Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2026-03-31
ECLI:NL:RBZWB:2026:3581
Civiel recht; Personen- en familierecht
Rekestprocedure
7,905 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBZWB:2026:3581 text/xml public 2026-05-18T11:59:49 2026-05-01 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Zeeland-West-Brabant 2026-03-31 C/02/424472 / FA RK 24-3188 Uitspraak Rekestprocedure NL Middelburg Civiel recht; Personen- en familierecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:3581 text/html public 2026-05-18T11:59:16 2026-05-18 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBZWB:2026:3581 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 31-03-2026 / C/02/424472 / FA RK 24-3188 Afwijzing verzoeken vervangende toestemming erkenning en gezag, vaststelling zorgregeling beschikking RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Team Familie- en Jeugdrecht Zittingsplaats: Middelburg Zaaknummer: C/02/424472 / FA RK 24-3188 datum uitspraak: 31 maart 2026 beschikking over vaststelling omgang, gezamenlijk gezag en vervangende toestemming erkenning in de zaak van [de vrouw] , hierna: de vrouw, wonende in [plaats] , advocaat: mr. I.H.T.J. Anthonise-Gieling in Goes, tegen [de man] , hierna: de man, wonende in [plaats] , advocaat: mr. M.A. Breewel-Witteveen in Goes, over de minderjarigen: - [minderjarige 1] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 1] 2015, hierna: [minderjarige 1] ; - [minderjarige 2] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 2] 2016, hierna: [minderjarige 2] ; - [minderjarige 3] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 3] 2020, hierna: [minderjarige 3] ; - [minderjarige 4] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 4] 2022, hierna: [minderjarige 4] . Ten aanzien van het afstammingsverzoek wordt als belanghebbende in deze aangemerkt: - [minderjarige 1] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 1] 2015, vertegenwoordigd door mr. M.P. Kapteijn in haar hoedanigheid van bijzondere curator. Op grond van artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering heeft de Raad voor de Kinderbescherming, Zeeland-West-Brabant, locatie Middelburg, hierna: de Raad, de rechtbank over het verzoek geadviseerd. Informant in deze procedure is: de Stichting Jeugdbescherming west Zeeland , hierna te noemen de gecertificeerde instelling (GI), gevestigd in Middelburg. 1 Het procesverloop 1.1. In het dossier zitten de volgende stukken: - het op 2 juli 2024 ontvangen verzoek, met bijlagen; - het op 22 augustus 2024 ontvangen verweerschrift met bijlagen; - het rapport van de Raad van 19 mei 2025; - de beschikking van deze rechtbank van 29 oktober 2025 tot benoeming van de bijzondere curator; - het verslag van de bijzondere curator van 20 november 2025. Na de zitting zijn ontvangen: het F9-formulier van mr. Breewel-Witteveen van 12 januari 2026; de brief van de GI van 19 januari 2026; het bericht van mr. Breewel-Witteveen van 19 februari 2026, met bijlage. 1.2. De verzoeken zijn mondeling behandeld op 1 december 2025, gelijktijdig met de behandeling van het verzoek van de GI tot verlenging van de ondertoezichtstelling, bekend onder zaak- en rekestnummer C/02/440648 / JE RK 25-1817 en met het verzoek van de GI tot vaststelling van een omgangsregeling, bekend onder zaak- en rekestnummer C/02/440975 / JE RK 25-1878 . Bij die behandeling is gekomen de man, met zijn advocaat, alsmede de vrouw. Ook waren aanwezig de bijzondere curator, twee vertegenwoordigers van de GI en een vertegenwoordiger namens de Raad. 1.3. Voor deze zitting heeft de rechtbank gesproken met [minderjarige 1] en [minderjarige 2] over de verzoeken. 2 De feiten 2.1. Partijen hebben met elkaar een relatie gehad. Uit deze relatie zijn [minderjarige 1] , [minderjarige 2] , [minderjarige 3] en [minderjarige 4] geboren. 2.2. De minderjarigen verblijven bij de vrouw. 2.3. De man heeft [minderjarige 2] , [minderjarige 3] en [minderjarige 4] erkend. 2.4. Partijen hebben samen het gezag over de minderjarigen. 2.5. Bij vonnis in kort geding van 16 juli 2024 hebben partijen afspraken gemaakt over een voorlopige omgangsregeling tussen de man en de minderjarigen en zijn partijen veroordeeld tot nakoming van de tussen hen gemaakte afspraken. Eveneens is bij dit vonnis de Raad de opdracht gegeven een onderzoek te starten ten behoeve van onderhavige procedure. 