Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2026-05-04
ECLI:NL:RBZWB:2026:3785
Bestuursrecht; Belastingrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
4,055 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBZWB:2026:3785 text/xml public 2026-05-19T10:05:10 2026-05-06 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Zeeland-West-Brabant 2026-05-04 BRE 23/11656 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Breda Bestuursrecht; Belastingrecht Rechtspraak.nl V-N Vandaag 2026/1007 http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:3785 text/html public 2026-05-13T09:41:01 2026-05-13 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBZWB:2026:3785 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 04-05-2026 / BRE 23/11656 Bpm RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Zittingsplaats Breda Belastingrecht zaaknummer: BRE 23/11656 uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 4 mei 2026 in de zaak tussen [belanghebbende] B.V., gevestigd te [plaats] , belanghebbende (gemachtigde: mr. S.M. Bothof, Bothof Services B.V.), en de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur en de Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid). Inleiding 1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 10 november 2023. 1.1. De inspecteur heeft aan belanghebbende een naheffingsaanslag in de belasting van personenauto’s en motorrijwielen (Bpm) opgelegd van € 5.017 aan verschuldigde Bpm. 1.2. De inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard. De inspecteur heeft daarbij de naheffingsaanslag gehandhaafd. 1.3. De rechtbank heeft het beroep op 10 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: namens belanghebbende mr. M.U. Sahin, verbonden aan Bothof Services B.V., en namens de inspecteur mr. [inspecteur 1] en mr. [inspecteur 2] . Beoordeling door de rechtbank 2. De rechtbank beoordeelt of de inspecteur de naheffingsaanslag terecht en tot het juiste bedrag aan belanghebbende heeft opgelegd en of het hoorrecht is geschonden. De rechtbank doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende. 2.1. De rechtbank is van oordeel dat het beroep gegrond moet worden verklaard en dat de zaak moet worden teruggewezen naar de inspecteur wegens schending van het hoorrecht. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Feiten 3. Belanghebbende heeft op 31 mei 2022 aangifte gedaan ter zake van de registratie van een Jaguar F-Pace 3.0 First Edition AWD met [VIN-nummer] (de auto), en een bedrag aan Bpm voldaan van € 3.731. 3.1. Belanghebbende heeft in de aangifte een beroep gedaan op de taxatiemethode en een taxatierapport bij de aangifte gevoegd. 3.2. De inspecteur heeft een hertaxatie laten verrichten door Dienst Domeinen Roerende Zaken (DRZ). Hij heeft naar aanleiding van de bevindingen van DRZ het standpunt ingenomen dat de verschuldigde Bpm moet worden vastgesteld op € 8.748 en de naheffingsaanslag opgelegd. 3.3. Belanghebbende heeft met dagtekening 19 oktober 2022, door de inspecteur ontvangen op 20 oktober 2022, een bezwaarschrift ingediend. In de aanvullende gronden van het bezwaar van 27 oktober 2022 heeft zij verzocht om te worden gehoord. 3.4. Met dagtekening 26 oktober 2023, ontvangen door de inspecteur op 27 oktober 2023, heeft belanghebbende de inspecteur in gebreke gesteld wegens het niet tijdig doen van uitspraak op bezwaar. 3.5. De inspecteur heeft belanghebbende bij brief van 1 november 2023 uitgenodigd voor een hoorgesprek met als mogelijke data: 8 november 2023 om 15:00 uur en 9 november 2023 om respectievelijk 9:00 uur, 10:00 uur, 11:00 uur en 12.30 uur. Op het hoorgesprek zouden 125 verschillende zaken worden behandeld. 3.6. Partijen hebben afgesproken om het (telefonische) hoorgesprek in alle 125 zaken te laten plaatsvinden op 8 november 2023 om 15:00 uur. Tijdens dit gesprek heeft de gemachtigde van belanghebbende om 17:15 uur aangegeven het hoorgesprek te willen beëindigen omdat hij zijn kind moest ophalen bij de kinderopvang. Op dat moment waren 82 zaken besproken en de overige 43 nog niet, waaronder de onderhavige zaak. 3.7. De inspecteur heeft per e-mail van 9 november 2023 om 13:08 uur het verslag van het hoorgesprek aan gemachtigde toegezonden. Bij de auto’s die niet zijn besproken, is het opmerkingenveld leeg gelaten. Gemachtigde heeft dezelfde dag om 15:46 uur per e-mail gereageerd op het hoorverslag en gesteld dat was afgesproken dat voor de overige zaken het hoorgesprek op maandag 13 november 2023 zou plaatsvinden en dat hij de inspecteur twee dagen uitstel verleend voor het doen van uitspraak op bezwaar. Verder schrijft hij dat indien uitspraak wordt gedaan zonder hoorgesprek, hij de rechtbank zal verzoeken om terugwijzing. 3.8. De inspecteur heeft vervolgens op 10 november 2023 uitspraak op bezwaar gedaan, zonder dat een hoorgesprek heeft plaatsgevonden voor de onderhavige zaak. Overwegingen Schending hoorrecht 4. De rechtbank stelt vast dat (de gemachtigde van) belanghebbende in de onderhavige zaak niet is gehoord terwijl hij duidelijk te kennen heeft gegeven om op een later tijdstip alsnog gehoord te willen worden. 4.1. De rechtbank is van oordeel dat het hoorrecht is geschonden en volgt de inspecteur niet in zijn stelling dat het feit dat er niet is gehoord uitsluitend aan de gemachtigde is te wijten. De rechtbank stelt daarbij voorop dat de inspecteur zelf al te laat was met het doen van uitspraak op bezwaar. Dat de zaken alsnog snel moesten worden behandeld om binnen de uitspraaktermijn te blijven komt voor rekening en risico van de inspecteur en kan niet gemachtigde worden aangerekend. 4.2. Ondanks dat het wellicht onhandig is om een grote hoeveelheid zaken later op de middag (om 15:00 uur) te plannen, heeft gemachtigde ter zitting onweersproken gesteld dat het vaker voorkomt dat zoveel zaken tegelijk in een hoorgesprek worden behandeld en dat dit niet eerder tot problemen heeft geleid. Ook de stelling van de inspecteur dat gemachtigde van tevoren een overzicht had moeten maken van de grieven per zaak volgt de rechtbank niet. Belanghebbende is niet verplicht om dit te doen. 4.3. Daarbij komt dat er nog voldoende tijdstippen voor handen waren om alsnog een hoorgesprek te houden voor de onderhavige zaak. Er stonden in het datavoorstel van de inspecteur immers ook nog vier tijdstippen voor 9 november 2023 vermeld. Daarnaast heeft belanghebbende voorgesteld om op 13 november 2023 het hoorgesprek te vervolgen. Gemachtigde heeft daarbij toegezegd de inspecteur uitstel te verlenen voor de uitspraak op bezwaar voor de betreffende 43 zaken die op 8 november 2023 niet aan bod waren gekomen. Dat de inspecteur alle 125 zaken uit administratieve en organisatorische overwegingen als één batch bij elkaar wilde houden kan belanghebbende eveneens niet worden aangerekend en dient voor rekening van de inspecteur te blijven. De inspecteur had in de 82 zaken die wel op 8 november 2023 waren besproken (tijdig) uitspraak op bezwaar kunnen doen en voor de onderhavige zaak op korte termijn daarna, nadat belanghebbende ook in deze zaak zou zijn gehoord. 4.4. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen is de rechtbank van oordeel dat het hoorrecht als bedoeld in artikel 7:2 van de Awb is geschonden. Onder omstandigheden kan een dergelijke schending worden gepasseerd op grond van artikel 6:22 van de Awb. Belanghebbende heeft verzocht de zaak terug te wijzen naar de inspecteur voor een hoorgesprek, zodat de inspecteur daarna opnieuw uitspraak op bezwaar kan doen. 4.5. De rechtbank overweegt dat uit de gedingstukken blijkt dat belanghebbende en de inspecteur van mening verschillen over de van belang zijnde feiten en de handelsinkoopwaarde van de auto in beschadigde staat. In een zodanig geval kan niet worden gezegd dat belanghebbende niet is benadeeld door het achterwege blijven van een hoorzitting. Dat brengt mee dat de uitspraak niet in stand kan worden gelaten met toepassing van artikel 6:22 van de Awb. De rechtbank zal daarom de uitspraak op bezwaar vernietigen en de zaak terugwijzen naar de inspecteur. Immateriële schadevergoeding 4.6. Belanghebbende heeft in zijn beroepschrift van 11 december 2023 verzocht om toekenning van een schadevergoeding vanwege de overschrijding van de redelijke termijn waarbinnen het onderhavige geschil beslecht had moeten zijn. 4.7.
Volledig
ECLI:NL:RBZWB:2026:3785 text/xml public 2026-05-19T10:05:10 2026-05-06 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Zeeland-West-Brabant 2026-05-04 BRE 23/11656 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Breda Bestuursrecht; Belastingrecht Rechtspraak.nl V-N Vandaag 2026/1007 http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:3785 text/html public 2026-05-13T09:41:01 2026-05-13 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBZWB:2026:3785 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 04-05-2026 / BRE 23/11656 Bpm RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Zittingsplaats Breda Belastingrecht zaaknummer: BRE 23/11656 uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 4 mei 2026 in de zaak tussen [belanghebbende] B.V., gevestigd te [plaats] , belanghebbende (gemachtigde: mr. S.M. Bothof, Bothof Services B.V.), en de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur en de Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid). Inleiding 1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 10 november 2023. 1.1. De inspecteur heeft aan belanghebbende een naheffingsaanslag in de belasting van personenauto’s en motorrijwielen (Bpm) opgelegd van € 5.017 aan verschuldigde Bpm. 1.2. De inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard. De inspecteur heeft daarbij de naheffingsaanslag gehandhaafd. 1.3. De rechtbank heeft het beroep op 10 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: namens belanghebbende mr. M.U. Sahin, verbonden aan Bothof Services B.V., en namens de inspecteur mr. [inspecteur 1] en mr. [inspecteur 2] . Beoordeling door de rechtbank 2. De rechtbank beoordeelt of de inspecteur de naheffingsaanslag terecht en tot het juiste bedrag aan belanghebbende heeft opgelegd en of het hoorrecht is geschonden. De rechtbank doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende. 2.1. De rechtbank is van oordeel dat het beroep gegrond moet worden verklaard en dat de zaak moet worden teruggewezen naar de inspecteur wegens schending van het hoorrecht. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Feiten 3. Belanghebbende heeft op 31 mei 2022 aangifte gedaan ter zake van de registratie van een Jaguar F-Pace 3.0 First Edition AWD met [VIN-nummer] (de auto), en een bedrag aan Bpm voldaan van € 3.731. 3.1. Belanghebbende heeft in de aangifte een beroep gedaan op de taxatiemethode en een taxatierapport bij de aangifte gevoegd. 3.2. De inspecteur heeft een hertaxatie laten verrichten door Dienst Domeinen Roerende Zaken (DRZ). Hij heeft naar aanleiding van de bevindingen van DRZ het standpunt ingenomen dat de verschuldigde Bpm moet worden vastgesteld op € 8.748 en de naheffingsaanslag opgelegd. 3.3. Belanghebbende heeft met dagtekening 19 oktober 2022, door de inspecteur ontvangen op 20 oktober 2022, een bezwaarschrift ingediend. In de aanvullende gronden van het bezwaar van 27 oktober 2022 heeft zij verzocht om te worden gehoord. 3.4. Met dagtekening 26 oktober 2023, ontvangen door de inspecteur op 27 oktober 2023, heeft belanghebbende de inspecteur in gebreke gesteld wegens het niet tijdig doen van uitspraak op bezwaar. 3.5. De inspecteur heeft belanghebbende bij brief van 1 november 2023 uitgenodigd voor een hoorgesprek met als mogelijke data: 8 november 2023 om 15:00 uur en 9 november 2023 om respectievelijk 9:00 uur, 10:00 uur, 11:00 uur en 12.30 uur. Op het hoorgesprek zouden 125 verschillende zaken worden behandeld. 3.6. Partijen hebben afgesproken om het (telefonische) hoorgesprek in alle 125 zaken te laten plaatsvinden op 8 november 2023 om 15:00 uur. Tijdens dit gesprek heeft de gemachtigde van belanghebbende om 17:15 uur aangegeven het hoorgesprek te willen beëindigen omdat hij zijn kind moest ophalen bij de kinderopvang. Op dat moment waren 82 zaken besproken en de overige 43 nog niet, waaronder de onderhavige zaak. 3.7. De inspecteur heeft per e-mail van 9 november 2023 om 13:08 uur het verslag van het hoorgesprek aan gemachtigde toegezonden. Bij de auto’s die niet zijn besproken, is het opmerkingenveld leeg gelaten. Gemachtigde heeft dezelfde dag om 15:46 uur per e-mail gereageerd op het hoorverslag en gesteld dat was afgesproken dat voor de overige zaken het hoorgesprek op maandag 13 november 2023 zou plaatsvinden en dat hij de inspecteur twee dagen uitstel verleend voor het doen van uitspraak op bezwaar. Verder schrijft hij dat indien uitspraak wordt gedaan zonder hoorgesprek, hij de rechtbank zal verzoeken om terugwijzing. 3.8. De inspecteur heeft vervolgens op 10 november 2023 uitspraak op bezwaar gedaan, zonder dat een hoorgesprek heeft plaatsgevonden voor de onderhavige zaak. Overwegingen Schending hoorrecht 4. De rechtbank stelt vast dat (de gemachtigde van) belanghebbende in de onderhavige zaak niet is gehoord terwijl hij duidelijk te kennen heeft gegeven om op een later tijdstip alsnog gehoord te willen worden. 4.1. De rechtbank is van oordeel dat het hoorrecht is geschonden en volgt de inspecteur niet in zijn stelling dat het feit dat er niet is gehoord uitsluitend aan de gemachtigde is te wijten. De rechtbank stelt daarbij voorop dat de inspecteur zelf al te laat was met het doen van uitspraak op bezwaar. Dat de zaken alsnog snel moesten worden behandeld om binnen de uitspraaktermijn te blijven komt voor rekening en risico van de inspecteur en kan niet gemachtigde worden aangerekend. 4.2. Ondanks dat het wellicht onhandig is om een grote hoeveelheid zaken later op de middag (om 15:00 uur) te plannen, heeft gemachtigde ter zitting onweersproken gesteld dat het vaker voorkomt dat zoveel zaken tegelijk in een hoorgesprek worden behandeld en dat dit niet eerder tot problemen heeft geleid. Ook de stelling van de inspecteur dat gemachtigde van tevoren een overzicht had moeten maken van de grieven per zaak volgt de rechtbank niet. Belanghebbende is niet verplicht om dit te doen. 4.3. Daarbij komt dat er nog voldoende tijdstippen voor handen waren om alsnog een hoorgesprek te houden voor de onderhavige zaak. Er stonden in het datavoorstel van de inspecteur immers ook nog vier tijdstippen voor 9 november 2023 vermeld. Daarnaast heeft belanghebbende voorgesteld om op 13 november 2023 het hoorgesprek te vervolgen. Gemachtigde heeft daarbij toegezegd de inspecteur uitstel te verlenen voor de uitspraak op bezwaar voor de betreffende 43 zaken die op 8 november 2023 niet aan bod waren gekomen. Dat de inspecteur alle 125 zaken uit administratieve en organisatorische overwegingen als één batch bij elkaar wilde houden kan belanghebbende eveneens niet worden aangerekend en dient voor rekening van de inspecteur te blijven. De inspecteur had in de 82 zaken die wel op 8 november 2023 waren besproken (tijdig) uitspraak op bezwaar kunnen doen en voor de onderhavige zaak op korte termijn daarna, nadat belanghebbende ook in deze zaak zou zijn gehoord. 4.4. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen is de rechtbank van oordeel dat het hoorrecht als bedoeld in artikel 7:2 van de Awb is geschonden. Onder omstandigheden kan een dergelijke schending worden gepasseerd op grond van artikel 6:22 van de Awb. Belanghebbende heeft verzocht de zaak terug te wijzen naar de inspecteur voor een hoorgesprek, zodat de inspecteur daarna opnieuw uitspraak op bezwaar kan doen. 4.5. De rechtbank overweegt dat uit de gedingstukken blijkt dat belanghebbende en de inspecteur van mening verschillen over de van belang zijnde feiten en de handelsinkoopwaarde van de auto in beschadigde staat. In een zodanig geval kan niet worden gezegd dat belanghebbende niet is benadeeld door het achterwege blijven van een hoorzitting. Dat brengt mee dat de uitspraak niet in stand kan worden gelaten met toepassing van artikel 6:22 van de Awb. De rechtbank zal daarom de uitspraak op bezwaar vernietigen en de zaak terugwijzen naar de inspecteur. Immateriële schadevergoeding 4.6. Belanghebbende heeft in zijn beroepschrift van 11 december 2023 verzocht om toekenning van een schadevergoeding vanwege de overschrijding van de redelijke termijn waarbinnen het onderhavige geschil beslecht had moeten zijn. 4.7.