Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2026-03-31
ECLI:NL:RBZWB:2026:3585
Civiel recht; Personen- en familierecht
Rekestprocedure
10,883 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBZWB:2026:3585 text/xml public 2026-05-18T11:55:18 2026-05-01 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Zeeland-West-Brabant 2026-03-31 C/02/413252 / FA RK 23-4020 Uitspraak Rekestprocedure NL Breda Civiel recht; Personen- en familierecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:3585 text/html public 2026-05-18T11:55:00 2026-05-18 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBZWB:2026:3585 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 31-03-2026 / C/02/413252 / FA RK 23-4020 Afwijzing verzoek vaststelling gezamenlijk gezag nu partijen dit inmiddels samen hebben laten aantekenen en vaststelling (wisselende) zorgregeling beschikking RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Team Familie- en Jeugdrecht Zittingsplaats: Middelburg/ Breda Zaaknummer: C/02/413252 / FA RK 23-4020 datum uitspraak: 31 maart 2026 beschikking over gezag en omgang in de zaak van [de man] , wonende te [plaats 1] , hierna te noemen: de man, advocaat mr. N. Wouters, en [de vrouw] , wonende te [plaats 2] , hierna te noemen: de vrouw, advocaat mr. J.L.J. de Vos. over de minderjarige: - [minderjarige] , geboren op [geboortedag] 2021 te [geboorteplaats] . Op grond van artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering heeft de Raad voor de Kinderbescherming, Zeeland-West-Brabant, locatie Middelburg, hierna: de Raad, de rechtbank over het verzoek geadviseerd. 1 Het procesverloop 1.1 In het dossier zit het volgende zitten de volgende stukken: - het op 15 augustus 2023 ontvangen verzoek, met bijlagen; - de brief van mr. de Vos van 30 oktober 2025; - de eindrapportage van Kind in Scheiding Zeeland van 30 oktober 2025; - het advies na screening UHA van de Raad van 26 november 2025; - het op 23 januari 2026 ontvangen verweerschrift, met bijlagen; - de brief van mr. Wouters van 25 februari 2025, inhoudende een wijziging van het verzoek; 1.2 De verzoeken zijn mondeling behandeld op 2 maart 2026. Bij die behandeling zijn gekomen partijen, met hun advocaten. Ook was een vertegenwoordiger aanwezig namens de Raad. 2 De feiten 2.1 Partijen hebben een affectieve relatie met elkaar gehad. Uit de relatie tussen partijen is het navolgende, thans nog minderjarige, kind geboren: [minderjarige] , geboren op [geboortedag] 2021 te [geboorteplaats] . 2.2 De man heeft [minderjarige] erkend. Partijen hebben samen het gezag over [minderjarige] . 2.3 Bij beschikking van deze rechtbank van 11 oktober 2023 is een voorlopige zorgregeling tussen de man en [minderjarige] vastgelegd en zijn partijen verwezen naar een hulpverleningstraject binnen het Uniform Hulpaanbod. 3 De verzoeken en de standpunten 3.1 De man verzoekt, na wijziging: - te bepalen dat het gezag over het minderjarige kind, genaamd [minderjarige] , geboren op [geboortedag] 2021 te [geboorteplaats] , wordt uitgeoefend door de man en de vrouw gezamenlijk; - zolang geen gezamenlijk gezag is toegekend, een informatie- en consultatieregeling vast te stellen waarbij de vrouw jegens de man gehouden is om de man minstens één keer per week te consulteren en informeren over de ontwikkeling en het welzijn van [minderjarige] ; - een opbouwende omgangs- c.q. zorgregeling vast te stellen tussen de man en het minderjarige kind inhoudende: - een reguliere zorgregeling vast te stellen tussen de man en [minderjarige] inhoudende dat de man de verzorgings- en opvoedtaken op zich gedurende de volgende periodes: - als de man op woensdagochtend uit de nachtdienst komt, dan haalt hij [minderjarige] op woensdag om 17.00 uur op bij de vrouw. De vrouw haalt [minderjarige] op vrijdag om 17.00 uur bij de man. Als de man op maandagochtend uit de nachtdienst komt, dan haalt hij [minderjarige] op woensdag uit school. De vrouw haalt [minderjarige] op donderdag om 17.00 uur op bij de man. Als de man op vrijdagochtend uit de nachtdienst komt, dan haalt hij [minderjarige] op vrijdag om 17.00 uur op bij de vrouw. De vrouw haalt [minderjarige] op zondag om 17.00 uur op bij de man. - Een vakantieregeling vast te stellen tussen de man en [minderjarige] , inhoudende dat de man in 2026 de volgende periodes in de vakantie voor [minderjarige] zorgt: Meivakantie: van vrijdag 24 april 17.00 uur t/m vrijdag l mei 17.00 uur; Zomervakantie: van vrijdag 7 augustus 17.00 uur t/m vrijdag 21 augustus 17.00 uur; Kerstvakantie: van vrijdag 18 december 17.00 uur t/m donderdag 24 december 17.00 uur; Kerstdagen: als de man 'vrijgeloot' is, dan zorgt hij Eerste Kerstdag voor [minderjarige] en kan [minderjarige] - aansluitend op zijn week in de Kerstvakantie - bij hem blijven t/m vrijdag 25 december 20.00 uur. Als hij niet 'vrijgeloot' is, dan is de man Tweede Kerstdag vrij en kan hij voor [minderjarige] zorgen van10.00-20.00 uur. Een vakantieregeling vast te stellen partijen, waarbij de schoolvakanties en feestdagen na de Kerstvakantie 2026/2027 als volgt zijn verdeeld: In de voorjaarsvakantie verblijft [minderjarige] in de oneven jaren bij de man en in de even jaren bij de vrouw; In de meivakantie verblijft [minderjarige] in de oneven jaren de eerste week bij de man en de tweede week bij de vrouw. In de even jaren verblijft [minderjarige] de eerste week bij de vrouw en de tweede week bij de man. Indien de meivakantie slechts één week omvat, verblijft [minderjarige] deze week jaarlijks afwisselend bij ieder der ouders. - In de zomervakantie verblijft [minderjarige] twee aaneengesloten weken bij de man en twee aaneengesloten weken bij de vrouw. De overige twee weken worden ingevuld conform de reguliere zorgregeling. Partijen hebben ieder om het jaar de mogelijkheid om hun voorkeursweken als eerste kenbaar te maken, waarbij het voor het werk van de man wel belangrijk is dat dit tijdig gebeurd. In de herfstvakantie verblijft [minderjarige] in de oneven jaren bij de vrouw en in de even jaren bij de man; In de kerstvakantie verblijft [minderjarige] in de oneven jaren de eerste week bij de vrouw en de tweede week bij de man. In de even jaren verblijft [minderjarige] de eerste week bij de man en de tweede week bij de vrouw. Er vindt daarnaast een verdeling van de kerstdagen plaats, afhankelijk van het rooster van de man. De man deelt onverwijld, doch uiterlijk binnen twee dagen na ontvangst van zijn rooster, op welke Kerstdag hij vrij is. Op die dag heeft hij ook de zorg over [minderjarige] . Oud & Nieuw wordt gevierd bij de ouder waar [minderjarige] conform de regeling is. Op haar verjaardag is [minderjarige] in de even jaren bij de vrouw en in de oneven jaren bij de man. althans een regeling wordt getroffen die de rechtbank in goede justitie juist acht. 3.2 De vrouw is het niet eens met de verzoeken van de man en verzoekt deze verzoeken af te wijzen. De vrouw verzoekt zelfstandig: een zorgregeling vast te stellen waarbij [minderjarige] twee weekenden per vijf weken van vrijdagmiddag 17.00 uur tot zondagmiddag 17.00 uur bij de man verblijft, althans een zorgregeling die de rechtbank in goede justitie vermeent te behoren; een regeling vast te stellen voor de vakantie en feestdagen conform alinea 27 en 28 van het verweerschrift, althans een regeling die de rechtbank in goede justitie vermeent te behoren. 3.3 Op de standpunten van alle betrokkenen wordt, voor zover nodig om de verzoeken te beoordelen, hierna ingegaan. 4 De beoordeling De standpunten 4.1. Door en namens de man wordt in het verzoekschrift het volgende naar voren gebracht. De vrouw wil niet meewerken aan het laten aantekenen van het gezamenlijk gezag. Zij wil dit alleen als de achternaam van [minderjarige] wordt gewijzigd in die van de vrouw. Er is geen sprake van enige afwijzingsgrond uit artikel 1:253c BW. [minderjarige] is nog jong en de man wil graag zeggenschap in de opvoeding van [minderjarige] . Er zijn geen contra-indicaties voor gezamenlijk gezag. Zolang er geen gezamenlijk gezag is en de man niet zelf navraag kan doen bij instanties wil hij op de hoogte gehouden worden van de ontwikkelingen van [minderjarige] . De man wenst vaststelling van een zorgregeling nu het hen tijdens het hulpverleningstraject in het kader van het Uniform Hulpaanbod niet gelukt is om afspraken te maken over de zorgregeling. De man ziet [minderjarige] nu ieder weekend dat hij vrij is, dit zijn twee weekenden per vijf weekenden.
Volledig
ECLI:NL:RBZWB:2026:3585 text/xml public 2026-05-18T11:55:18 2026-05-01 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Zeeland-West-Brabant 2026-03-31 C/02/413252 / FA RK 23-4020 Uitspraak Rekestprocedure NL Breda Civiel recht; Personen- en familierecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:3585 text/html public 2026-05-18T11:55:00 2026-05-18 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBZWB:2026:3585 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 31-03-2026 / C/02/413252 / FA RK 23-4020 Afwijzing verzoek vaststelling gezamenlijk gezag nu partijen dit inmiddels samen hebben laten aantekenen en vaststelling (wisselende) zorgregeling beschikking RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Team Familie- en Jeugdrecht Zittingsplaats: Middelburg/ Breda Zaaknummer: C/02/413252 / FA RK 23-4020 datum uitspraak: 31 maart 2026 beschikking over gezag en omgang in de zaak van [de man] , wonende te [plaats 1] , hierna te noemen: de man, advocaat mr. N. Wouters, en [de vrouw] , wonende te [plaats 2] , hierna te noemen: de vrouw, advocaat mr. J.L.J. de Vos. over de minderjarige: - [minderjarige] , geboren op [geboortedag] 2021 te [geboorteplaats] . Op grond van artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering heeft de Raad voor de Kinderbescherming, Zeeland-West-Brabant, locatie Middelburg, hierna: de Raad, de rechtbank over het verzoek geadviseerd. 1 Het procesverloop 1.1 In het dossier zit het volgende zitten de volgende stukken: - het op 15 augustus 2023 ontvangen verzoek, met bijlagen; - de brief van mr. de Vos van 30 oktober 2025; - de eindrapportage van Kind in Scheiding Zeeland van 30 oktober 2025; - het advies na screening UHA van de Raad van 26 november 2025; - het op 23 januari 2026 ontvangen verweerschrift, met bijlagen; - de brief van mr. Wouters van 25 februari 2025, inhoudende een wijziging van het verzoek; 1.2 De verzoeken zijn mondeling behandeld op 2 maart 2026. Bij die behandeling zijn gekomen partijen, met hun advocaten. Ook was een vertegenwoordiger aanwezig namens de Raad. 2 De feiten 2.1 Partijen hebben een affectieve relatie met elkaar gehad. Uit de relatie tussen partijen is het navolgende, thans nog minderjarige, kind geboren: [minderjarige] , geboren op [geboortedag] 2021 te [geboorteplaats] . 2.2 De man heeft [minderjarige] erkend. Partijen hebben samen het gezag over [minderjarige] . 2.3 Bij beschikking van deze rechtbank van 11 oktober 2023 is een voorlopige zorgregeling tussen de man en [minderjarige] vastgelegd en zijn partijen verwezen naar een hulpverleningstraject binnen het Uniform Hulpaanbod. 