2.6. Bij beschikking van de kinderrechter in deze rechtbank van 12 juni 2025 zijn de minderjarigen onder toezicht gesteld van de GI van 12 juni 2025 tot 12 december 2025. De ondertoezichtstelling is laatstelijk verlengd tot 12 december 2026. 2.7. Bij beschikking van 1 december 2025 is een omgangsregeling tussen de man en [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] en een zorgregeling tussen de man en [minderjarige 4] vastgesteld die inhoudt: - Ouders willen een co-ouderschap waarbij iedereen 50/50 van de tijd met de kinderen krijgt; - Ouders zullen zelf met elkaar maandelijks een rooster maken waarbij rekening wordt gehouden met de werktijden van moeder; - Hierbij zullen ze door middel van een kalender aangeven wanneer de kinderen bij wie zijn zodat het voor de kinderen duidelijk en overzichtelijk is; - Ouders overleggen zelf wie voor het vervoer naar de andere ouder zorgt; - Ouders zullen met elkaar in overleg gaan wanneer een kind extra aandacht nodig heeft; - Er wordt onderling overlegd als er medische zorg nodig is, kosten gemaakt moeten worden, lid worden van een club of vereniging of andere beslissingen moeten worden genomen; - De was van de kinderen worden door beide ouders gedaan. Ze geven aan dat dit in overleg met elkaar afgesproken wordt. 3 De verzoeken en de standpunten 3.1. De vrouw verzoekt voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad te bepalen, dat de man een keer in de veertien dagen van vrijdagavond t/m zondagavond omgang heeft met de kinderen dan wel subsidiair een zodanige omgangsregeling als de rechtbank juist acht. 3.2. De man is het niet eens met het verzoek van de vrouw en verzoekt dit verzoek af te wijzen. De man verzoekt zelfstandig: - te benoemen ex. artikel 1:212 BW, tot bijzondere curator mr. [minderjarige 4] , advocaat kantoor houdende te Middelburg; - vader vervangende toestemming te verlenen, welke toestemming in de plaats komt van de toestemming van moeder, [minderjarige 1] , geboren op [geboortedag 1] 2015 te [geboorteplaats] te erkennen ten overstaan van de Ambtenaar van de Burgerlijke stand; - vast te stellen dat vader en moeder voortaan gezamenlijk het ouderlijk gezag uitoefenen over [minderjarige 1] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 1] 2015, [minderjarige 2] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 2] 2016, [minderjarige 3] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 3] 2020 en [minderjarige 4] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 4] 2022; primair vast te stellen dat voormelde minderjarigen afwisselend de ene week bij vader verblijven en de andere week bij moeder waarbij het wisselmoment plaatsvindt steeds op zondagavond 19:30 uur waarbij de ouder bij wie de kinderen op dat moment gedurende een week hebben verbleven, hen naar de andere ouder brengt; subsidiair vast te stellen dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] afwisselend de ene week bij vader ver- blijven en de andere week bij moeder waarbij het wisselmoment plaatsvindt steeds op zondagavond 19:30 uur en dat [minderjarige 3] en [minderjarige 4] 1 weekend per 14 dagen van vrijdagavond 19:30 uur tot zondagavond 19:30 uur bij vader verblijven en eens per 14 dagen van dinsdagmiddag 14:00 uur tot donderdag 14:00 uur waarbij de ouder bij wie de kinderen op dat moment gedurende een week hebben verbleven, hen naar de andere ouder brengt; - meer subsidiair vast te stellen dat [minderjarige 1] , [minderjarige 2] , [minderjarige 3] en [minderjarige 4] elke dinsdagmiddag na schooltijd tot dinsdagavond 19:30 uur en elke donderdagmiddag na schooltijd tot donderdagavond 19:30 uur, bij vader verblijven alsmede gedurende één weekend per veertien dagen van vrijdagavond 19:30 uur tot zondagavond 19:30 uur, dan wel een dusdanige omgangsregeling als uw rechtbank in goede justitie meent te moeten behoren. 3.3. Op de standpunten van alle betrokkenen wordt, voor zover nodig om de verzoeken te beoordelen, hierna ingegaan. 4 De beoordeling 4.1. Door en namens de vrouw is in het verzoekschrift het volgende naar voren gebracht. De man heeft de jongste drie kinderen erkend, maar oefent niet het gezag over hen uit.
Volledig
ECLI:NL:RBZWB:2026:3581 text/xml public 2026-05-18T11:59:49 2026-05-01 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Zeeland-West-Brabant 2026-03-31 C/02/424472 / FA RK 24-3188 Uitspraak Rekestprocedure NL Middelburg Civiel recht; Personen- en familierecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:3581 text/html public 2026-05-18T11:59:16 2026-05-18 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBZWB:2026:3581 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 31-03-2026 / C/02/424472 / FA RK 24-3188 Afwijzing verzoeken vervangende toestemming erkenning en gezag, vaststelling zorgregeling beschikking RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Team Familie- en Jeugdrecht Zittingsplaats: Middelburg Zaaknummer: C/02/424472 / FA RK 24-3188 datum uitspraak: 31 maart 2026 beschikking over vaststelling omgang, gezamenlijk gezag en vervangende toestemming erkenning in de zaak van [de vrouw] , hierna: de vrouw, wonende in [plaats] , advocaat: mr. I.H.T.J. Anthonise-Gieling in Goes, tegen [de man] , hierna: de man, wonende in [plaats] , advocaat: mr. M.A. Breewel-Witteveen in Goes, over de minderjarigen: - [minderjarige 1] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 1] 2015, hierna: [minderjarige 1] ; - [minderjarige 2] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 2] 2016, hierna: [minderjarige 2] ; - [minderjarige 3] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 3] 2020, hierna: [minderjarige 3] ; - [minderjarige 4] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 4] 2022, hierna: [minderjarige 4] . Ten aanzien van het afstammingsverzoek wordt als belanghebbende in deze aangemerkt: - [minderjarige 1] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 1] 2015, vertegenwoordigd door mr. M.P. Kapteijn in haar hoedanigheid van bijzondere curator. Op grond van artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering heeft de Raad voor de Kinderbescherming, Zeeland-West-Brabant, locatie Middelburg, hierna: de Raad, de rechtbank over het verzoek geadviseerd. Informant in deze procedure is: de Stichting Jeugdbescherming west Zeeland , hierna te noemen de gecertificeerde instelling (GI), gevestigd in Middelburg. 1 Het procesverloop 1.1. In het dossier zitten de volgende stukken: - het op 2 juli 2024 ontvangen verzoek, met bijlagen; - het op 22 augustus 2024 ontvangen verweerschrift met bijlagen; - het rapport van de Raad van 19 mei 2025; - de beschikking van deze rechtbank van 29 oktober 2025 tot benoeming van de bijzondere curator; - het verslag van de bijzondere curator van 20 november 2025. Na de zitting zijn ontvangen: het F9-formulier van mr. Breewel-Witteveen van 12 januari 2026; de brief van de GI van 19 januari 2026; het bericht van mr. Breewel-Witteveen van 19 februari 2026, met bijlage. 1.2. De verzoeken zijn mondeling behandeld op 1 december 2025, gelijktijdig met de behandeling van het verzoek van de GI tot verlenging van de ondertoezichtstelling, bekend onder zaak- en rekestnummer C/02/440648 / JE RK 25-1817 en met het verzoek van de GI tot vaststelling van een omgangsregeling, bekend onder zaak- en rekestnummer C/02/440975 / JE RK 25-1878 . Bij die behandeling is gekomen de man, met zijn advocaat, alsmede de vrouw. Ook waren aanwezig de bijzondere curator, twee vertegenwoordigers van de GI en een vertegenwoordiger namens de Raad. 1.3. Voor deze zitting heeft de rechtbank gesproken met [minderjarige 1] en [minderjarige 2] over de verzoeken. 2 De feiten 2.1. Partijen hebben met elkaar een relatie gehad. Uit deze relatie zijn [minderjarige 1] , [minderjarige 2] , [minderjarige 3] en [minderjarige 4] geboren. 2.2. De minderjarigen verblijven bij de vrouw. 2.3. De man heeft [minderjarige 2] , [minderjarige 3] en [minderjarige 4] erkend. 2.4. Partijen hebben samen het gezag over de minderjarigen. 2.5. Bij vonnis in kort geding van 16 juli 2024 hebben partijen afspraken gemaakt over een voorlopige omgangsregeling tussen de man en de minderjarigen en zijn partijen veroordeeld tot nakoming van de tussen hen gemaakte afspraken. Eveneens is bij dit vonnis de Raad de opdracht gegeven een onderzoek te starten ten behoeve van onderhavige procedure. 2.6. Bij beschikking van de kinderrechter in deze rechtbank van 12 juni 2025 zijn de minderjarigen onder toezicht gesteld van de GI van 12 juni 2025 tot 12 december 2025. De ondertoezichtstelling is laatstelijk verlengd tot 12 december 2026. 2.7. Bij beschikking van 1 december 2025 is een omgangsregeling tussen de man en [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] en een zorgregeling tussen de man en [minderjarige 4] vastgesteld die inhoudt: - Ouders willen een co-ouderschap waarbij iedereen 50/50 van de tijd met de kinderen krijgt; - Ouders zullen zelf met elkaar maandelijks een rooster maken waarbij rekening wordt gehouden met de werktijden van moeder; - Hierbij zullen ze door middel van een kalender aangeven wanneer de kinderen bij wie zijn zodat het voor de kinderen duidelijk en overzichtelijk is; - Ouders overleggen zelf wie voor het vervoer naar de andere ouder zorgt; - Ouders zullen met elkaar in overleg gaan wanneer een kind extra aandacht nodig heeft; - Er wordt onderling overlegd als er medische zorg nodig is, kosten gemaakt moeten worden, lid worden van een club of vereniging of andere beslissingen moeten worden genomen; - De was van de kinderen worden door beide ouders gedaan. Ze geven aan dat dit in overleg met elkaar afgesproken wordt. 3 De verzoeken en de standpunten 3.1. De vrouw verzoekt voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad te bepalen, dat de man een keer in de veertien dagen van vrijdagavond t/m zondagavond omgang heeft met de kinderen dan wel subsidiair een zodanige omgangsregeling als de rechtbank juist acht. 3.2. De man is het niet eens met het verzoek van de vrouw en verzoekt dit verzoek af te wijzen. De man verzoekt zelfstandig: - te benoemen ex. artikel 1:212 BW, tot bijzondere curator mr. [minderjarige 4] , advocaat kantoor houdende te Middelburg; - vader vervangende toestemming te verlenen, welke toestemming in de plaats komt van de toestemming van moeder, [minderjarige 1] , geboren op [geboortedag 1] 2015 te [geboorteplaats] te erkennen ten overstaan van de Ambtenaar van de Burgerlijke stand; - vast te stellen dat vader en moeder voortaan gezamenlijk het ouderlijk gezag uitoefenen over [minderjarige 1] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 1] 2015, [minderjarige 2] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 2] 2016, [minderjarige 3] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 3] 2020 en [minderjarige 4] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 4] 2022; primair vast te stellen dat voormelde minderjarigen afwisselend de ene week bij vader verblijven en de andere week bij moeder waarbij het wisselmoment plaatsvindt steeds op zondagavond 19:30 uur waarbij de ouder bij wie de kinderen op dat moment gedurende een week hebben verbleven, hen naar de andere ouder brengt; subsidiair vast te stellen dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] afwisselend de ene week bij vader ver- blijven en de andere week bij moeder waarbij het wisselmoment plaatsvindt steeds op zondagavond 19:30 uur en dat [minderjarige 3] en [minderjarige 4] 1 weekend per 14 dagen van vrijdagavond 19:30 uur tot zondagavond 19:30 uur bij vader verblijven en eens per 14 dagen van dinsdagmiddag 14:00 uur tot donderdag 14:00 uur waarbij de ouder bij wie de kinderen op dat moment gedurende een week hebben verbleven, hen naar de andere ouder brengt; - meer subsidiair vast te stellen dat [minderjarige 1] , [minderjarige 2] , [minderjarige 3] en [minderjarige 4] elke dinsdagmiddag na schooltijd tot dinsdagavond 19:30 uur en elke donderdagmiddag na schooltijd tot donderdagavond 19:30 uur, bij vader verblijven alsmede gedurende één weekend per veertien dagen van vrijdagavond 19:30 uur tot zondagavond 19:30 uur, dan wel een dusdanige omgangsregeling als uw rechtbank in goede justitie meent te moeten behoren. 3.3. Op de standpunten van alle betrokkenen wordt, voor zover nodig om de verzoeken te beoordelen, hierna ingegaan. 4 De beoordeling 4.1. Door en namens de vrouw is in het verzoekschrift het volgende naar voren gebracht. De man heeft de jongste drie kinderen erkend, maar oefent niet het gezag over hen uit.
