Rechtspraak Rechtbank Zeeland-West-Brabant 2026-05-06
ECLI:NL:RBZWB:2026:3817
ECLI:NL:RBZWB:2026:3817 text/xml public 2026-06-01T10:34:01 2026-05-07 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Zeeland-West-Brabant 2026-05-06 24/6276 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Breda Bestuursrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:3817 text/html public 2026-06-01T10:32:58 2026-06-01 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBZWB:2026:3817 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 06-05-2026 / 24/6276 Tussenuitspraak over een verzoek op grond van artikel 15 van de Algemene verordening gegevensbescherming (AVG). FSV RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Zittingsplaats Breda Bestuursrecht zaaknummer: BRE 24/6276 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 6 mei 2026 in de zaak tussen mr. [eiser] , uit [plaats] , eiser (gemachtigde: mr. S.N. Peijnenburg), en de minister van Financiën, de minister. Samenvatting 1. Deze tussenuitspraak gaat over een verzoek op grond van artikel 15 van de Algemene verordening gegevensbescherming (AVG) om inzage in de persoonsgegevens van eiser in de Fraude Signalering Voorziening (FSV) van de Belastingdienst. Eiser is het niet eens met de gedeeltelijke afwijzing van zijn verzoek en de wijze waarop inzage is gegeven door de minister. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de behandeling van het inzageverzoek. 1.1. De rechtbank komt in deze tussenuitspraak tot het oordeel dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd waarom het algemeen belang in de weg staat aan bekendmaking van de gegevens over de bron van de over eiser opgenomen gegevens in de FSV . Eiser krijgt dus gelijk en het beroep is dus gegrond. De minister zal wel in de gelegenheid worden gesteld om dit gebrek te herstellen. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Procesverloop 2. Op 31 augustus 2023 heeft eiser een brief gestuurd naar de Belastingdienst met vragen over een registratie over hem in de FSV. De minister heeft deze brief aangemerkt als een inzageverzoek in de zin van de AVG. Bij besluit van 2 januari 2024 heeft de minister het inzageverzoek gedeeltelijk toegewezen. Met het bestreden besluit van 22 juli 2024 heeft de minister het bezwaar van eiser ongegrond verklaard. 2.1. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De minister heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. 2.2. De rechtbank heeft het beroep op 24 september 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en namens de minister mr. [naam 1] en mr. [naam 2]. 2.3. Na de zitting heeft de rechtbank het onderzoek heropend, waarbij de minister is opgedragen om de informatie waarop de uitzonderingsgronden zijn toegepast in te dienen en om daarbij te vermelden dat artikel 8:29, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) wordt toegepast. Eiser heeft ter zitting ermee ingestemd dat de rechtbank de stukken onder beperkte kennisneming bij de beoordeling zal betrekken. 2.4. De minister heeft deze informatie toegezonden waarbij hij een beroep heeft gedaan op artikel 8:29 van de Awb. Op 1 december 2025 heeft de geheimhoudingskamer van de rechtbank bepaald dat beperkte kennisneming van de niet-geschoonde documenten gerechtvaardigd is. 2.5. De rechtbank heeft hierna het onderzoek gesloten omdat partijen niet meer hebben gereageerd op de aankondiging van de rechtbank om een tweede zitting achterwege te laten. Beoordeling door de rechtbank De feiten 3. De Belastingdienst heeft eiser bij brief van 15 augustus 2023 geïnformeerd dat gegevens over hem in de FSV zijn opgenomen. Het gebruik van deze voorziening voldeed in zijn algemeenheid niet aan de AVG, omdat te veel medewerkers daar toegang toe hadden en de gegevens te lang werden bewaard. Sommige gegevens zijn ten onrechte in de FSV opgenomen en sommige gegevens zijn verkeerd gebruikt. Daarom heeft de staatssecretaris de toegang voor belastingmedewerkers tot de FSV op 27 februari 2020 uitgezet en wordt de FSV ni Eiser vindt allereerst dat de minister geen inzage heeft verleend omdat slechts een samenvatting over de registratie van zijn persoonsgegevens in de FSV is gegeven. Volgens eiser betekent inzage het ontvangen van een kopie van documenten, een uitdraai van het systeem of eventueel het verkrijgen van schermafbeeldingen. Gelet op een uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland moet het beroep alleen al om deze reden slagen. In die zaak waren namelijk wel documenten verstrekt, maar oordeelde de rechtbank dat beperkt was gezocht en was aannemelijk dat niet alle documenten waren verstrekt. De enkele mededeling van de minister over wat is geregistreerd, kan eiser zonder verstrekking van de documenten niet controleren op juistheid en dat is in strijd met de AVG. Eiser heeft hier veel belang bij omdat hij nog steeds gevolgen ervaart van de FSV. Dit blijkt uit de omstandigheid dat de Belastingdienst recent heeft besloten om een boekenonderzoek te starten bij een slapende eenmanszaak van eiser. Het is dus aannemelijk dat de FSV nog steeds wordt gebruikt. Ten tweede vindt eiser het overzicht (en dus de inzage) onvolledig omdat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd dat sprake is van een uitzonderingsgrond om de inzage te beperken. Eiser heeft geen antwoord gehad op zijn vragen waarom de gegevens zijn geregistreerd, wie dit heeft gedaan, wie inzage heeft gehad, sinds wanneer de registratie bestond en hoelang deze nog zal blijven bestaan. 6.1. De minister heeft ervoor gekozen om een overzicht op te stellen van de gegevens van eiser die in de FSV zijn geregistreerd. Op grond van vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) heeft eiser geen recht op verstrekking van een kopie zelf en kan de minister dus volstaan met dit overzicht. De minister heeft bovendien de volgende onderdelen van de registratie FSV niet gedeeld: namen van derden (ambtenaren), een aantekening, melder/bron/tipgever. Op basis van de uitzonderingsgronden van artikel 23 van de AVG in samenhang met artikel 41, eerste lid, onder d, e, h en i van de UAVG kan niet meer inzage worden gegeven. De minister heeft hierbij het privacybelang van eiser afgewogen tegenover het toezichts- en opsporingsbelang van de overheid en de privacybelangen van anderen. Na heropening van het onderzoek heeft de minister alsnog schermafbeeldingen verstrekt van de FSV waarbij hij informatie heeft weggelakt op grond van dezelfde uitzonderingsgronden. De minister neemt hierbij het standpunt in dat hij deze schermafbeeldingen niet hoefde te verstrekken om te voldoen aan het inzageverzoek en blijft bij het standpunt dat het verstrekken van het overzicht voldoende is. 7. De rechtbank oordeelt dat de minister onvoldoende inzage heeft verleend met het verstrekte overzicht omdat hierin onvoldoende informatie is opgenomen over de herkomst (de bron) van de in de FSV geregistreerde gegevens. De motivering van de minister om de uitzonderingsgronden van artikel 41, eerste lid, van de UAVG toe te passen op gegevens over de bron, is ook onvoldoende. 7.1. De rechtbank stelt voorop dat de minister in beginsel wel zou kunnen volstaan met het verstrekken van een overzicht, mits dat overzicht volledig is. De rechtbank volgt het betoog van eiser dus niet dat de minister (geheel) geen inzage heeft verschaft door het verstrekken van een overzicht van de persoonsgegevens van eiser die in de FSV zijn verwerkt. Daarmee kan de minister namelijk wel voldoen aan artikel 15 van de AVG. Dit artikel bepaalt dat de verwerkingsverantwoordelijke de betrokkene een kopie verstrekt van de persoonsgegevens die worden verwerkt. In vaste rechtspraak heeft de ABRvS overwogen dat uit onder meer de toelichting op de AVG, niet blijkt wat onder 'kopie van persoonsgegevens' moet worden verstaan. Naar het oordeel van de ABRvS betekent de verplichting een ‘kopie van de persoonsgegevens’ te verstrekken niet dat een bestuursorgaan verplicht is een kopie te verstrekken van de documenten waarin die persoonsgegevens In dit geval heeft de minister zich dus op het standpunt mogen stellen dat het belang van de bescherming van rechten en vrijheden van de persoon, wiens naam het betreft, zwaarder weegt dan het recht van eiser op inzage en zijn belang bij waarheidsvinding. 7.3.2. De rechtbank volgt de minister echter niet dat de uitzonderingsgronden van artikel 41, eerste lid, onder d, e, h, en i, van de UAVG van toepassing zijn op de aantekening en op de gegevens over de melder/bron/tipgever. De rechtbank stelt gelet op de geheime stukken vast dat het weigeren van de gegevens over de aantekening en gegevens over de bron met elkaar samenhangen. Uit de aantekening volgt namelijk informatie over de bron. Op grond van artikel 15, eerste lid, aanhef en onder g, van de AVG is de minister in beginsel gehouden om eiser inzage te geven in alle beschikbare informatie over de bron. Dat is anders als sprake is van een uitzonderingsgrond. Artikel 41, van de UAVG biedt weliswaar een grondslag om het inzagerecht te beperken, maar het is aan de minister om te motiveren waarom dat noodzakelijk en evenredig is. Daar is de minister voor het geheimhouden van de aantekening en de bron niet in geslaagd. Allereerst volgt de rechtbank de minister niet dat de uitzonderingsgrond van artikel 41, eerste lid, aanhef en onder i, van de UAVG van toepassing is op deze gegevens. De minister heeft namelijk onvoldoende gemotiveerd op welke wijze de belangen van derden worden geschaad door het verstrekken van gegevens over de aantekening en gegevens over de bron. Hiervoor heeft de minister onvoldoende gemotiveerd waarom het hier zou gaan om persoonsgegevens van derden, dan wel op welke wijze eiser op basis van deze gegevens de bron tot een specifieke persoon zou kunnen herleiden. Naar oordeel van de rechtbank had de minister moeten beoordelen of de desbetreffende gegevens op een wijze kunnen worden verstrekt die geen afbreuk doet aan de belangen van derden, door bijvoorbeeld een zakelijke, niet tot een tot de persoon herleidbare weergave van deze (persoons)gegevens te geven. 7.3.3. Ten tweede volgt de rechtbank ook het betoog van de minister niet dat artikel 41, eerste lid, onder d, e en h, van de UAVG zich verzetten tegen het verstrekken van gegevens over de aantekening en gegevens over de bron. De rechtbank begrijpt het betoog van de minister zo dat met deze gegevens enerzijds inzicht wordt verschaft in de werkwijze en handhavingsstrategie van de Belastingdienst bij het toezicht op de naleving van de belastingwetgeving. Anderzijds komt volgens de minister het belang van het anoniem kunnen doen van meldingen in het geding. Als (algemene) informatie wordt verschaft over de herkomst van gegevens, dan betekent dat echter nog niet meteen dat (te) veel inzicht is gegeven in de werkwijze van in dit geval de Belastingdienst bij het toezicht op de naleving van de belastingwetgeving. Dat hangt af van de concrete omstandigheden en kan per geval verschillen. Denkbaar is dat de volgende omstandigheden een rol (kunnen) spelen: de aard van de bron (dus wie of wat), de soort overtreding waarnaar onderzoek wordt gedaan (dus waarover), etc. Na kennisneming van de geheime informatie is de rechtbank gelet op de aard van de bron van oordeel dat de minister onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat zodanig veel inzicht wordt verschaft in de werkwijze van de belastingdienst, dat het onderzoek, de opsporing en vervolging van strafbare feiten en het toezicht op de naleving van de belastingwetgeving in het geding komt. De beroepsgrond slaagt. 7.4. Naast dat eiser vindt dat hij geen antwoord heeft gehad op de vraag waarom hij in de FSV is geregistreerd en door wie, heeft hij ook gesteld dat de minister ten onrechte niet heeft verduidelijkt sinds wanneer de registratie bestond, hoelang deze nog zal blijven bestaan en wie daartoe toegang heeft gekregen. Met uitzondering van de verstrekking gegevens over de aanleiding en de bron, heeft eiser echter wel antwoord gekregen op deze andere vragen. Dit betoog sl Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving Verordening (EU) 2016/679 (Algemene verordening gegevensbescherming): Artikel 4, eerste en zevende lid Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder: 1. „persoonsgegevens”: alle informatie over een geïdentificeerde of identificeerbare natuurlijke persoon („de betrokkene”); als identificeerbaar wordt beschouwd een natuurlijke persoon die direct of indirect kan worden geïdentificeerd, met name aan de hand van een identificator zoals een naam, een identificatienummer, locatiegegevens, een online identificator of van een of meer elementen die kenmerkend zijn voor de fysieke, fysiologische, genetische, psychische, economische, culturele of sociale identiteit van die natuurlijke persoon; […] 7) „ „verwerkingsverantwoordelijke”: een natuurlijke persoon of rechtspersoon, een overheidsinstantie, een dienst of een ander orgaan die/dat, alleen of samen met anderen, het doel van en de middelen voor de verwerking van persoons gegevens vaststelt; wanneer de doelstellingen van en de middelen voor deze verwerking in het Unierecht of het lidstatelijke recht worden vastgesteld, kan daarin worden bepaald wie de verwerkingsverantwoordelijke is of volgens welke criteria deze wordt aangewezen; Artikel 15 1. De betrokkene heeft het recht om van de verwerkingsverantwoordelijke uitsluitsel te verkrijgen over het al dan niet verwerken van hem betreffende persoonsgegevens en, wanneer dat het geval is, om inzage te verkrijgen van die persoonsgegevens en van de volgende informatie: de verwerkingsdoeleinden; de betrokken categorieën van persoonsgegevens; de ontvangers of categorieën van ontvangers aan wie de persoonsgegevens zijn of zullen worden verstrekt, met name ontvangers in derde landen of internationale organisaties; indien mogelijk, de periode gedurende welke de persoonsgegevens naar verwachting zullen worden opgeslagen, of indien dat niet mogelijk is, de criteria om die termijn te bepalen; dat de betrokkene het recht heeft de verwerkingsverantwoordelijke te verzoeken dat persoonsgegevens worden gerectificeerd of gewist, of dat de verwerking van hem betreffende persoonsgegevens wordt beperkt, alsmede het recht tegen die verwerking bezwaar te maken; dat de betrokkene het recht heeft klacht in te dienen bij een toezichthoudende autoriteit; wanneer de persoonsgegevens niet bij de betrokkene worden verzameld, alle beschikbare informatie over de bron van die gegevens; et bestaan van geautomatiseerde besluitvorming, met inbegrip van de in artikel 22, leden 1 en 4, bedoelde profilering, en, ten minste in die gevallen, nuttige informatie over de onderliggende logica, alsmede het belang en de verwachte gevolgen van die verwerking voor de betrokkene. 2. Wanneer persoonsgegevens worden doorgegeven aan een derde land of een internationale organisatie, heeft de betrokkene het recht in kennis te worden gesteld van de passende waarborgen overeenkomstig artikel 46 inzake de doorgifte. 3. De verwerkingsverantwoordelijke verstrekt de betrokkene een kopie van de persoonsgegevens die worden verwerkt. Indien de betrokkene om bijkomende kopieën verzoekt, kan de verwerkingsverantwoordelijke op basis van de administratieve kosten een redelijke vergoeding aanrekenen. Wanneer de betrokkene zijn verzoek elektronisch indient, en niet om een andere regeling verzoekt, wordt de informatie in een gangbare elektronische vorm verstrekt. 4. Het in lid 3 bedoelde recht om een kopie te verkrijgen, doet geen afbreuk aan de rechten en vrijheden van anderen. Artikel 23 De reikwijdte van de verplichtingen en rechten als bedoeld in de artikelen 12 tot en met 22 en artikel 34, alsmede in artikel 5 kan, voor zover de bepalingen van die artikelen overeenstemmen met de rechten en verplichtingen als bedoeld in de artikelen 12 tot en met 20, worden beperkt door middel van Unierechtelijke of lidstaatrechtelijke bepalingen die op de verwerkingsverantwoordelijke of de verwerker van toepassing zijn, op voorwaarde dat die bep