Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2026-04-30
ECLI:NL:RBZWB:2026:3601
Bestuursrecht; Belastingrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
3,155 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBZWB:2026:3601 text/xml public 2026-05-11T09:00:15 2026-05-01 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Zeeland-West-Brabant 2026-04-30 BRE 25/2678 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig Verzet NL Breda Bestuursrecht; Belastingrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:3601 text/html public 2026-05-08T09:37:27 2026-05-11 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBZWB:2026:3601 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 30-04-2026 / BRE 25/2678 Uitspraak verzet: ongegrond. RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Zittingsplaats Breda Belastingrecht zaaknummer: BRE 25/2678 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 30 april 2026 op het verzet van V.O.F. [belanghebbende] , uit [plaats] , belanghebbende (gemachtigde: [gemachtigde] ), tegen de uitspraak van de rechtbank van 1 december 2025 in het geding tussen belanghebbende en de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur. Inleiding 1. Deze uitspraak op het verzet van belanghebbende gaat over de uitspraak van de rechtbank van 1 december 2025 waarin de rechtbank het beroep van belanghebbende niet-ontvankelijk heeft verklaard, omdat volgens de rechtbank het beroepschrift zonder verschoonbare reden niet binnen de beroepstermijn is ingediend. Het beroep ziet op de naheffingsaanslag omzetbelasting over de tijdvakken gelegen in de periode 1 januari 2018 tot en met 31 december 2018 met aanslagnummer [bsn] en bij beschikking opgelegde boete en in rekening gebrachte belastingrente 1.1. De rechtbank heeft het verzet op 16 april 2026 op zitting behandeld. Voorafgaand aan de zitting heeft gemachtigde contact opgenomen met de griffie en zich telefonisch afgemeld. Namens de inspecteur waren [inspecteur 1] en [inspecteur 2] aanwezig. Beoordeling door de rechtbank 2. De rechtbank beoordeelt in deze uitspraak uitsluitend of in de uitspraak van 1 december 2025 terecht is geoordeeld dat buiten redelijke twijfel is dat het beroep niet-ontvankelijk is. Zij doet dit aan de hand van de gronden van het verzet. 2.1 De termijn voor het indienen van een beroepschrift bedraagt zes weken. Deze termijn vangt aan op de dag na die van dagtekening van een uitspraak op bezwaar, tenzij de dagtekening is gelegen vóór de dag van de bekendmaking. 2.2 Termijnen van bezwaar en beroep volgen rechtstreeks uit de wet, dat wil zeggen dat het fatale termijnen zijn waarvan niet afgeweken kan worden, tenzij de termijnoverschrijding verschoonbaar is in verband met bijzondere omstandigheden. De omstandigheden die belanghebbende noemt, moet dusdanig bijzonder zijn dat het hem niet verweten kan worden dat hij niet binnen de beroepstermijn een beroepschrift heeft ingediend. 2.3 Naar het oordeel van de rechtbank is bij de in verzet bestreden uitspraak terecht en op goede gronden geoordeeld dat het beroepschrift niet tijdig is ingediend. De rechtbank heeft daarbij terecht de dagtekening van het beroepschrift als bewijsrechtelijk uitgangspunt genomen voor het bepalen van de dag waarop het beroepschrift is ingediend. Belanghebbende heeft niet aannemelijk gemaakt dat het eerder – voor het einde van de beroepstermijn – op de post is gedaan. 2.4 Belanghebbende heeft in zijn verzetschrift geen concrete gronden aangedragen waarom het beroepschrift te laat is ingediend. Het is de rechtbank niet duidelijk geworden waarom volgens belanghebbende de termijnoverschrijding verschoonbaar is, althans de rechtbank kan dat niet opmaken uit de door belanghebbende ingediende gronden of de stukken uit het dossier. Naar het oordeel van de rechtbank kunnen de inhoudelijke stellingen van belanghebbende niet leiden tot de conclusie dat er sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding. Conclusie en gevolgen 3. Dit brengt de rechtbank tot de slotsom dat het beroep bij de in verzet bestreden uitspraak terecht niet-ontvankelijk is verklaard. Het verzet moet dan ook ongegrond worden verklaard. Dat betekent dat de uitspraak van 1 december 2025 in stand blijft. Aan een behandeling van de argumenten van belanghebbende inzake het inhoudelijke geschil met de inspecteur kan de rechtbank dan niet meer toekomen. Beslissing De rechtbank verklaart het verzet ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. S.A.J. Bastiaansen, rechter, in aanwezigheid van R.M. Rosta, griffier. griffier rechter De uitspraak is openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl. De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld. Bent u het niet eens met deze uitspraak? Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de datum bekendmaking beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl. Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag . Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl). Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen: 1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd; 2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn; 3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden: a. de naam en het adres van de indiener; b. de dagtekening; c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht; d. de gronden van het beroep in cassatie. Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten. Dit volgt uit artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Dit volgt uit artikel 6:7 van de Awb. Dit volgt uit artikel 26c van de Algemene wet inzake rijksbelastingen.