Volledig
De man heeft [minderjarige 1] niet erkend. Tijdens de relatie van partijen deed de vrouw alles voor de kinderen. Partijen hadden afspraken gemaakt over omgang tussen de man en de kinderen maar de verstandhouding tussen partijen is steeds slechter gaan lopen. De man belast de kinderen met volwassenzaken. [minderjarige 1] zit op het speciaal onderwijs, heeft dyslexie en er is een vermoeden van autisme. Hulpverlening van het CJG en SMWO is betrokken. De vrouw is aangemeld bij [hulpverlening] voor traumabehandeling na een agressieve relatie en krijgt hulp van [ggz begeleiding] . Er moet duidelijkheid over de omgang tussen de man en de kinderen komen. Uit een netwerkgesprek met [zorginstelling] op 13 juni 2024 is gevolgd dat er voorlopig geen omgang tussen de man en de kinderen plaatsvindt. De vrouw wil toewerken naar een omgangsregeling van eens in de twee weken een weekend. 4.2. Door en namens de man is in het verweerschrift aangevoerd dat de man [minderjarige 1] alsnog graag wil erkennen maar de vrouw daar niet aan meewerkt omdat ze niet wil dat [minderjarige 1] de achternaam van de man krijgt. De man is tijdens de relatie wel degelijk actief geweest in de verzorging en opvoeding van de kinderen en partijen hebben altijd invulling gegeven aan de verzorging en opvoeding van de kinderen alsof ze met het gezamenlijk gezag waren belast. De vrouw is niet bereid samen met de man een aantekening te laten maken in het gezagsregister dus de man verzoekt de rechtbank hem mede met het gezag te belasten. Er is geen sprake van een onaanvaardbaar risico dat de kinderen klem of verloren dreigen te raken en gezamenlijk gezag is ook anderszins niet in strijd met de belangen van de kinderen. Na het vonnis in kort geding van 16 juli 2024 is de verstandhouding tussen partijen verbeterd en ziet de man de kinderen ook meer. Tijdens de zitting is door en namens de man verklaard dat partijen inmiddels het gezamenlijk gezag over [minderjarige 4] hebben laten aantekenen in het gezagsregister en dat de man om die reden zijn verzoek hieromtrent intrekt. 4.3. In diens rapport van 19 mei 2025 adviseert de Raad een voorlopige omgangsregeling vast te stellen die er als volgt uitziet en waarbij er omgang tussen de man en de minderjarigen plaatsvindt: - op de zondagmiddag van 11:00 uur tot 19:30 uur; - op de woensdagmiddag vanaf einde schooldag tot 19:30 uur; - om het weekend van zaterdag 11:00 uur tot zondag 19:30 uur. In overleg tussen ouders en afhankelijk van het werk van de vrouw, kan hierin enigszins worden afgeweken, bijvoorbeeld dat de kinderen van woensdag op donderdag bij de man kunnen blijven slapen. De Raad adviseert de rechtbank om de GI te vragen om te onderzoeken welke mogelijkheden er zijn voor co-ouderschap of welke definitieve regeling anderszins passend is. 4.4. In het verslag van 20 november 2025 voert de bijzondere curator aan dat de ouders het gezamenlijk gezag over [minderjarige 4] inmiddels hebben laten aantekenen in het gezagsregister. Voor de andere kinderen moet dit nog gebeuren. Beide ouders staan inmiddels achter de erkenning van [minderjarige 1] door de man. De bijzondere curator acht dit ook in het belang van [minderjarige 1] . Mocht het de ouders niet lukken de erkenning in onderling overleg te regelen dan adviseert de bijzondere curator het verzoek van de man daartoe toe te wijzen. Vervangende toestemming erkenning en gezag 4.5. Uit het F9-formulier van mr. Breewel-Witteveen van 12 januari 2026 blijkt dat partijen de erkenning door de man van [minderjarige 1] in onderling overleg hebben geregeld. Uit de door mr. Breewel-Witteveen op 16 februari 2026 overgelegde geboorteakte van [minderjarige 1] blijkt ook van de erkenning van [minderjarige 1] door de man. Partijen hebben voor [minderjarige 1] gekozen voor de geslachtsnaam [geslachtsnaam van de man] en hebben geen keuze gemaakt in het gezag omtrent [minderjarige 1] . Dit betekent dat de man en de vrouw naar aanleiding van de erkenning van [minderjarige 1] door de man gezamenlijk met het gezag over hem zijn belast. Gelet hierop heeft de man geen belang meer bij zijn verzoeken omtrent het verlenen van vervangende toestemming voor de erkenning van [minderjarige 1] en tot het belasten van hem met het gezag over [minderjarige 1] , in die zin dat hij voortaan gezamenlijk met de vrouw het gezag over [minderjarige 1] uitoefent. De rechtbank zal deze verzoeken dan ook afwijzen. 4.6. Uit het F9-formulier van mr. Breewel-Witteveen van 12 januari 2026 blijkt dat partijen inmiddels in het gezagsregister hebben laten aantekenen dat zij gezamenlijk met het gezag over [minderjarige 2] , [minderjarige 3] en [minderjarige 4] zijn belast. De man heeft dan ook geen belang meer bij deze verzoeken. De rechtbank zal deze verzoeken dan ook afwijzen. Vaststelling zorgregeling 4.7. Nu partijen gezamenlijk met het gezag over de minderjarigen zijn belast merkt de rechtbank het verzoek van de man tot vaststelling van een omgangsregeling aan als een verzoek tot vaststelling van een zorgregeling. 4.8. In artikel 1:253a lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) staat dat geschillen over het samen uitoefenen van het gezag op verzoek van een ouder of de ouders aan de rechtbank kunnen worden voorgelegd. De rechtbank neemt dan een beslissing die zij in het belang van het kind vindt. 4.9. De rechtbank oordeelt als volgt. Bij beschikking van 1 december 2025 heeft de rechtbank de volgende zorg- c.q. omgangsregeling vastgelegd: - Ouders willen een co-ouderschap waarbij iedereen 50/50 van de tijd met de kinderen krijgt; - Ouders zullen zelf met elkaar maandelijks een rooster maken waarbij rekening wordt gehouden met de werktijden van moeder; - Hierbij zullen ze door middel van een kalender aangeven wanneer de kinderen bij wie zijn zodat het voor de kinderen duidelijk en overzichtelijk is; - Ouders overleggen zelf wie voor het vervoer naar de andere ouder zorgt; - Ouders zullen met elkaar in overleg gaan wanneer een kind extra aandacht nodig heeft; - Er wordt onderling overlegd als er medische zorg nodig is, kosten gemaakt moeten worden, lid worden van een club of vereniging of andere beslissingen moeten worden genomen; - De was van de kinderen worden door beide ouders gedaan. Ze geven aan dat dit in overleg met elkaar afgesproken wordt. Nu er bij beschikking van 1 december 2025 al een zorgregeling tussen de man en de minderjarigen is vastgelegd heeft de man geen belang meer bij zijn verzoek tot vastlegging van een zorgregeling in deze procedure. De rechtbank zal het verzoek van de man dan ook afwijzen. Beëindiging taak van de bijzondere curator 4.10. De rechtbank is van oordeel dat de taak van de bijzondere curator in deze procedure als beëindigd kan worden beschouwd. Mocht een van partijen echter een rechtsmiddel instellen ter zake van de erkenning, dan herleeft de taak van de bijzondere curator. 5 De beslissing De rechtbank 5.1. wijst de verzoeken af; 5.2. beschouwt de taak van de bijzondere curator als beëindigd. Deze beschikking is gegeven door mr. De Beer, rechter tevens kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 31 maart 2026 in aanwezigheid van mr. Duerink-Bottinga, griffier. Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld: door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak, door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden. Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch.
