Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2026-01-20
ECLI:NL:RBZWB:2026:459
Civiel recht; Personen- en familierecht
Rekestprocedure
5,419 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBZWB:2026:459 text/xml public 2026-03-31T10:01:25 2026-01-27 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Zeeland-West-Brabant 2026-01-20 C/02/440149 / FA RK 25-4915 Uitspraak Rekestprocedure NL Breda Civiel recht; Personen- en familierecht Rechtspraak.nl EB 2026/36 http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:459 text/html public 2026-02-16T15:02:48 2026-02-16 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBZWB:2026:459 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 20-01-2026 / C/02/440149 / FA RK 25-4915 Wijziging voorlopige zorgregeling: welke procedurele ingang is in van toepassing? Artikel 824 Rv, artikel 223 Rv of artikel 1:253a BW? Rechtbank: artikel 824 Rv: er is sprake van zodanige gewijzigde omstandigheden dat de getroffen voorziening in de echtscheidingsprocedure niet in stand kan blijven, omdat de vrouw inmiddels elders woonachtig is. beschikking RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Team Familie- en Jeugdrecht Locatie Breda Zaaknummer: C/02/440149 / FA RK 25-4915 Datum uitspraak: 20 januari 2026 beschikking over de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken in de zaak van [de man] , hierna: de man, wonende in [plaats 1] , advocaat: mr. S. van Reeven-Özer in Waalwijk, tegen [de vrouw] , hierna: de vrouw, wonende in [plaats 2] , advocaat: mr. B.J. Davidse in Amsterdam, over de minderjarige: - [minderjarige] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2022, hierna: [minderjarige] . Op grond van artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering heeft de Raad voor de Kinderbescherming, Zeeland-West-Brabant, locatie Breda, hierna: de Raad, de rechtbank over de verzoeken geadviseerd. 1 Het procesverloop 1.1 Het procesverloop bestaat uit de volgende stukken: - het op 24 september 2025 ontvangen verzoek met bijlagen; - het F9-formulier met bijlage van 6 oktober 2025 van mr. Van Reeven-Özer, betreffende productie 3; - het F9-formulier met bijlage van 20 oktober 2025 van mr. Van Reeven-Özer; - het F9-formulier met bijlage van 28 oktober 2025 van mr. Van Reeven-Özer; - het F2-formulier met bijlage van 29 oktober 2025 van mr. Davidse; - het op 12 december 2025 ontvangen verweerschrift met bijlagen; - het F9-formulier met bijlage van 12 december 2025 van mr. Davidse; - het F9-formulier met bijlage van 17 december 2025 van mr. Davidse, betreffende productie 12. 1.2 Op 17 december 2025 zijn de verzoeken mondeling behandeld tijdens de zitting met gesloten deuren. Bij die gelegenheid zijn verschenen partijen, met hun advocaten. Ook was aanwezig een vertegenwoordiger namens de Raad. 2. De feiten 2.1 Partijen zijn met elkaar getrouwd geweest. Bij beschikking van deze rechtbank 19 juni 2025 is de echtscheiding uitgesproken en deze beschikking is op [datum] 2025 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand die daarvoor zijn bedoeld. 2.2 Tijdens het huwelijk van partijen is [minderjarige] geboren. 2.3 Partijen hebben samen het gezag over [minderjarige] . 2.4 Bij beschikking van deze rechtbank 7 maart 2024 heeft de rechtbank bij wijze van voorlopige voorzieningen bepaald dat uit hoofde van een voorlopige zorgregeling ten aanzien van [minderjarige] , de man de zorg over [minderjarige] in de ene week van donderdag 19.00 uur tot maandag 19.00 uur en in de andere week van donderdag 19.00 uur tot vrijdag 19.00 uur zal dragen. De vrouw zal [minderjarige] aan het begin van het contactmoment bij de man brengen en de man zal [minderjarige] aan het einde van het contactmoment weer bij de vrouw terugbrengen. Tevens heeft de rechtbank bepaald dat de door de man te betalen bijdrage voor de verzorging en opvoeding van [minderjarige] met ingang van 1 april 2024 wordt vastgesteld op € 125,= (honderdvijfentwintig euro) per maand, aan de vrouw voor de toekomst bij vooruitbetaling te voldoen. 2.5 Bij voormelde echtscheidingsbeschikking van 19 juni 2025 (in de thans nog lopende zaken met kenmerken C/02/419175 / FA RK 24-725 en C/02/419359 / FA RK 24-804) heeft de rechtbank, voor zover hier van belang, partijen in het kader van het Uniform Hulp Aanbod (hierna: UHA) voor een hulptraject verwezen naar het zorgloket en de verzoeken van partijen ten aanzien van het hoofdverblijf, de zorgregeling, de vervangende toestemming voor de kinderopvang en vaststelling van de kinderalimentatie aangehouden. Tevens heeft de rechtbank bepaald, dat [minderjarige] voorlopig totdat partijen anders overeenkomen of anders is beslist, in de BRP ingeschreven dient te zijn op het woonadres van de man. 3 De verzoeken 3.1 De man verzoekt bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad: I. te bepalen dat de vrouw gehouden is om de contactregeling zoals door de rechtbank vastgelegd in de beschikking van 7 maart 2024 na te komen; II. te bepalen dat de vrouw een dwangsom verbeurt van € 500,= per dag met een maximum van € 20.000,= indien zij zich niet houdt aan de voorlopige zorgregeling; III. althans een zodanige beslissing te nemen die de rechtbank in goede justitie oordelen juist acht. 3.2 De vrouw is het niet eens met de verzoeken van de man en verzoekt deze verzoeken af te wijzen. 3.3 Bij wijze van zelfstandig verzoeken, verzoekt de vrouw bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad: - te bepalen dat een zorgregeling worden vastgesteld waarin [minderjarige] eens per veertien dagen van vrijdag 18:00 uur tot zondag 18:00 uur bij vader verblijft, waarbij de wissel steeds in [plaats 2] plaatsvindt; - te bepalen dat overdrachten uitsluitend zonder aanwezigheid van vader zijn moeder of zus plaatsvinden, ter voorkoming van verdere escalaties; - althans de rechtbank wordt verzocht een zorgregeling vast te stellen zoals die de rechtbank onder de huidige omstandigheden gezien de lopende verschillen van inzicht van de ouders over de uitvoering van overgangsregeling waaronder het wisselmoment en de plaats in goede justitie oordelend redelijk en juist en in belang van de minderjarige acht. 3.4 Tijdens de zitting wijzigt de vrouw haar verzoek, naar de rechtbank begrijpt, in die zin dat de voorlopige zorgregeling geldt, maar de overdracht van [minderjarige] steeds plaatsvindt in [plaats 2] . De vrouw trekt haar overige verzoeken in. 4 De standpunten en het advies van de Raad De man 4.1 Ter onderbouwing van zijn verzoek voert de man, samengevat, het volgende aan. Bij beschikking van 7 maart 2024 heeft de rechtbank een voorlopige zorgregeling bepaald waarbij de vrouw [minderjarige] aan het begin van het contactmoment naar de man brengt, en de man [minderjarige] terugbrengt naar de vrouw. Deze regeling is ruim anderhalf jaar goed uitgevoerd. De vrouw woonde bij haar ouders in [plaats 2] . In de bodemprocedure heeft de vrouw verzocht om het wisselmoment in [plaats 2] te bepalen. Echter, de vrouw woont inmiddels bij haar partner in [plaats 3] op een voor de man onbekend adres. 4.2 In het kader van het UHA spraken partijen af, hetgeen in de beschikking van 19 juni 2025 is vastgelegd, dat de voorlopige zorgregeling wordt voortgezet gedurende het hulpverleningstraject. Tot 18 september 2025 is er uitvoering gegeven aan de voorlopige zorgregeling, waarbij de vrouw [minderjarige] naar [plaats 1] bracht en de man haar terugbracht naar [plaats 2] . De vrouw heeft echter eenzijdig bepaald dat de wisselmomenten in [plaats 2] moeten plaatsvinden. De man stemt hiermee niet in. Het is immers de vrouw die ervoor heeft gekozen om bij haar partner in [plaats 3] te gaan wonen, waardoor voor haar de reisafstand langer en de kosten hoger zijn geworden. De verhuizing van de vrouw kan niet op het bordje van de man worden gelegd. 4.3 Inmiddels is bekend dat het UHA-traject niet het gewenste resultaat heeft gehad; het traject is niet begonnen. De gemeente heeft de zaak gemeld bij de Raad. De Raad heeft vervolgens besloten om onderzoek te verrichten. De resultaten van het raadsonderzoek zullen worden ingebracht in de bodemprocedure. Op 13 november 2025 hebben partijen met hun advocaten overleg gevoerd. Volgens de man is toen de afspraak gemaakt dat de voorlopige zorgregeling wordt voorgezet, maar dat de moeder, in verband met haar zwangerschap, een derde kan inschakelen voor het halen en brengen van [minderjarige] .
Volledig
Dit betekent dat de man [minderjarige] naar [plaats 2] brengt en de vrouw, al dan niet via een derde, [minderjarige] naar de man in [plaats 1] brengt. Die afspraak loopt op dit moment goed. Toch heeft de man gemeend deze procedure te moeten voeren, omdat de vrouw van de man blijft verlangen dat hij [minderjarige] haalt en brengt in [plaats 2] . Bovendien heeft de er geen vertrouwen in dat de vrouw zich zal houden aan de voorlopige zorgregeling. Zij heeft zich meerdere keren niet aan die regeling gehouden. Daarom verzoekt hij een beslissing tot nakoming daarvan met een dwangsom. 4.4 Hoewel partijen zich aan de op 13 november 2025 gemaakte afspraak houden, trekt de man zijn verzoek niet in nu de vrouw in deze procedure zelfstandige verzoeken heeft gedaan. De man beseft zich echter dat een wijziging van een voorlopige voorziening in het kader van een echtscheidingsprocedure juridisch niet mogelijk is op grond van artikel 1:253a van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW). Het belangrijkste voor de man is dat, zolang er in de bodemprocedure niet definitief is beslist, er duidelijkheid komt. De man heeft er niet voor gekozen om een kort gedingprocedure te starten, omdat deze rechtbank dan niet bevoegd zou zij, terwijl deze rechtbank en ook de Raad uit deze regio bij dit gezin betrokken is. Tijdens de zitting bevestigt de man dat hij feitelijk vraagt om de gemaakte afspraken van 13 november 2025 te bekrachtigen. De vrouw 4.5 Ter onderbouwing van haar verweer en zelfstandige verzoeken voert de vrouw, samengevat, het volgende aan. De vrouw erkent de discussie tussen partijen over de voorlopige zorgregeling. Partijen worden het hierover niet eens. Hoewel de man de vrouw ervan beticht dat zij zich niet aan de afspraken houdt en zij afspraken eenzijdig wijzigt, heeft de man [minderjarige] op 24 oktober 2025 ongeoorloofd bij zich gehouden. Hij heeft haar drie weken niet teruggebracht naar de vrouw. De politie is hierbij betrokken geweest. Dit heeft grote impact gehad op de vrouw en [minderjarige] . Deze gebeurtenis maakt het verzoek van de man inconsistent, omdat hij zelf ook afspraken heeft geschonden. Daarnaast heeft de vrouw met haar verhuizing naar [plaats 3] zorgvuldig rekening gehouden met de belangen van de man. De medische omstandigheden van de vrouw maken het voor haar onmogelijk om [minderjarige] in [plaats 1] aan de man over te dragen. Daarom heeft de vrouw verzocht om de overdracht in [plaats 2] plaats te laten vinden. De man heeft dit verzoek meerdere keren opgevolgd. De man weigert nu om de overdracht in [plaats 2] plaats te laten vinden, terwijl een overdracht bij de woning van de grootouders (moederzijde) te [plaats 2] mede in het belang van [minderjarige] kan wordt geacht. 4.6 Het verzoek van de man moet worden afgewezen, omdat hij zich niet aan de afspraken houdt en omdat hij de zorg tijdens de werkweek overlaat aan zijn moeder en zus. Bovendien staat het opleggen van een dwangsom haaks op de belangen van [minderjarige] , omdat dit een risico oplevert op verdere escalatie. In de visie van de vrouw rechtvaardigt de huidige situatie een beperking van de zorgregeling. 4.7 De vrouw beaamt dat er tijdens het overleg tussen partijen en hun advocaten van 13 november 2025 voorlopige afspraken zijn gemaakt, namelijk dat de vrouw een derde in kan zetten voor de overdracht van [minderjarige] . Het liefst zou de vrouw zien dat de voorlopige zorgregeling wordt gewijzigd en [minderjarige] bij de man is van vrijdag tot zondag, omdat [minderjarige] volgend jaar naar school gaat. Daarnaast krijgt de vrouw signalen van [minderjarige] en maakt zij zich zorgen over hoe de situatie nu is. [minderjarige] roept regelmatig dat zij niet naar de man toe wil. 4.8 De vrouw is zich ervan bewust dat er tussen partijen een bodemprocedure in het kader van de echtscheiding aanhangig is. Echter, het verzoek kan inhoudelijk worden behandeld op grond van de geschillenregeling in artikel 1:253a BW. Op grond van 223 Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv) kan de rechtbank bij voldoende spoedeisend belang een voorlopige voorziening treffen. De vrouw acht een tijdelijke voorziening noodzakelijk in afwachting van de uitkomsten van het raadsonderzoek en de definitieve beslissingen in de echtscheidingsprocedure. Door de spanningen tussen partijen is het risico dat [minderjarige] hiermee wordt belast. Het is dan ook van belang dat de bestaande situatie wordt gestabiliseerd middels een beslissing in deze zaak. 4.9 Desgevraagd wijzigt de vrouw tijdens de zitting haar zelfstandige verzoeken, in die zin dat zij wat betreft de tijden aansluit bij de voorlopige zorgregeling, maar de overdrachten van [minderjarige] steeds plaats zullen vinden in [plaats 2] . Het overige wat de vrouw verzocht, kan als ingetrokken worden beschouwd. Advies van de Raad 4.10 De Raad adviseert de rechtbank, samengevat, als volgt. De Raad ziet dat tussen partijen sprake is van een voorlopige zorgregeling die al anderhalf jaar loopt. [minderjarige] is hier aan gewend. Ook is er inmiddels een raadsonderzoek gaande. Dit onderzoek is in een vergevorderd stadium. De Raad kan hierover zeggen dat er uit het onderzoek blijkt dat er zorgen zijn, zowel over de man als de vrouw. De Raad adviseert de rechtbank om niet vooruit te lopen op het onderzoek en de huidige voorlopige zorgregeling te behouden. Wanneer het contact tussen de man en [minderjarige] in deze procedure beperkt zou worden, wordt er voorgesorteerd op het raadsonderzoek en dat moet worden voorkomen. 4.11 De Raad geeft de ouders nog mee dat zij beiden onhandig hebben gehandeld; de man heeft [minderjarige] belast door haar eerder niet tijdig terug te brengen naar de vrouw en de vrouw belast [minderjarige] om op grote afstand van de man te gaan wonen. De autoritten die [minderjarige] moet maken, zullen veel van haar vragen. Het is hoe dan ook belangrijk dat de ouders haar hier beiden in zullen ondersteunen. 5 De beoordeling Wat wordt nu feitelijk door partijen verzocht? 5.1 De rechtbank stelt allereerst vast dat tussen partijen in het kader van de echtscheidingsprocedure een bodemzaak aanhangig is, (zoals vermeld in rechtsoverweging 2.5 van deze beschikking) en er in het kader van voorlopige voorzieningen een voorlopige zorgregeling is vastgelegd (zoals vermeld in rechtsoverweging 2.4 van deze beschikking). 5.2 De rechtbank constateert verder dat de man feitelijk verzoekt om nakoming van de voorlopige voorziening (I) en een wijziging van die voorlopige voorziening (III), namelijk dat de tijden behouden blijven en de overdracht zal plaatsvinden in [plaats 1] en [plaats 2] . Hij stoelt zijn verzoeken in eerste instantie op artikel 1:253a BW en ‘wijzigt’ dit tijdens de zitting door te wijzen op artikel 824 Rv. 5.3 De vrouw verzoekt feitelijk om een zorgregeling vast te stellen. Zij stoelt haar verzoek op artikel 1:253a BW en wijst op gewijzigde omstandigheden. Volgens de vrouw kan een wijziging van de voorlopige zorgregeling buiten artikel 824 Rv om. Procedurele ingang; wat zegt de wet? 5.4 Ingevolge artikel 824 Rv kan op verzoek van de echtgenoten of één van hen een beschikking als bedoeld in artikel 822 Rv door de rechtbank die de beschikking heeft gegeven worden gewijzigd of ingetrokken, indien de omstandigheden na de dagtekening van de beschikking in zodanige mate zijn gewijzigd of indien bij het geven van de beschikking in zodanige mate van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan, dat, alle betrokken belangen in aanmerking genomen, de voorziening niet in stand kan blijven. Dit betekent dat niet bij elke wijziging of onjuistheid wijziging mogelijk is. Volgens vaste jurisprudentie is alleen in evidente, zeer sprekende gevallen, wijziging gerechtvaardigd. 5.5 Volledigheidshalve wijst de rechtbank partijen er op dat in deze zaak geen beroep kan worden gedaan op artikel 223 Rv. Ingevolge dit artikel kan iedere partij tijdens een aanhangig geding vorderen dat de rechter voorlopige voorzieningen zal treffen voor de duur van het geding. Dit kan echter niet in het kader van een echtscheidingsprocedure.
Volledig
Hoewel de Hoge Raad in 2014 heeft overwogen dat een artikel 223 Rv-verzoek ook binnen een verzoekschriftprocedure kan worden gedaan, heeft de Hoge Raad in 2018 overwogen dat wat betreft de in artikel 822 lid 1, aanhef en onder a-e, Rv genoemde voorzieningen, geen plaats is voor overeenkomstige toepassing van art. 223 Rv (ECLI:NL:HR:2018:1414). 5.6 De stelling van de vrouw dat artikel 1:253a BW op haar verzoek van toepassing is, is daarom onjuist. Zij beschouwt deze zaak als een bodemprocedure, terwijl het procesrechtelijk gezien om een wijziging van een voorlopige voorziening gaat; er is immers al een rechterlijke beslissing genomen in een voorlopige voorzieningsprocedure. Een nieuwe bodemprocedure over de zorgregeling is niet mogelijk, omdat er tussen partijen reeds een bodemprocedure aanhangig is waarin tevens verzoeken zijn gedaan ten aanzien van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken. De vrouw kan niet in twee verschillende (bodem)zaken verzoeken doen die hetzelfde onderwerp betreffen. Inhoudelijke beoordeling 5.7 Gelet op het in rechtsoverweging 5.6 genoemde zal de rechtbank het (gewijzigde) zelfstandige verzoek van de vrouw afwijzen. Tussen partijen is immers een bodemzaak aanhangig waarin bovendien een raadsonderzoek gaande is. 5.8 De rechtbank zal de verzoeken van de man onder I en II eveneens afwijzen. De rechtbank betrekt hierin dat tijdens de zitting is komen vast te staan dat partijen de voorlopige zorgregeling, zoals is bepaald bij beschikking van 7 maart 2024, niet meer nakomen. Zij hebben met elkaar, tijdens het overleg van 13 november 2025, nadere afspraken gemaakt over de uitvoering van de voorlopige zorgregeling. Tussen partijen was behoefte aan het maken van nadere afspraken, met name over de overdrachten en wie daarbij aanwezig zijn. Nu partijen met hun afspraken van 13 november 2025 zelf zijn afgeweken van de voorlopige voorziening, kan de man niet van de vrouw vergen dat wordt teruggegrepen op de voorlopige zorgregeling van 7 maart 2024. Bovendien is dit ook niet wat de man wil, omdat hij feitelijk wenst vast te houden aan de tussen partijen gemaakte afspraken van 13 november 2025. 5.9 De rechtbank zal beslissen op het verzoek van de man onder III in het kader van artikel 824 Rv. De rechtbank overweegt als volgt. 5.10 Naar het oordeel van de rechtbank is ten opzichte van de voorlopige voorziening sprake van zodanige gewijzigde omstandigheden dat de getroffen voorziening niet in stand kan blijven. Immers, de vrouw woont inmiddels bij haar nieuwe partner in [plaats 3] , terwijl de voorlopige zorgregeling uitging van haar woonplaats in [plaats 2] . Op grond van deze wijziging zal de rechtbank de voorlopige zorgregeling wijzigen en wel als volgt. De rechtbank volgt de Raad in zijn standpunt dat zoveel mogelijk moet worden aangesloten bij de huidige zorgregeling; deze loopt qua tijden goed en [minderjarige] is hieraan gewend. De continuïteit in het contact met haar beide ouders is in het belang van [minderjarige] , zeker nu de ouders met elkaar verwikkeld zijn in een strijd en zij zich daarmee in een turbulente situatie bevindt. Daar komt nog bij de verhuizing van de vrouw naar [plaats 3] ook de nodige aanpassing van [minderjarige] vraagt alsook de zwangerschap van de vrouw. Bovendien, en ook daarin volgt de rechtbank de Raad, is in de bodemprocedure tussen partijen sprake van een lopend raadsonderzoek. Gebleken is dat dit onderzoek in een vergevorderd stadium is. Wanneer de rechtbank nu afwijkt van de voorlopige zorgregeling en de afspraken die partijen hierover op 13 november 2025 hebben gemaakt, zal worden voorgesorteerd op de uitkomsten van het – zo goed als afgeronde – raadsonderzoek. Dit moet worden voorkomen. 5.11 De rechtbank zal bij de wijziging van de voorlopige zorgregeling zoals is bepaald bij beschikking van 7 maart 2024, dan ook aansluiten bij de tussen partijen gemaakte afspraken van 13 november 2025. Gebleken is dat partijen die afspraken nakomen. Dit houdt in dat het verzoek van de man onder III zal worden toegewezen in die zin dat als voorlopige zorgregeling geldt dat de man de zorg over de minderjarige [minderjarige] , geboren op [geboortedag] 2022 te [geboorteplaats] , zal dragen in de ene week van donderdag 19.00 uur tot maandag 19.00 uur en in de andere week van donderdag 19.00 uur tot vrijdag 19.00 uur, waarbij de man [minderjarige] overdraagt aan de vrouw te [plaats 2] en de moeder (dan wel een derde) [minderjarige] overdraagt aan de man te [plaats 1] . 5.12 Tegen deze beslissing staat geen gewoon rechtsmiddel open. Ingevolge artikel 824 Rv kan alleen cassatie in het belang der wet worden ingesteld. Dit betekent dat deze beslissing directe werking heeft. 5.13 Dit leidt tot de volgende beslissing. 6 De beslissing De rechtbank: 6.1 bepaalt, met dienovereenkomstige wijziging van de beschikking van deze rechtbank van 7 maart 2024, dat de man uit hoofde van een voorlopige zorgregeling ten aanzien van de minderjarige [minderjarige] , geboren op [geboortedag] 2022 te [geboorteplaats] , de zorg over haar draagt in de ene week van donderdag 19.00 uur tot maandag 19.00 uur en in de andere week van donderdag 19.00 uur tot vrijdag 19.00 uur, waarbij de man [minderjarige] overdraagt aan de vrouw te [plaats 2] en de moeder (dan wel een derde) [minderjarige] overdraagt aan de man te [plaats 1] ; 6.2 wijst het meer of anders door partijen verzochte af. Deze beschikking is gegeven door mr. Sumner, kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 20 januari 2026 in aanwezigheid van mr. Vos als griffier.