Rechtspraak Rechtbank Zeeland-West-Brabant 2026-05-06
ECLI:NL:RBZWB:2026:3872
ECLI:NL:RBZWB:2026:3872 text/xml public 2026-06-02T15:25:14 2026-05-08 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Zeeland-West-Brabant 2026-05-06 C/02/434719 / HA ZA 25-259 (E) Uitspraak Bodemzaak NL Middelburg Civiel recht; Verbintenissenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:3872 text/html public 2026-06-02T15:23:24 2026-06-02 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBZWB:2026:3872 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 06-05-2026 / C/02/434719 / HA ZA 25-259 (E) Aanneming van werk. Curator vordert betaling van openstaande facturen. Discussie over de vraag of is opgeleverd of niet. Is er opdracht gegeven voor meerwerk? Gedaagde stelt verrekenbare tegenvordering te hebben vanwege tekortkomingen. Onvoldoende gelegenheid gegeven voor herstel. Reconventionele vordering afgwezen: vordering is niet ter verificatie ingediend. RECHTBANK Zeeland-West-Brabant Civiel recht Zittingsplaats Middelburg Zaaknummer: C/02/434719 / HA ZA 25-259 Vonnis van 6 mei 2026 in de zaak van [curator] Q.Q. , in hoedanigheid van curator in het faillissement van DMM Montage & Elektrotechniek B.V., te [plaats] , eisende partij in conventie, verwerende partij in reconventie, hierna ook te noemen: de Curator, advocaat: mr. J.R. Deltour, tegen BOUWBEDRIJF RIJK B.V. , te Heinkenszand, gedaagde partij in conventie, eisende partij in reconventie, hierna ook te noemen: Bouwbedrijf Rijk, advocaat: mr. E.P.E. Fluit (voorheen: mr. A.J.K. Fluit). 1 De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding; - de conclusie van antwoord tevens eis in reconventie; - het tussenvonnis van 17 september 2025; - de conclusie van antwoord in reconventie; - de mondelinge behandeling van 24 maart 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt. 1.2. Ten slotte is vonnis bepaald. 2 De feiten 2.1. DMM Montage & Elektrotechniek B.V. (hierna: DMM) heeft als onderaannemer op 18 juli 2024 een eerste overeenkomst gesloten met hoofdaannemer Bouwbedrijf Rijk voor het plaatsen en afmonteren van 112 woonunits en galerijen ten behoeve van het project genaamd ‘ [project 1] ’. Op de overeenkomst zijn de algemene voorwaarden van Bouwbedrijf Rijk van toepassing verklaard. De overeengekomen aanneemsom bedroeg € 117.000,00 exclusief btw. Uit de overeenkomst volgt dat de werkzaamheden op 27 augustus 2024 dienden aan te vangen. 2.2. In de overeenkomst staat dat facturatie plaatsvindt volgens het daar genoemde termijnschema: termijn 01: 25% bij opdracht, termijn 02: 50% bij aanvang werk, termijn 03: 25% bij oplevering. 2.3. Verder is tussen DMM en Bouwbedrijf Rijk afgesproken dat facturering plaatsvindt op basis van door de uitvoerder van Bouwbedrijf Rijk geaccordeerde bonnen en dat eventueel meerwerk alleen op basis van een schriftelijke opdracht mag worden uitgevoerd. In artikel 6.4 van de algemene voorwaarden staat: “Uitbreiding van de Prestatie van Opdrachtnemer, zoals bij meer- en minderwerk, lijdt slechts tot uitbreiding van de door Opdrachtgever verschuldigde tegenprestatie, indien de tegenprestatie vooraf schriftelijk is overeengekomen. Extra werkzaamheden of leveringen die voor vervulling van de Prestatie noodzakelijk zijn en waar Opdrachtnemer redelijkerwijs rekening mee had moeten houden, vormen geen aanleiding tot wijziging van de tegenprestatie.” 2.4. Op 6 september 2024 sloten partijen met elkaar een tweede, zelfde soort, overeenkomst voor het plaatsen en afmonteren van 94 woonunits en galerijen ten behoeve van het project ‘ [project 2] ’. De overeengekomen aanneemsom bedroeg € 94.435,00 exclusief btw. Uit de overeenkomst volgt dat de werkzaamheden op 12 september 2024 dienden aan te vangen. De overeenkomst is voor het overige inhoudelijk gelijk aan de eerste overeenkomst. 2.5. Van beide projecten heeft Bouwbedrijf Rijk de eerste en tweede termijn voldaan. De laatste termijnen van 25% bij oplevering zijn niet voldaan. DMM heeft ook facturen voor meerwerk verstuurd aan Bouwbedrijf Rijk en ook deze facturen heeft Bouwbedrij De Curator voert aan dat Bouwbedrijf Rijk haar vordering sinds de faillietverklaring uitsluitend op grond van artikel 26 Fw juncto artikel 110 Fw ter verificatie kan indienen en dat Bouwbedrijf Rijk dat niet heeft gedaan. Inhoudelijk betwist de Curator dat DMM is tekortgeschoten. Er was geen personeelstekort; de oorzaak van de vertraging kwam doordat de vergunning later werd verleend, waarvoor Bouwbedrijf Rijk verantwoordelijk was. Ook heeft DMM extra werkzaamheden verricht. DMM is nooit akkoord gegaan met verrekening. Voor wat betreft de Willemsankers voert de Curator aan dat dit meerwerk betrof, waarvoor DMM enkel personeel heeft geleverd en het werk onder toezicht van Bouwbedrijf Rijk heeft uitgevoerd. Verder voert de Curator aan dat DMM nooit is gewezen op tekortkomingen; de rapporten zijn bij haar niet bekend. DMM noch de curator is in gebreke gesteld en derhalve is geen sprake van verzuim. 3.8. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan. 4 De beoordeling 4.1. De vordering in reconventie hangt samen met de conventie, in het bijzonder met het verweer van Bouwbedrijf Rijk dat zij een verrekenbare tegenvordering heeft op de Curator. De rechtbank zal dit verweer en de daarbij behorende stellingen van partijen in het kader van de conventie behandelen en daarna voor het overige de vordering in reconventie beoordelen. in conventie 4.2. De Curator vordert nakoming van de overeenkomsten die partijen met elkaar hebben gesloten. De overeenkomsten betreffen overeenkomsten van aanneming van werk in de zin van artikel 7:750 e.v. BW. De rechtbank moet beoordelen of de Curator recht heeft op betaling van de door hem gevorderde facturen. Bouwbedrijf Rijk is de oplevertermijnen verschuldigd 4.3. Partijen zijn met elkaar een vaste aanneemsom overeengekomen en spraken betaling af volgens een termijnschema. De laatste termijn van 25% diende bij oplevering te worden voldaan. Voor het project Enschede betreft het de factuur met factuurdatum 4 oktober 2024 ter hoogte van € 29.250,00. Voor het project Eindhoven gaat het om de factuur met factuurdatum 30 oktober 2024 ter hoogte van € 24.358,75. 4.4. Tussen partijen is in geschil of de projecten zijn opgeleverd en daarmee of de termijnen zijn verschuldigd. Artikel 7:758 lid 1 BW bepaalt dat: “ indien de aannemer te kennen heeft gegeven dat het werk klaar is om te worden opgeleverd en de opdrachtgever het werk niet binnen een redelijke termijn keurt en al dan niet onder voorbehoud aanvaardt dan wel onder aanwijzing van de gebreken weigert, wordt de opdrachtgever geacht het werk stilzwijgend te hebben aanvaard. Na de aanvaarding wordt het werk als opgeleverd beschouwd.” Bouwbedrijf Rijk heeft tijdens de zitting erkend dat DMM heeft gevraagd om oplevering voor het project Enschede. Voor het project Eindhoven is dit volgens Bouwbedrijf Rijk niet gevraagd, maar ter zitting heeft Bouwbedrijf Rijk erkend dat op 30 oktober 2024 een opname is gedaan in Eindhoven en dat DMM zogenoemde ‘vooropleverpunten’ die daaruit naar voren kwamen op 1 november 2024 zou komen oplossen. Dat is volgens Bouwbedrijf Rijk niet gebeurd. Daarnaast heeft Bouwbedrijf Rijk toegelicht dat zij het project in één keer opleveren aan de hoofdopdrachtgever en dat er geen deelopleveringen worden gedaan. 4.5. De rechtbank is van oordeel dat voldoende is komen vast te staan dat DMM voor beide projecten om oplevering heeft verzocht. DMM heeft per e-mail verzocht om oplevering en er zijn vooropleverpunten besproken. Ook blijkt uit de verzonden eindfacturen dat DMM te kennen heeft gegeven dat het werk klaar was. Bouwbedrijf Rijk heeft niet onderbouwd dat bekend is bij DMM dat er geen deelopleveringen zouden plaatsvinden. Deze werkwijze blijkt niet uit de overeenkomsten. Ook heeft Bouwbedrijf Rijk haar stelling dat zij DMM heeft laten weten dat zij oplevering weigert niet onderbouwd. De door Bouwbedrijf Rijk overgelegde rapporten van deskundigen waren bij DMM niet bekend en de daarin genoemde gebreken zijn niet Waar Bouwbedrijf Rijk meent dat uit de rapporten meerdere gebreken te destilleren zijn, wijst de rechtbank erop dat het aan Bouwbedrijf Rijk is om te specificeren ter toelichting of staving van welke stelling die rapporten zijn bedoeld en welk (onder)deel van die rapporten daartoe van belang is (artikel 22b Rv). Het had derhalve op de weg van Bouwbedrijf Rijk gelegen om concreet te benoemen welke gebreken er volgens haar zijn en waaruit dit blijkt. 4.16. De rechtbank is van oordeel dat niet vaststaat dat de uitvoering van het werk vertraging heeft opgelopen doordat DMM onvoldoende personeel heeft ingezet. Tijdens de zitting is door beide partijen aangegeven dat geen datum is afgesproken waarop de werkzaamheden van DMM gereed moesten zijn. Er was wel een opleverdatum voor het gehele project. DMM voerde slechts onderdelen van het gehele project uit en haar werkzaamheden moesten eerder klaar zijn dan de opleverdatum voor het gehele project, maar partijen hebben geen harde opleverdatum afgesproken. Daarnaast was bij beide partijen een planning bekend, die een aantal keren is aangepast. Voorts heeft de Curator gemotiveerd betwist dat vertraging aan DDM te wijten was. Het is niet komen vast te staan dat gedurende het project duidelijk was dat DMM vanwege onderbezetting de planning niet zou halen en daarmee is de noodzaak van inzet van extra personeel door Bouwbedrijf Rijk ook niet komen vast te staan. Bovendien heeft de Curator gemotiveerd betwist dat DMM akkoord is gegaan met de inzet van eigen personeel van Bouwbedrijf Rijk en dat deze kosten mochten worden verrekend. Uit de overgelegde e-mails blijkt niet van een dergelijke toezegging van DMM. 4.17. Ten overvloede oordeelt de rechtbank dat de schade die Bouwbedrijf Rijk als gevolg van stagnatie stelt te hebben geleden, niet is komen vast te staan. Bouwbedrijf Rijk stelt dat haar schade € 79.411,00 bedraagt. Bouwbedrijf Rijk onderbouwt dit bedrag door te verwijzen naar een kostenoverzicht. In dit overzicht zijn onder de noemer ‘herstel montage units en galerijen’ kosten opgenomen voor bij elkaar het genoemde bedrag. Daaruit kan niet worden afgeleid welk bedrag samenhangt met stagnatie en de inzet van extra personeel als gevolg hiervan. Daarbij komt dat Bouwbedrijf Rijk ter zitting heeft toegelicht dat het genoemde bedrag slechts ziet op kosten voor herstel en dat stagnatiekosten daarvan geen onderdeel zijn. De rechtbank is derhalve van oordeel dat Bouwbedrijf Rijk onvoldoende heeft gesteld dat zij schade heeft geleden als gevolg van stagnatie en hoe hoog die schade is. 4.18. De tweede gestelde tekortkoming betreft de uitvoering van gebrekkig werk door ondeugdelijke plaatsing van Willemsankers. Bouwbedrijf Rijk heeft ter zitting toegelicht dat de oplevering aan de hoofdopdrachtgever heeft plaatsgevonden op 8 november 2024. Daarbij waren de onderaannemers, en dus ook DMM, niet aanwezig. Na dat moment van oplevering heeft Bouwbedrijf Rijk DMM (respectievelijk de Curator) geen gelegenheid gegeven de bij de oplevering geconstateerde gebreken te herstellen. Dit had Bouwbedrijf Rijk wel moeten doen, zo volgt uit artikel 7:759 lid 1 BW. Dat artikel bepaalt: “Indien het werk na oplevering gebreken vertoont waarvoor de aannemer aansprakelijk is, moet de opdrachtgever, tenzij zulks in verband met de omstandigheden niet van hem kan worden gevergd, aan de aannemer de gelegenheid geven de gebreken binnen een redelijke termijn weg te nemen, onverminderd de aansprakelijkheid van de aannemer voor schade ten gevolge van de gebrekkige oplevering.” Dat er dusdanige veiligheidsrisico’s zouden zijn waardoor Bouwbedrijf Rijk met spoed maatregelen moest treffen, is niet onderbouwd. Niet is gebleken dat DMM niet of niet binnen een redelijke termijn nog werkzaamheden zou kunnen uitvoeren. 4.19. De stelling van Bouwbedrijf Rijk dat DMM op grond van artikel 3 lid 4 van de algemene voorwaarden direct in verzuim verkeerde, passeert de rechtbank. Die bepaling gaat immers over het niet voldoen aan planningsafspr