Volledig
ECLI:NL:RBZWB:2026:3601 text/xml public 2026-05-11T09:00:15 2026-05-01 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Zeeland-West-Brabant 2026-04-30 BRE 25/2678 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig Verzet NL Breda Bestuursrecht; Belastingrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:3601 text/html public 2026-05-08T09:37:27 2026-05-11 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBZWB:2026:3601 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 30-04-2026 / BRE 25/2678 Uitspraak verzet: ongegrond. RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Zittingsplaats Breda Belastingrecht zaaknummer: BRE 25/2678 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 30 april 2026 op het verzet van V.O.F. [belanghebbende] , uit [plaats] , belanghebbende (gemachtigde: [gemachtigde] ), tegen de uitspraak van de rechtbank van 1 december 2025 in het geding tussen belanghebbende en de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur. Inleiding 1. Deze uitspraak op het verzet van belanghebbende gaat over de uitspraak van de rechtbank van 1 december 2025 waarin de rechtbank het beroep van belanghebbende niet-ontvankelijk heeft verklaard, omdat volgens de rechtbank het beroepschrift zonder verschoonbare reden niet binnen de beroepstermijn is ingediend. Het beroep ziet op de naheffingsaanslag omzetbelasting over de tijdvakken gelegen in de periode 1 januari 2018 tot en met 31 december 2018 met aanslagnummer [bsn] en bij beschikking opgelegde boete en in rekening gebrachte belastingrente 1.1. De rechtbank heeft het verzet op 16 april 2026 op zitting behandeld. Voorafgaand aan de zitting heeft gemachtigde contact opgenomen met de griffie en zich telefonisch afgemeld. Namens de inspecteur waren [inspecteur 1] en [inspecteur 2] aanwezig. Beoordeling door de rechtbank 2. De rechtbank beoordeelt in deze uitspraak uitsluitend of in de uitspraak van 1 december 2025 terecht is geoordeeld dat buiten redelijke twijfel is dat het beroep niet-ontvankelijk is. Zij doet dit aan de hand van de gronden van het verzet. 2.1 De termijn voor het indienen van een beroepschrift bedraagt zes weken. Deze termijn vangt aan op de dag na die van dagtekening van een uitspraak op bezwaar, tenzij de dagtekening is gelegen vóór de dag van de bekendmaking. 2.2 Termijnen van bezwaar en beroep volgen rechtstreeks uit de wet, dat wil zeggen dat het fatale termijnen zijn waarvan niet afgeweken kan worden, tenzij de termijnoverschrijding verschoonbaar is in verband met bijzondere omstandigheden. De omstandigheden die belanghebbende noemt, moet dusdanig bijzonder zijn dat het hem niet verweten kan worden dat hij niet binnen de beroepstermijn een beroepschrift heeft ingediend. 2.3 Naar het oordeel van de rechtbank is bij de in verzet bestreden uitspraak terecht en op goede gronden geoordeeld dat het beroepschrift niet tijdig is ingediend. De rechtbank heeft daarbij terecht de dagtekening van het beroepschrift als bewijsrechtelijk uitgangspunt genomen voor het bepalen van de dag waarop het beroepschrift is ingediend. Belanghebbende heeft niet aannemelijk gemaakt dat het eerder – voor het einde van de beroepstermijn – op de post is gedaan. 2.4 Belanghebbende heeft in zijn verzetschrift geen concrete gronden aangedragen waarom het beroepschrift te laat is ingediend. Het is de rechtbank niet duidelijk geworden waarom volgens belanghebbende de termijnoverschrijding verschoonbaar is, althans de rechtbank kan dat niet opmaken uit de door belanghebbende ingediende gronden of de stukken uit het dossier. Naar het oordeel van de rechtbank kunnen de inhoudelijke stellingen van belanghebbende niet leiden tot de conclusie dat er sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding. Conclusie en gevolgen 3. Dit brengt de rechtbank tot de slotsom dat het beroep bij de in verzet bestreden uitspraak terecht niet-ontvankelijk is verklaard. Het verzet moet dan ook ongegrond worden verklaard. Dat betekent dat de uitspraak van 1 december 2025 in stand blijft. Aan een behandeling van de argumenten van belanghebbende inzake het inhoudelijke geschil met de inspecteur kan de rechtbank dan niet meer toekomen. Beslissing De rechtbank verklaart het verzet ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. S.A.J. Bastiaansen, rechter, in aanwezigheid van R.M. Rosta, griffier. griffier rechter De uitspraak is openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl. De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld. Bent u het niet eens met deze uitspraak? Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de datum bekendmaking beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl. Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag . Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl). Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen: 1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd; 2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn; 3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden: a. de naam en het adres van de indiener; b. de dagtekening; c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht; d. de gronden van het beroep in cassatie. Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten. Dit volgt uit artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Dit volgt uit artikel 6:7 van de Awb. Dit volgt uit artikel 26c van de Algemene wet inzake rijksbelastingen.