Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2026-03-31
ECLI:NL:RBZWB:2026:3584
Civiel recht; Personen- en familierecht
Rekestprocedure
2,713 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBZWB:2026:3584 text/xml public 2026-05-18T12:03:20 2026-05-01 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Zeeland-West-Brabant 2026-03-31 C/02/430643 FA RK 25-130 Uitspraak Rekestprocedure NL Breda Civiel recht; Personen- en familierecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:3584 text/html public 2026-05-18T12:02:57 2026-05-18 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBZWB:2026:3584 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 31-03-2026 / C/02/430643 FA RK 25-130 Overeenstemming over de zorgregeling na negatief UHA-traject en advies van de Raad voor de Kinderbescherming. RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Team Familie- en Jeugdrecht Breda Zaaknummer: C/02/430643 FA RK 25-130 Datum uitspraak: 31 maart 2026 nadere beschikking betreffende verdeling van de zorg- en opvoedingstaken in de zaak van [de man] , wonende te [plaats 1] , gemeente Oisterwijk, hierna te noemen de man, advocaat mr. A. Zonnenberg, en [de vrouw] , wonende te [plaats 2] , hierna te noemen de vrouw, advocaat mr. A.W.J. Vugs, 1 Het verloop van het geding 1.1 Dit blijkt uit de volgende stukken: - de beschikking van de rechtbank van 29 april 2025; - de brief van het loket van de samenwerkende gemeenten van 24 november 2025 met bijlagen; - de brief van de Raad voor de Kinderbescherming van 27 januari 2026; - de brief van mr. Vugs van 16 februari 2026; - de brief van mr. Zonnenberg van 16 februari 2026. 2 De nadere beoordeling 2.1 Bij voormelde beschikking is artikel 4.2 van het door partijen ondertekende ouderschapsplan gewijzigd ten aanzien van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken in de zomervakanties. Daarnaast zijn partijen en hun kinderen verwezen naar het loket van de samenwerkende gemeenten (hierna: loket) voor een (jeugd)hulptraject ten behoeve van de in voormelde beschikking genoemde resultaten. Verder is de door partijen in december 2023 overeengekomen tijdelijke, reguliere zorgregeling gewijzigd in die zin dat de man en de minderjarigen voorlopig, in afwachting van de uitkomst van het hulpverleningstraject, in het kader van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken gerechtigd zullen zijn tot het hebben van contact met elkaar om de week, gedurende een week, waarbij het wisselmoment op maandagochtend plaatsvindt en de wisseling van de spullen van de kinderen op maandag door de ouders plaatsvindt. De definitieve beslissing op het verzoek van de man tot wijziging van de overeengekomen zorgregeling is aangehouden. 2.2 Uit voormelde brief van het loket en het als bijlage toegevoegde rapport van de zorgaanbieder blijkt dat de resultaten niet zijn behaald, omdat het hulpverleningstraject niet van de grond is gekomen. Het rapport is door het loket ook naar de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad) verzonden. 2.3 De Raad geeft aan dat er weliswaar binnen het UHA-traject geen hulpverlening is gestart, maar dat er geen zorgen naar voren zijn gekomen waarvoor een onderzoek van de Raad nodig is. Het is in het belang van de kinderen dat er duidelijkheid komt over de zorgregeling. De Raad adviseert daarom een eindbeslissing te nemen betreffende de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken en wel zodanig dat de huidige co-ouderschapregeling wordt vastgelegd, met als wisselmoment zondagavond. 2.4 De vrouw heeft de rechtbank bij brief van 16 februari 2026 bericht dat zij kennis heeft genomen van het advies van de Raad. Zij geeft naar aanleiding van dit advies aan geen behoefte te hebben aan een nadere mondelinge behandeling en verzoekt om nu een eindbeschikking af te geven. 2.5 De man heeft bij brief van 16 februari 2026 aangegeven akkoord te zijn met het advies van de Raad. Ook wat de man betreft kan de huidige regeling in een definitieve beschikking worden vastgelegd, zonder dat er nog een mondeling behandeling plaatsvindt. 2.6 Uit voormelde brieven leidt de rechtbank af dat partijen overeenstemming hebben bereikt over de (reguliere) zorgregeling. Deze overeenstemming komt de rechtbank niet ongegrond voor en zal op onderstaande wijze worden toegewezen. Daarbij heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat zij deze regeling ook in het belang van de minderjarigen acht. 3 De beslissing De rechtbank: wijzigt de door partijen in december 2023 overeengekomen tijdelijke, reguliere zorgregeling in die zin dat de man en de minderjarigen 1. [minderjarige 1] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 1] 2012, 2. [minderjarige 2] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 2] 2014, in het kader van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken gerechtigd zijn tot het hebben van contact met elkaar om de week, gedurende een week, waarbij het wisselmoment op zondagavond plaatsvindt; verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad; wijst het meer of anders verzochte af. Deze beschikking is gegeven door mr. Van de Kraats, en in tegenwoordigheid van mr. Maas-Klink, griffier, in het openbaar uitgesproken op 31 maart 2026. Mededeling van de griffier : Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld: door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak, door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden. Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch.
Volledig
ECLI:NL:RBZWB:2026:3584 text/xml public 2026-05-18T12:03:20 2026-05-01 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Zeeland-West-Brabant 2026-03-31 C/02/430643 FA RK 25-130 Uitspraak Rekestprocedure NL Breda Civiel recht; Personen- en familierecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:3584 text/html public 2026-05-18T12:02:57 2026-05-18 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBZWB:2026:3584 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 31-03-2026 / C/02/430643 FA RK 25-130 Overeenstemming over de zorgregeling na negatief UHA-traject en advies van de Raad voor de Kinderbescherming. RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Team Familie- en Jeugdrecht Breda Zaaknummer: C/02/430643 FA RK 25-130 Datum uitspraak: 31 maart 2026 nadere beschikking betreffende verdeling van de zorg- en opvoedingstaken in de zaak van [de man] , wonende te [plaats 1] , gemeente Oisterwijk, hierna te noemen de man, advocaat mr. A. Zonnenberg, en [de vrouw] , wonende te [plaats 2] , hierna te noemen de vrouw, advocaat mr. A.W.J. Vugs, 1 Het verloop van het geding 1.1 Dit blijkt uit de volgende stukken: - de beschikking van de rechtbank van 29 april 2025; - de brief van het loket van de samenwerkende gemeenten van 24 november 2025 met bijlagen; - de brief van de Raad voor de Kinderbescherming van 27 januari 2026; - de brief van mr. Vugs van 16 februari 2026; - de brief van mr. Zonnenberg van 16 februari 2026. 2 De nadere beoordeling 2.1 Bij voormelde beschikking is artikel 4.2 van het door partijen ondertekende ouderschapsplan gewijzigd ten aanzien van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken in de zomervakanties. Daarnaast zijn partijen en hun kinderen verwezen naar het loket van de samenwerkende gemeenten (hierna: loket) voor een (jeugd)hulptraject ten behoeve van de in voormelde beschikking genoemde resultaten. Verder is de door partijen in december 2023 overeengekomen tijdelijke, reguliere zorgregeling gewijzigd in die zin dat de man en de minderjarigen voorlopig, in afwachting van de uitkomst van het hulpverleningstraject, in het kader van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken gerechtigd zullen zijn tot het hebben van contact met elkaar om de week, gedurende een week, waarbij het wisselmoment op maandagochtend plaatsvindt en de wisseling van de spullen van de kinderen op maandag door de ouders plaatsvindt. De definitieve beslissing op het verzoek van de man tot wijziging van de overeengekomen zorgregeling is aangehouden. 2.2 Uit voormelde brief van het loket en het als bijlage toegevoegde rapport van de zorgaanbieder blijkt dat de resultaten niet zijn behaald, omdat het hulpverleningstraject niet van de grond is gekomen. Het rapport is door het loket ook naar de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad) verzonden. 2.3 De Raad geeft aan dat er weliswaar binnen het UHA-traject geen hulpverlening is gestart, maar dat er geen zorgen naar voren zijn gekomen waarvoor een onderzoek van de Raad nodig is. Het is in het belang van de kinderen dat er duidelijkheid komt over de zorgregeling. De Raad adviseert daarom een eindbeslissing te nemen betreffende de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken en wel zodanig dat de huidige co-ouderschapregeling wordt vastgelegd, met als wisselmoment zondagavond. 2.4 De vrouw heeft de rechtbank bij brief van 16 februari 2026 bericht dat zij kennis heeft genomen van het advies van de Raad. Zij geeft naar aanleiding van dit advies aan geen behoefte te hebben aan een nadere mondelinge behandeling en verzoekt om nu een eindbeschikking af te geven. 2.5 De man heeft bij brief van 16 februari 2026 aangegeven akkoord te zijn met het advies van de Raad. Ook wat de man betreft kan de huidige regeling in een definitieve beschikking worden vastgelegd, zonder dat er nog een mondeling behandeling plaatsvindt. 2.6 Uit voormelde brieven leidt de rechtbank af dat partijen overeenstemming hebben bereikt over de (reguliere) zorgregeling. Deze overeenstemming komt de rechtbank niet ongegrond voor en zal op onderstaande wijze worden toegewezen. Daarbij heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat zij deze regeling ook in het belang van de minderjarigen acht. 3 De beslissing De rechtbank: wijzigt de door partijen in december 2023 overeengekomen tijdelijke, reguliere zorgregeling in die zin dat de man en de minderjarigen 1. [minderjarige 1] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 1] 2012, 2. [minderjarige 2] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 2] 2014, in het kader van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken gerechtigd zijn tot het hebben van contact met elkaar om de week, gedurende een week, waarbij het wisselmoment op zondagavond plaatsvindt; verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad; wijst het meer of anders verzochte af. Deze beschikking is gegeven door mr. Van de Kraats, en in tegenwoordigheid van mr. Maas-Klink, griffier, in het openbaar uitgesproken op 31 maart 2026. Mededeling van de griffier : Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld: door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak, door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden. Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch.