Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2026-05-12
ECLI:NL:RBZWB:2026:4048
Bestuursrecht
Voorlopige voorziening
2,579 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBZWB:2026:4048 text/xml public 2026-05-18T10:07:18 2026-05-12 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Zeeland-West-Brabant 2026-05-12 26/724 Uitspraak Voorlopige voorziening NL Breda Bestuursrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:4048 text/html public 2026-05-18T10:05:59 2026-05-18 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBZWB:2026:4048 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 12-05-2026 / 26/724 Regeling opvang ontheemden Oekraïne. Voorlopige voorziening tegen het besluit tot beëindiging van de gemeentelijke opvang vanwege een terugkeerbesluit van de Immigratie- en Naturalisatiedienst. NO geen griffierecht. RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Bestuursrecht zaaknummer: BRE 26/724 uitspraak van de voorzieningenrechter van 12 mei 2026 in de zaak tussen [verzoeker] , uit [plaats] , verzoeker (gemachtigde: mr. M. Görsültürk), en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Tilburg , verweerder (gemachtigde: [gemachtigde] ). Inleiding 1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoeker tegen het besluit tot beëindiging van de gemeentelijke opvang vanwege een terugkeerbesluit van de Immigratie- en Naturalisatiedienst. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet. 1.1. Omdat het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk is, doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk is. 1.2. Met het bestreden besluit van 27 oktober 2025 heeft verweerder aan verzoeker medegedeeld dat hij uiterlijk 24 november 2025 vóór 12.00 uur de gemeentelijke opvang met al zijn spullen moet verlaten. Verzoeker heeft hiertegen bezwaar gemaakt. Beoordeling door de voorzieningenrechter 2. Op grond van artikel 8:81 van de Awb kan, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. Toetsingskader 2.1. Iemand die een verzoek om voorlopige voorziening indient, moet griffierecht betalen. In een zaak als deze is het griffierecht € 200,-. De griffier van de rechtbank stelt een termijn waarbinnen het griffierecht moet worden betaald. Dat betekent in dit verband dat het hele bedrag binnen die termijn is bijgeschreven op de rekening van de rechtbank of dat het binnen die termijn is betaald op de griffie van de rechtbank. Als het griffierecht niet of niet tijdig wordt betaald, verklaart de voorzieningenrechter het verzoek niet-ontvankelijk. Dat is alleen anders als het niet of niet tijdig betalen van het griffierecht verontschuldigbaar is. Het beroep op betalingsonmacht 2.2. Verzoeker heeft aangegeven dat hij niet in staat is om het griffierecht te betalen. Dat verzoek heeft de voorzieningenrechter op 7 april 2026 afgewezen, omdat verzoeker desgevraagd geen gegevens over zijn inkomen en vermogen heeft overgelegd. Heeft verzoeker het griffierecht tijdig betaald? 2.3. De griffier heeft bij aangetekend verzonden brief van 8 april 2026 verzoeker in de gelegenheid gesteld het griffierecht te betalen binnen twee weken na dagtekening van die brief. Uit informatie van PostNL is gebleken dat de aangetekend verzonden brief op 14 april 2026 om 13:15 uur is afgehaald en dat voor ontvangst is getekend. Verzoeker heeft het griffierecht niet op tijd betaald. Is het niet tijdig betalen verontschuldigbaar? 2.4. Verzoeker heeft geen reden gegeven voor dit verzuim. Er is dus geen verontschuldiging voor dit verzuim gebleken. Het verzoek is daarom kennelijk niet-ontvankelijk. Dat betekent dat de voorzieningenrechter het verzoek niet inhoudelijk beoordeelt. Is er connexiteit met een lopende bezwaar- of beroepsprocedure? 2.5. Het is de voorzieningenrechter gebleken dat verweerder inmiddels op 2 april 2026 een beslissing op bezwaar heeft genomen. Het bezwaar van verzoeker is ongegrond verklaard. Verzoeker heeft geen beroep ingesteld tegen deze beslissing op bezwaar. De voorzieningenrechter stelt dan ook vast dat er geen bezwaar- dan wel beroepsprocedure meer loopt. Het verzoek om voorlopige voorziening is ook daarom kennelijk niet-ontvankelijk. 2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. 3. Beslissing De voorzieningenrechter verklaart het verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk. Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Snoeks, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. M.A. de Rooij, griffier, op 12 mei 2026 en openbaar gemaakt door geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl. griffier voorzieningenrechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open. Dit is geregeld in artikel 8:82 van de Awb in samenhang met artikel 8:41 van de Awb.
Volledig
ECLI:NL:RBZWB:2026:4048 text/xml public 2026-05-18T10:07:18 2026-05-12 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Zeeland-West-Brabant 2026-05-12 26/724 Uitspraak Voorlopige voorziening NL Breda Bestuursrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:4048 text/html public 2026-05-18T10:05:59 2026-05-18 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBZWB:2026:4048 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 12-05-2026 / 26/724 Regeling opvang ontheemden Oekraïne. Voorlopige voorziening tegen het besluit tot beëindiging van de gemeentelijke opvang vanwege een terugkeerbesluit van de Immigratie- en Naturalisatiedienst. NO geen griffierecht. RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Bestuursrecht zaaknummer: BRE 26/724 uitspraak van de voorzieningenrechter van 12 mei 2026 in de zaak tussen [verzoeker] , uit [plaats] , verzoeker (gemachtigde: mr. M. Görsültürk), en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Tilburg , verweerder (gemachtigde: [gemachtigde] ). Inleiding 1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoeker tegen het besluit tot beëindiging van de gemeentelijke opvang vanwege een terugkeerbesluit van de Immigratie- en Naturalisatiedienst. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet. 1.1. Omdat het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk is, doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk is. 1.2. Met het bestreden besluit van 27 oktober 2025 heeft verweerder aan verzoeker medegedeeld dat hij uiterlijk 24 november 2025 vóór 12.00 uur de gemeentelijke opvang met al zijn spullen moet verlaten. Verzoeker heeft hiertegen bezwaar gemaakt. Beoordeling door de voorzieningenrechter 2. Op grond van artikel 8:81 van de Awb kan, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. Toetsingskader 2.1. Iemand die een verzoek om voorlopige voorziening indient, moet griffierecht betalen. In een zaak als deze is het griffierecht € 200,-. De griffier van de rechtbank stelt een termijn waarbinnen het griffierecht moet worden betaald. Dat betekent in dit verband dat het hele bedrag binnen die termijn is bijgeschreven op de rekening van de rechtbank of dat het binnen die termijn is betaald op de griffie van de rechtbank. Als het griffierecht niet of niet tijdig wordt betaald, verklaart de voorzieningenrechter het verzoek niet-ontvankelijk. Dat is alleen anders als het niet of niet tijdig betalen van het griffierecht verontschuldigbaar is. Het beroep op betalingsonmacht 2.2. Verzoeker heeft aangegeven dat hij niet in staat is om het griffierecht te betalen. Dat verzoek heeft de voorzieningenrechter op 7 april 2026 afgewezen, omdat verzoeker desgevraagd geen gegevens over zijn inkomen en vermogen heeft overgelegd. Heeft verzoeker het griffierecht tijdig betaald? 2.3. De griffier heeft bij aangetekend verzonden brief van 8 april 2026 verzoeker in de gelegenheid gesteld het griffierecht te betalen binnen twee weken na dagtekening van die brief. Uit informatie van PostNL is gebleken dat de aangetekend verzonden brief op 14 april 2026 om 13:15 uur is afgehaald en dat voor ontvangst is getekend. Verzoeker heeft het griffierecht niet op tijd betaald. Is het niet tijdig betalen verontschuldigbaar? 2.4. Verzoeker heeft geen reden gegeven voor dit verzuim. Er is dus geen verontschuldiging voor dit verzuim gebleken. Het verzoek is daarom kennelijk niet-ontvankelijk. Dat betekent dat de voorzieningenrechter het verzoek niet inhoudelijk beoordeelt. Is er connexiteit met een lopende bezwaar- of beroepsprocedure? 2.5. Het is de voorzieningenrechter gebleken dat verweerder inmiddels op 2 april 2026 een beslissing op bezwaar heeft genomen. Het bezwaar van verzoeker is ongegrond verklaard. Verzoeker heeft geen beroep ingesteld tegen deze beslissing op bezwaar. De voorzieningenrechter stelt dan ook vast dat er geen bezwaar- dan wel beroepsprocedure meer loopt. Het verzoek om voorlopige voorziening is ook daarom kennelijk niet-ontvankelijk. 2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. 3. Beslissing De voorzieningenrechter verklaart het verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk. Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Snoeks, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. M.A. de Rooij, griffier, op 12 mei 2026 en openbaar gemaakt door geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl. griffier voorzieningenrechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open. Dit is geregeld in artikel 8:82 van de Awb in samenhang met artikel 8:41 van de Awb.