Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2026-05-11
ECLI:NL:RBZWB:2026:3990
Bestuursrecht; Belastingrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
10,334 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBZWB:2026:3990 text/xml public 2026-05-20T10:58:31 2026-05-11 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Zeeland-West-Brabant 2026-05-11 BRE 23/11363 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Breda Bestuursrecht; Belastingrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:3990 text/html public 2026-05-20T10:58:05 2026-05-20 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBZWB:2026:3990 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 11-05-2026 / BRE 23/11363 BPM, mandaatverbod, schade, handelsinkoopwaarde RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Zittingsplaats Breda Belastingrecht zaaknummer: BRE 23/11363 uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 11 mei 2026 in de zaak tussen [belanghebbende] h.o.d.n. [bedrijf 1] , te [plaats] , belanghebbende, (gemachtigde: mr. S.M. Bothof), en de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur, en de Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid), de Staat. Inleiding 1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 27 oktober 2023. 1.1. De inspecteur heeft aan belanghebbende een naheffingsaanslag in de belasting van personenauto’s en motorrijwielen (Bpm) opgelegd van € 7.075 aan verschuldigde Bpm. 1.2. De inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende gegrond verklaard, de naheffingsaanslag in bezwaar verminderd tot € 7.047 en een kostenvergoeding voor de bezwaarfase toegekend. 1.3. Tegen die beslissing heeft belanghebbende beroep ingesteld. 1.4. De rechtbank heeft het beroep op 18 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: namens belanghebbende mr. S.M. Bothof, verbonden aan Bothof Services B.V. en namens de inspecteur mr. [inspecteur 1] en mr. [inspecteur 2] . Beoordeling door de rechtbank 2. De rechtbank beoordeelt of de inspecteur de naheffingsaanslag terecht en niet tot een te hoog bedrag aan belanghebbende heeft opgelegd. Verder beoordeelt de rechtbank ook de aan belanghebbende voor de bezwaarfase toegekende kostenvergoeding. 3. De rechtbank is van oordeel dat het beroep gegrond moet worden verklaard. De naheffingsaanslag is tot een te hoog bedrag opgelegd. Verder moet de kostenvergoeding voor de bezwaarfase op een hoger bedrag worden vastgesteld. 3.1. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Feiten 4. Belanghebbende heeft op 24 juni 2022 aangifte gedaan ter zake van de inschrijving van een Audi A6 Avant Combi met [VIN-nummer] (de auto), en een bedrag aan Bpm voldaan van € 21.342. 4.1. Belanghebbende heeft in de aangifte een beroep gedaan op de taxatiemethode en een taxatierapport bij de aangifte gevoegd. Op het taxatierapport is als taxatiedatum 24 juni 2022 vermeldt. Verder is in het taxatierapport opgenomen dat de taxateur € 5.837 aan schade aan de auto heeft geconstateerd, hoofdzakelijk bestaande uit schade aan de carrosserie. 4.2. De auto is door de RDW gekeurd op 30 juni 2022. 4.3. De inspecteur heeft de aangifte van belanghebbende geselecteerd voor een nadere beoordeling. In dat kader heeft Dienst Roerende Zaken (DRZ) in opdracht van de inspecteur belanghebbende verzocht de auto te tonen. 4.4. Belanghebbende heeft met DRZ een afspraak gemaakt om de auto op 6 juli 2022 te tonen. Op die dag is de auto, terwijl belanghebbende daarmee naar de toonlocatie van DRZ reed, op de afslag vóór de toonlocatie, stil komen te vallen. 4.5. De auto is toen door een sleepdienst naar de toonlocatie van DRZ afgesleept waarvan de volgende afbeelding tot het dossier behoort. (afbeelding 4.6. DRZ heeft de auto vervolgens beoordeeld in het kader van een hertaxatie. DRZ heeft in dat onderzoek geconstateerd dat de auto niet zelfstandig verplaatst kon worden en er storingen aanwezig waren met betrekking tot de aandrijflijn. Verder heeft DRZ in haar onderzoek naar de waarde van de auto aangegeven dat de in de aangifte opgevoerde schade aan de auto niet is geconstateerd. DRZ heeft de historische nieuwprijs van de auto vastgesteld op € 206.390 en de handelsinkoopwaarde op basis van de koerslijst Eurotax vastgesteld op € 105.145. De verschuldigde Bpm heeft DRZ bepaald op € 28.417. 4.7. De inspecteur heeft de waardebepaling van de auto van DRZ overgenomen, en de naheffingsaanslag vastgesteld op € 7.075 (€ 28.417 minus € 21.342). 4.8. In bezwaar heeft de inspecteur de naheffingsaanslag verminderd, omdat de inspecteur bij het berekenen van de naheffingsaanslag was uitgegaan van de historische nieuwprijs van Autotelex (€ 206.390) in plaats van de historische nieuwprijs van Eurotax (€ 206.573). De naheffingsaanslag is in bezwaar verminderd tot € 7.047. 4.9. De inspecteur heeft aan belanghebbende voor de bezwaarfase een kostenvergoeding van € 592 aan belanghebbende toegekend. 4.10. Tot de gedingstukken behoort een e-mail van de Belastingdienst van 15 april 2024 met als onderwerp ‘Terugkoppeling platform koerslijsten en beleid m.b.t. toepassen koerslijsten’. Hierin staat, voor zover hier van belang, het volgende: “Beste collega's, Na het koerslijstoverleg van woensdag 10 april jl. willen wij jullie met deze e-mail graag informeren over een aantal besproken aspecten. In de eerste plaats betreft dit de gesprekken met de koerslijstproviders. Tijdens het platform koerslijsten zijn pleitnota’s overgelegd waarin onder andere het standpunt is ingenomen dat de koerslijst niet toegepast kan worden omdat deze niet op daadwerkelijke handelstransacties is gebaseerd. Graag willen wij erop wijzen dat dit standpunt ingaat tegen het beleid van de Belastingdienst en derhalve niet ingenomen mag worden. Zoals in bijgevoegd memo uit 2019 is aangegeven, is het immers niet de bedoeling om in individuele gevallen de koerslijstwaarde ter zijde te schuiven met een beroep op de stelling dat de koerslijst niet is gebaseerd op handelstranscties. Zie ook de notulen van het LVO van april 2019, die je kunt vinden op (…). Excessen qua waarde kun je echter wel blijven doorgeven aan het loket koerslijsten via (…)belastingdienst.nl. Inmiddels hebben (…) gesprekken gevoerd met de 4 koerslijstproviders. Deze gesprekken krijgen binnenkort een vervolg waarbij dan wederom een aantal concrete voertuigen zullen worden besproken, met voor ons niet verklaarbare grote verschillen tussen de inkoopwaarde en de koerslijstwaarde en tussen de koerslijstwaarden onderling. Doel is om hier gezamenlijk met de providers grip op te krijgen. Dit wijzigt echter (vooralsnog) niet ons beleid ten aanzien van de erkenning van de koerslijst van X-Ray, Autotelex, Eurotax en ANWB. In een volgend LVO komen de uitkomsten van de gesprekken aan de orde, ook in relatie tot het arrest van de Hoge Raad (ECLI:NL:HR:2020:1666) over het gebruik van de koerslijst voor niet-courante voertuigen. Vanzelfsprekend is het wel van belang om goed te blijven beoordelen of de koerslijst daadwerkelijk overeenkomt met het voertuig uit de aangifte en of er sprake is van verdergaande afwijkingen dan in relatief en absolute zin geringe afwijkingen in CO2-uitstoot (dergelijke kleine verschillen verhinderen toepassing van de koerslijst immers niet). In eerdere gesprekken gaven koerslijstproviders ook aan dat verschillen vaak zijn terug te voeren op onjuist gebruik van de koerslijsten door gebruikers daarvan. (…)” Motivering 5. Voordat de rechtbank toekomt aan behandeling van de inhoudelijke gronden tegen de naheffingsaanslag Bpm, gaat zij allereerst in op de stelling van belanghebbende dat de uitspraak op bezwaar onbevoegd zou zijn genomen. Mandaatverbod 5.1. Belanghebbende stelt dat de uitspraak op bezwaar mogelijk onbevoegd is genomen. Ter onderbouwing voert hij aan dat de kennisgeving en de mededeling naheffingsaanslag zijn ondertekend door drs. [persoon 1] , maar dat mag worden aangenomen dat [persoon 1] , als algemeen directeur van de afdeling Centrale Administratieve Processen, niet zelf betrokken is geweest bij het opstellen van deze stukken. Volgens belanghebbende kan daarom niet worden uitgesloten dat de naheffingsaanslag en de uitspraak op bezwaar door dezelfde persoon zijn opgelegd c.q. gedaan. 5.2. De uitspraak op bezwaar is getekend door [persoon 2] .
Volledig
ECLI:NL:RBZWB:2026:3990 text/xml public 2026-05-20T10:58:31 2026-05-11 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Zeeland-West-Brabant 2026-05-11 BRE 23/11363 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Breda Bestuursrecht; Belastingrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:3990 text/html public 2026-05-20T10:58:05 2026-05-20 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBZWB:2026:3990 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 11-05-2026 / BRE 23/11363 BPM, mandaatverbod, schade, handelsinkoopwaarde RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Zittingsplaats Breda Belastingrecht zaaknummer: BRE 23/11363 uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 11 mei 2026 in de zaak tussen [belanghebbende] h.o.d.n. [bedrijf 1] , te [plaats] , belanghebbende, (gemachtigde: mr. S.M. Bothof), en de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur, en de Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid), de Staat. Inleiding 1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 27 oktober 2023. 1.1. De inspecteur heeft aan belanghebbende een naheffingsaanslag in de belasting van personenauto’s en motorrijwielen (Bpm) opgelegd van € 7.075 aan verschuldigde Bpm. 1.2. De inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende gegrond verklaard, de naheffingsaanslag in bezwaar verminderd tot € 7.047 en een kostenvergoeding voor de bezwaarfase toegekend. 1.3. Tegen die beslissing heeft belanghebbende beroep ingesteld. 1.4. De rechtbank heeft het beroep op 18 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: namens belanghebbende mr. S.M. Bothof, verbonden aan Bothof Services B.V. en namens de inspecteur mr. [inspecteur 1] en mr. [inspecteur 2] . Beoordeling door de rechtbank 2. De rechtbank beoordeelt of de inspecteur de naheffingsaanslag terecht en niet tot een te hoog bedrag aan belanghebbende heeft opgelegd. Verder beoordeelt de rechtbank ook de aan belanghebbende voor de bezwaarfase toegekende kostenvergoeding. 3. De rechtbank is van oordeel dat het beroep gegrond moet worden verklaard. De naheffingsaanslag is tot een te hoog bedrag opgelegd. Verder moet de kostenvergoeding voor de bezwaarfase op een hoger bedrag worden vastgesteld. 3.1. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Feiten 4. Belanghebbende heeft op 24 juni 2022 aangifte gedaan ter zake van de inschrijving van een Audi A6 Avant Combi met [VIN-nummer] (de auto), en een bedrag aan Bpm voldaan van € 21.342. 4.1. Belanghebbende heeft in de aangifte een beroep gedaan op de taxatiemethode en een taxatierapport bij de aangifte gevoegd. Op het taxatierapport is als taxatiedatum 24 juni 2022 vermeldt. Verder is in het taxatierapport opgenomen dat de taxateur € 5.837 aan schade aan de auto heeft geconstateerd, hoofdzakelijk bestaande uit schade aan de carrosserie. 4.2. De auto is door de RDW gekeurd op 30 juni 2022. 4.3. De inspecteur heeft de aangifte van belanghebbende geselecteerd voor een nadere beoordeling. In dat kader heeft Dienst Roerende Zaken (DRZ) in opdracht van de inspecteur belanghebbende verzocht de auto te tonen. 4.4. Belanghebbende heeft met DRZ een afspraak gemaakt om de auto op 6 juli 2022 te tonen. Op die dag is de auto, terwijl belanghebbende daarmee naar de toonlocatie van DRZ reed, op de afslag vóór de toonlocatie, stil komen te vallen. 4.5. De auto is toen door een sleepdienst naar de toonlocatie van DRZ afgesleept waarvan de volgende afbeelding tot het dossier behoort. (afbeelding 4.6. DRZ heeft de auto vervolgens beoordeeld in het kader van een hertaxatie. DRZ heeft in dat onderzoek geconstateerd dat de auto niet zelfstandig verplaatst kon worden en er storingen aanwezig waren met betrekking tot de aandrijflijn. Verder heeft DRZ in haar onderzoek naar de waarde van de auto aangegeven dat de in de aangifte opgevoerde schade aan de auto niet is geconstateerd. DRZ heeft de historische nieuwprijs van de auto vastgesteld op € 206.390 en de handelsinkoopwaarde op basis van de koerslijst Eurotax vastgesteld op € 105.145. De verschuldigde Bpm heeft DRZ bepaald op € 28.417. 4.7. De inspecteur heeft de waardebepaling van de auto van DRZ overgenomen, en de naheffingsaanslag vastgesteld op € 7.075 (€ 28.417 minus € 21.342). 4.8. In bezwaar heeft de inspecteur de naheffingsaanslag verminderd, omdat de inspecteur bij het berekenen van de naheffingsaanslag was uitgegaan van de historische nieuwprijs van Autotelex (€ 206.390) in plaats van de historische nieuwprijs van Eurotax (€ 206.573). De naheffingsaanslag is in bezwaar verminderd tot € 7.047. 4.9. De inspecteur heeft aan belanghebbende voor de bezwaarfase een kostenvergoeding van € 592 aan belanghebbende toegekend. 4.10. Tot de gedingstukken behoort een e-mail van de Belastingdienst van 15 april 2024 met als onderwerp ‘Terugkoppeling platform koerslijsten en beleid m.b.t. toepassen koerslijsten’. Hierin staat, voor zover hier van belang, het volgende: “Beste collega's, Na het koerslijstoverleg van woensdag 10 april jl. willen wij jullie met deze e-mail graag informeren over een aantal besproken aspecten. In de eerste plaats betreft dit de gesprekken met de koerslijstproviders. Tijdens het platform koerslijsten zijn pleitnota’s overgelegd waarin onder andere het standpunt is ingenomen dat de koerslijst niet toegepast kan worden omdat deze niet op daadwerkelijke handelstransacties is gebaseerd. Graag willen wij erop wijzen dat dit standpunt ingaat tegen het beleid van de Belastingdienst en derhalve niet ingenomen mag worden. Zoals in bijgevoegd memo uit 2019 is aangegeven, is het immers niet de bedoeling om in individuele gevallen de koerslijstwaarde ter zijde te schuiven met een beroep op de stelling dat de koerslijst niet is gebaseerd op handelstranscties. Zie ook de notulen van het LVO van april 2019, die je kunt vinden op (…). Excessen qua waarde kun je echter wel blijven doorgeven aan het loket koerslijsten via (…)belastingdienst.nl. Inmiddels hebben (…) gesprekken gevoerd met de 4 koerslijstproviders. Deze gesprekken krijgen binnenkort een vervolg waarbij dan wederom een aantal concrete voertuigen zullen worden besproken, met voor ons niet verklaarbare grote verschillen tussen de inkoopwaarde en de koerslijstwaarde en tussen de koerslijstwaarden onderling. Doel is om hier gezamenlijk met de providers grip op te krijgen. Dit wijzigt echter (vooralsnog) niet ons beleid ten aanzien van de erkenning van de koerslijst van X-Ray, Autotelex, Eurotax en ANWB. In een volgend LVO komen de uitkomsten van de gesprekken aan de orde, ook in relatie tot het arrest van de Hoge Raad (ECLI:NL:HR:2020:1666) over het gebruik van de koerslijst voor niet-courante voertuigen. Vanzelfsprekend is het wel van belang om goed te blijven beoordelen of de koerslijst daadwerkelijk overeenkomt met het voertuig uit de aangifte en of er sprake is van verdergaande afwijkingen dan in relatief en absolute zin geringe afwijkingen in CO2-uitstoot (dergelijke kleine verschillen verhinderen toepassing van de koerslijst immers niet). In eerdere gesprekken gaven koerslijstproviders ook aan dat verschillen vaak zijn terug te voeren op onjuist gebruik van de koerslijsten door gebruikers daarvan. (…)” Motivering 5. Voordat de rechtbank toekomt aan behandeling van de inhoudelijke gronden tegen de naheffingsaanslag Bpm, gaat zij allereerst in op de stelling van belanghebbende dat de uitspraak op bezwaar onbevoegd zou zijn genomen. Mandaatverbod 5.1. Belanghebbende stelt dat de uitspraak op bezwaar mogelijk onbevoegd is genomen. Ter onderbouwing voert hij aan dat de kennisgeving en de mededeling naheffingsaanslag zijn ondertekend door drs. [persoon 1] , maar dat mag worden aangenomen dat [persoon 1] , als algemeen directeur van de afdeling Centrale Administratieve Processen, niet zelf betrokken is geweest bij het opstellen van deze stukken. Volgens belanghebbende kan daarom niet worden uitgesloten dat de naheffingsaanslag en de uitspraak op bezwaar door dezelfde persoon zijn opgelegd c.q. gedaan. 5.2. De uitspraak op bezwaar is getekend door [persoon 2] .
Volledig
De inspecteur heeft onweersproken gesteld en met schriftelijke stukken nader onderbouwd dat een medewerker met ‘User id’ “ [user id] ” de behandelaar van de kennisgeving, de mededeling en de naheffingsaanslag was. De naheffingsaanslag is verzonden door [persoon 3] . Naar het oordeel van de rechtbank heeft de inspecteur hiermee aannemelijk gemaakt dat hij niet in strijd heeft gehandeld met het mandaatverbod bij het doen van uitspraak op bezwaar. 5.3. Dat, zoals belanghebbende stelt, de inspecteur door deze handelwijze belanghebbende een eerlijk proces heeft onthouden, is ook niet gebleken. De rechtbank wijst deze beroepsgrond van belanghebbende af. Schade 5.4. Partijen verschillen verder van mening of schade aan de auto voor de berekening van de verschuldigde Bpm in aanmerking kan worden genomen. De inspecteur stelt dat dat niet kan, omdat de auto essentiële gebreken vertoont. Volgens hem kan de taxatiemethode daarom niet worden toegepast. Belanghebbende betwist dat de auto essentiële gebreken vertoont. Hij stelt daartoe dat de auto eigenlijk een verborgen gebrek had bij aankoop, welke op het moment waarop het belastbaar feit zich voordeed, zich nog niet had geopenbaard en ook niet kwalificeert als essentieel gebrek. Om die reden kan de taxatiemethode wel worden toegepast, en dient rekening te worden gehouden met aan de auto geconstateerde en gerepareerde schade, aldus belanghebbende. 5.5. De rechtbank overweegt dat voor de Bpm het belastbaar feit wordt geconstateerd op het moment dat de auto wordt ingeschreven in het kentekenregister bij de RDW. Tussen partijen is niet in geschil dat die inschrijving op 30 juni 2022 plaatsvond. De rechtbank kijkt dus specifiek naar dat moment in de tijd. De auto kon en heeft op dat moment zelfstandig van de weg gebruik gemaakt. Immers, de auto is eerst op 6 juli 2022 op normale wijze de weg op gegaan om de toonlocatie van DRZ te bezoeken. De auto is pas onderweg stil komen te staan met pech. Het is daarmee aannemelijk dat voorafgaand aan 6 juli 2022 dit specifieke gebrek ten grondslag liggende aan het pechgeval, of dat een essentieel gebrek is laat de rechtbank in het midden, zich niet gemanifesteerd had. Dat er mogelijk een pechgeval aan zat te komen op 30 juni 2022 en kennelijk een bepaald onderdeel op korte termijn kapot zou gaan, is voor beoordeling van het geschil niet relevant, nu gebreken pas gebreken zijn als zij zich manifesteren. Van een essentieel gebrek is reeds daarom in dit geval geen sprake. 5.6. Dat betekent dat de taxatiemethode in beginsel kan worden toegepast. Belanghebbende heeft voor dat geval allereerst het standpunt ingenomen dat rekening moet worden gehouden met € 22.900 aan schade. Dat betreft de kosten voor de reparatie van de versnellingsbak, hetgeen de oorzaak was van de uitval van de auto op 6 juli 2022. Belanghebbende heeft in dat kader ook een factuur van die kosten overgelegd en een betaalbewijs. 5.7. De rechtbank is van oordeel dat met deze schadepost geen rekening kan worden gehouden voor de vaststelling van de handelsinkoopwaarde van de auto. Op het moment waarop het belastbaar feit zich voordeed was deze schadepost er namelijk niet. De stelling dat, zoals belanghebbende betoogt, die schade al latent aanwezig zou zijn op het moment waarop het belastbaar feit zich voordeed, maakt dat niet anders. De schade had zich op het moment waarop het belastbaar feit werd geconstateerd niet geopenbaard, gegevens over de latere schade waren logischerwijs dus ook niet bij de aangifte meegenomen en ook niets wees op het latere pechgeval. De rechtbank acht die later geconstateerde schade daarom niet relevant voor de waardevaststelling van de auto op de peildatum. 5.8. Verder voert belanghebbende aan dat de inspecteur in de waardevaststelling ten onrechte geen rekening heeft gehouden met de door de taxateur aan de auto geconstateerde schade (€ 5.837). Belanghebbende heeft in dat kader het taxatierapport overgelegd waarin een omschrijving van de schade is opgenomen, en ter onderbouwing daarvan foto’s overgelegd van de auto. De inspecteur wijst op het rapport van DRZ, waarin de taxateur van DRZ onder “bevindingen/opmerkingen” heeft opgenomen dat “tijdens de controle bij DRZ is vastgesteld dat het voertuig geen schade heeft en er geen redenen zijn die leiden tot een waardevermindering”. 5.9. De rechtbank is van oordeel dat gelet op de gemotiveerde betwisting van de inspecteur en het door belanghebbende overgelegde fotomateriaal, belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van schade waarmee voor de vaststelling van de handelsinkoopwaarde rekening moet worden gehouden. De door belanghebbende gestelde schade is onvoldoende inzichtelijk gemaakt. Verder heeft belanghebbende zijn stelling dat sprake zou zijn van een binnen de branche ontwikkeld beleid voor wat betreft het onderscheid tussen normale gebruikssporen en echte schade, gebaseerd op het innameprotocol van [bedrijf 2] , in het kader van de Bpm niet aannemelijk gemaakt. Historische nieuwprijs 5.10. De rechtbank begrijpt het beroep van belanghebbende zo dat nu een waardevermindering van de auto wegens schade niet aannemelijk is gemaakt, hij een beroep doet op de koerslijstmethode. In dat kader voert belanghebbende aan dat de historische nieuwprijs van de auto, gelet op het arrest van de Hoge Raad van 22 december 2023 , moet worden vastgesteld op € 209.245, en voor de handelsinkoopwaarde aangesloten moet worden bij de koerslijst van Eurotaxglass’s die de inspecteur toepaste bij de vermindering van de naheffingsaanslag in de bezwaarfase (€ 105.145). 5.11. Gelet op het arrest van de Hoge Raad van 22 december 2023 is de rechtbank van oordeel dat voor de vaststelling van de historische nieuwprijs dient te worden uitgegaan van de historische bruto Bpm aan de hand van de CO2-uitstoot van de auto zelf. Niet in geschil is dat dit – uitgaande van een CO2-uitstoot van 289 gr/km – € 55.786 is. 5.12. Verder is niet in geschil dat de netto catalogusprijs van de referentieauto uit de koerslijst € 126.826 bedraagt. De rechtbank ziet geen aanleiding om bij het bepalen van de cataloguswaarde van de auto niet uit te gaan van deze netto catalogusprijs van de referentieauto. Vermeerderd met BTW en een historische bruto BPM van € 55.786, stelt de rechtbank de historische nieuwprijs vast op € 209.245. Het gelijk is op dit punt aan belanghebbende. Handelsinkoopwaarde 5.13. De inspecteur voert aan dat als de historische nieuwprijs van de auto wordt verhoogd, ook de handelsinkoopwaarde evenredig moet worden verhoogd. Het afschrijvingspercentage van auto blijft gelijk aan die van de referentieauto. Van een vermindering van de verschuldigde Bpm is dus geen sprake, aldus de inspecteur. 5.14. Belanghebbende is van mening dat de koerslijst niet ter zijde kan worden geschoven en doet in dat kader, onder meer, een beroep op intern beleid van de inspecteur dat door hem is overgelegd (zie 4.10). De rechtbank is van oordeel dat dat beroep slaagt. De referentieauto uit de koerslijst komt overeen met het voertuig uit de aangifte en verder is van verdergaande afwijkingen dan in relatief en absolute zin geringe afwijkingen in CO2-uitstoot geen sprake. Het door de inspecteur gestelde verschil in CO2-uitstoot van 7 gr/km betreft namelijk een in relatieve zin geringe afwijking in CO2-uitstoot tussen de auto en de referentieauto. Dat betekent dat het beroep van belanghebbende op het beleid van de inspecteur slaagt. De handelsinkoopwaarde dient te worden vastgesteld aan de hand van de koerslijst, en wijzigt zodoende in dit geval het afschrijvingspercentage van de auto. Conclusie naheffingsaanslag 5.15. Uitgaande van een historische nieuwprijs van € 209.245, een handelsinkoopwaarde van € 105.145 en een historische bruto Bpm van € 55.786, stelt de rechtbank de verschuldigde Bpm vast op € 28.032. Omdat belanghebbende op aangifte reeds een bedrag van € 21.342 heeft voldaan, dient de naheffingsaanslag te worden verminderd naar € 6.690. Kostenvergoeding voor de bezwaarfase 5.16.
Volledig
De inspecteur heeft onweersproken gesteld en met schriftelijke stukken nader onderbouwd dat een medewerker met ‘User id’ “ [user id] ” de behandelaar van de kennisgeving, de mededeling en de naheffingsaanslag was. De naheffingsaanslag is verzonden door [persoon 3] . Naar het oordeel van de rechtbank heeft de inspecteur hiermee aannemelijk gemaakt dat hij niet in strijd heeft gehandeld met het mandaatverbod bij het doen van uitspraak op bezwaar. 5.3. Dat, zoals belanghebbende stelt, de inspecteur door deze handelwijze belanghebbende een eerlijk proces heeft onthouden, is ook niet gebleken. De rechtbank wijst deze beroepsgrond van belanghebbende af. Schade 5.4. Partijen verschillen verder van mening of schade aan de auto voor de berekening van de verschuldigde Bpm in aanmerking kan worden genomen. De inspecteur stelt dat dat niet kan, omdat de auto essentiële gebreken vertoont. Volgens hem kan de taxatiemethode daarom niet worden toegepast. Belanghebbende betwist dat de auto essentiële gebreken vertoont. Hij stelt daartoe dat de auto eigenlijk een verborgen gebrek had bij aankoop, welke op het moment waarop het belastbaar feit zich voordeed, zich nog niet had geopenbaard en ook niet kwalificeert als essentieel gebrek. Om die reden kan de taxatiemethode wel worden toegepast, en dient rekening te worden gehouden met aan de auto geconstateerde en gerepareerde schade, aldus belanghebbende. 5.5. De rechtbank overweegt dat voor de Bpm het belastbaar feit wordt geconstateerd op het moment dat de auto wordt ingeschreven in het kentekenregister bij de RDW. Tussen partijen is niet in geschil dat die inschrijving op 30 juni 2022 plaatsvond. De rechtbank kijkt dus specifiek naar dat moment in de tijd. De auto kon en heeft op dat moment zelfstandig van de weg gebruik gemaakt. Immers, de auto is eerst op 6 juli 2022 op normale wijze de weg op gegaan om de toonlocatie van DRZ te bezoeken. De auto is pas onderweg stil komen te staan met pech. Het is daarmee aannemelijk dat voorafgaand aan 6 juli 2022 dit specifieke gebrek ten grondslag liggende aan het pechgeval, of dat een essentieel gebrek is laat de rechtbank in het midden, zich niet gemanifesteerd had. Dat er mogelijk een pechgeval aan zat te komen op 30 juni 2022 en kennelijk een bepaald onderdeel op korte termijn kapot zou gaan, is voor beoordeling van het geschil niet relevant, nu gebreken pas gebreken zijn als zij zich manifesteren. Van een essentieel gebrek is reeds daarom in dit geval geen sprake. 5.6. Dat betekent dat de taxatiemethode in beginsel kan worden toegepast. Belanghebbende heeft voor dat geval allereerst het standpunt ingenomen dat rekening moet worden gehouden met € 22.900 aan schade. Dat betreft de kosten voor de reparatie van de versnellingsbak, hetgeen de oorzaak was van de uitval van de auto op 6 juli 2022. Belanghebbende heeft in dat kader ook een factuur van die kosten overgelegd en een betaalbewijs. 5.7. De rechtbank is van oordeel dat met deze schadepost geen rekening kan worden gehouden voor de vaststelling van de handelsinkoopwaarde van de auto. Op het moment waarop het belastbaar feit zich voordeed was deze schadepost er namelijk niet. De stelling dat, zoals belanghebbende betoogt, die schade al latent aanwezig zou zijn op het moment waarop het belastbaar feit zich voordeed, maakt dat niet anders. De schade had zich op het moment waarop het belastbaar feit werd geconstateerd niet geopenbaard, gegevens over de latere schade waren logischerwijs dus ook niet bij de aangifte meegenomen en ook niets wees op het latere pechgeval. De rechtbank acht die later geconstateerde schade daarom niet relevant voor de waardevaststelling van de auto op de peildatum. 5.8. Verder voert belanghebbende aan dat de inspecteur in de waardevaststelling ten onrechte geen rekening heeft gehouden met de door de taxateur aan de auto geconstateerde schade (€ 5.837). Belanghebbende heeft in dat kader het taxatierapport overgelegd waarin een omschrijving van de schade is opgenomen, en ter onderbouwing daarvan foto’s overgelegd van de auto. De inspecteur wijst op het rapport van DRZ, waarin de taxateur van DRZ onder “bevindingen/opmerkingen” heeft opgenomen dat “tijdens de controle bij DRZ is vastgesteld dat het voertuig geen schade heeft en er geen redenen zijn die leiden tot een waardevermindering”. 5.9. De rechtbank is van oordeel dat gelet op de gemotiveerde betwisting van de inspecteur en het door belanghebbende overgelegde fotomateriaal, belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van schade waarmee voor de vaststelling van de handelsinkoopwaarde rekening moet worden gehouden. De door belanghebbende gestelde schade is onvoldoende inzichtelijk gemaakt. Verder heeft belanghebbende zijn stelling dat sprake zou zijn van een binnen de branche ontwikkeld beleid voor wat betreft het onderscheid tussen normale gebruikssporen en echte schade, gebaseerd op het innameprotocol van [bedrijf 2] , in het kader van de Bpm niet aannemelijk gemaakt. Historische nieuwprijs 5.10. De rechtbank begrijpt het beroep van belanghebbende zo dat nu een waardevermindering van de auto wegens schade niet aannemelijk is gemaakt, hij een beroep doet op de koerslijstmethode. In dat kader voert belanghebbende aan dat de historische nieuwprijs van de auto, gelet op het arrest van de Hoge Raad van 22 december 2023 , moet worden vastgesteld op € 209.245, en voor de handelsinkoopwaarde aangesloten moet worden bij de koerslijst van Eurotaxglass’s die de inspecteur toepaste bij de vermindering van de naheffingsaanslag in de bezwaarfase (€ 105.145). 5.11. Gelet op het arrest van de Hoge Raad van 22 december 2023 is de rechtbank van oordeel dat voor de vaststelling van de historische nieuwprijs dient te worden uitgegaan van de historische bruto Bpm aan de hand van de CO2-uitstoot van de auto zelf. Niet in geschil is dat dit – uitgaande van een CO2-uitstoot van 289 gr/km – € 55.786 is. 5.12. Verder is niet in geschil dat de netto catalogusprijs van de referentieauto uit de koerslijst € 126.826 bedraagt. De rechtbank ziet geen aanleiding om bij het bepalen van de cataloguswaarde van de auto niet uit te gaan van deze netto catalogusprijs van de referentieauto. Vermeerderd met BTW en een historische bruto BPM van € 55.786, stelt de rechtbank de historische nieuwprijs vast op € 209.245. Het gelijk is op dit punt aan belanghebbende. Handelsinkoopwaarde 5.13. De inspecteur voert aan dat als de historische nieuwprijs van de auto wordt verhoogd, ook de handelsinkoopwaarde evenredig moet worden verhoogd. Het afschrijvingspercentage van auto blijft gelijk aan die van de referentieauto. Van een vermindering van de verschuldigde Bpm is dus geen sprake, aldus de inspecteur. 5.14. Belanghebbende is van mening dat de koerslijst niet ter zijde kan worden geschoven en doet in dat kader, onder meer, een beroep op intern beleid van de inspecteur dat door hem is overgelegd (zie 4.10). De rechtbank is van oordeel dat dat beroep slaagt. De referentieauto uit de koerslijst komt overeen met het voertuig uit de aangifte en verder is van verdergaande afwijkingen dan in relatief en absolute zin geringe afwijkingen in CO2-uitstoot geen sprake. Het door de inspecteur gestelde verschil in CO2-uitstoot van 7 gr/km betreft namelijk een in relatieve zin geringe afwijking in CO2-uitstoot tussen de auto en de referentieauto. Dat betekent dat het beroep van belanghebbende op het beleid van de inspecteur slaagt. De handelsinkoopwaarde dient te worden vastgesteld aan de hand van de koerslijst, en wijzigt zodoende in dit geval het afschrijvingspercentage van de auto. Conclusie naheffingsaanslag 5.15. Uitgaande van een historische nieuwprijs van € 209.245, een handelsinkoopwaarde van € 105.145 en een historische bruto Bpm van € 55.786, stelt de rechtbank de verschuldigde Bpm vast op € 28.032. Omdat belanghebbende op aangifte reeds een bedrag van € 21.342 heeft voldaan, dient de naheffingsaanslag te worden verminderd naar € 6.690. Kostenvergoeding voor de bezwaarfase 5.16.
Volledig
Belanghebbende betoogt dat de inspecteur de vergoeding voor de kosten van bezwaar ten onrechte heeft vastgesteld op € 592 omdat de inspecteur het lagere tarief van € 296 per punt heeft toegepast. 5.17. De rechtbank is van oordeel dat deze beroepsgrond slaagt. Zoals de Hoge Raad in het arrest van 12 juli 2024 heeft geoordeeld moet punt 1 van onderdeel B2 van de bijlage bij het Besluit proceskosten bestuursrecht buiten toepassing blijven. De regelgever heeft immers het verschil in vergoeding van de kosten voor de bezwaarfase tussen belastingzaken en overige zaken onvoldoende onderbouwd. De rechtbank zal daarom een vergoeding voor de kosten voor de bezwaarfase vaststellen naar het hoge tarief van € 666 per punt. Immateriële schadevergoeding 5.18. Belanghebbende heeft op 30 november 2023 verzocht om toekenning van een immateriële schadevergoeding vanwege de overschrijding van de redelijke termijn waarbinnen het onderhavige geschil beslecht had moeten zijn. 5.19. De rechtbank stelt vast dat de inspecteur het bezwaarschrift op 29 december 2022 heeft ontvangen. De rechtbank doet uitspraak op 11 mei 2026. De redelijke termijn van twee jaar is met afgerond 17 maanden overschreden. Belanghebbende heeft recht op een schadevergoeding van € 1.500. 5.20. Omdat de bezwaarfase afgerond 10 maanden heeft geduurd en daarmee 4 maanden te lang, komt 4/17e deel, derhalve € 352,94 voor de rekening van de inspecteur en de rest, zijnde € 1.147,06 voor rekening van de Staat. De rechtbank merkt de Staat in zoverre mede aan als partij in dit geding. Conclusie en gevolgen 6. Het beroep is gegrond. De rechtbank vermindert de naheffingsaanslag Bpm tot € 6.690. Verder heeft belanghebbende recht op een immateriële schadevergoeding van € 1.500. 6.1. Omdat het beroep gegrond is, moet de inspecteur het griffierecht aan belanghebbende vergoeden, en krijgt belanghebbende ook een vergoeding van zijn proceskosten. 6.2. De vergoeding voor de proceskosten is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt belanghebbende een vast bedrag per proceshandeling. In bezwaar heeft elke proceshandeling een waarde van € 666, met een wegingsfactor 1, in totaal derhalve € 1.332, die verrekend mag worden met hetgeen in de bezwaarfase reeds is vergoed. In beroep heeft elke proceshandeling een waarde van € 934, met eveneens een wegingsfactor 1. De gemachtigde heeft in beroep een beroepschrift ingediend en heeft aan de zitting van de rechtbank deelgenomen, zodat de proceskostenvergoeding voor de beroepsfase € 1.868 bedraagt. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 3.200. Beslissing De rechtbank: verklaart het beroep gegrond; vernietigt de uitspraak op bezwaar; vermindert de naheffingsaanslag Bpm tot een bedrag van € 6.690; veroordeelt de inspecteur tot het betalen van een vergoeding van immateriële schade aan belanghebbende van € 352,94; veroordeelt de Staat tot het betalen van een vergoeding van immateriële schade aan belanghebbende van € 1.147,06; veroordeelt de inspecteur tot betaling van € 3.200 aan proceskosten aan belanghebbende; bepaalt dat de inspecteur het griffierecht van € 184 aan belanghebbende moet vergoeden. Deze uitspraak is gedaan door mr. V.A. Burgers, rechter, in aanwezigheid van mr. S.A.C. Deeleman, griffier. griffier rechter De uitspraak is openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl. De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld. Aan deze uitspraak hoeft pas uitvoering te worden gegeven als de uitspraak onherroepelijk is geworden. De uitspraak is onherroepelijk als niet binnen zes weken na verzending van de uitspraak een rechtsmiddel is aangewend of onherroepelijk op het aangewende rechtsmiddel is beslist. Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt. Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch. ECLI:NL:HR:2023:1703. Hoge Raad van 12 juli 2024, ECLI:NL:HR:2024:1060. Artikel 27h, derde lid en artikel 28, zevende lid AWR.
Volledig
Belanghebbende betoogt dat de inspecteur de vergoeding voor de kosten van bezwaar ten onrechte heeft vastgesteld op € 592 omdat de inspecteur het lagere tarief van € 296 per punt heeft toegepast. 5.17. De rechtbank is van oordeel dat deze beroepsgrond slaagt. Zoals de Hoge Raad in het arrest van 12 juli 2024 heeft geoordeeld moet punt 1 van onderdeel B2 van de bijlage bij het Besluit proceskosten bestuursrecht buiten toepassing blijven. De regelgever heeft immers het verschil in vergoeding van de kosten voor de bezwaarfase tussen belastingzaken en overige zaken onvoldoende onderbouwd. De rechtbank zal daarom een vergoeding voor de kosten voor de bezwaarfase vaststellen naar het hoge tarief van € 666 per punt. Immateriële schadevergoeding 5.18. Belanghebbende heeft op 30 november 2023 verzocht om toekenning van een immateriële schadevergoeding vanwege de overschrijding van de redelijke termijn waarbinnen het onderhavige geschil beslecht had moeten zijn. 5.19. De rechtbank stelt vast dat de inspecteur het bezwaarschrift op 29 december 2022 heeft ontvangen. De rechtbank doet uitspraak op 11 mei 2026. De redelijke termijn van twee jaar is met afgerond 17 maanden overschreden. Belanghebbende heeft recht op een schadevergoeding van € 1.500. 5.20. Omdat de bezwaarfase afgerond 10 maanden heeft geduurd en daarmee 4 maanden te lang, komt 4/17e deel, derhalve € 352,94 voor de rekening van de inspecteur en de rest, zijnde € 1.147,06 voor rekening van de Staat. De rechtbank merkt de Staat in zoverre mede aan als partij in dit geding. Conclusie en gevolgen 6. Het beroep is gegrond. De rechtbank vermindert de naheffingsaanslag Bpm tot € 6.690. Verder heeft belanghebbende recht op een immateriële schadevergoeding van € 1.500. 6.1. Omdat het beroep gegrond is, moet de inspecteur het griffierecht aan belanghebbende vergoeden, en krijgt belanghebbende ook een vergoeding van zijn proceskosten. 6.2. De vergoeding voor de proceskosten is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt belanghebbende een vast bedrag per proceshandeling. In bezwaar heeft elke proceshandeling een waarde van € 666, met een wegingsfactor 1, in totaal derhalve € 1.332, die verrekend mag worden met hetgeen in de bezwaarfase reeds is vergoed. In beroep heeft elke proceshandeling een waarde van € 934, met eveneens een wegingsfactor 1. De gemachtigde heeft in beroep een beroepschrift ingediend en heeft aan de zitting van de rechtbank deelgenomen, zodat de proceskostenvergoeding voor de beroepsfase € 1.868 bedraagt. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 3.200. Beslissing De rechtbank: verklaart het beroep gegrond; vernietigt de uitspraak op bezwaar; vermindert de naheffingsaanslag Bpm tot een bedrag van € 6.690; veroordeelt de inspecteur tot het betalen van een vergoeding van immateriële schade aan belanghebbende van € 352,94; veroordeelt de Staat tot het betalen van een vergoeding van immateriële schade aan belanghebbende van € 1.147,06; veroordeelt de inspecteur tot betaling van € 3.200 aan proceskosten aan belanghebbende; bepaalt dat de inspecteur het griffierecht van € 184 aan belanghebbende moet vergoeden. Deze uitspraak is gedaan door mr. V.A. Burgers, rechter, in aanwezigheid van mr. S.A.C. Deeleman, griffier. griffier rechter De uitspraak is openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl. De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld. Aan deze uitspraak hoeft pas uitvoering te worden gegeven als de uitspraak onherroepelijk is geworden. De uitspraak is onherroepelijk als niet binnen zes weken na verzending van de uitspraak een rechtsmiddel is aangewend of onherroepelijk op het aangewende rechtsmiddel is beslist. Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt. Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch. ECLI:NL:HR:2023:1703. Hoge Raad van 12 juli 2024, ECLI:NL:HR:2024:1060. Artikel 27h, derde lid en artikel 28, zevende lid AWR.