Volledig
De man heeft [minderjarige 1] niet erkend. Tijdens de relatie van partijen deed de vrouw alles voor de kinderen. Partijen hadden afspraken gemaakt over omgang tussen de man en de kinderen maar de verstandhouding tussen partijen is steeds slechter gaan lopen. De man belast de kinderen met volwassenzaken. [minderjarige 1] zit op het speciaal onderwijs, heeft dyslexie en er is een vermoeden van autisme. Hulpverlening van het CJG en SMWO is betrokken. De vrouw is aangemeld bij [hulpverlening] voor traumabehandeling na een agressieve relatie en krijgt hulp van [ggz begeleiding] . Er moet duidelijkheid over de omgang tussen de man en de kinderen komen. Uit een netwerkgesprek met [zorginstelling] op 13 juni 2024 is gevolgd dat er voorlopig geen omgang tussen de man en de kinderen plaatsvindt. De vrouw wil toewerken naar een omgangsregeling van eens in de twee weken een weekend. 4.2. Door en namens de man is in het verweerschrift aangevoerd dat de man [minderjarige 1] alsnog graag wil erkennen maar de vrouw daar niet aan meewerkt omdat ze niet wil dat [minderjarige 1] de achternaam van de man krijgt. De man is tijdens de relatie wel degelijk actief geweest in de verzorging en opvoeding van de kinderen en partijen hebben altijd invulling gegeven aan de verzorging en opvoeding van de kinderen alsof ze met het gezamenlijk gezag waren belast. De vrouw is niet bereid samen met de man een aantekening te laten maken in het gezagsregister dus de man verzoekt de rechtbank hem mede met het gezag te belasten. Er is geen sprake van een onaanvaardbaar risico dat de kinderen klem of verloren dreigen te raken en gezamenlijk gezag is ook anderszins niet in strijd met de belangen van de kinderen. Na het vonnis in kort geding van 16 juli 2024 is de verstandhouding tussen partijen verbeterd en ziet de man de kinderen ook meer. Tijdens de zitting is door en namens de man verklaard dat partijen inmiddels het gezamenlijk gezag over [minderjarige 4] hebben laten aantekenen in het gezagsregister en dat de man om die reden zijn verzoek hieromtrent intrekt. 4.3. In diens rapport van 19 mei 2025 adviseert de Raad een voorlopige omgangsregeling vast te stellen die er als volgt uitziet en waarbij er omgang tussen de man en de minderjarigen plaatsvindt: - op de zondagmiddag van 11:00 uur tot 19:30 uur; - op de woensdagmiddag vanaf einde schooldag tot 19:30 uur; - om het weekend van zaterdag 11:00 uur tot zondag 19:30 uur. In overleg tussen ouders en afhankelijk van het werk van de vrouw, kan hierin enigszins worden afgeweken, bijvoorbeeld dat de kinderen van woensdag op donderdag bij de man kunnen blijven slapen. De Raad adviseert de rechtbank om de GI te vragen om te onderzoeken welke mogelijkheden er zijn voor co-ouderschap of welke definitieve regeling anderszins passend is. 4.4. In het verslag van 20 november 2025 voert de bijzondere curator aan dat de ouders het gezamenlijk gezag over [minderjarige 4] inmiddels hebben laten aantekenen in het gezagsregister. Voor de andere kinderen moet dit nog gebeuren. Beide ouders staan inmiddels achter de erkenning van [minderjarige 1] door de man. De bijzondere curator acht dit ook in het belang van [minderjarige 1] . Mocht het de ouders niet lukken de erkenning in onderling overleg te regelen dan adviseert de bijzondere curator het verzoek van de man daartoe toe te wijzen. Vervangende toestemming erkenning en gezag 4.5. Uit het F9-formulier van mr. Breewel-Witteveen van 12 januari 2026 blijkt dat partijen de erkenning door de man van [minderjarige 1] in onderling overleg hebben geregeld. Uit de door mr. Breewel-Witteveen op 16 februari 2026 overgelegde geboorteakte van [minderjarige 1] blijkt ook van de erkenning van [minderjarige 1] door de man. Partijen hebben voor [minderjarige 1] gekozen voor de geslachtsnaam [geslachtsnaam van de man] en hebben geen keuze gemaakt in het gezag omtrent [minderjarige 1] . Dit betekent dat de man en de vrouw naar aanleiding van de erkenning van [minderjarige 1] door de man gezamenlijk met het gezag over hem zijn belast. Gelet hierop heeft de man geen belang meer bij zijn verzoeken omtrent het verlenen van vervangende toestemming voor de erkenning van [minderjarige 1] en tot het belasten van hem met het gezag over [minderjarige 1] , in die zin dat hij voortaan gezamenlijk met de vrouw het gezag over [minderjarige 1] uitoefent. De rechtbank zal deze verzoeken dan ook afwijzen. 4.6. Uit het F9-formulier van mr. Breewel-Witteveen van 12 januari 2026 blijkt dat partijen inmiddels in het gezagsregister hebben laten aantekenen dat zij gezamenlijk met het gezag over [minderjarige 2] , [minderjarige 3] en [minderjarige 4] zijn belast. De man heeft dan ook geen belang meer bij deze verzoeken. De rechtbank zal deze verzoeken dan ook afwijzen. Vaststelling zorgregeling 4.7. Nu partijen gezamenlijk met het gezag over de minderjarigen zijn belast merkt de rechtbank het verzoek van de man tot vaststelling van een omgangsregeling aan als een verzoek tot vaststelling van een zorgregeling. 4.8. In artikel 1:253a lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) staat dat geschillen over het samen uitoefenen van het gezag op verzoek van een ouder of de ouders aan de rechtbank kunnen worden voorgelegd. De rechtbank neemt dan een beslissing die zij in het belang van het kind vindt. 4.9. De rechtbank oordeelt als volgt. Bij beschikking van 1 december 2025 heeft de rechtbank de volgende zorg- c.q. omgangsregeling vastgelegd: - Ouders willen een co-ouderschap waarbij iedereen 50/50 van de tijd met de kinderen krijgt; - Ouders zullen zelf met elkaar maandelijks een rooster maken waarbij rekening wordt gehouden met de werktijden van moeder; - Hierbij zullen ze door middel van een kalender aangeven wanneer de kinderen bij wie zijn zodat het voor de kinderen duidelijk en overzichtelijk is; - Ouders overleggen zelf wie voor het vervoer naar de andere ouder zorgt; - Ouders zullen met elkaar in overleg gaan wanneer een kind extra aandacht nodig heeft; - Er wordt onderling overlegd als er medische zorg nodig is, kosten gemaakt moeten worden, lid worden van een club of vereniging of andere beslissingen moeten worden genomen; - De was van de kinderen worden door beide ouders gedaan. Ze geven aan dat dit in overleg met elkaar afgesproken wordt. Nu er bij beschikking van 1 december 2025 al een zorgregeling tussen de man en de minderjarigen is vastgelegd heeft de man geen belang meer bij zijn verzoek tot vastlegging van een zorgregeling in deze procedure. De rechtbank zal het verzoek van de man dan ook afwijzen. Beëindiging taak van de bijzondere curator 4.10. De rechtbank is van oordeel dat de taak van de bijzondere curator in deze procedure als beëindigd kan worden beschouwd. Mocht een van partijen echter een rechtsmiddel instellen ter zake van de erkenning, dan herleeft de taak van de bijzondere curator. 5 De beslissing De rechtbank 5.1. wijst de verzoeken af; 5.2. beschouwt de taak van de bijzondere curator als beëindigd. Deze beschikking is gegeven door mr. De Beer, rechter tevens kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 31 maart 2026 in aanwezigheid van mr. Duerink-Bottinga, griffier. Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld: door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak, door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden. Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch.