. 1.3 Op 20 januari 2025 heeft een asbestinventarisatie plaatsgevonden door AAZ Advies en Projecten B.V. waarbij asbest is aangetroffen. Op 23 januari 2025 is een asbestinventarisatierapport opgesteld. 1.4 Eisers hebben op 3 februari 2025 een sloopmelding ingediend bij het college. 1.5 Eisers hebben het college in een brief van 5 februari 2025 verzocht om intrekking van primair besluit I. In een brief van 27 februari 2025 hebben eisers bezwaar gemaakt tegen primair besluit I. 1.6 Het college heeft eisers in een brief van 4 maart 2025 medegedeeld dat de sloopmelding niet wordt geaccepteerd, omdat het asbestinventarisatierapport volgens het college niet voldoet aan de indieningsvereisten. 1.7 Bij besluit van 10 april 2025 heeft het college het verzoek om intrekking van primair besluit I afgewezen ( primair besluit II ). Eisers hebben daar bij brief van 2 mei 2025 bezwaar tegen gemaakt. 1.8 Bij bestreden besluit I heeft het college het bezwaar van eisers tegen primair besluit I ongegrond verklaard. Uit bestreden besluit I blijkt ook dat de overtreding van de APV niet langer ten grondslag wordt gelegd aan de herstelsancties. 1.9 Eisers hebben daar op 5 augustus 2025 beroep tegen ingesteld. 1.10 Bij bestreden besluit II heeft het college het bezwaar van eisers tegen primair besluit II ongegrond verklaard. 1.11 Eisers hebben daar op 16 september 2025 beroep tegen ingesteld. 2 Wettelijk kader De relevante wettelijke bepalingen zijn opgenomen in een bijlage, die deel uitmaakt van deze uitspraak. 3 Beroep tegen bestreden besluit I (25/3839) 3.1 Primair besluit I en bestreden besluit I 3.1.1 Uit primair besluit I en bestreden besluit I blijkt dat het college vanwege drie overtredingen bestuursdwang heeft toegepast en een last onder dwangsom heeft opgelegd. Een toezichthouder van de gemeente heeft eisers op 17 januari 2025 (11:37 uur) per e-mail gelast om het pand te sluiten en de werkzaamheden te staken en gestaakt te houden. Die bestuursdwang heeft de toezichthouder op diezelfde dag om 12:00 uur toegepast, door het pand te sluiten en te verzegelen. Het college heeft die last onder bestuursdwang door middel van primair besluit I op schrift gesteld. In primair besluit I is daarnaast een last onder dwangsom opgelegd aan eisers, waarin eisers wordt gelast om de sluiting en verzegeling na te (laten) leven. 3.1.2 Het college heeft de herstelsancties opgelegd, vanwege overtreding van artikel 7.10, eerste lid, van het Bbl, artikel 7.9, eerste lid, van het Bbl en artikel 3.5 van het Bbl. Het college baseert die herstelsancties op controles die zijn uitgevoerd op 14, 15, 16 en 17 januari 2025. Naar aanleiding van die controles is een controlerapport opgesteld van 20 januari 2025 (hierna: het controlerapport). Volgens het college is tijdens de controles geconstateerd dat – in strijd met artikel 7.10, eerste lid, van het Bbl – zonder sloopmelding sloopwerkzaamheden werden verricht, waarbij asbest werd verwijderd én de hoeveelheid sloopafval naar redelijke inschatting meer dan 10 m3 bedroeg. Daarnaast is volgens het college geconstateerd dat werd gehandeld in strijd met artikel 7.9 van het Bbl, omdat eisers niet beschikten over een asbestinventarisatierapport terwijl zij redelijkerwijs konden vermoeden dat zich in het bouwwerk asbest bevond. Zij hadden de aanwezigheid van asbest ernstig moeten vermoeden, gelet op het bouwjaar van het pand (1938), de tekst van de koopovereenkomst van het pand en de Nota van Toelichting behorende bij het Asbestverwijderingsbesluit 2005 . Tijdens de sloopwerkzaamheden is daarnaast volgens het college gevaar voor de gezondheid veroorzaakt, door het slopen van asbestverdachte materialen. Daardoor hebben eisers ook gehandeld in strijd met de specifieke zorgplicht uit artikel 3.5 van het Bbl. 3.2 Gronden tegen bestreden besluit I 3.2.1 Eisers stellen dat het college de herstelsancties ten onrechte heeft opgelegd. Ter onderbouwing van dat standpunt hebben eisers de hierna volgende argumenten aangevoerd. 3.2.2 Eisers hebben primair aangevoerd dat geen sprake is van de door het college gestelde overtredingen. Zij hebben artikel 7.10, eerste lid, van het Bbl niet overtreden. Zij hoefden geen sloopmelding te doen, omdat als gevolg van de sloopwerkzaamheden geen sprake was of zou zijn van meer dan 10 m3 afval. De hoeveelheid sloopafval zou volgens eisers 6,28 m3 bedragen. Het college is er niet in geslaagd inzichtelijk te maken hoe het tot de conclusie kwam dat sprake was van meer dan 10 m3. Het college heeft afval afkomstig van sloopwerkzaamheden aan het pand aan de [adres 2] niet mogen meetellen. In de container bevond zich minder dan 10 m3 sloopafval. Het college heeft niet vastgesteld hoe groot het karretje was, waarmee al eerder afval zou zijn afgevoerd. Volgens eisers is ook niet relevant of de toekomstige sloopwerkzaamheden zouden leiden tot meer dan 10 m3, omdat die sloopwerkzaamheden nog niet waren begonnen.
Volledig
ECLI:NL:RBZWB:2026:4645 text/xml public 2026-06-02T15:03:18 2026-05-27 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Zeeland-West-Brabant 2026-05-27 25/3839 en 25/4776 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Breda Bestuursrecht; Omgevingsrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:4645 text/html public 2026-06-02T15:02:29 2026-06-02 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBZWB:2026:4645 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 27-05-2026 / 25/3839 en 25/4776 Handhaving wegens sloopwerkzaamheden (asbest) zonder melding RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Zittingsplaats Breda Bestuursrecht zaaknummers: 25/3839 en 25/4776 uitspraak van de meervoudige kamer van 27 mei 2026 in de zaken tussen [eiser] , uit [plaats 1], eiser 1, [eiseres] , uit [plaats 2] , eiseres 2, samen: eisers, (gemachtigden: mr. J.L. Baar en mr. T.C. Lensen), en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Schouwen-Duiveland , het college, (gemachtigde: mr. F.A. Pommer). Procesverloop Eisers hebben beroep ingesteld tegen de beslissing op bezwaar van het college van 24 juni 2025 ( bestreden besluit I ). Bestreden besluit I ziet op een pand en een perceel aan de [adres 1] . Bestreden besluit I gaat over het opleggen van een last onder bestuursdwang en een last onder dwangsom. Dit beroep is door de rechtbank geregistreerd onder zaaknummer 25/3839. Eisers hebben daarnaast beroep ingesteld tegen de beslissing op bezwaar van het college van 28 augustus 2025 ( bestreden besluit II ), over het afwijzen van een verzoek om intrekking van die last onder bestuursdwang en last onder dwangsom. Dit beroep is door de rechtbank geregistreerd onder zaaknummer 25/4776. De rechtbank heeft de beroepen op 15 april 2026 op zitting behandeld. Eisers waren samen met hun gemachtigden aanwezig. Verweerders hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigde, mr. L.W.F. van Deyzen, mr. B.W.B.G. Dings, mr. D.J. Heemskerk en [persoon] . Beoordeling door de rechtbank 1 Feiten 1.1 Eisers zijn eigenaar van het pand en het perceel. 1.2 Toezichthouders van de gemeente Schouwen-Duiveland hebben op 14, 15, 16 en 17 januari 2025 controles uitgevoerd bij het perceel en in het pand. Zij hebben hun bevindingen opgenomen in een controlerapport. Tijdens die controles is geconstateerd dat sloopwerkzaamheden werden uitgevoerd in het pand, zonder sloopmelding en zonder asbestinventarisatierapport. Dat is volgens het college in strijd met artikel 3.5, 7.9, eerste lid, en 7.10, eerste lid, van het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl). Daarnaast is geconstateerd dat een afvalcontainer op de openbare weg stond, zonder ontheffing op grond van de Algemene plaatselijke verordening van de gemeente Schouwen-Duiveland (hierna: APV). Op 17 januari 2025 hebben de toezichthouders bestuursdwang toegepast door het pand te sluiten en te verzegelen. Het college heeft dat in een besluit van 20 januari 2025 ( primair besluit I ) op schrift gesteld. Uit dat besluit blijkt dat naast de toegepaste bestuursdwang ook een last onder dwangsom is opgelegd. Het college heeft eisers gelast om de sluiting en verzegeling van het pand na te (laten) leven en na te (laten) blijven leven. Het college heeft daar een dwangsom aan verbonden van € 25.000,- ineens. 1.3 Op 20 januari 2025 heeft een asbestinventarisatie plaatsgevonden door AAZ Advies en Projecten B.V. waarbij asbest is aangetroffen. Op 23 januari 2025 is een asbestinventarisatierapport opgesteld. 1.4 Eisers hebben op 3 februari 2025 een sloopmelding ingediend bij het college. 1.5 Eisers hebben het college in een brief van 5 februari 2025 verzocht om intrekking van primair besluit I. In een brief van 27 februari 2025 hebben eisers bezwaar gemaakt tegen primair besluit I. 1.6 Het college heeft eisers in een brief van 4 maart 2025 medegedeeld dat de sloopmelding niet wordt geaccepteerd, omdat het asbestinventarisatierapport volgens het college niet voldoet aan de indieningsvereisten. 1.7 Bij besluit van 10 april 2025 heeft het college het verzoek om intrekking van primair besluit I afgewezen ( primair besluit II ). Eisers hebben daar bij brief van 2 mei 2025 bezwaar tegen gemaakt. 1.8 Bij bestreden besluit I heeft het college het bezwaar van eisers tegen primair besluit I ongegrond verklaard. Uit bestreden besluit I blijkt ook dat de overtreding van de APV niet langer ten grondslag wordt gelegd aan de herstelsancties. 1.9 Eisers hebben daar op 5 augustus 2025 beroep tegen ingesteld. 1.10 Bij bestreden besluit II heeft het college het bezwaar van eisers tegen primair besluit II ongegrond verklaard. 1.11 Eisers hebben daar op 16 september 2025 beroep tegen ingesteld. 2 Wettelijk kader De relevante wettelijke bepalingen zijn opgenomen in een bijlage, die deel uitmaakt van deze uitspraak. 3 Beroep tegen bestreden besluit I (25/3839) 3.1 Primair besluit I en bestreden besluit I 3.1.1 Uit primair besluit I en bestreden besluit I blijkt dat het college vanwege drie overtredingen bestuursdwang heeft toegepast en een last onder dwangsom heeft opgelegd. Een toezichthouder van de gemeente heeft eisers op 17 januari 2025 (11:37 uur) per e-mail gelast om het pand te sluiten en de werkzaamheden te staken en gestaakt te houden. Die bestuursdwang heeft de toezichthouder op diezelfde dag om 12:00 uur toegepast, door het pand te sluiten en te verzegelen. Het college heeft die last onder bestuursdwang door middel van primair besluit I op schrift gesteld. In primair besluit I is daarnaast een last onder dwangsom opgelegd aan eisers, waarin eisers wordt gelast om de sluiting en verzegeling na te (laten) leven. 3.1.2 Het college heeft de herstelsancties opgelegd, vanwege overtreding van artikel 7.10, eerste lid, van het Bbl, artikel 7.9, eerste lid, van het Bbl en artikel 3.5 van het Bbl. Het college baseert die herstelsancties op controles die zijn uitgevoerd op 14, 15, 16 en 17 januari 2025. Naar aanleiding van die controles is een controlerapport opgesteld van 20 januari 2025 (hierna: het controlerapport). Volgens het college is tijdens de controles geconstateerd dat – in strijd met artikel 7.10, eerste lid, van het Bbl – zonder sloopmelding sloopwerkzaamheden werden verricht, waarbij asbest werd verwijderd én de hoeveelheid sloopafval naar redelijke inschatting meer dan 10 m3 bedroeg. Daarnaast is volgens het college geconstateerd dat werd gehandeld in strijd met artikel 7.9 van het Bbl, omdat eisers niet beschikten over een asbestinventarisatierapport terwijl zij redelijkerwijs konden vermoeden dat zich in het bouwwerk asbest bevond. Zij hadden de aanwezigheid van asbest ernstig moeten vermoeden, gelet op het bouwjaar van het pand (1938), de tekst van de koopovereenkomst van het pand en de Nota van Toelichting behorende bij het Asbestverwijderingsbesluit 2005 . Tijdens de sloopwerkzaamheden is daarnaast volgens het college gevaar voor de gezondheid veroorzaakt, door het slopen van asbestverdachte materialen. Daardoor hebben eisers ook gehandeld in strijd met de specifieke zorgplicht uit artikel 3.5 van het Bbl. 3.2 Gronden tegen bestreden besluit I 3.2.1 Eisers stellen dat het college de herstelsancties ten onrechte heeft opgelegd. Ter onderbouwing van dat standpunt hebben eisers de hierna volgende argumenten aangevoerd. 3.2.2 Eisers hebben primair aangevoerd dat geen sprake is van de door het college gestelde overtredingen. Zij hebben artikel 7.10, eerste lid, van het Bbl niet overtreden. Zij hoefden geen sloopmelding te doen, omdat als gevolg van de sloopwerkzaamheden geen sprake was of zou zijn van meer dan 10 m3 afval. De hoeveelheid sloopafval zou volgens eisers 6,28 m3 bedragen. Het college is er niet in geslaagd inzichtelijk te maken hoe het tot de conclusie kwam dat sprake was van meer dan 10 m3. Het college heeft afval afkomstig van sloopwerkzaamheden aan het pand aan de [adres 2] niet mogen meetellen. In de container bevond zich minder dan 10 m3 sloopafval. Het college heeft niet vastgesteld hoe groot het karretje was, waarmee al eerder afval zou zijn afgevoerd. Volgens eisers is ook niet relevant of de toekomstige sloopwerkzaamheden zouden leiden tot meer dan 10 m3, omdat die sloopwerkzaamheden nog niet waren begonnen.
Volledig
Ook ten aanzien van het verwijderen van asbest is geen sprake van overtreding van deze bepaling. Bij de sloopwerkzaamheden is geen asbest verwijderd. Dit blijkt uit het asbestinventarisatierapport. Op pagina 9 van dat rapport staat dat in de container geen asbest is aangetroffen. Dat asbest in het pand aanwezig was, maakt niet dat die asbest verwijderd zou worden. Daarnaast hebben eisers ook artikel 7.9, eerst lid, van het Bbl niet overtreden. Het college heeft aan de voormalig eigenaar van het pand in 2016 een omgevingsvergunning verleend voor het verbouwen van het pand. Gelet daarop konden en mochten eisers ervan uitgaan dat er destijds een asbestinventarisatierapport was opgemaakt, dat eventuele asbest toen was gesaneerd en dat er daarom geen asbest in het pand zou zitten. 3.2.3 Subsidiair hebben eisers aangevoerd dat het opleggen van de handhavingssanctie onevenredig is en dat de dwangsom te hoog is vastgesteld door het college. Het college heeft de hoogte niet gemotiveerd. Het verwijt dat eisers kan worden gemaakt is ook zeer beperkt, omdat geen sprake is van overschrijding van het maximumvolume en eisers ook redelijkerwijs geen vermoeden konden hebben van de aanwezigheid van asbest in het pand. 3.3 Beoordeling 3.3.1 De rechtbank is van oordeel dat het college bevoegd was om de herstelsanctie op te leggen en dat geen sprake was van een uitzondering op de beginselplicht tot handhaving. De rechtbank licht dit oordeel hierna toe. Overtredingen 3.3.2 Het college was alleen bevoegd om bestuursdwang toe te passen in de vorm van het sluiten en verzegelen van het pand en om een last onder dwangsom op te leggen, wanneer sprake was van een overtreding. 3.3.3 Eisers hebben in beroep geen gronden aangevoerd tegen het opleggen van de last onder dwangsom voor overtreding van de zorgplicht uit artikel 3.5 van het Bbl. Gelet daarop valt dat onderdeel van bestreden besluit I buiten de omvang van dit geding. 3.3.4 Afdeling 7.1 uit het Bbl bevat regels voor bouw- en sloopwerkzaamheden aan bouwwerken. Aan de regels in die afdeling moet worden voldaan door degene die de bouw- of sloopwerkzaamheden verricht. Dit is de normadressaat. Overtreding van artikel 7.10, eerste lid, van het Bbl 3.3.5 Tussen partijen is in geschil of het college bevoegd was om de herstelsanctie op te leggen vanwege overtreding van artikel 7.10, eerste lid, van het Bbl. 3.3.6 In artikel 7.10, eerste lid, van het Bbl staat dat het verboden is een bouwwerk of gedeelte daarvan te slopen als daarbij asbest wordt verwijderd of de hoeveelheid sloopafval naar redelijke inschatting meer dan 10 m3 bedraagt, zonder dit ten minste vier weken voor het begin van de sloopwerkzaamheden te melden. Onder oud recht was dezelfde regel opgenomen in artikel 1.26, eerste lid, van het Bouwbesluit 2012. Uit jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) over die bepaling blijkt dat beoordeeld kan worden of die bepaling is overtreden door de inhoud van de aanwezige containers op te tellen. 3.3.7 Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college – door te verwijzen naar het controlerapport – voldoende gemotiveerd dat het college bevoegd was om de herstelsanctie op te leggen vanwege overtreding van artikel 7.10, eerste lid, van het Bbl. 3.3.8 Tussen partijen is niet in geschil dat werkzaamheden zijn uitgevoerd en dat voorafgaand aan die werkzaamheden geen melding is gedaan als bedoeld in artikel 7.10, eerste lid, van het Bbl. 3.3.9 Het college heeft redelijkerwijs kunnen besluiten dat tijdens de controles is geconstateerd dat die werkzaamheden kunnen worden aangemerkt als sloopwerkzaamheden. De rechtbank volgt niet het standpunt van eisers dat uitsluitend dingen werden gedemonteerd en dat daarom geen sprake was van slopen. Slopen wordt in de Omgevingswet (Ow) gedefinieerd als het geheel of gedeeltelijk afbreken of uit elkaar nemen. In het Van Dale Groot Woordenboek van de Nederlandse Taal wordt ‘demonteren’ omschreven als ‘uit elkaar nemen’. Demonteren valt daarom ook binnen het begrip slopen. 3.3.10 Het college heeft ook kunnen concluderen dat een melding voor die sloopwerkzaamheden verplicht was, omdat de hoeveelheid sloopafval naar redelijke inschatting meer dan 10 m3 bedroeg. Het college hoefde de feitelijke omvang niet specifiek vast te stellen door middel van een berekening, zoals eisers lijken te stellen, maar mochten een redelijke inschatting maken. Gelet op de uitgevoerde én geplande sloopwerkzaamheden heeft het college het aannemelijk kunnen achten dat de totale hoeveelheid sloopafval meer dan 10 m3 zal bedragen. De reeds verrichte sloopwerkzaamheden bestonden op het moment van de controles uit het strippen van het pand en het verwijderen van een trap en mozaïektegels. Daarnaast is verklaard dat meer sloopwerkzaamheden plaats zouden vinden, namelijk het slopen van een oude schoorsteen, het maken van een doorbraak naar het naastgelegen pand aan de [adres 2] en het vernieuwen van de verdiepingsvloer. Het college heeft daar ook bij in aanmerking kunnen nemen dat op 17 januari 2025 een zo goed als volle afvalcontainer is aangetroffen met een maximale inhoud van ongeveer 10 m3, dat toen is verklaard dat al sloopafval is afgevoerd en dat in het pand ook nog sloopafval lag. Dat niet duidelijk is hoeveel afval al was afgevoerd acht de rechtbank niet relevant, omdat al bijna 10 m3 in de container zat, er al afval was afgevoerd én er nog meer sloopwerkzaamheden plaats moesten vinden. Gelet daarop was het een redelijke inschatting dat de totale omvang van het afval meer dan 10 m3 zal zijn. Overtreding van artikel 7.9, eerste lid, van het Bbl 3.3.11 Tussen partijen is ook in geschil of het college bevoegd was om de herstelsanctie op te leggen vanwege overtreding van artikel 7.9, eerste lid, van het Bbl. 3.3.12 In artikel 7.9, eerste lid, van het Bbl staat dat de normadressaat over een asbestinventarisatierapport beschikt voor het gedeelte van het bouwwerk waar wordt gesloopt, als hij weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat zich in het bouwwerk asbest of een asbesthoudend product bevindt. 3.3.13 Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college – door te verwijzen naar het controlerapport – voldoende gemotiveerd dat het college ook bevoegd was om de herstelsanctie op te leggen, vanwege overtreding van artikel 7.9, eerste lid, van het Bbl. 3.3.14 Tussen partijen is niet in geschil dat voorafgaand aan de sloopwerkzaamheden geen asbestinventarisatierapport is opgesteld als bedoeld in artikel 7.9, eerste lid, van het Bbl. Het college heeft op goede gronden geconcludeerd dat eisers daar wel toe verplicht waren. Eisers konden redelijkerwijs vermoeden dat zich in het bouwwerk asbest of een asbesthoudend product bevond. Uit de nota van toelichting bij het Asbestverwijderingsbesluit 2005 kan volgens de Afdeling worden afgeleid dat het risico op de aanwezigheid van asbest bij bouwwerken van voor 1994 zo groot is, dat degene die sloopwerkzaamheden verricht ervan uit moet gaan dat dit het geval is en altijd een asbestinventarisatierapport moet laten opstellen. Niet in geschil is dat het pand voor 1994 is gebouwd, zodat het college zich op het standpunt mocht stellen dat een redelijke verwachting bestond dat in het pand asbest of een asbesthoudend product is toegepast. Naar het oordeel van de rechtbank hebben eisers geen feiten of omstandigheden gesteld waarom die verwachting in dit geval, ondanks de ouderdom, toch niet redelijk was. Eisers hebben niet met objectieve en verifieerbare bewijsstukken onderbouwd dat alle asbest in 2016 uit de woning was verwijderd en mochten daar ook redelijkerwijs niet zonder dergelijke bewijsstukken van uitgaan. Uit de akte van levering van 6 maart 2023 blijkt daarnaast dat door de voormalig eigenaar is verklaard dat niet bekend was of asbest in het pand aanwezig is. Beginselplicht tot handhaving 3.3.15 Als uitgangspunt geldt dat een bestuursorgaan in de regel gebruik moet maken van een bevoegdheid om handhavend op te treden, ook wel aangeduid als de beginselplicht tot handhaving. Deze beginselplicht geldt voor bevoegdheden om een last onder bestuursdwang en een last onder dwangsom op te leggen.
Volledig
Ook ten aanzien van het verwijderen van asbest is geen sprake van overtreding van deze bepaling. Bij de sloopwerkzaamheden is geen asbest verwijderd. Dit blijkt uit het asbestinventarisatierapport. Op pagina 9 van dat rapport staat dat in de container geen asbest is aangetroffen. Dat asbest in het pand aanwezig was, maakt niet dat die asbest verwijderd zou worden. Daarnaast hebben eisers ook artikel 7.9, eerst lid, van het Bbl niet overtreden. Het college heeft aan de voormalig eigenaar van het pand in 2016 een omgevingsvergunning verleend voor het verbouwen van het pand. Gelet daarop konden en mochten eisers ervan uitgaan dat er destijds een asbestinventarisatierapport was opgemaakt, dat eventuele asbest toen was gesaneerd en dat er daarom geen asbest in het pand zou zitten. 3.2.3 Subsidiair hebben eisers aangevoerd dat het opleggen van de handhavingssanctie onevenredig is en dat de dwangsom te hoog is vastgesteld door het college. Het college heeft de hoogte niet gemotiveerd. Het verwijt dat eisers kan worden gemaakt is ook zeer beperkt, omdat geen sprake is van overschrijding van het maximumvolume en eisers ook redelijkerwijs geen vermoeden konden hebben van de aanwezigheid van asbest in het pand. 3.3 Beoordeling 3.3.1 De rechtbank is van oordeel dat het college bevoegd was om de herstelsanctie op te leggen en dat geen sprake was van een uitzondering op de beginselplicht tot handhaving. De rechtbank licht dit oordeel hierna toe. Overtredingen 3.3.2 Het college was alleen bevoegd om bestuursdwang toe te passen in de vorm van het sluiten en verzegelen van het pand en om een last onder dwangsom op te leggen, wanneer sprake was van een overtreding. 3.3.3 Eisers hebben in beroep geen gronden aangevoerd tegen het opleggen van de last onder dwangsom voor overtreding van de zorgplicht uit artikel 3.5 van het Bbl. Gelet daarop valt dat onderdeel van bestreden besluit I buiten de omvang van dit geding. 3.3.4 Afdeling 7.1 uit het Bbl bevat regels voor bouw- en sloopwerkzaamheden aan bouwwerken. Aan de regels in die afdeling moet worden voldaan door degene die de bouw- of sloopwerkzaamheden verricht. Dit is de normadressaat. Overtreding van artikel 7.10, eerste lid, van het Bbl 3.3.5 Tussen partijen is in geschil of het college bevoegd was om de herstelsanctie op te leggen vanwege overtreding van artikel 7.10, eerste lid, van het Bbl. 3.3.6 In artikel 7.10, eerste lid, van het Bbl staat dat het verboden is een bouwwerk of gedeelte daarvan te slopen als daarbij asbest wordt verwijderd of de hoeveelheid sloopafval naar redelijke inschatting meer dan 10 m3 bedraagt, zonder dit ten minste vier weken voor het begin van de sloopwerkzaamheden te melden. Onder oud recht was dezelfde regel opgenomen in artikel 1.26, eerste lid, van het Bouwbesluit 2012. Uit jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) over die bepaling blijkt dat beoordeeld kan worden of die bepaling is overtreden door de inhoud van de aanwezige containers op te tellen. 3.3.7 Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college – door te verwijzen naar het controlerapport – voldoende gemotiveerd dat het college bevoegd was om de herstelsanctie op te leggen vanwege overtreding van artikel 7.10, eerste lid, van het Bbl. 3.3.8 Tussen partijen is niet in geschil dat werkzaamheden zijn uitgevoerd en dat voorafgaand aan die werkzaamheden geen melding is gedaan als bedoeld in artikel 7.10, eerste lid, van het Bbl. 3.3.9 Het college heeft redelijkerwijs kunnen besluiten dat tijdens de controles is geconstateerd dat die werkzaamheden kunnen worden aangemerkt als sloopwerkzaamheden. De rechtbank volgt niet het standpunt van eisers dat uitsluitend dingen werden gedemonteerd en dat daarom geen sprake was van slopen. Slopen wordt in de Omgevingswet (Ow) gedefinieerd als het geheel of gedeeltelijk afbreken of uit elkaar nemen. In het Van Dale Groot Woordenboek van de Nederlandse Taal wordt ‘demonteren’ omschreven als ‘uit elkaar nemen’. Demonteren valt daarom ook binnen het begrip slopen. 3.3.10 Het college heeft ook kunnen concluderen dat een melding voor die sloopwerkzaamheden verplicht was, omdat de hoeveelheid sloopafval naar redelijke inschatting meer dan 10 m3 bedroeg. Het college hoefde de feitelijke omvang niet specifiek vast te stellen door middel van een berekening, zoals eisers lijken te stellen, maar mochten een redelijke inschatting maken. Gelet op de uitgevoerde én geplande sloopwerkzaamheden heeft het college het aannemelijk kunnen achten dat de totale hoeveelheid sloopafval meer dan 10 m3 zal bedragen. De reeds verrichte sloopwerkzaamheden bestonden op het moment van de controles uit het strippen van het pand en het verwijderen van een trap en mozaïektegels. Daarnaast is verklaard dat meer sloopwerkzaamheden plaats zouden vinden, namelijk het slopen van een oude schoorsteen, het maken van een doorbraak naar het naastgelegen pand aan de [adres 2] en het vernieuwen van de verdiepingsvloer. Het college heeft daar ook bij in aanmerking kunnen nemen dat op 17 januari 2025 een zo goed als volle afvalcontainer is aangetroffen met een maximale inhoud van ongeveer 10 m3, dat toen is verklaard dat al sloopafval is afgevoerd en dat in het pand ook nog sloopafval lag. Dat niet duidelijk is hoeveel afval al was afgevoerd acht de rechtbank niet relevant, omdat al bijna 10 m3 in de container zat, er al afval was afgevoerd én er nog meer sloopwerkzaamheden plaats moesten vinden. Gelet daarop was het een redelijke inschatting dat de totale omvang van het afval meer dan 10 m3 zal zijn. Overtreding van artikel 7.9, eerste lid, van het Bbl 3.3.11 Tussen partijen is ook in geschil of het college bevoegd was om de herstelsanctie op te leggen vanwege overtreding van artikel 7.9, eerste lid, van het Bbl. 3.3.12 In artikel 7.9, eerste lid, van het Bbl staat dat de normadressaat over een asbestinventarisatierapport beschikt voor het gedeelte van het bouwwerk waar wordt gesloopt, als hij weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat zich in het bouwwerk asbest of een asbesthoudend product bevindt. 3.3.13 Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college – door te verwijzen naar het controlerapport – voldoende gemotiveerd dat het college ook bevoegd was om de herstelsanctie op te leggen, vanwege overtreding van artikel 7.9, eerste lid, van het Bbl. 3.3.14 Tussen partijen is niet in geschil dat voorafgaand aan de sloopwerkzaamheden geen asbestinventarisatierapport is opgesteld als bedoeld in artikel 7.9, eerste lid, van het Bbl. Het college heeft op goede gronden geconcludeerd dat eisers daar wel toe verplicht waren. Eisers konden redelijkerwijs vermoeden dat zich in het bouwwerk asbest of een asbesthoudend product bevond. Uit de nota van toelichting bij het Asbestverwijderingsbesluit 2005 kan volgens de Afdeling worden afgeleid dat het risico op de aanwezigheid van asbest bij bouwwerken van voor 1994 zo groot is, dat degene die sloopwerkzaamheden verricht ervan uit moet gaan dat dit het geval is en altijd een asbestinventarisatierapport moet laten opstellen. Niet in geschil is dat het pand voor 1994 is gebouwd, zodat het college zich op het standpunt mocht stellen dat een redelijke verwachting bestond dat in het pand asbest of een asbesthoudend product is toegepast. Naar het oordeel van de rechtbank hebben eisers geen feiten of omstandigheden gesteld waarom die verwachting in dit geval, ondanks de ouderdom, toch niet redelijk was. Eisers hebben niet met objectieve en verifieerbare bewijsstukken onderbouwd dat alle asbest in 2016 uit de woning was verwijderd en mochten daar ook redelijkerwijs niet zonder dergelijke bewijsstukken van uitgaan. Uit de akte van levering van 6 maart 2023 blijkt daarnaast dat door de voormalig eigenaar is verklaard dat niet bekend was of asbest in het pand aanwezig is. Beginselplicht tot handhaving 3.3.15 Als uitgangspunt geldt dat een bestuursorgaan in de regel gebruik moet maken van een bevoegdheid om handhavend op te treden, ook wel aangeduid als de beginselplicht tot handhaving. Deze beginselplicht geldt voor bevoegdheden om een last onder bestuursdwang en een last onder dwangsom op te leggen.
Volledig
De reden voor deze beginselplicht is dat de rechtszekerheid vergt dat de feitelijke situatie in beginsel niet afwijkt van de juridisch toegestane situatie. Door middel van handhavend optreden wordt dit bereikt. Hieruit volgt het algemeen belang dat is gediend met handhaving. 3.3.16 In die uitspraak heeft de Afdeling overwogen dat voor de vraag of van handhavend optreden mocht worden afgezien, moet worden beoordeeld of handhavend optreden onevenredig is. Bij de toets aan het evenredigheidsbeginsel geldt de maatstaf van de zogeheten Harderwijk-uitspraak . Dit betekent dat de bestuursrechter toetst of het besluit geschikt en noodzakelijk is, en daarna of het besluit in de gegeven omstandigheden evenwichtig is. Of deze drie elementen aan bod komen, hangt af van de aangevoerde beroepsgronden. Bij handhavingsbesluiten geldt daarbij als uitgangspunt dat het algemeen belang gediend is met handhaving en dat om die reden in de regel tegen een overtreding moet worden opgetreden. Handhaving blijft dus voorop staan. 3.3.17 Handhavend optreden is alleen onevenredig als er in het concrete geval omstandigheden zijn waaraan een zodanig zwaar gewicht toekomt dat het algemeen belang dat gediend is met handhaving daarvoor moet wijken. Dan is er een bijzonder geval waarin toch van handhavend optreden moet worden afgezien. Een bijzonder geval kan zich bijvoorbeeld voordoen bij concreet zicht op legalisatie, maar ook andere omstandigheden van het concrete geval kunnen leiden tot het oordeel dat er een bijzonder geval is. Andere redenen om van handhavend optreden af te zien kunnen zich bijvoorbeeld voordoen bij een schending van het gelijkheidsbeginsel of het vertrouwensbeginsel. 3.3.18 De rechtbank is van oordeel dat het college redelijkerwijs heeft kunnen besluiten dat handhavend optreden ten tijde van primair besluit I en bestreden besluit I niet zodanig onevenredig was in verhouding tot de daarmee te dienen doelen, dat het college van handhaving had moeten afzien. Het college heeft het belang bij handhavend optreden zwaar mogen achten. Uit het asbestinventarisatierapport blijkt dat in het pand 6 m2 restanten van asbesthoudende beplating (hechtgebonden 5-10% Chrysotiel) aanwezig is op de begane grond en de eerste verdieping. Die restanten zijn ernstig beschadigd. Eisers hebben alleen gesteld, maar hebben niet gemotiveerd welke bijzondere omstandigheden maken, dat in het kader van het evenredigheidsbeginsel afgezien had moeten worden van het opleggen van de herstelsanctie. Handhavend optreden was óók in het belang van de gezondheid van eisers. De rechtbank heeft bij dit oordeel ook in aanmerking genomen dat de herstelsanctie niet in de weg staat aan het saneren van de asbest. Uit primair besluit I blijkt dat het pand ook tijdelijk is geopend door de toezichthouders ten behoeve van het opstellen van het asbestinventarisatierapport. Hoogte dwangsom 3.3.19 Artikel 5:32b, derde lid, van de Awb bepaalt dat de vast te stellen dwangsom in redelijke verhouding staat tot de zwaarte van het geschonden belang en tot de beoogde werking van de dwangsom. Een bestuursorgaan komt daarom bij het bepalen van de hoogte van de dwangsom en het maximum van het te verbeuren bedrag een ruime mate van beleidsruimte toe. Het opleggen van een last onder dwangsom heeft als doel de overtreder te bewegen tot naleving van de voor hem geldende regels. Van de dwangsom moet een zodanige prikkel uitgaan dat de opgelegde last wordt uitgevoerd zonder dat een dwangsom wordt verbeurd. Om dit doel te bereiken kan de hoogte van het bedrag worden afgestemd op het financiële voordeel dat een overtreder kan verwachten bij het niet naleven van deze regels. Bij vaststelling van de hoogte van een dwangsom hoeft geen rekening gehouden te worden met de financiële draagkracht van de overtreder. 3.3.20 Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college redelijkerwijs kunnen besluiten dat de hoogte van de dwangsom in redelijke verhouding staat tot de zwaarte van de geschonden norm en de beoogde werking van de dwangsomoplegging. Bij het bepalen van de hoogte van de dwangsom heeft het college rekening mogen houden met het te verwachten voordeel voor eisers. Daarnaast heeft het college ook in aanmerking kunnen nemen dat de potentiële gezondheidsrisico’s maken dat sprake is van een zwaarwegend belang. De omstandigheden die volgens eisers maken dat sprake is van een te hoge dwangsom geven geen aanleiding voor een ander oordeel. In deze uitspraak heeft de rechtbank namelijk al overwogen dat redelijkerwijs sprake was van een overschrijding van het maximumvolume uit artikel 7.10, eerste lid, van het Bbl én dat eisers ook redelijkerwijs konden vermoeden dat er asbest in het pand zat. Conclusie beroep tegen bestreden besluit I 3.3.21 Gelet op het voorgaande zal de rechtbank het beroep tegen bestreden besluit I ongegrond verklaren. Voor een proceskostenvergoeding bestaat daarom geen aanleiding. 4 Beroep tegen bestreden besluit II (25/4776) 4.1 Eisers hebben het college in een brief van 5 februari 2025 verzocht om intrekking van primair besluit I, omdat volgens hen geen sprake was van de door het college gestelde overtredingen. Het college heeft dat afgewezen, omdat zowel ten tijde van primair besluit II als bestreden besluit II niet was voldaan aan de in primair besluit I genoemde herstelmaatregelen. Er was nog geen (goedgekeurde) sloopmelding gedaan. 4.2 Eisers hebben aangevoerd dat het college het verzoek om intrekking ten onrechte heeft afgewezen. Ter onderbouwing van dat standpunt hebben zij verwezen naar de gronden tegen bestreden besluit I. De verzegeling is onevenredig en onnodig, omdat de gezondheidsrisico’s van de aanwezigheid van asbest inmiddels zijn geïnventariseerd. Eisers willen de asbest saneren. Uit een advies van QualityCare BV blijkt volgens eisers dat geen sprake is van een risico voor de (volks)gezondheid. Het van de sloopmelding laten afhangen van de opheffing tot de sluiting is daarmee onevenredig. 4.3 De rechtbank is van oordeel dat het college het verzoek om intrekking ten tijde van primair besluit II en bestreden besluit II op goede gronden heeft afgewezen, omdat niet is gebleken dat de overtredingen op die momenten waren beëindigd. Het college heeft eisers in een brief van 4 maart 2025 medegedeeld dat een ingediende sloopmelding niet werd geaccepteerd, omdat het asbestinventarisatierapport niet voldoet aan de indieningsvereisten. Daarnaast was ten tijde van bestreden besluit II nog steeds asbest in het pand aanwezig en was de – niet door eisers in beroep betwiste – overtreding van artikel 3.5 van het Bbl daarom ook nog niet beëindigd. De rechtbank heeft bij dit oordeel in aanmerking genomen dat de herstelsanctie niet in de weg staat aan het saneren van het asbest. Uit primair besluit I blijkt dat het pand ook tijdelijk is geopend door de toezichthouders ten behoeve van het opstellen van het asbestinventarisatierapport. 4.4 Gelet op het voorgaande zal de rechtbank ook het beroep tegen bestreden besluit II ongegrond verklaren. Voor een proceskostenvergoeding bestaat daarom geen aanleiding. 5 Redelijke termijn 5.1 Eisers hebben in beide beroepen verzocht om schadevergoeding vanwege overschrijding van de redelijke termijn. 5.2 Op grond van vaste rechtspraak is een redelijke termijn voor de afhandeling van bezwaar en beroep als uitgangspunt twee jaar. Daarbij mag de behandeling van het bezwaar ten hoogste een half jaar en de behandeling van het beroep ten hoogste anderhalf jaar duren. De redelijke termijn vangt aan op het moment waarop het bestuursorgaan het bezwaarschrift heeft ontvangen. 5.3 Gerekend van de ontvangst van het bezwaarschrift tegen primair besluit I op 27 februari 2025 tot de datum van deze uitspraak (27 mei 2026) zijn geen 2 jaar verstreken. Gerekend van de ontvangst van het bezwaarschrift tegen primair besluit II op 2 mei 2025 tot de datum van deze uitspraak (27 mei 2026) zijn evenmin 2 jaar verstreken. Gelet daarop is geen sprake van een overschrijding van de redelijke termijn. De beslissing De rechtbank: verklaart de beroepen ongegrond; wijst de verzoeken om schadevergoeding vanwege overschrijding van de redelijke termijn af. Deze uitspraak is gedaan door mr. R.P.
Volledig
De reden voor deze beginselplicht is dat de rechtszekerheid vergt dat de feitelijke situatie in beginsel niet afwijkt van de juridisch toegestane situatie. Door middel van handhavend optreden wordt dit bereikt. Hieruit volgt het algemeen belang dat is gediend met handhaving. 3.3.16 In die uitspraak heeft de Afdeling overwogen dat voor de vraag of van handhavend optreden mocht worden afgezien, moet worden beoordeeld of handhavend optreden onevenredig is. Bij de toets aan het evenredigheidsbeginsel geldt de maatstaf van de zogeheten Harderwijk-uitspraak . Dit betekent dat de bestuursrechter toetst of het besluit geschikt en noodzakelijk is, en daarna of het besluit in de gegeven omstandigheden evenwichtig is. Of deze drie elementen aan bod komen, hangt af van de aangevoerde beroepsgronden. Bij handhavingsbesluiten geldt daarbij als uitgangspunt dat het algemeen belang gediend is met handhaving en dat om die reden in de regel tegen een overtreding moet worden opgetreden. Handhaving blijft dus voorop staan. 3.3.17 Handhavend optreden is alleen onevenredig als er in het concrete geval omstandigheden zijn waaraan een zodanig zwaar gewicht toekomt dat het algemeen belang dat gediend is met handhaving daarvoor moet wijken. Dan is er een bijzonder geval waarin toch van handhavend optreden moet worden afgezien. Een bijzonder geval kan zich bijvoorbeeld voordoen bij concreet zicht op legalisatie, maar ook andere omstandigheden van het concrete geval kunnen leiden tot het oordeel dat er een bijzonder geval is. Andere redenen om van handhavend optreden af te zien kunnen zich bijvoorbeeld voordoen bij een schending van het gelijkheidsbeginsel of het vertrouwensbeginsel. 3.3.18 De rechtbank is van oordeel dat het college redelijkerwijs heeft kunnen besluiten dat handhavend optreden ten tijde van primair besluit I en bestreden besluit I niet zodanig onevenredig was in verhouding tot de daarmee te dienen doelen, dat het college van handhaving had moeten afzien. Het college heeft het belang bij handhavend optreden zwaar mogen achten. Uit het asbestinventarisatierapport blijkt dat in het pand 6 m2 restanten van asbesthoudende beplating (hechtgebonden 5-10% Chrysotiel) aanwezig is op de begane grond en de eerste verdieping. Die restanten zijn ernstig beschadigd. Eisers hebben alleen gesteld, maar hebben niet gemotiveerd welke bijzondere omstandigheden maken, dat in het kader van het evenredigheidsbeginsel afgezien had moeten worden van het opleggen van de herstelsanctie. Handhavend optreden was óók in het belang van de gezondheid van eisers. De rechtbank heeft bij dit oordeel ook in aanmerking genomen dat de herstelsanctie niet in de weg staat aan het saneren van de asbest. Uit primair besluit I blijkt dat het pand ook tijdelijk is geopend door de toezichthouders ten behoeve van het opstellen van het asbestinventarisatierapport. Hoogte dwangsom 3.3.19 Artikel 5:32b, derde lid, van de Awb bepaalt dat de vast te stellen dwangsom in redelijke verhouding staat tot de zwaarte van het geschonden belang en tot de beoogde werking van de dwangsom. Een bestuursorgaan komt daarom bij het bepalen van de hoogte van de dwangsom en het maximum van het te verbeuren bedrag een ruime mate van beleidsruimte toe. Het opleggen van een last onder dwangsom heeft als doel de overtreder te bewegen tot naleving van de voor hem geldende regels. Van de dwangsom moet een zodanige prikkel uitgaan dat de opgelegde last wordt uitgevoerd zonder dat een dwangsom wordt verbeurd. Om dit doel te bereiken kan de hoogte van het bedrag worden afgestemd op het financiële voordeel dat een overtreder kan verwachten bij het niet naleven van deze regels. Bij vaststelling van de hoogte van een dwangsom hoeft geen rekening gehouden te worden met de financiële draagkracht van de overtreder. 3.3.20 Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college redelijkerwijs kunnen besluiten dat de hoogte van de dwangsom in redelijke verhouding staat tot de zwaarte van de geschonden norm en de beoogde werking van de dwangsomoplegging. Bij het bepalen van de hoogte van de dwangsom heeft het college rekening mogen houden met het te verwachten voordeel voor eisers. Daarnaast heeft het college ook in aanmerking kunnen nemen dat de potentiële gezondheidsrisico’s maken dat sprake is van een zwaarwegend belang. De omstandigheden die volgens eisers maken dat sprake is van een te hoge dwangsom geven geen aanleiding voor een ander oordeel. In deze uitspraak heeft de rechtbank namelijk al overwogen dat redelijkerwijs sprake was van een overschrijding van het maximumvolume uit artikel 7.10, eerste lid, van het Bbl én dat eisers ook redelijkerwijs konden vermoeden dat er asbest in het pand zat. Conclusie beroep tegen bestreden besluit I 3.3.21 Gelet op het voorgaande zal de rechtbank het beroep tegen bestreden besluit I ongegrond verklaren. Voor een proceskostenvergoeding bestaat daarom geen aanleiding. 4 Beroep tegen bestreden besluit II (25/4776) 4.1 Eisers hebben het college in een brief van 5 februari 2025 verzocht om intrekking van primair besluit I, omdat volgens hen geen sprake was van de door het college gestelde overtredingen. Het college heeft dat afgewezen, omdat zowel ten tijde van primair besluit II als bestreden besluit II niet was voldaan aan de in primair besluit I genoemde herstelmaatregelen. Er was nog geen (goedgekeurde) sloopmelding gedaan. 4.2 Eisers hebben aangevoerd dat het college het verzoek om intrekking ten onrechte heeft afgewezen. Ter onderbouwing van dat standpunt hebben zij verwezen naar de gronden tegen bestreden besluit I. De verzegeling is onevenredig en onnodig, omdat de gezondheidsrisico’s van de aanwezigheid van asbest inmiddels zijn geïnventariseerd. Eisers willen de asbest saneren. Uit een advies van QualityCare BV blijkt volgens eisers dat geen sprake is van een risico voor de (volks)gezondheid. Het van de sloopmelding laten afhangen van de opheffing tot de sluiting is daarmee onevenredig. 4.3 De rechtbank is van oordeel dat het college het verzoek om intrekking ten tijde van primair besluit II en bestreden besluit II op goede gronden heeft afgewezen, omdat niet is gebleken dat de overtredingen op die momenten waren beëindigd. Het college heeft eisers in een brief van 4 maart 2025 medegedeeld dat een ingediende sloopmelding niet werd geaccepteerd, omdat het asbestinventarisatierapport niet voldoet aan de indieningsvereisten. Daarnaast was ten tijde van bestreden besluit II nog steeds asbest in het pand aanwezig en was de – niet door eisers in beroep betwiste – overtreding van artikel 3.5 van het Bbl daarom ook nog niet beëindigd. De rechtbank heeft bij dit oordeel in aanmerking genomen dat de herstelsanctie niet in de weg staat aan het saneren van het asbest. Uit primair besluit I blijkt dat het pand ook tijdelijk is geopend door de toezichthouders ten behoeve van het opstellen van het asbestinventarisatierapport. 4.4 Gelet op het voorgaande zal de rechtbank ook het beroep tegen bestreden besluit II ongegrond verklaren. Voor een proceskostenvergoeding bestaat daarom geen aanleiding. 5 Redelijke termijn 5.1 Eisers hebben in beide beroepen verzocht om schadevergoeding vanwege overschrijding van de redelijke termijn. 5.2 Op grond van vaste rechtspraak is een redelijke termijn voor de afhandeling van bezwaar en beroep als uitgangspunt twee jaar. Daarbij mag de behandeling van het bezwaar ten hoogste een half jaar en de behandeling van het beroep ten hoogste anderhalf jaar duren. De redelijke termijn vangt aan op het moment waarop het bestuursorgaan het bezwaarschrift heeft ontvangen. 5.3 Gerekend van de ontvangst van het bezwaarschrift tegen primair besluit I op 27 februari 2025 tot de datum van deze uitspraak (27 mei 2026) zijn geen 2 jaar verstreken. Gerekend van de ontvangst van het bezwaarschrift tegen primair besluit II op 2 mei 2025 tot de datum van deze uitspraak (27 mei 2026) zijn evenmin 2 jaar verstreken. Gelet daarop is geen sprake van een overschrijding van de redelijke termijn. De beslissing De rechtbank: verklaart de beroepen ongegrond; wijst de verzoeken om schadevergoeding vanwege overschrijding van de redelijke termijn af. Deze uitspraak is gedaan door mr. R.P.
Volledig
Broeders, voorzitter, mr. M. Breeman en mr. M.J. Schouw, leden, in aanwezigheid van mr. N. van Asten, griffier, op 27 mei 2026 en wordt geanonimiseerd gepubliceerd op rechtspraak.nl. De griffier is niet in de gelegenheid deze uitspraak mede te ondertekenen. griffier voorzitter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Wettelijk kader Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) Artikel 3.3 van het Bbl Aan de regels in dit hoofdstuk wordt voldaan door de eigenaar van het bouwwerk of degene die uit anderen hoofde bevoegd is tot het treffen van voorzieningen aan dat bouwwerk. Diegene draagt zorg voor de naleving van de regels over de activiteit. Artikel 3.5 van het Bbl Degene die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat de staat van het bouwwerk tot gevaar voor de gezondheid of veiligheid kan leiden, is verplicht alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs kunnen worden gevraagd om dat gevaar te voorkomen of niet te laten voortduren. Artikel 7.1 van het Bbl Deze afdeling is van toepassing op bouw- en sloopactiviteiten die het feitelijk verrichten van bouw- en sloopwerkzaamheden aan bouwwerken betreffen, met uitzondering van het mobiel breken van bouw- en sloopafval. Artikel 7.3 van het Bbl Aan de regels in deze afdeling wordt voldaan door degene die de bouw- of sloopwerkzaamheden verricht. Diegene draagt zorg voor de naleving van de regels over de activiteit. Artikel 7.9 van het Bbl De normadressaat beschikt over een asbestinventarisatierapport voor het gedeelte van het bouwwerk waar wordt gesloopt, als hij weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat zich in het bouwwerk asbest of een asbesthoudend product bevindt. Het eerste lid is niet van toepassing op: werkzaamheden die worden verricht in of aan een bouwwerk of gedeelte daarvan dat na 1 januari 1994 is gebouwd; het geheel of gedeeltelijk verwijderen van rem- en frictiematerialen; het als een geheel verwijderen van verwarmingstoestellen; het in de uitoefening van een beroep of bedrijf geheel of gedeeltelijk: 1°.verwijderen van waterleidingbuizen, gasleidingbuizen, rioolleidingbuizen, telecombuizen en mantelbuizen, voor zover deze deel uitmaken van een ondergronds openbaar water-, gas-, elektra-, riool- of telecomleidingnet; 2°.verwijderen van geklemde vloerplaten onder een verwarmingstoestel; 3°.verwijderen van beglazingskit die is verwerkt in de constructie van een kas; of 4°.verwijderen van pakkingen uit: i. een verbrandingsmotor; ii. een verwarmingstoestel met een nominaal vermogen dat lager is dan 2.250 kW; of iii. een procesinstallatie of onderdelen van een procesinstallatie, inclusief aan- en afvoerende leidingen; of 5°.verwijderen van gas- en elektrotechnische componenten die aanwezig zijn in een distributiesysteem, bedoeld in artikel 1.1 van de Energiewet, door of vanwege een distributiesysteembeheerder, bedoeld in artikel 1.1 van die wet; en het anders dan in de uitoefening van een beroep of bedrijf in zijn geheel verwijderen van geschroefde, asbesthoudende platen waarin de asbestvezels hechtgebonden zijn, anders dan dakleien, of van asbesthoudende vloertegels of niet-gelijmde, asbesthoudende vloerbedekking, uit een woonfunctie of nevengebruiksfunctie daarvan, voor zover die woonfunctie of die nevengebruiksfunctie niet in het kader van de uitoefening van een beroep of bedrijf wordt gebruikt of bedoeld is voor gebruik in dat kader en de oppervlakte van de te verwijderen asbesthoudende platen, vloertegels of vloerbedekking in totaal ten hoogste 35 m2 bedraagt. 3. Degene die een handeling laat verrichten waarop het eerste lid van toepassing is, verstrekt, voordat de handeling wordt verricht, een afschrift van het asbestinventarisatierapport aan degene die de handeling verricht. Artikel 7.10 van het Bbl Het is verboden een bouwwerk of gedeelte daarvan te slopen als daarbij asbest wordt verwijderd of de hoeveelheid sloopafval naar redelijke inschatting meer dan 10 m3 bedraagt, zonder dit ten minste vier weken voor het begin van de sloopwerkzaamheden te melden. De in het eerste lid genoemde termijn is ten minste een week als: de sloopwerkzaamheden in het kader van reparatie- of mutatieonderhoudswerkzaamheden worden verricht aan een asbesthoudende toepassing en handhaving van de termijn tot onnodige leegstand zou leiden of het gebruiksgenot van het bouwwerk ernstig zou belemmeren; of de sloopwerkzaamheden bestaan uit het anders dan in de uitoefening van een beroep of bedrijf in zijn geheel verwijderen van geschroefde, asbesthoudende platen waarin de asbestvezels hechtgebonden zijn, anders dan dakleien, of van asbesthoudende vloertegels of niet-gelijmde, asbesthoudende vloerbedekking, uit een woonfunctie of nevengebruiksfunctie daarvan, voor zover die woonfunctie of die nevengebruiksfunctie niet in het kader van een beroep of bedrijf wordt gebruikt of bedoeld is voor gebruik in dat kader en de oppervlakte van de te verwijderen asbesthoudende platen, vloertegels of vloerbedekking in totaal ten hoogste 35 m2 bedraagt. 3. Als dit naar het oordeel van het bevoegd gezag nodig is, kan worden afgeweken van de in het eerste en tweede lid genoemde termijnen. 4. Het eerste lid is niet van toepassing op het: slopen van een seizoensgebonden bouwwerk; slopen op grond van een maatwerkvoorschrift als bedoeld in artikel 3.6, of van een besluit tot oplegging van een last onder bestuursdwang of last onder dwangsom; en slopen dat alleen bestaat uit het in de uitoefening van een beroep of bedrijf: 1°. geheel of gedeeltelijk verwijderen van asbesthoudende waterleidingbuizen, gasleidingbuizen, rioolleidingbuizen, telecombuizen en mantelbuizen, voor zover deze deel uitmaken van een ondergronds openbaar water-, gas-, elektra-, riool- of telecomleidingnet; 2°. geheel of gedeeltelijk verwijderen van asbesthoudende geklemde vloerplaten onder een verwarmingstoestel; 3°. als een geheel verwijderen van asbesthoudende verwarmingstoestellen; 4°. geheel of gedeeltelijk verwijderen van asbesthoudende beglazingskit dat is verwerkt in de constructie van een kas; 5°. geheel of gedeeltelijk verwijderen van asbesthoudende rem- en frictiematerialen; 6°. geheel of gedeeltelijk verwijderen van asbesthoudende pakkingen uit: i. een verbrandingsmotor; ii. een verwarmingstoestel met een nominaal vermogen dat lager is dan 2.250 kW; of iii. een procesinstallatie of onderdelen van een procesinstallatie, inclusief aan- en afvoerende leidingen; en 7°. geheel of gedeeltelijk verwijderen van gas- en elektrotechnische componenten die aanwezig zijn in een distributiesysteem, bedoeld in artikel 1.1 van de Energiewet, door of vanwege een distributiesysteembeheerder, bedoeld in artikel 1.1 van die wet. 5. Een sloopmelding kan betrekking hebben op meerdere bouwwerken op hetzelfde terrein of op met elkaar samenhangende terreinen. Tegelijkertijd met de samenhangende beroepen met zaaknummers 25/3831, 25/5782, 25/5784, 25/5225, 25/5227 en 25/5780. ABRvS 16 april 2025, ECLI:NL:RVS:2025:1695. Artikel 5:2, eerste lid, onder b, jo. artikel 5:21 en 5:31d van de Awb. Artikel 7.3 van het Bbl. ABRvS 16 april 2025, ECLI:NL:RVS:2025:1695, r.o. 4.2. Artikel 1.1, eerste lid, van de Ow en de daarbij behorende bijlage bij de Ow. ABRvS 16 april 2025, ECLI:NL:RVS:2025:1695, r.o. 3.2. ABRvS 5 maart 2025, ECLI:NL:RVS:2025:678, r.o. 6.1. ABRvS 2 februari 2022, ECLI:NL:RVS:2022:285. ABRvS 22 oktober 2025, ECLI:NL:RVS:2025:5007, r.o. 8; ABRvS 10 april 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1481, r.o. 7.1 en ABRvS 8 november 2023, ECLI:NL:RVS:2023:4153, r.o. 8.2. ABRvS 8 november 2023, ECLI:NL:RVS:2023:4153, r.o. 8.2.
Volledig
Broeders, voorzitter, mr. M. Breeman en mr. M.J. Schouw, leden, in aanwezigheid van mr. N. van Asten, griffier, op 27 mei 2026 en wordt geanonimiseerd gepubliceerd op rechtspraak.nl. De griffier is niet in de gelegenheid deze uitspraak mede te ondertekenen. griffier voorzitter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Wettelijk kader Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) Artikel 3.3 van het Bbl Aan de regels in dit hoofdstuk wordt voldaan door de eigenaar van het bouwwerk of degene die uit anderen hoofde bevoegd is tot het treffen van voorzieningen aan dat bouwwerk. Diegene draagt zorg voor de naleving van de regels over de activiteit. Artikel 3.5 van het Bbl Degene die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat de staat van het bouwwerk tot gevaar voor de gezondheid of veiligheid kan leiden, is verplicht alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs kunnen worden gevraagd om dat gevaar te voorkomen of niet te laten voortduren. Artikel 7.1 van het Bbl Deze afdeling is van toepassing op bouw- en sloopactiviteiten die het feitelijk verrichten van bouw- en sloopwerkzaamheden aan bouwwerken betreffen, met uitzondering van het mobiel breken van bouw- en sloopafval. Artikel 7.3 van het Bbl Aan de regels in deze afdeling wordt voldaan door degene die de bouw- of sloopwerkzaamheden verricht. Diegene draagt zorg voor de naleving van de regels over de activiteit. Artikel 7.9 van het Bbl De normadressaat beschikt over een asbestinventarisatierapport voor het gedeelte van het bouwwerk waar wordt gesloopt, als hij weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat zich in het bouwwerk asbest of een asbesthoudend product bevindt. Het eerste lid is niet van toepassing op: werkzaamheden die worden verricht in of aan een bouwwerk of gedeelte daarvan dat na 1 januari 1994 is gebouwd; het geheel of gedeeltelijk verwijderen van rem- en frictiematerialen; het als een geheel verwijderen van verwarmingstoestellen; het in de uitoefening van een beroep of bedrijf geheel of gedeeltelijk: 1°.verwijderen van waterleidingbuizen, gasleidingbuizen, rioolleidingbuizen, telecombuizen en mantelbuizen, voor zover deze deel uitmaken van een ondergronds openbaar water-, gas-, elektra-, riool- of telecomleidingnet; 2°.verwijderen van geklemde vloerplaten onder een verwarmingstoestel; 3°.verwijderen van beglazingskit die is verwerkt in de constructie van een kas; of 4°.verwijderen van pakkingen uit: i. een verbrandingsmotor; ii. een verwarmingstoestel met een nominaal vermogen dat lager is dan 2.250 kW; of iii. een procesinstallatie of onderdelen van een procesinstallatie, inclusief aan- en afvoerende leidingen; of 5°.verwijderen van gas- en elektrotechnische componenten die aanwezig zijn in een distributiesysteem, bedoeld in artikel 1.1 van de Energiewet, door of vanwege een distributiesysteembeheerder, bedoeld in artikel 1.1 van die wet; en het anders dan in de uitoefening van een beroep of bedrijf in zijn geheel verwijderen van geschroefde, asbesthoudende platen waarin de asbestvezels hechtgebonden zijn, anders dan dakleien, of van asbesthoudende vloertegels of niet-gelijmde, asbesthoudende vloerbedekking, uit een woonfunctie of nevengebruiksfunctie daarvan, voor zover die woonfunctie of die nevengebruiksfunctie niet in het kader van de uitoefening van een beroep of bedrijf wordt gebruikt of bedoeld is voor gebruik in dat kader en de oppervlakte van de te verwijderen asbesthoudende platen, vloertegels of vloerbedekking in totaal ten hoogste 35 m2 bedraagt. 3. Degene die een handeling laat verrichten waarop het eerste lid van toepassing is, verstrekt, voordat de handeling wordt verricht, een afschrift van het asbestinventarisatierapport aan degene die de handeling verricht. Artikel 7.10 van het Bbl Het is verboden een bouwwerk of gedeelte daarvan te slopen als daarbij asbest wordt verwijderd of de hoeveelheid sloopafval naar redelijke inschatting meer dan 10 m3 bedraagt, zonder dit ten minste vier weken voor het begin van de sloopwerkzaamheden te melden. De in het eerste lid genoemde termijn is ten minste een week als: de sloopwerkzaamheden in het kader van reparatie- of mutatieonderhoudswerkzaamheden worden verricht aan een asbesthoudende toepassing en handhaving van de termijn tot onnodige leegstand zou leiden of het gebruiksgenot van het bouwwerk ernstig zou belemmeren; of de sloopwerkzaamheden bestaan uit het anders dan in de uitoefening van een beroep of bedrijf in zijn geheel verwijderen van geschroefde, asbesthoudende platen waarin de asbestvezels hechtgebonden zijn, anders dan dakleien, of van asbesthoudende vloertegels of niet-gelijmde, asbesthoudende vloerbedekking, uit een woonfunctie of nevengebruiksfunctie daarvan, voor zover die woonfunctie of die nevengebruiksfunctie niet in het kader van een beroep of bedrijf wordt gebruikt of bedoeld is voor gebruik in dat kader en de oppervlakte van de te verwijderen asbesthoudende platen, vloertegels of vloerbedekking in totaal ten hoogste 35 m2 bedraagt. 3. Als dit naar het oordeel van het bevoegd gezag nodig is, kan worden afgeweken van de in het eerste en tweede lid genoemde termijnen. 4. Het eerste lid is niet van toepassing op het: slopen van een seizoensgebonden bouwwerk; slopen op grond van een maatwerkvoorschrift als bedoeld in artikel 3.6, of van een besluit tot oplegging van een last onder bestuursdwang of last onder dwangsom; en slopen dat alleen bestaat uit het in de uitoefening van een beroep of bedrijf: 1°. geheel of gedeeltelijk verwijderen van asbesthoudende waterleidingbuizen, gasleidingbuizen, rioolleidingbuizen, telecombuizen en mantelbuizen, voor zover deze deel uitmaken van een ondergronds openbaar water-, gas-, elektra-, riool- of telecomleidingnet; 2°. geheel of gedeeltelijk verwijderen van asbesthoudende geklemde vloerplaten onder een verwarmingstoestel; 3°. als een geheel verwijderen van asbesthoudende verwarmingstoestellen; 4°. geheel of gedeeltelijk verwijderen van asbesthoudende beglazingskit dat is verwerkt in de constructie van een kas; 5°. geheel of gedeeltelijk verwijderen van asbesthoudende rem- en frictiematerialen; 6°. geheel of gedeeltelijk verwijderen van asbesthoudende pakkingen uit: i. een verbrandingsmotor; ii. een verwarmingstoestel met een nominaal vermogen dat lager is dan 2.250 kW; of iii. een procesinstallatie of onderdelen van een procesinstallatie, inclusief aan- en afvoerende leidingen; en 7°. geheel of gedeeltelijk verwijderen van gas- en elektrotechnische componenten die aanwezig zijn in een distributiesysteem, bedoeld in artikel 1.1 van de Energiewet, door of vanwege een distributiesysteembeheerder, bedoeld in artikel 1.1 van die wet. 5. Een sloopmelding kan betrekking hebben op meerdere bouwwerken op hetzelfde terrein of op met elkaar samenhangende terreinen. Tegelijkertijd met de samenhangende beroepen met zaaknummers 25/3831, 25/5782, 25/5784, 25/5225, 25/5227 en 25/5780. ABRvS 16 april 2025, ECLI:NL:RVS:2025:1695. Artikel 5:2, eerste lid, onder b, jo. artikel 5:21 en 5:31d van de Awb. Artikel 7.3 van het Bbl. ABRvS 16 april 2025, ECLI:NL:RVS:2025:1695, r.o. 4.2. Artikel 1.1, eerste lid, van de Ow en de daarbij behorende bijlage bij de Ow. ABRvS 16 april 2025, ECLI:NL:RVS:2025:1695, r.o. 3.2. ABRvS 5 maart 2025, ECLI:NL:RVS:2025:678, r.o. 6.1. ABRvS 2 februari 2022, ECLI:NL:RVS:2022:285. ABRvS 22 oktober 2025, ECLI:NL:RVS:2025:5007, r.o. 8; ABRvS 10 april 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1481, r.o. 7.1 en ABRvS 8 november 2023, ECLI:NL:RVS:2023:4153, r.o. 8.2. ABRvS 8 november 2023, ECLI:NL:RVS:2023:4153, r.o. 8.2.