Rechtspraak Rechtbank Zeeland-West-Brabant 2026-03-19
ECLI:NL:RBZWB:2026:4049
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Civiel recht Kantonrechter Zittingsplaats Tilburg Zaaknummer: 12082846 \ VV EXPL 26-15 Vonnis in kort geding van 19 maart 2026 in de zaak van [werknemer] , te [plaats 1] , eisende partij, hierna te noemen: [werknemer] , gemachtigde: mr. W.H.F.L. Rademakers, tegen [werkgever] B.V. , te [plaats 2] , gedaagde partij, hierna te noemen: de apotheek, gemachtigde: mr. J.C.E. Savelsbergh. 1 De zaak in het kort 1.1. [werknemer] is op basis van een overeenkomst van opdracht werkzaam als beherend apotheker bij gedaagde. De apotheek heeft de overeenkomst opgezegd. Volgens [werknemer] is deze opzegging in strijd met de gemaakte afspraken. Zij vraagt wedertewerkstelling en doorbetaling van het overeengekomen loon. De apotheek vindt dat de overeenkomst rechtsgeldig is geëindigd zodat alle vorderingen moeten worden afgewezen. 1.2. De kantonrechter wijst de vorderingen van [werknemer] (grotendeels) toe. Dit wordt hierna onder het kopje ‘de beoordeling’ nader toegelicht. Daarvoor worden het verloop van de procedure, de feiten en het geschil geschetst. Tot slot volgt de beslissing. 2 De procedure 2.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: de dagvaarding met producties 1 tot en met 11, de nagezonden productie 12 van [werknemer] , producties 1 tot en met 5 van de apotheek, de conclusie van antwoord van de apotheek, die tijdens de mondelinge behandeling is overhandigd en voorgelezen, de mondelinge behandeling van 26 februari 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt, het e-mailbericht van mr. Rademakers van 6 maart 2026, waarin hij de kantonrechter bericht dat partijen geen minnelijke regeling hebben weten te treffen en om een vonnis vraagt. 3 De feiten 3.1. De apotheek is een serviceapotheek gevestigd in [plaats 2] . De apotheek maakt onderdeel uit van de Napohoed groep, een groep van apotheken. De apotheek houdt zich bezig met het verstrekken van medicijnen en voorlichting over deze medicijnen aan haar patiënten. Zij moet voldoen aan het vereiste dat binnen de apotheek een gevestigd apotheker werkzaam is. 3.2. [werknemer] is een ervaren, BIG geregistreerde apotheker. 3.3. [werknemer] is per 1 juni 2024 op basis van overeenkomst van opdracht voor de duur van drie maanden werkzaamheden gaan verrichten voor de apotheek. De mogelijkheid van opzegging van de overeenkomst is geregeld in artikel 5: “1. De overeenkomst eindigt: Door het verstrijken van de overeengekomen duur. Tussentijdse opzegging door beide partijen is mogelijk, daarbij rekening houdend met een opzegtermijn van 1 maand. Tussentijdse opzegging dient schriftelijk uiterlijk voor het einde van de maand te geschieden. (…) Door opzegging van één der partijen met onmiddellijke ingang, op grond van een gewichtige reden. Onder een gewichtige reden dient (naast het geval als bepaald in artikel 7:402 B.W.) mede te worden verstaan reden die zodanig gewichtig is, dat van de opstijgende partij naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid instandhouding van de overeenkomst niet verlangd kan worden. (…)” In de overeenkomst is bepaald dat partijen na de einddatum opnieuw zouden bekijken in hoeverre behoefte bestaat aan de inzet van opdrachtnemer, bij voorkeur in loondienst in plaats van als ZZP’er. 3.4. Op 21 augustus 2024 hebben de heer [naam 1] , financieel directeur (hierna: ‘ [naam 1] ’) en [werknemer] gesproken over de voortzetting van de samenwerking vanaf 1 september 2024. De apotheek heeft drie opties voor voortzetting van de samenwerking voorgelegd, samengevat inhoudende: een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd op basis van minimaal 32 uur per week, met toepasselijkheid van de cao, een kortlopende overeenkomst van opdracht zonder minimale looptijd tegen een uurtarief van € 85,00, met een opzeggingsmogelijkheid tegen het einde van de maand met een opzegtermijn van twee maanden, waarbij de apotheek actief zou blijven zoeken naar een apotheker in loondienst, een langlopende overeenkomst van opdracht met een looptijd van minima De dag erna heeft [werknemer] per e-mail verzocht om de bevestiging dat partijen tijdens die bespreking tot een akkoord zijn gekomen over een langdurige (onbepaalde) samenwerking als beherend apotheker voor de apotheek in [plaats 2] . [naam 1] reageert per e-mail van 24 november 2025: “Mijns inziens heb ik afgesproken dat ik eerst met [naam 2] samen de gesprekken met twee nieuwe kandidaten afrond, alvorens een definitieve keuze te maken. (…) Gezien de ervaring die we met elkaar hebben over de afgelopen periode ga ik ervan uit dat we vanaf 1 januari 2026 in loondienst met elkaar verder gaan, dat heb ik volgens mij het gesprek ook op deze manier aangegeven. Overigens ben ik niet degene die een rechtsgeldig besluit kan nemen, dat kan alleen [naam 2] doen. Hij zal natuurlijk wel mijn advies mee laten wegen in zijn afweging.” 3.14. [werknemer] heeft vervolgens per e-mail van 25 november 2025 om duidelijkheid gevraagd over de afspraken en haar positie binnen de apotheek. Zij vraagt onder andere hoe het kan dat er wordt overwogen om niet met haar door te gaan, terwijl hun overeenkomst geldig is tot en met 31 december 2026. [naam 1] heeft zijn beleving van zaken geschetst in een e-mail van dezelfde dag, en aangegeven dat de e-mail van [werknemer] helaas een averechts effect heeft op de communicatie en zakelijke relatie die partijen tot dat moment hebben gehad. 3.15. [werknemer] heeft vanaf 1 januari 2026 geen werkzaamheden meer verricht voor de apotheek. Daarnaast heeft zij – na diverse malen aandringen door de apotheek – meegewerkt aan uitschrijving als gevestigd apotheker van de apotheek. 3.16. De apotheek heeft inmiddels een werknemer in loondienst die is ingeschreven als gevestigd apotheker. 3.17. ( De advocaten van) partijen hebben geprobeerd om onderling tot een oplossing te komen, maar dat is niet gelukt. 4 Het geschil 4.1. [werknemer] vordert – samengevat – dat de kantonrechter in kort geding bij vonnis: primair: I. de apotheek veroordeelt om [werknemer] op grond van de overeenkomst van opdracht weer toe te laten tot het werk, op straffe van een dwangsom van € 1.000,00 per dag met een maximum van € 150.000,00, II. de apotheek veroordeelt tot betaling van het achterstallig loon aan [werknemer] op grond van de overeenkomst van opdracht over de maand januari 2026 van € 15.042,24 inclusief btw, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 26 februari 2026, III. de apotheek veroordeelt om vanaf februari 2026 tot en met 31 december 2026 tijdig en correct aan haar betalingsverplichtingen te voldoen, uitgaande van een werkweek van 32 uur tegen een uurloon van € 85,00 exclusief btw, en een kilometervergoeding van € 0,23 per gereden zakelijke kilometer, subsidiair: IV. de apotheek veroordeelt om [werknemer] op grond van de arbeidsovereenkomst tussen partijen weer toe te laten tot het werk, op straffe van een dwangsom van € 1.000,00 per dag met een maximum van € 150.000,00, V. de apotheek veroordeelt tot betaling van het achterstallig loon aan [werknemer] op grond van de arbeidsovereenkomst over januari 2026 van € 8.199,40 bruto, vermeerderd met de wettelijke verhoging en wettelijke rente over het loon en de verhoging, VI. de apotheek veroordeelt tot betaling van het loon van € 8.199,40 bruto per maand over de maanden februari 2026 en volgende, en een kilometervergoeding van € 0,23 per gereden zakelijke kilometer, tot de dag dat de arbeidsovereenkomst rechtsgeldig zal zijn geëindigd, in alle gevallen: VII. de apotheek veroordeelt in de proceskosten, vermeerderd met de wettelijke rente. 4.2. De apotheek voert verweer. De apotheek vindt dat de vorderingen van [werknemer] moeten worden afgewezen, met veroordeling van [werknemer] in de kosten van deze procedure. 4.3. De kantonrechter gaat hierna bij de beoordeling in op de relevante stellingen die partijen ter onderbouwing van de vorderingen en het verweer daartegen hebben aangevoerd. 5 De beoordeling 5.1. Toetsingskader in kort geding 5.2. In een kort geding wordt aan de kantonrechter gevraagd Anders dan de apotheek stelt, kan de e-mail van 2 september 2025 naar het voorlopig oordeel van de kantonrechter niet worden opgevat als een opzegging van de overeenkomst van opdracht met [werknemer] . De e-mail geldt meer als een algemene aankondiging, en niet als een specifiek tot [werknemer] gerichte verklaring dat de apotheek de met haar bestaande overeenkomst wil opzeggen met ingang van 1 januari 2026. 5.13. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de apotheek aangevoerd dat de overeenkomst van opdracht nogmaals mondeling is opgezegd door [naam 1] in een persoonlijk gesprek met [werknemer] op 1 december 2025. Tijdens de mondelinge behandeling heeft [werknemer] bevestigd dat [naam 1] op 1 december 2025 in een persoonlijk gesprek met haar heeft aangegeven dat de apotheek na 31 december 2025 niet met haar verder wilde. Op grond hiervan is de kantonrechter van oordeel dat de overeenkomst van opdrachtdoor de apotheek met ingang van 1 januari 2026 is opgezegd. Bevoegdheid tot opzegging van de overeenkomst van opdracht 5.14. [werknemer] stelt dat de apotheek de overeenkomst van opdracht op grond van artikel 5 niet mocht opzeggen. Partijen hebben de bevoegdheid tot tussentijdse opzegging van de overeenkomst van opdracht bewust uitgesloten. Op grond van artikel 5 van de overeenkomst is het slechts op beperkte gronden mogelijk om eerder dan de overeengekomen einddatum een einde te maken aan de overeenkomst. Deze gronden doen zich niet voor, zodat de overeenkomst op zijn vroegst per 1 januari 2027 van rechtswege eindigt, aldus [werknemer] . 5.15. De apotheek wijst op de wettelijke hoofdregel (artikel 7:408 BW) op grond waarvan de opdrachtgever een overeenkomst van opdracht te allen tijde kan opzeggen. Hiervan kan alleen worden afgeweken indien partijen dat nadrukkelijk afspreken. Volgens de apotheek is een afwijkende afspraak niet gemaakt. Nergens in de overeenkomst staat dat de apotheek de overeenkomst niet tussentijds kan opzeggen. De inhoud van artikel 5 van de overeenkomst geldt niet als een inperking van de wettelijke opzegbevoegdheid van de apotheek als opdrachtgever. Voor zover dat wel zo zou zijn, dan heeft de apotheek alsnog rechtsgeldig opgezegd. Van de apotheek kon immers in redelijkheid niet worden gevergd dat zij het risico van handhaving door de belastingdienst op schijnzelfstandigheid zou aanvaarden, althans dit leverde een gewichtige reden op voor de opzegging, aldus de apotheek. 5.16. Naar het voorlopig oordeel van de kantonrechter was de apotheek niet bevoegd om de overeenkomst van opdracht op te zeggen, zodat de opzegging niet tot het einde van de overeenkomst heeft geleid. Dit wordt als volgt toegelicht. 5.17. De hoofdregel luidt dat een opdrachtgever de overeenkomst van opdracht te allen tijde kan opzeggen. Van deze hoofdregel kan in geval van een professionele opdrachtgever zoals hier aan de orde worden afgeweken (artikel 7:413 BW). Anders dan de apotheek aanvoert, hebben partijen van die mogelijkheid gebruik gemaakt. Partijen hebben de bevoegdheid om de overeenkomst tussentijds op te zeggen beperkt. Ze hebben in artikel 5 van de overeenkomst specifiek aangegeven in welke gevallen de overeenkomst kan worden opgezegd. De stelling van de apotheek dat partijen daarmee niet de algemene opzeggingsmogelijkheid zoals neergelegd in artikel 7:408 BW hebben willen uitsluiten volgt de kantonrechter niet. 5.18. Zij neemt in haar overweging mee dat in artikel 5 van de eerste overeenkomst van opdracht tussen partijen uitdrukkelijk een tussentijdse opzeggingsmogelijkheid was opgenomen, terwijl deze bepaling over tussentijdse opzegging niet is overgenomen in de tweede overeenkomst van opdracht. De rest van de bepaling over opzegging is wel gelijk gebleven. Uit de e-mails tussen partijen en de toelichting tijdens de mondelinge behandeling blijkt dat dit bewust is gedaan. De kantonrechter verwijst naar de e-mail van de apotheek waarin verschillende opties voor voortzetting van de samenwerking worden geschetst (zie 3.4). Optie 3, De overeenkomsten opdracht loopt naar het voorlopig oordeel van de kantonrechter dan ook door. De vorderingen van [werknemer] 5.26. Met haar primaire vorderingen tot – kort gezegd – wedertewerkstelling en betaling van loon vordert [werknemer] feitelijk nakoming van de overeenkomst. 5.27. De vordering tot wedertewerkstelling wordt afgewezen. De apotheek heeft onweersproken gesteld dat een apotheek slechts één gevestigd apotheker kan hebben en dat de inmiddels in dienst genomen apotheker als zodanig staat geregistreerd. [werknemer] kan dus niet als gevestigd apotheker geregistreerd worden bij de apotheek, terwijl zij dat wel als haar grootste belang bij wedertewerkstelling schetst. Daarbij komt dat de apotheek nadrukkelijk heeft aangegeven tijdens de zitting dat zij geen gebruik meer wil maken van de diensten van [werknemer] en dat een wedertewerkstelling voor de apotheek geen optie is. De autonomie van contractspartijen brengt met zich mee dat aan de apotheek als opdrachtgever niet een opdrachtnemer kan worden opgedrongen die zij niet wil. 5.28. De vordering tot betaling van loon over januari 2026 en daaropvolgende maanden is wel toewijsbaar, met dien verstande dat een kilometervergoeding niet aan de orde is. Dit betreft een vergoeding van kosten die [werknemer] niet maakt sinds 1 januari 2026. De verplichting om loon te betalen vloeit voort uit de overeenkomst van opdracht. Dat in de overeenkomst is bepaald dat [werknemer] betaald krijgt per gewerkt uur, staat daar niet aan in de weg. De apotheek heeft het zelf onmogelijk gemaakt voor [werknemer] om haar werkzaamheden als gevestigd apotheker bij de apotheek te verrichten. Dit laat overigens onverlet dat de apotheek uiteraard met [werknemer] in overleg kan treden over het uitvoeren van haar werkzaamheden bij een andere apotheek die tot de groep behoort, of alsnog bij de apotheek op moment dat de omstandigheden daar wijzigen. De verplichting om het loon te betalen eindigt op het moment dat de overeenkomst rechtsgeldig eindigt, en uiterlijk op de overeengekomen einddatum. 5.29. De gevorderde wettelijke rente over het achterstallig loon over januari 2026 is toewijsbaar vanaf 26 februari 2026, nu de apotheek deze vordering niet heeft weersproken. 5.30. Nu de primaire vorderingen van [werknemer] (grotendeels) worden toegewezen, komt de kantonrechter niet toe aan beoordeling van de subsidiaire vorderingen. Proceskosten 5.31. De apotheek is grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [werknemer] worden begroot op: - kosten van de dagvaarding € 155,67 - griffierecht € 93,00 - salaris gemachtigde € 865,00 - nakosten € 144,00 (plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing) Totaal € 1.257,67 5.32. De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing. 6 De beslissing De kantonrechter 6.1. veroordeelt de apotheek tot betaling aan [werknemer] van het achterstallig loon op grond van de overeenkomst van opdracht tussen partijen over de maand januari 2026 van € 14.810,40 inclusief btw, te vermeerderen met de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW over dit bedrag vanaf 26 februari 2026 tot de dag van volledige betaling, 6.2. veroordeelt de apotheek om, vanaf februari 2026 en tot en met 31 december 2026 of zoveel eerder als de overeenkomst van opdracht rechtsgeldig zal zijn beëindigd, tijdig – binnen 21 dagen nadat [werknemer] aan de apotheek een daartoe strekkende factuur heeft doen toekomen – aan haar betalingsverplichtingen jegens [werknemer] op grond van de overeenkomst van opdracht tussen partijen te voldoen, uitgaande van een werkduur van gemiddeld 32 uur per week, tegen een uurloon van € 85,00 exclusief btw, 6.3. veroordeelt de apotheek in de proceskosten van € 1.257,67, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als de apotheek niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt