Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2026-05-04
ECLI:NL:RBZWB:2026:3758
Bestuursrecht; Belastingrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
4,051 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBZWB:2026:3758 text/xml public 2026-05-12T14:00:27 2026-05-04 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Zeeland-West-Brabant 2026-05-04 BRE 25/474 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Breda Bestuursrecht; Belastingrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:3758 text/html public 2026-05-11T14:07:59 2026-05-12 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBZWB:2026:3758 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 04-05-2026 / BRE 25/474 Aanslag IB, uitbetaling heffingskorting, Unierecht. Beroep ongegrond. RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Zittingsplaats Breda Belastingrecht zaaknummer: BRE 25/474 uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 4 mei 2026 in de zaak tussen [belanghebbende] , uit [plaats] (België), belanghebbende (gemachtigde: [gemachtigde] ), en de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur. Inleiding 1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 20 december 2024. 1.1. De inspecteur heeft aan belanghebbende over het jaar 2022 een aanslag inkomstenbelasting (IB) opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van nihil (de aanslag). 1.2. De inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard. 1.3. De rechtbank heeft het beroep op 25 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van belanghebbende en, namens de inspecteur, mr. Y.C. Andela en mr. R. van de Wetering. Beoordeling door de rechtbank 2. De rechtbank beoordeelt of belanghebbende recht heeft op uitbetaling van de algemene heffingskorting. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende. 2.1. Naar het oordeel van de rechtbank heeft belanghebbende geen recht op uitbetaling van de algemene heffingskorting . Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Feiten 3. Belanghebbende woonde geheel 2022 in België samen met haar echtgenoot. 3.1. Belanghebbende ontving in 2022 geen inkomsten uit Nederland en was noch belastingplichtig, noch premieplichtig in Nederland. 3.2. De echtgenoot ontving in 2022 inkomsten uit Nederland van in totaal € 105.848. Dit bedrag is als volgt opgebouwd: Loon € 47.920 Pensioenuitkering € 46.514 AOW-uitkering € 11.414 3.3. Belanghebbende heeft middels een C-biljet voor een buitenlandse belastingplichtige aangifte IB 2022 gedaan naar een bedrag van nihil. 3.4. De inspecteur heeft de aanslag IB 2022 aan belanghebbende opgelegd naar een bedrag van nihil. Belanghebbende is niet aangemerkt als kwalificerende buitenlandse belastingplichtige. 3.5. De inspecteur heeft aan de echtgenoot een aanslag IB/PVV 2022 opgelegd naar een verzamelinkomen van € 94.434, bestaande uit loon en een pensioenuitkering. De echtgenoot is niet aangemerkt als kwalificerende buitenlandse belastingplichtige. 3.6. Belanghebbende en de echtgenoot hebben inkomensverklaringen verstrekt. Uit de inkomensverklaring van belanghebbende volgt dat zij een bedrag van in totaal € 27 aan niet in Nederland belastbaar inkomen heeft ontvangen in 2022. In de inkomensverklaring van de echtgenoot staat de AOW-uitkering van € 11.414 vermeld, welke niet in Nederland belastbaar is. 3.7. Belanghebbende heeft de Belgische belastingaanslag overgelegd. Uit deze belastingaanslag volgt dat belanghebbende in België, na toepassing van de huwelijksquotiënt op basis waarvan een bedrag van € 11.450 van het inkomen van de echtgenoot aan belanghebbende wordt toegerekend, een belastbaar inkomen heeft van € 10.916,15. Belanghebbende en haar echtgenoot zijn gezamenlijk € 2.423,20 aan federale personenbelasting verschuldigd. Motivering 4. Op grond van artikel 8.8 van de Wet IB 2001 bedraagt de gecombineerde heffingskorting maximaal het bedrag van de gecombineerde inkomensheffing. Artikel 8.9, eerste en tweede lid, van de Wet IB 2001 (tekst 2022) bepalen echter dat de heffingskorting kan worden verhoogd: “ 1. Indien de gecombineerde heffingskorting door artikel 8.8 wordt beperkt tot een bedrag beneden het niveau van 6 2/3% van het totaal van de voor de belastingplichtige geldende algemene heffingskorting, arbeidskorting en inkomensafhankelijke combinatiekorting (toetsniveau) wordt, indien de belastingplichtige in het kalenderjaar gedurende meer dan zes maanden dezelfde partner heeft, de gecombineerde heffingskorting daarna verhoogd tot het toetsniveau. De verhoging bedraagt echter maximaal het bedrag van de door de partner verschuldigde gecombineerde inkomensheffing verminderd met zijn gecombineerde heffingskorting. 2. Ten aanzien van de belastingplichtige die geboren is vóór 1 januari 1963 wordt voor de bepaling van het toetsniveau de algemene heffingskorting voor 100% in aanmerking genomen. ” 4.1. Partijen zijn het er terecht over eens dat belanghebbende en haar echtgenoot beide geen kwalificerend buitenlands belastingplichtigen zijn op basis van de nationale wet en belanghebbende dus in beginsel geen recht heeft op uitbetaling van de heffingskorting. Verder zijn partijen het er terecht over eens dat ook de in het belastingverdrag tussen Nederland en België opgenomen non-discriminatiebepaling hier niet toe dwingt. Het geschil spitst zich toe op de vraag of belanghebbende op basis van het Unierecht recht heeft op uitbetaling van de heffingskorting. 4.2. De rechtbank stelt voorop dat de uitbetaling van de algemene heffingskorting naar zijn aard een tegemoetkoming is die rekening houdt met de persoonlijk en gezinssituatie van de belastingplichtige. 4.3. De rechtbank overweegt dat de nationale regels moeten worden uitgelegd met inachtneming van het Unierecht. Indien het Unierecht noopt tot een verdergaande tegemoetkoming dan de nationale regelgeving voorschrijft, dient aan het Unierecht voorrang te worden gegeven en het nationale recht buiten toepassing te blijven. 4.4. Uit de Schumacker-rechtspraak volgt dat een lidstaat bepaalde (niet direct met een inkomensbron van die lidstaat samenhangende) belastingvoordelen met betrekking tot de persoonlijke en gezinssituatie in beginsel wel aan haar ingezetenen mag verlenen zonder dat deze belastingvoordelen ook aan de niet-ingezetenen ter beschikking staan. Dat onderscheid is in de regel niet discriminerend. Dit is evenwel anders in een geval waarin de niet-ingezetene geen inkomsten van betekenis geniet in de woonstaat en het grootste deel van zijn belastbaar inkomen verwerft in de andere lidstaat, met als gevolg dat de woonstaat hem niet de voordelen kan toekennen die voortvloeien uit het in aanmerking nemen van zijn persoonlijke en gezinssituatie. 4.5. Belanghebbende geniet zelf in het geheel geen inkomen dat is belast in Nederland, zodat de persoonlijke situatie van belanghebbende op zichzelf bezien geen reden is om een tegemoetkoming toe te kennen. De omstandigheid dat belanghebbende in België beperkte inkomsten geniet, is daarom als alleen naar de situatie van belanghebbende zelf wordt gekeken onvoldoende om Nederland te verplichten een tegemoetkoming te geven. 4.6. De rechtbank neemt echter mee dat de regeling van uitbetaling van de algemene heffingskorting juist ziet op de situatie dat de persoon zelf geen of weinig inkomsten heeft waardoor de algemene heffingskorting niet (volledig) kan worden benut en zijn of haar partner wel voldoende inkomsten heeft. Het is daarom een tegemoetkoming die rekening houdt met de gezinssituatie. In dit geval is de situatie ook zo dat belanghebbende zelf geen inkomsten geniet in Nederland en beperkte inkomsten in België, terwijl de echtgenoot wel voldoende inkomsten geniet om de heffingskorting te effectueren. Mogelijk valt deze situatie daarom ook onder de Schumacker-rechtspraak, ondanks dat belanghebbende zelf geen inkomsten in Nederland heeft. De rechtbank zal daarom beoordelen of de woonstaat voldoende rekening kan houden met de persoonlijke en gezinssituatie van belanghebbende en de echtgenoot samen. 4.7. Uit de Belgische belastingaanslag volgt dat belanghebbende in België na aftrek van persoonlijke tegemoetkomingen tezamen met haar echtgenoot € 2.423,20 aan federale personenbelasting moet betalen over het jaar 2022.
Volledig
ECLI:NL:RBZWB:2026:3758 text/xml public 2026-05-12T14:00:27 2026-05-04 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Zeeland-West-Brabant 2026-05-04 BRE 25/474 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Breda Bestuursrecht; Belastingrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:3758 text/html public 2026-05-11T14:07:59 2026-05-12 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBZWB:2026:3758 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 04-05-2026 / BRE 25/474 Aanslag IB, uitbetaling heffingskorting, Unierecht. Beroep ongegrond. RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Zittingsplaats Breda Belastingrecht zaaknummer: BRE 25/474 uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 4 mei 2026 in de zaak tussen [belanghebbende] , uit [plaats] (België), belanghebbende (gemachtigde: [gemachtigde] ), en de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur. Inleiding 1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 20 december 2024. 1.1. De inspecteur heeft aan belanghebbende over het jaar 2022 een aanslag inkomstenbelasting (IB) opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van nihil (de aanslag). 1.2. De inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard. 1.3. De rechtbank heeft het beroep op 25 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van belanghebbende en, namens de inspecteur, mr. Y.C. Andela en mr. R. van de Wetering. Beoordeling door de rechtbank 2. De rechtbank beoordeelt of belanghebbende recht heeft op uitbetaling van de algemene heffingskorting. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende. 2.1. Naar het oordeel van de rechtbank heeft belanghebbende geen recht op uitbetaling van de algemene heffingskorting . Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Feiten 3. Belanghebbende woonde geheel 2022 in België samen met haar echtgenoot. 3.1. Belanghebbende ontving in 2022 geen inkomsten uit Nederland en was noch belastingplichtig, noch premieplichtig in Nederland. 3.2. De echtgenoot ontving in 2022 inkomsten uit Nederland van in totaal € 105.848. Dit bedrag is als volgt opgebouwd: Loon € 47.920 Pensioenuitkering € 46.514 AOW-uitkering € 11.414 3.3. Belanghebbende heeft middels een C-biljet voor een buitenlandse belastingplichtige aangifte IB 2022 gedaan naar een bedrag van nihil. 3.4. De inspecteur heeft de aanslag IB 2022 aan belanghebbende opgelegd naar een bedrag van nihil. Belanghebbende is niet aangemerkt als kwalificerende buitenlandse belastingplichtige. 3.5. De inspecteur heeft aan de echtgenoot een aanslag IB/PVV 2022 opgelegd naar een verzamelinkomen van € 94.434, bestaande uit loon en een pensioenuitkering. De echtgenoot is niet aangemerkt als kwalificerende buitenlandse belastingplichtige. 3.6. Belanghebbende en de echtgenoot hebben inkomensverklaringen verstrekt. Uit de inkomensverklaring van belanghebbende volgt dat zij een bedrag van in totaal € 27 aan niet in Nederland belastbaar inkomen heeft ontvangen in 2022. In de inkomensverklaring van de echtgenoot staat de AOW-uitkering van € 11.414 vermeld, welke niet in Nederland belastbaar is. 3.7. Belanghebbende heeft de Belgische belastingaanslag overgelegd. Uit deze belastingaanslag volgt dat belanghebbende in België, na toepassing van de huwelijksquotiënt op basis waarvan een bedrag van € 11.450 van het inkomen van de echtgenoot aan belanghebbende wordt toegerekend, een belastbaar inkomen heeft van € 10.916,15. Belanghebbende en haar echtgenoot zijn gezamenlijk € 2.423,20 aan federale personenbelasting verschuldigd. Motivering 4. Op grond van artikel 8.8 van de Wet IB 2001 bedraagt de gecombineerde heffingskorting maximaal het bedrag van de gecombineerde inkomensheffing. Artikel 8.9, eerste en tweede lid, van de Wet IB 2001 (tekst 2022) bepalen echter dat de heffingskorting kan worden verhoogd: “ 1. Indien de gecombineerde heffingskorting door artikel 8.8 wordt beperkt tot een bedrag beneden het niveau van 6 2/3% van het totaal van de voor de belastingplichtige geldende algemene heffingskorting, arbeidskorting en inkomensafhankelijke combinatiekorting (toetsniveau) wordt, indien de belastingplichtige in het kalenderjaar gedurende meer dan zes maanden dezelfde partner heeft, de gecombineerde heffingskorting daarna verhoogd tot het toetsniveau. De verhoging bedraagt echter maximaal het bedrag van de door de partner verschuldigde gecombineerde inkomensheffing verminderd met zijn gecombineerde heffingskorting. 2. Ten aanzien van de belastingplichtige die geboren is vóór 1 januari 1963 wordt voor de bepaling van het toetsniveau de algemene heffingskorting voor 100% in aanmerking genomen. ” 4.1. Partijen zijn het er terecht over eens dat belanghebbende en haar echtgenoot beide geen kwalificerend buitenlands belastingplichtigen zijn op basis van de nationale wet en belanghebbende dus in beginsel geen recht heeft op uitbetaling van de heffingskorting. Verder zijn partijen het er terecht over eens dat ook de in het belastingverdrag tussen Nederland en België opgenomen non-discriminatiebepaling hier niet toe dwingt. Het geschil spitst zich toe op de vraag of belanghebbende op basis van het Unierecht recht heeft op uitbetaling van de heffingskorting. 4.2. De rechtbank stelt voorop dat de uitbetaling van de algemene heffingskorting naar zijn aard een tegemoetkoming is die rekening houdt met de persoonlijk en gezinssituatie van de belastingplichtige. 4.3. De rechtbank overweegt dat de nationale regels moeten worden uitgelegd met inachtneming van het Unierecht. Indien het Unierecht noopt tot een verdergaande tegemoetkoming dan de nationale regelgeving voorschrijft, dient aan het Unierecht voorrang te worden gegeven en het nationale recht buiten toepassing te blijven. 4.4. Uit de Schumacker-rechtspraak volgt dat een lidstaat bepaalde (niet direct met een inkomensbron van die lidstaat samenhangende) belastingvoordelen met betrekking tot de persoonlijke en gezinssituatie in beginsel wel aan haar ingezetenen mag verlenen zonder dat deze belastingvoordelen ook aan de niet-ingezetenen ter beschikking staan. Dat onderscheid is in de regel niet discriminerend. Dit is evenwel anders in een geval waarin de niet-ingezetene geen inkomsten van betekenis geniet in de woonstaat en het grootste deel van zijn belastbaar inkomen verwerft in de andere lidstaat, met als gevolg dat de woonstaat hem niet de voordelen kan toekennen die voortvloeien uit het in aanmerking nemen van zijn persoonlijke en gezinssituatie. 4.5. Belanghebbende geniet zelf in het geheel geen inkomen dat is belast in Nederland, zodat de persoonlijke situatie van belanghebbende op zichzelf bezien geen reden is om een tegemoetkoming toe te kennen. De omstandigheid dat belanghebbende in België beperkte inkomsten geniet, is daarom als alleen naar de situatie van belanghebbende zelf wordt gekeken onvoldoende om Nederland te verplichten een tegemoetkoming te geven. 4.6. De rechtbank neemt echter mee dat de regeling van uitbetaling van de algemene heffingskorting juist ziet op de situatie dat de persoon zelf geen of weinig inkomsten heeft waardoor de algemene heffingskorting niet (volledig) kan worden benut en zijn of haar partner wel voldoende inkomsten heeft. Het is daarom een tegemoetkoming die rekening houdt met de gezinssituatie. In dit geval is de situatie ook zo dat belanghebbende zelf geen inkomsten geniet in Nederland en beperkte inkomsten in België, terwijl de echtgenoot wel voldoende inkomsten geniet om de heffingskorting te effectueren. Mogelijk valt deze situatie daarom ook onder de Schumacker-rechtspraak, ondanks dat belanghebbende zelf geen inkomsten in Nederland heeft. De rechtbank zal daarom beoordelen of de woonstaat voldoende rekening kan houden met de persoonlijke en gezinssituatie van belanghebbende en de echtgenoot samen. 4.7. Uit de Belgische belastingaanslag volgt dat belanghebbende in België na aftrek van persoonlijke tegemoetkomingen tezamen met haar echtgenoot € 2.423,20 aan federale personenbelasting moet betalen over het jaar 2022.