3 De verzoeken en de standpunten 3.1 De man verzoekt, na wijziging: - te bepalen dat het gezag over het minderjarige kind, genaamd [minderjarige] , geboren op [geboortedag] 2021 te [geboorteplaats] , wordt uitgeoefend door de man en de vrouw gezamenlijk; - zolang geen gezamenlijk gezag is toegekend, een informatie- en consultatieregeling vast te stellen waarbij de vrouw jegens de man gehouden is om de man minstens één keer per week te consulteren en informeren over de ontwikkeling en het welzijn van [minderjarige] ; - een opbouwende omgangs- c.q. zorgregeling vast te stellen tussen de man en het minderjarige kind inhoudende: - een reguliere zorgregeling vast te stellen tussen de man en [minderjarige] inhoudende dat de man de verzorgings- en opvoedtaken op zich gedurende de volgende periodes: - als de man op woensdagochtend uit de nachtdienst komt, dan haalt hij [minderjarige] op woensdag om 17.00 uur op bij de vrouw. De vrouw haalt [minderjarige] op vrijdag om 17.00 uur bij de man. Als de man op maandagochtend uit de nachtdienst komt, dan haalt hij [minderjarige] op woensdag uit school. De vrouw haalt [minderjarige] op donderdag om 17.00 uur op bij de man. Als de man op vrijdagochtend uit de nachtdienst komt, dan haalt hij [minderjarige] op vrijdag om 17.00 uur op bij de vrouw. De vrouw haalt [minderjarige] op zondag om 17.00 uur op bij de man. - Een vakantieregeling vast te stellen tussen de man en [minderjarige] , inhoudende dat de man in 2026 de volgende periodes in de vakantie voor [minderjarige] zorgt: Meivakantie: van vrijdag 24 april 17.00 uur t/m vrijdag l mei 17.00 uur; Zomervakantie: van vrijdag 7 augustus 17.00 uur t/m vrijdag 21 augustus 17.00 uur; Kerstvakantie: van vrijdag 18 december 17.00 uur t/m donderdag 24 december 17.00 uur; Kerstdagen: als de man 'vrijgeloot' is, dan zorgt hij Eerste Kerstdag voor [minderjarige] en kan [minderjarige] - aansluitend op zijn week in de Kerstvakantie - bij hem blijven t/m vrijdag 25 december 20.00 uur. Als hij niet 'vrijgeloot' is, dan is de man Tweede Kerstdag vrij en kan hij voor [minderjarige] zorgen van10.00-20.00 uur. Een vakantieregeling vast te stellen partijen, waarbij de schoolvakanties en feestdagen na de Kerstvakantie 2026/2027 als volgt zijn verdeeld: In de voorjaarsvakantie verblijft [minderjarige] in de oneven jaren bij de man en in de even jaren bij de vrouw; In de meivakantie verblijft [minderjarige] in de oneven jaren de eerste week bij de man en de tweede week bij de vrouw. In de even jaren verblijft [minderjarige] de eerste week bij de vrouw en de tweede week bij de man. Indien de meivakantie slechts één week omvat, verblijft [minderjarige] deze week jaarlijks afwisselend bij ieder der ouders. - In de zomervakantie verblijft [minderjarige] twee aaneengesloten weken bij de man en twee aaneengesloten weken bij de vrouw. De overige twee weken worden ingevuld conform de reguliere zorgregeling. Partijen hebben ieder om het jaar de mogelijkheid om hun voorkeursweken als eerste kenbaar te maken, waarbij het voor het werk van de man wel belangrijk is dat dit tijdig gebeurd. In de herfstvakantie verblijft [minderjarige] in de oneven jaren bij de vrouw en in de even jaren bij de man; In de kerstvakantie verblijft [minderjarige] in de oneven jaren de eerste week bij de vrouw en de tweede week bij de man. In de even jaren verblijft [minderjarige] de eerste week bij de man en de tweede week bij de vrouw. Er vindt daarnaast een verdeling van de kerstdagen plaats, afhankelijk van het rooster van de man. De man deelt onverwijld, doch uiterlijk binnen twee dagen na ontvangst van zijn rooster, op welke Kerstdag hij vrij is. Op die dag heeft hij ook de zorg over [minderjarige] . Oud & Nieuw wordt gevierd bij de ouder waar [minderjarige] conform de regeling is. Op haar verjaardag is [minderjarige] in de even jaren bij de vrouw en in de oneven jaren bij de man. althans een regeling wordt getroffen die de rechtbank in goede justitie juist acht. 3.2 De vrouw is het niet eens met de verzoeken van de man en verzoekt deze verzoeken af te wijzen. De vrouw verzoekt zelfstandig: een zorgregeling vast te stellen waarbij [minderjarige] twee weekenden per vijf weken van vrijdagmiddag 17.00 uur tot zondagmiddag 17.00 uur bij de man verblijft, althans een zorgregeling die de rechtbank in goede justitie vermeent te behoren; een regeling vast te stellen voor de vakantie en feestdagen conform alinea 27 en 28 van het verweerschrift, althans een regeling die de rechtbank in goede justitie vermeent te behoren. 3.3 Op de standpunten van alle betrokkenen wordt, voor zover nodig om de verzoeken te beoordelen, hierna ingegaan. 4 De beoordeling De standpunten 4.1. Door en namens de man wordt in het verzoekschrift het volgende naar voren gebracht. De vrouw wil niet meewerken aan het laten aantekenen van het gezamenlijk gezag. Zij wil dit alleen als de achternaam van [minderjarige] wordt gewijzigd in die van de vrouw. Er is geen sprake van enige afwijzingsgrond uit artikel 1:253c BW. [minderjarige] is nog jong en de man wil graag zeggenschap in de opvoeding van [minderjarige] . Er zijn geen contra-indicaties voor gezamenlijk gezag. Zolang er geen gezamenlijk gezag is en de man niet zelf navraag kan doen bij instanties wil hij op de hoogte gehouden worden van de ontwikkelingen van [minderjarige] . De man wenst vaststelling van een zorgregeling nu het hen tijdens het hulpverleningstraject in het kader van het Uniform Hulpaanbod niet gelukt is om afspraken te maken over de zorgregeling. De man ziet [minderjarige] nu ieder weekend dat hij vrij is, dit zijn twee weekenden per vijf weekenden.
Volledig
Er wordt dus uitvoering gegeven aan de regeling die in de beschikking van 11 oktober 2023 is vastgelegd. De man ziet [minderjarige] alleen in de weekenden en hij heeft geen vrije dagen met haar. Een meer flexibele regeling geeft de man meer ruimte om ook een weekend te hebben dat hij vrij kan inrichten. De man heeft een wisselend werkrooster dus daarmee moet ook rekening worden gehouden bij het bepalen van de regeling. Tijdens de zitting wordt door en namens de man naar voren gebracht dat de situatie hem zwaar valt. Hij voelt zich overbelast en dat heeft ook effect op [minderjarige] . Of hij zorgt voor [minderjarige] , of hij moet werken. De man heeft geen tijd om bij te komen en die tijd heeft hij wel nodig. Ook werkt hij minder om zo de vakantiedagen die hij heeft met [minderjarige] door te kunnen brengen. De man zou de zorgregeling graag gewijzigd willen zien. Hij komt hier niet samen met de vrouw uit omdat de vrouw wil vasthouden aan de huidige zorgregeling omdat zij die structuur het beste vindt voor [minderjarige] . De man is echter van mening dat [minderjarige] ook kan wennen aan een andere zorgregeling als voor iedereen maar duidelijk is wanneer [minderjarige] bij haar vader of moeder is. De man vindt zijn voorstel voor wijziging van de zorgregeling ook in het belang van [minderjarige] . Zo kan de man ook meer betrokken raken op school en bij het maken van speelafspraakjes met vriendjes en vriendinnetjes. 4.2. Door en namens de vrouw wordt in het verweerschrift het volgende aangevoerd. Partijen hebben binnen het Uniform Hulpaanbod over een aantal onderwerpen overeenstemming bereikt. De communicatie tussen partijen is verbeter en ook de overdrachtsmomenten verlopen goed. Desondanks blijven er knelpunten bestaan zoals wanneer [minderjarige] aan een nieuwe partner wordt voorgesteld en over de invulling van de definitieve zorgregeling. Het lukt partijen niet om overeenstemming te bereiken over een definitieve zorgregeling. De vrouw is van mening dat de zorgregeling niet steeds kan worden aangepast aan het werk- en het privéleven van de man. De vrouw vindt het niet in het belang van [minderjarige] om een zorgregeling vast te stellen op basis van het voorstel van de man. Daar zit te weinig structuur in. De huidige zorgregeling is het beste voor [minderjarige] en de vrouw wil dan ook dat deze zorgregeling als definitief wordt vastgelegd. Tijdens de zitting wordt door en namens de vrouw aangevoerd dat ze het jammer vindt dat partijen er niet samen zijn uitgekomen. De vrouw heeft best wel wat opties aan de man voorgelegd maar de man kon daar niet mee instemmen. Zo heeft de vrouw voorgesteld om de weekendregeling wat later in te laten gaan of eerder te laten stoppen zodat de man ook tijd voor zichzelf heeft zonder dat hij moet werken of voor [minderjarige] moet zorgen, maar daar is de man niet mee akkoord gegaan. Met het voorstel voor verdeling van de zomervakantie is de vrouw akkoord. De vrouw vindt het wel lastig dat niet ver van tevoren afspraken kunnen worden gemaakt over de verdeling van de feestdagen zoals de Kerst. Zij vindt het voor [minderjarige] beter dat ruim van tevoren bekend is wanneer zij bij ieder van de ouders is. 4.3. De Raad verklaart op zitting dat de door de hulpverlening gesignaleerde patronen tussen de ouders ook nu weer zichtbaar zijn. Het is voor [minderjarige] belangrijk dat er een heldere structuur in de zorgregeling zit. De regeling zoals de vrouw voorstelt is logischer qua structuur maar aan een regeling gebaseerd op het ploegenrooster van de man zou [minderjarige] op termijn ook kunnen wennen. Het is voor [minderjarige] ook belangrijk dat de man betrokken is bij haar school, dat hij haar kan ophalen en betrokken is bij speelafspraakjes. Er zijn verschillende mogelijkheden ten aanzien van de zorgregeling maar tegelijkertijd ook verschillende grenzen. De Raad kan geen advies geven over welke zorgregeling het meest in het belang van [minderjarige] is. De inhoudelijke beoordeling Gezag en informatie- en consultatieregeling 4.4. De rechtbank oordeelt als volgt. Gebleken is dat partijen het gezamenlijk gezag hebben laten aantekenen in het gezagsregister. Gelet hierop heeft de man geen belang meer bij zijn verzoek tot vaststelling van het gezamenlijk gezag en zijn verzoek tot vaststelling van een informatie- en consultatieregeling. De rechtbank zal deze verzoeken dan ook afwijzen. Zorgregeling 4.5. In artikel 1:253a lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) staat dat geschillen over het samen uitoefenen van het gezag op verzoek van een ouder of van de ouders aan de rechtbank kunnen worden voorgelegd. De rechtbank neemt dan een beslissing die zij in het belang van het kind vindt. De rechter moet eerst bekijken of de ouders met elkaar afspraken kunnen maken (artikel 1:253a lid 5 Burgerlijk Wetboek/BW). 4.6. De rechtbank oordeelt als volgt. Gebleken is dat het de ouders niet is gelukt samen afspraken te maken over een definitieve zorgregeling. Dit betekent dat de rechtbank een beslissing zal nemen op het verzoek van de man tot vaststelling van een definitieve zorgregeling. De man heeft gesteld dat hij de huidige indeling van zijn leven qua werk en de zorg voor [minderjarige] erg belastend vindt en dat hij tijd voor zichzelf nodig heeft om te herstellen. Dit heeft niet alleen een weerslag op hemzelf maar ook op [minderjarige] omdat zij merkt dat hij vermoeid is. De rechtbank kan dit standpunt van de man volgen. De rechtbank vindt het van belang dat de man echt de vader van [minderjarige] kan zijn, voldoende tijd met haar kan doorbrengen, echt betrokkenheid bij haar kan tonen en zich daarnaar kan gedragen. Dit belang van de man vindt de rechtbank zwaarder wegen dan het belang van de vrouw bij voortzetting van de huidige, voorlopige zorgregeling, dan wel vaststelling van een andere zorgregeling waarbij de zorg voor [minderjarige] meer rond de weekenden geconcentreerd zal zijn. Hoewel dit betekent dat de zorgregeling dan minder gestructureerd zal worden, denkt de Raad dat [minderjarige] hieraan kan wennen en dat dit goed uitgelegd kan worden. De rechtbank zal het verzoek van de man dan ook toewijzen en een zorgregeling vaststellen inhoudende dat de man de verzorgings- en opvoedtaken van [minderjarige] op zich neemt gedurende de volgende periodes: - als de man op woensdagochtend uit de nachtdienst komt, dan haalt hij [minderjarige] op woensdag om 17.00 uur op bij de vrouw. De vrouw haalt [minderjarige] op vrijdag om 17.00 uur bij de man. Als de man op maandagochtend uit de nachtdienst komt, dan haalt hij [minderjarige] op woensdag uit school. De vrouw haalt [minderjarige] op donderdag om 17.00 uur op bij de man. Als de man op vrijdagochtend uit de nachtdienst komt, dan haalt hij [minderjarige] op vrijdag om 17.00 uur op bij de vrouw. De vrouw haalt [minderjarige] op zondag om 17.00 uur op bij de man. - Een vakantieregeling vast te stellen tussen de man en [minderjarige] , inhoudende dat de man in 2026 de volgende periodes in de vakantie voor [minderjarige] zorgt: Meivakantie: van vrijdag 24 april 17.00 uur t/m vrijdag l mei 17.00 uur; Zomervakantie: van vrijdag 7 augustus 17.00 uur t/m vrijdag 21 augustus 17.00 uur; Kerstvakantie: van vrijdag 18 december 17.00 uur t/m donderdag 24 december 17.00 uur; Kerstdagen: als de man 'vrijgeloot' is, dan zorgt hij Eerste Kerstdag voor [minderjarige] en kan [minderjarige] - aansluitend op zijn week in de Kerstvakantie - bij hem blijven t/m vrijdag 25 december 20.00 uur. Als hij niet 'vrijgeloot' is, dan is de man Tweede Kerstdag vrij en kan hij voor [minderjarige] zorgen van10.00-20.00 uur. Een vakantieregeling vast te stellen partijen, waarbij de schoolvakanties en feestdagen na de Kerstvakantie 2026/2027 als volgt zijn verdeeld: In de voorjaarsvakantie verblijft [minderjarige] in de oneven jaren bij de man en in de even jaren bij de vrouw; In de meivakantie verblijft [minderjarige] in de oneven jaren de eerste week bij de man en de tweede week bij de vrouw. In de even jaren verblijft [minderjarige] de eerste week bij de vrouw en de tweede week bij de man. Indien de meivakantie slechts één week omvat, verblijft [minderjarige] deze week jaarlijks afwisselend bij ieder der ouders.
Volledig
Er wordt dus uitvoering gegeven aan de regeling die in de beschikking van 11 oktober 2023 is vastgelegd. De man ziet [minderjarige] alleen in de weekenden en hij heeft geen vrije dagen met haar. Een meer flexibele regeling geeft de man meer ruimte om ook een weekend te hebben dat hij vrij kan inrichten. De man heeft een wisselend werkrooster dus daarmee moet ook rekening worden gehouden bij het bepalen van de regeling. Tijdens de zitting wordt door en namens de man naar voren gebracht dat de situatie hem zwaar valt. Hij voelt zich overbelast en dat heeft ook effect op [minderjarige] . Of hij zorgt voor [minderjarige] , of hij moet werken. De man heeft geen tijd om bij te komen en die tijd heeft hij wel nodig. Ook werkt hij minder om zo de vakantiedagen die hij heeft met [minderjarige] door te kunnen brengen. De man zou de zorgregeling graag gewijzigd willen zien. Hij komt hier niet samen met de vrouw uit omdat de vrouw wil vasthouden aan de huidige zorgregeling omdat zij die structuur het beste vindt voor [minderjarige] . De man is echter van mening dat [minderjarige] ook kan wennen aan een andere zorgregeling als voor iedereen maar duidelijk is wanneer [minderjarige] bij haar vader of moeder is. De man vindt zijn voorstel voor wijziging van de zorgregeling ook in het belang van [minderjarige] . Zo kan de man ook meer betrokken raken op school en bij het maken van speelafspraakjes met vriendjes en vriendinnetjes. 4.2. Door en namens de vrouw wordt in het verweerschrift het volgende aangevoerd. Partijen hebben binnen het Uniform Hulpaanbod over een aantal onderwerpen overeenstemming bereikt. De communicatie tussen partijen is verbeter en ook de overdrachtsmomenten verlopen goed. Desondanks blijven er knelpunten bestaan zoals wanneer [minderjarige] aan een nieuwe partner wordt voorgesteld en over de invulling van de definitieve zorgregeling. Het lukt partijen niet om overeenstemming te bereiken over een definitieve zorgregeling. De vrouw is van mening dat de zorgregeling niet steeds kan worden aangepast aan het werk- en het privéleven van de man. De vrouw vindt het niet in het belang van [minderjarige] om een zorgregeling vast te stellen op basis van het voorstel van de man. Daar zit te weinig structuur in. De huidige zorgregeling is het beste voor [minderjarige] en de vrouw wil dan ook dat deze zorgregeling als definitief wordt vastgelegd. Tijdens de zitting wordt door en namens de vrouw aangevoerd dat ze het jammer vindt dat partijen er niet samen zijn uitgekomen. De vrouw heeft best wel wat opties aan de man voorgelegd maar de man kon daar niet mee instemmen. Zo heeft de vrouw voorgesteld om de weekendregeling wat later in te laten gaan of eerder te laten stoppen zodat de man ook tijd voor zichzelf heeft zonder dat hij moet werken of voor [minderjarige] moet zorgen, maar daar is de man niet mee akkoord gegaan. Met het voorstel voor verdeling van de zomervakantie is de vrouw akkoord. De vrouw vindt het wel lastig dat niet ver van tevoren afspraken kunnen worden gemaakt over de verdeling van de feestdagen zoals de Kerst. Zij vindt het voor [minderjarige] beter dat ruim van tevoren bekend is wanneer zij bij ieder van de ouders is. 4.3. De Raad verklaart op zitting dat de door de hulpverlening gesignaleerde patronen tussen de ouders ook nu weer zichtbaar zijn. Het is voor [minderjarige] belangrijk dat er een heldere structuur in de zorgregeling zit. De regeling zoals de vrouw voorstelt is logischer qua structuur maar aan een regeling gebaseerd op het ploegenrooster van de man zou [minderjarige] op termijn ook kunnen wennen. Het is voor [minderjarige] ook belangrijk dat de man betrokken is bij haar school, dat hij haar kan ophalen en betrokken is bij speelafspraakjes. Er zijn verschillende mogelijkheden ten aanzien van de zorgregeling maar tegelijkertijd ook verschillende grenzen. De Raad kan geen advies geven over welke zorgregeling het meest in het belang van [minderjarige] is. De inhoudelijke beoordeling Gezag en informatie- en consultatieregeling 4.4. De rechtbank oordeelt als volgt. Gebleken is dat partijen het gezamenlijk gezag hebben laten aantekenen in het gezagsregister. Gelet hierop heeft de man geen belang meer bij zijn verzoek tot vaststelling van het gezamenlijk gezag en zijn verzoek tot vaststelling van een informatie- en consultatieregeling. De rechtbank zal deze verzoeken dan ook afwijzen. Zorgregeling 4.5. In artikel 1:253a lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) staat dat geschillen over het samen uitoefenen van het gezag op verzoek van een ouder of van de ouders aan de rechtbank kunnen worden voorgelegd. De rechtbank neemt dan een beslissing die zij in het belang van het kind vindt. De rechter moet eerst bekijken of de ouders met elkaar afspraken kunnen maken (artikel 1:253a lid 5 Burgerlijk Wetboek/BW). 4.6. De rechtbank oordeelt als volgt. Gebleken is dat het de ouders niet is gelukt samen afspraken te maken over een definitieve zorgregeling. Dit betekent dat de rechtbank een beslissing zal nemen op het verzoek van de man tot vaststelling van een definitieve zorgregeling. De man heeft gesteld dat hij de huidige indeling van zijn leven qua werk en de zorg voor [minderjarige] erg belastend vindt en dat hij tijd voor zichzelf nodig heeft om te herstellen. Dit heeft niet alleen een weerslag op hemzelf maar ook op [minderjarige] omdat zij merkt dat hij vermoeid is. De rechtbank kan dit standpunt van de man volgen. De rechtbank vindt het van belang dat de man echt de vader van [minderjarige] kan zijn, voldoende tijd met haar kan doorbrengen, echt betrokkenheid bij haar kan tonen en zich daarnaar kan gedragen. Dit belang van de man vindt de rechtbank zwaarder wegen dan het belang van de vrouw bij voortzetting van de huidige, voorlopige zorgregeling, dan wel vaststelling van een andere zorgregeling waarbij de zorg voor [minderjarige] meer rond de weekenden geconcentreerd zal zijn. Hoewel dit betekent dat de zorgregeling dan minder gestructureerd zal worden, denkt de Raad dat [minderjarige] hieraan kan wennen en dat dit goed uitgelegd kan worden. De rechtbank zal het verzoek van de man dan ook toewijzen en een zorgregeling vaststellen inhoudende dat de man de verzorgings- en opvoedtaken van [minderjarige] op zich neemt gedurende de volgende periodes: - als de man op woensdagochtend uit de nachtdienst komt, dan haalt hij [minderjarige] op woensdag om 17.00 uur op bij de vrouw. De vrouw haalt [minderjarige] op vrijdag om 17.00 uur bij de man. Als de man op maandagochtend uit de nachtdienst komt, dan haalt hij [minderjarige] op woensdag uit school. De vrouw haalt [minderjarige] op donderdag om 17.00 uur op bij de man. Als de man op vrijdagochtend uit de nachtdienst komt, dan haalt hij [minderjarige] op vrijdag om 17.00 uur op bij de vrouw. De vrouw haalt [minderjarige] op zondag om 17.00 uur op bij de man. - Een vakantieregeling vast te stellen tussen de man en [minderjarige] , inhoudende dat de man in 2026 de volgende periodes in de vakantie voor [minderjarige] zorgt: Meivakantie: van vrijdag 24 april 17.00 uur t/m vrijdag l mei 17.00 uur; Zomervakantie: van vrijdag 7 augustus 17.00 uur t/m vrijdag 21 augustus 17.00 uur; Kerstvakantie: van vrijdag 18 december 17.00 uur t/m donderdag 24 december 17.00 uur; Kerstdagen: als de man 'vrijgeloot' is, dan zorgt hij Eerste Kerstdag voor [minderjarige] en kan [minderjarige] - aansluitend op zijn week in de Kerstvakantie - bij hem blijven t/m vrijdag 25 december 20.00 uur. Als hij niet 'vrijgeloot' is, dan is de man Tweede Kerstdag vrij en kan hij voor [minderjarige] zorgen van10.00-20.00 uur. Een vakantieregeling vast te stellen partijen, waarbij de schoolvakanties en feestdagen na de Kerstvakantie 2026/2027 als volgt zijn verdeeld: In de voorjaarsvakantie verblijft [minderjarige] in de oneven jaren bij de man en in de even jaren bij de vrouw; In de meivakantie verblijft [minderjarige] in de oneven jaren de eerste week bij de man en de tweede week bij de vrouw. In de even jaren verblijft [minderjarige] de eerste week bij de vrouw en de tweede week bij de man. Indien de meivakantie slechts één week omvat, verblijft [minderjarige] deze week jaarlijks afwisselend bij ieder der ouders.
Volledig
- In de zomervakantie verblijft [minderjarige] twee aaneengesloten weken bij de man en twee aaneengesloten weken bij de vrouw. De overige twee weken worden ingevuld conform de reguliere zorgregeling. Partijen hebben ieder om het jaar de mogelijkheid om hun voorkeursweken als eerste kenbaar te maken, waarbij het voor het werk van de man wel belangrijk is dat dit tijdig gebeurd. In de herfstvakantie verblijft [minderjarige] in de oneven jaren bij de vrouw en in de even jaren bij de man; In de kerstvakantie verblijft [minderjarige] in de oneven jaren de eerste week bij de vrouw en de tweede week bij de man. In de even jaren verblijft [minderjarige] de eerste week bij de man en de tweede week bij de vrouw. Er vindt daarnaast een verdeling van de kerstdagen plaats, afhankelijk van het rooster van de man. De man deelt onverwijld, doch uiterlijk binnen twee dagen na ontvangst van zijn rooster, op welke Kerstdag hij vrij is. Op die dag heeft hij ook de zorg over [minderjarige] . Oud & Nieuw wordt gevierd bij de ouder waar [minderjarige] conform de regeling is. - Op haar verjaardag is [minderjarige] in de even jaren bij de vrouw en in de oneven jaren bij de man. Uitvoerbaar bij voorraad 4.7. De rechtbank zal de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren. Dit betekent dat deze beslissing moet worden gevolgd ook als er hoger beroep wordt ingesteld. 5 De beslissing De rechtbank 5.1. bepaalt dat de man en [minderjarige] in het kader van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken recht hebben op contact met elkaar op de volgende wijze: - als de man op woensdagochtend uit de nachtdienst komt, dan haalt hij [minderjarige] op woensdag om 17.00 uur op bij de vrouw. De vrouw haalt [minderjarige] op vrijdag om 17.00 uur bij de man. Als de man op maandagochtend uit de nachtdienst komt, dan haalt hij [minderjarige] op woensdag uit school. De vrouw haalt [minderjarige] op donderdag om 17.00 uur op bij de man. Als de man op vrijdagochtend uit de nachtdienst komt, dan haalt hij [minderjarige] op vrijdag om 17.00 uur op bij de vrouw. De vrouw haalt [minderjarige] op zondag om 17.00 uur op bij de man. - Een vakantieregeling vast te stellen tussen de man en [minderjarige] , inhoudende dat de man in 2026 de volgende periodes in de vakantie voor [minderjarige] zorgt: Meivakantie: van vrijdag 24 april 17.00 uur t/m vrijdag l mei 17.00 uur; Zomervakantie: van vrijdag 7 augustus 17.00 uur t/m vrijdag 21 augustus 17.00 uur; Kerstvakantie: van vrijdag 18 december 17.00 uur t/m donderdag 24 december 17.00 uur; Kerstdagen: als de man 'vrijgeloot' is, dan zorgt hij Eerste Kerstdag voor [minderjarige] en kan [minderjarige] - aansluitend op zijn week in de Kerstvakantie - bij hem blijven t/m vrijdag 25 december 20.00 uur. Als hij niet 'vrijgeloot' is, dan is de man Tweede Kerstdag vrij en kan hij voor [minderjarige] zorgen van10.00-20.00 uur. Een vakantieregeling vast te stellen partijen, waarbij de schoolvakanties en feestdagen na de Kerstvakantie 2026/2027 als volgt zijn verdeeld: In de voorjaarsvakantie verblijft [minderjarige] in de oneven jaren bij de man en in de even jaren bij de vrouw; In de meivakantie verblijft [minderjarige] in de oneven jaren de eerste week bij de man en de tweede week bij de vrouw. In de even jaren verblijft [minderjarige] de eerste week bij de vrouw en de tweede week bij de man. Indien de meivakantie slechts één week omvat, verblijft [minderjarige] deze week jaarlijks afwisselend bij ieder der ouders. - In de zomervakantie verblijft [minderjarige] twee aaneengesloten weken bij de man en twee aaneengesloten weken bij de vrouw. De overige twee weken worden ingevuld conform de reguliere zorgregeling. Partijen hebben ieder om het jaar de mogelijkheid om hun voorkeursweken als eerste kenbaar te maken, waarbij het voor het werk van de man wel belangrijk is dat dit tijdig gebeurd. In de herfstvakantie verblijft [minderjarige] in de oneven jaren bij de vrouw en in de even jaren bij de man; In de kerstvakantie verblijft [minderjarige] in de oneven jaren de eerste week bij de vrouw en de tweede week bij de man. In de even jaren verblijft [minderjarige] de eerste week bij de man en de tweede week bij de vrouw. Er vindt daarnaast een verdeling van de kerstdagen plaats, afhankelijk van het rooster van de man. De man deelt onverwijld, doch uiterlijk binnen twee dagen na ontvangst van zijn rooster, op welke Kerstdag hij vrij is. Op die dag heeft hij ook de zorg over [minderjarige] . Oud & Nieuw wordt gevierd bij de ouder waar [minderjarige] conform de regeling is. - Op haar verjaardag is [minderjarige] in de even jaren bij de vrouw en in de oneven jaren bij de man; 5.2. verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad; 5.3. wijst het meer of anders verzochte af. Deze beschikking is gegeven door mr. De Beer, en in het openbaar uitgesproken op 31 maart 2026 in aanwezigheid van mr. Duerink-Bottinga, griffier. Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld: door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak, door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden. Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch.
Volledig
- In de zomervakantie verblijft [minderjarige] twee aaneengesloten weken bij de man en twee aaneengesloten weken bij de vrouw. De overige twee weken worden ingevuld conform de reguliere zorgregeling. Partijen hebben ieder om het jaar de mogelijkheid om hun voorkeursweken als eerste kenbaar te maken, waarbij het voor het werk van de man wel belangrijk is dat dit tijdig gebeurd. In de herfstvakantie verblijft [minderjarige] in de oneven jaren bij de vrouw en in de even jaren bij de man; In de kerstvakantie verblijft [minderjarige] in de oneven jaren de eerste week bij de vrouw en de tweede week bij de man. In de even jaren verblijft [minderjarige] de eerste week bij de man en de tweede week bij de vrouw. Er vindt daarnaast een verdeling van de kerstdagen plaats, afhankelijk van het rooster van de man. De man deelt onverwijld, doch uiterlijk binnen twee dagen na ontvangst van zijn rooster, op welke Kerstdag hij vrij is. Op die dag heeft hij ook de zorg over [minderjarige] . Oud & Nieuw wordt gevierd bij de ouder waar [minderjarige] conform de regeling is. - Op haar verjaardag is [minderjarige] in de even jaren bij de vrouw en in de oneven jaren bij de man. Uitvoerbaar bij voorraad 4.7. De rechtbank zal de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren. Dit betekent dat deze beslissing moet worden gevolgd ook als er hoger beroep wordt ingesteld. 5 De beslissing De rechtbank 5.1. bepaalt dat de man en [minderjarige] in het kader van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken recht hebben op contact met elkaar op de volgende wijze: - als de man op woensdagochtend uit de nachtdienst komt, dan haalt hij [minderjarige] op woensdag om 17.00 uur op bij de vrouw. De vrouw haalt [minderjarige] op vrijdag om 17.00 uur bij de man. Als de man op maandagochtend uit de nachtdienst komt, dan haalt hij [minderjarige] op woensdag uit school. De vrouw haalt [minderjarige] op donderdag om 17.00 uur op bij de man. Als de man op vrijdagochtend uit de nachtdienst komt, dan haalt hij [minderjarige] op vrijdag om 17.00 uur op bij de vrouw. De vrouw haalt [minderjarige] op zondag om 17.00 uur op bij de man. - Een vakantieregeling vast te stellen tussen de man en [minderjarige] , inhoudende dat de man in 2026 de volgende periodes in de vakantie voor [minderjarige] zorgt: Meivakantie: van vrijdag 24 april 17.00 uur t/m vrijdag l mei 17.00 uur; Zomervakantie: van vrijdag 7 augustus 17.00 uur t/m vrijdag 21 augustus 17.00 uur; Kerstvakantie: van vrijdag 18 december 17.00 uur t/m donderdag 24 december 17.00 uur; Kerstdagen: als de man 'vrijgeloot' is, dan zorgt hij Eerste Kerstdag voor [minderjarige] en kan [minderjarige] - aansluitend op zijn week in de Kerstvakantie - bij hem blijven t/m vrijdag 25 december 20.00 uur. Als hij niet 'vrijgeloot' is, dan is de man Tweede Kerstdag vrij en kan hij voor [minderjarige] zorgen van10.00-20.00 uur. Een vakantieregeling vast te stellen partijen, waarbij de schoolvakanties en feestdagen na de Kerstvakantie 2026/2027 als volgt zijn verdeeld: In de voorjaarsvakantie verblijft [minderjarige] in de oneven jaren bij de man en in de even jaren bij de vrouw; In de meivakantie verblijft [minderjarige] in de oneven jaren de eerste week bij de man en de tweede week bij de vrouw. In de even jaren verblijft [minderjarige] de eerste week bij de vrouw en de tweede week bij de man. Indien de meivakantie slechts één week omvat, verblijft [minderjarige] deze week jaarlijks afwisselend bij ieder der ouders. - In de zomervakantie verblijft [minderjarige] twee aaneengesloten weken bij de man en twee aaneengesloten weken bij de vrouw. De overige twee weken worden ingevuld conform de reguliere zorgregeling. Partijen hebben ieder om het jaar de mogelijkheid om hun voorkeursweken als eerste kenbaar te maken, waarbij het voor het werk van de man wel belangrijk is dat dit tijdig gebeurd. In de herfstvakantie verblijft [minderjarige] in de oneven jaren bij de vrouw en in de even jaren bij de man; In de kerstvakantie verblijft [minderjarige] in de oneven jaren de eerste week bij de vrouw en de tweede week bij de man. In de even jaren verblijft [minderjarige] de eerste week bij de man en de tweede week bij de vrouw. Er vindt daarnaast een verdeling van de kerstdagen plaats, afhankelijk van het rooster van de man. De man deelt onverwijld, doch uiterlijk binnen twee dagen na ontvangst van zijn rooster, op welke Kerstdag hij vrij is. Op die dag heeft hij ook de zorg over [minderjarige] . Oud & Nieuw wordt gevierd bij de ouder waar [minderjarige] conform de regeling is. - Op haar verjaardag is [minderjarige] in de even jaren bij de vrouw en in de oneven jaren bij de man; 5.2. verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad; 5.3. wijst het meer of anders verzochte af. Deze beschikking is gegeven door mr. De Beer, en in het openbaar uitgesproken op 31 maart 2026 in aanwezigheid van mr. Duerink-Bottinga, griffier. Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld: door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak, door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden. Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch.