Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2026-04-29
ECLI:NL:RBZWB:2026:3485
Strafrecht; Materieel strafrecht
Op tegenspraak
7,943 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBZWB:2026:3485 text/xml public 2026-04-29T14:15:16 2026-04-29 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Zeeland-West-Brabant 2026-04-29 02-251500-22 Uitspraak Op tegenspraak NL Breda Strafrecht; Materieel strafrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:3485 text/html public 2026-04-29T11:07:29 2026-04-29 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBZWB:2026:3485 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 29-04-2026 / 02-251500-22 Openlijke geweldpleging tegen goederen. Vrijspraak openlijke geweldpleging tegen personen. Forse overschrijding redelijke termijn. Taakstraf 40 uren. Rechtbank ZEELAND-WEST-BRABANT Strafrecht Zittingsplaats: Breda Parketnummer: 02-251500-22 Vonnis van de meervoudige kamer van 29 april 2026 [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1976, verblijvende te [adres 1] , België, raadsman mr. A.M.J. Joris, advocaat te Breda. 1 Onderzoek op de terechtzitting De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 15 april 2026, waarbij de officier van justitie, mr. Y.E.Y. Vermeulen, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt. Daarnaast is namens de benadeelde partij [benadeelde] verschenen, mr. R.A.H. van Huijgevoort, raadsman in Tilburg. 2 De tenlastelegging De tenlastelegging is gewijzigd overeenkomstig artikel 313 van het Wetboek van Strafvordering. De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht. De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte: primair openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen personen en/of goederen subsidiair dat hij samen met anderen [benadeelde] heeft mishandeld. 3 De voorvragen De dagvaarding is geldig. De rechtbank is bevoegd. De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging. Er is geen reden voor schorsing van de vervolging. 4 De beoordeling van het bewijs 4.1. Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie vordert vrijspraak voor verdachte voor de primair tenlastegelegde openlijke geweldpleging in vernieling. Verdachte heeft weliswaar vernielingen gepleegd na het schietincident, maar deed dit alleen. Voor de subsidiair tenlastegelegde mishandeling is geen wettig en overtuigend bewijs, zodat ook voor dit feit vrijspraak dient te volgen. 4.2. Het standpunt van de verdediging Verdachte heeft nadat zijn zoon was beschoten geweldshandelingen gepleegd. De verdediging heeft een beroep gedaan op psychische overmacht, hetgeen onder 5 (strafbaarheid van het feit/strafbaarheid van verdachte) nader zal worden besproken 4.3. Het oordeel van de rechtbank 4.3.1. De bewijsmiddelen De bewijsmiddelen zijn in bijlage II aan dit vonnis gehecht. 4.3.2. De bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs Het beoordelingskader voor openlijke geweldpleging Van het "in vereniging" plegen van geweld is sprake indien de verdachte een voldoende significante of wezenlijke bijdrage levert aan het geweld, waarbij deze bijdrage zelf niet gewelddadig hoeft te zijn. De enkele omstandigheid dat iemand aanwezig is in een groep die openlijk geweld pleegt, is niet zonder meer voldoende om hem te kunnen aanmerken als iemand die "in vereniging" geweld pleegt. Er moet worden beoordeeld of de door de verdachte geleverde bijdrage aan het delict van voldoende gewicht is. De voor medeplegen vereiste nauwe en bewuste samenwerking geldt ook indien het medeplegen een bestanddeel vormt van de delictsomschrijving, zoals in artikel 141 van het Wetboek van Strafrecht (Sr) het geval is met "in vereniging". Er zal dus moeten worden nagegaan of sprake is van nauwe en bewuste samenwerking ten aanzien van het openlijk geweld. Daarbij kan van belang zijn dat openlijke geweldpleging in vereniging, gelet op de aard van het delict, zich in verschillende vormen kan voordoen. Er kan sprake zijn van evident nauw en bewust samenwerken, maar deze strafbaarstelling is ook toepasselijk op openlijk geweld dat bestaat uit een meer diffuus samenspel van uiteenlopende tegen personen of goederen gerichte geweldshandelingen dat plaatsvindt binnen een ongestructureerd, mogelijk spontaan, samenwerkingsverband met een eigen - soms moeilijk doorzichtige - dynamiek. De voor medeplegen vereiste nauwe en bewuste samenwerking kan dus bij dit delict verschillende verschijningsvormen hebben. Een bijdrage van voldoende gewicht kan onder omstandigheden ook geheel of ten dele bestaan uit het verrichten van op zichzelf niet-gewelddadige handelingen. Feiten De rechtbank overweegt dat in een kort tijdsbestek van ongeveer vier minuten vernielingen hebben plaatsgevonden rondom en aan de woning van [benadeelde] aan [adres 2] in [plaats] . Verdachten zijn met vijf personen in een zwarte bestelbus en een zwarte VW Golf bij de woning aangekomen. Volgens de camerabeelden stonden rond 21.45 uur drie personen bij [benadeelde] voor de deur, waaronder verdachte. De deur werd niet opengedaan. Verdachte liep om 21.46.52 uur met een zwarte stang of balk. Om 21.46.48 uur stond [medeverdachte] voor de deur in een provocerende houding. Volgens getuigenverklaringen werd op dit moment een spiegel van een busje afgetrapt en werd tegen ramen gebonkt. Om 21.47:10 uur stond [persoon] voor de woning. Verdachte liep door het grind van de voortuin om 21.47:10 uur naar het steegje. [medeverdachte] liep om 21:47:38 uur met de zwarte staaf in zijn rechterhand. Hij verdween in het steegje. Verdachte heeft verklaard dat hij naar [medeverdachte] riep om zich te kunnen verdedigen: “Kom, pak de klink.” [medeverdachte] gaf hem de klink. In het steegje bevonden zich [verdachte] , [medeverdachte] en een grote onbekend gebleven man. In het steegje vond een incident plaats waarbij [medeverdachte] een schotwond opliep. Om 21.49:25 en 21.49.52 uur reden respectievelijk de zwarte bestelbus en de zwarte VW Golf weg. Achteraf bleek er flinke schade aan ruiten van de woning, aan de bedrijfsbus en aan de personenauto van [benadeelde] te zijn toegebracht. [benadeelde] had letsel opgelopen en heeft hierover verklaard dat hij in het steegje een klap heeft gekregen met een staaf. Vaststaat dat zowel vóór het schietincident als na het schietincident geweldshandelingen tegen goederen van [benadeelde] zijn gepleegd. Gelet op het korte tijdsbestek waarop het geweld is gepleegd, is de rechtbank van oordeel dat er sprake is van één geheel van geweldshandelingen vanaf het moment dat verdachte en de anderen bij de woning van [benadeelde] aankwamen en vertrokken. Verdachte heeft bekend dat hij een deurklink van een deur heeft getrokken voor het schietincident en dat hij na het schietincident tegen de ramen van de woning heeft geslagen en dat hij de achterruit van de auto heeft ingeslagen. Vervolgens is verdachte samen met de medeverdachten weggevlucht. Met dit handelen heeft verdachte een substantiële bijdrage geleverd aan het geweld tegen goederen. Dit maakt dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan openlijke geweldpleging tegen goederen. Door [benadeelde] is aangegeven dat hij in de steeg is geslagen met een staaf. Er is letsel in de vorm van een verwonding aan het gezicht. Verdachte en [medeverdachte] hebben beiden ontkend met een staaf te hebben geslagen. Hoewel er gelet op de aangifte en de verwonding in het gezicht voldoende wettig bewijs is, heeft de rechtbank niet de overtuiging bekomen dat het letsel moet zijn toegebracht door de verdachten. De rechtbank kan niet vaststellen wat er precies is gebeurd. Er zijn alternatieve scenario’s denkbaar over hoe het letsel kan zijn ontstaan. Zo zou er sprake kunnen zijn geweest van terugslag van het wapen of van een val. Nu de overtuiging ontbreekt, dient partieel vrijspraak voor de openlijke geweldpleging jegens [benadeelde] te volgen. 4.4.
Volledig
ECLI:NL:RBZWB:2026:3485 text/xml public 2026-04-29T14:15:16 2026-04-29 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Zeeland-West-Brabant 2026-04-29 02-251500-22 Uitspraak Op tegenspraak NL Breda Strafrecht; Materieel strafrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:3485 text/html public 2026-04-29T11:07:29 2026-04-29 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBZWB:2026:3485 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 29-04-2026 / 02-251500-22 Openlijke geweldpleging tegen goederen. Vrijspraak openlijke geweldpleging tegen personen. Forse overschrijding redelijke termijn. Taakstraf 40 uren. Rechtbank ZEELAND-WEST-BRABANT Strafrecht Zittingsplaats: Breda Parketnummer: 02-251500-22 Vonnis van de meervoudige kamer van 29 april 2026 [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1976, verblijvende te [adres 1] , België, raadsman mr. A.M.J. Joris, advocaat te Breda. 1 Onderzoek op de terechtzitting De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 15 april 2026, waarbij de officier van justitie, mr. Y.E.Y. Vermeulen, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt. Daarnaast is namens de benadeelde partij [benadeelde] verschenen, mr. R.A.H. van Huijgevoort, raadsman in Tilburg. 2 De tenlastelegging De tenlastelegging is gewijzigd overeenkomstig artikel 313 van het Wetboek van Strafvordering. De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht. De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte: primair openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen personen en/of goederen subsidiair dat hij samen met anderen [benadeelde] heeft mishandeld. 3 De voorvragen De dagvaarding is geldig. De rechtbank is bevoegd. De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging. Er is geen reden voor schorsing van de vervolging. 4 De beoordeling van het bewijs 4.1. Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie vordert vrijspraak voor verdachte voor de primair tenlastegelegde openlijke geweldpleging in vernieling. Verdachte heeft weliswaar vernielingen gepleegd na het schietincident, maar deed dit alleen. Voor de subsidiair tenlastegelegde mishandeling is geen wettig en overtuigend bewijs, zodat ook voor dit feit vrijspraak dient te volgen. 4.2. Het standpunt van de verdediging Verdachte heeft nadat zijn zoon was beschoten geweldshandelingen gepleegd. De verdediging heeft een beroep gedaan op psychische overmacht, hetgeen onder 5 (strafbaarheid van het feit/strafbaarheid van verdachte) nader zal worden besproken 4.3. Het oordeel van de rechtbank 4.3.1. De bewijsmiddelen De bewijsmiddelen zijn in bijlage II aan dit vonnis gehecht. 4.3.2. De bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs Het beoordelingskader voor openlijke geweldpleging Van het "in vereniging" plegen van geweld is sprake indien de verdachte een voldoende significante of wezenlijke bijdrage levert aan het geweld, waarbij deze bijdrage zelf niet gewelddadig hoeft te zijn. De enkele omstandigheid dat iemand aanwezig is in een groep die openlijk geweld pleegt, is niet zonder meer voldoende om hem te kunnen aanmerken als iemand die "in vereniging" geweld pleegt. Er moet worden beoordeeld of de door de verdachte geleverde bijdrage aan het delict van voldoende gewicht is. De voor medeplegen vereiste nauwe en bewuste samenwerking geldt ook indien het medeplegen een bestanddeel vormt van de delictsomschrijving, zoals in artikel 141 van het Wetboek van Strafrecht (Sr) het geval is met "in vereniging". Er zal dus moeten worden nagegaan of sprake is van nauwe en bewuste samenwerking ten aanzien van het openlijk geweld. Daarbij kan van belang zijn dat openlijke geweldpleging in vereniging, gelet op de aard van het delict, zich in verschillende vormen kan voordoen. Er kan sprake zijn van evident nauw en bewust samenwerken, maar deze strafbaarstelling is ook toepasselijk op openlijk geweld dat bestaat uit een meer diffuus samenspel van uiteenlopende tegen personen of goederen gerichte geweldshandelingen dat plaatsvindt binnen een ongestructureerd, mogelijk spontaan, samenwerkingsverband met een eigen - soms moeilijk doorzichtige - dynamiek. De voor medeplegen vereiste nauwe en bewuste samenwerking kan dus bij dit delict verschillende verschijningsvormen hebben. Een bijdrage van voldoende gewicht kan onder omstandigheden ook geheel of ten dele bestaan uit het verrichten van op zichzelf niet-gewelddadige handelingen. Feiten De rechtbank overweegt dat in een kort tijdsbestek van ongeveer vier minuten vernielingen hebben plaatsgevonden rondom en aan de woning van [benadeelde] aan [adres 2] in [plaats] . Verdachten zijn met vijf personen in een zwarte bestelbus en een zwarte VW Golf bij de woning aangekomen. Volgens de camerabeelden stonden rond 21.45 uur drie personen bij [benadeelde] voor de deur, waaronder verdachte. De deur werd niet opengedaan. Verdachte liep om 21.46.52 uur met een zwarte stang of balk. Om 21.46.48 uur stond [medeverdachte] voor de deur in een provocerende houding. Volgens getuigenverklaringen werd op dit moment een spiegel van een busje afgetrapt en werd tegen ramen gebonkt. Om 21.47:10 uur stond [persoon] voor de woning. Verdachte liep door het grind van de voortuin om 21.47:10 uur naar het steegje. [medeverdachte] liep om 21:47:38 uur met de zwarte staaf in zijn rechterhand. Hij verdween in het steegje. Verdachte heeft verklaard dat hij naar [medeverdachte] riep om zich te kunnen verdedigen: “Kom, pak de klink.” [medeverdachte] gaf hem de klink. In het steegje bevonden zich [verdachte] , [medeverdachte] en een grote onbekend gebleven man. In het steegje vond een incident plaats waarbij [medeverdachte] een schotwond opliep. Om 21.49:25 en 21.49.52 uur reden respectievelijk de zwarte bestelbus en de zwarte VW Golf weg. Achteraf bleek er flinke schade aan ruiten van de woning, aan de bedrijfsbus en aan de personenauto van [benadeelde] te zijn toegebracht. [benadeelde] had letsel opgelopen en heeft hierover verklaard dat hij in het steegje een klap heeft gekregen met een staaf. Vaststaat dat zowel vóór het schietincident als na het schietincident geweldshandelingen tegen goederen van [benadeelde] zijn gepleegd. Gelet op het korte tijdsbestek waarop het geweld is gepleegd, is de rechtbank van oordeel dat er sprake is van één geheel van geweldshandelingen vanaf het moment dat verdachte en de anderen bij de woning van [benadeelde] aankwamen en vertrokken. Verdachte heeft bekend dat hij een deurklink van een deur heeft getrokken voor het schietincident en dat hij na het schietincident tegen de ramen van de woning heeft geslagen en dat hij de achterruit van de auto heeft ingeslagen. Vervolgens is verdachte samen met de medeverdachten weggevlucht. Met dit handelen heeft verdachte een substantiële bijdrage geleverd aan het geweld tegen goederen. Dit maakt dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan openlijke geweldpleging tegen goederen. Door [benadeelde] is aangegeven dat hij in de steeg is geslagen met een staaf. Er is letsel in de vorm van een verwonding aan het gezicht. Verdachte en [medeverdachte] hebben beiden ontkend met een staaf te hebben geslagen. Hoewel er gelet op de aangifte en de verwonding in het gezicht voldoende wettig bewijs is, heeft de rechtbank niet de overtuiging bekomen dat het letsel moet zijn toegebracht door de verdachten. De rechtbank kan niet vaststellen wat er precies is gebeurd. Er zijn alternatieve scenario’s denkbaar over hoe het letsel kan zijn ontstaan. Zo zou er sprake kunnen zijn geweest van terugslag van het wapen of van een val. Nu de overtuiging ontbreekt, dient partieel vrijspraak voor de openlijke geweldpleging jegens [benadeelde] te volgen. 4.4.
Volledig
De bewezenverklaring De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte Primair: op 14 mei 2022 te [plaats] , op of aan de openbare weg, te weten [adres 2] , in vereniging geweld heeft gepleegd tegen - goederen, te weten een bedrijfsvoertuig, een personenauto en ruiten, welk in vereniging gepleegde geweld bestond uit het slaan met voorwerpen en/of het trappen met geschoeide voet tegen die goederen; Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad. De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken. 5 De strafbaarheid 5.1 Standpunt verdediging Namens verdachte is een beroep gedaan op psychische overmacht. Er was sprake van een van buiten komende drang die tot het handelen van verdachte leidde na het neerschieten van zijn zoon. Hij raakte daardoor zo in paniek dat hij daarna vernielingen pleegde. 5.2 Het standpunt van de rechtbank De rechtbank stelt voorop dat voor het slagen van een beroep op psychische overmacht sprake moet zijn van een van buiten komende drang die zo sterk is dat de verdachte daaraan redelijkerwijze geen weerstand kon en ook niet hoefde te bieden. Aan het beroep op psychische overmacht legt de verdediging ten grondslag dat het handelen van verdachte voorkwam uit een heftige gemoedsbeweging als gevolg van het feit dat Een beroep op psychische overmacht kan slechts slagen, indien aannemelijk is geworden dat het handelen van de verdachte het onmiddellijk gevolg is geweest van een van buiten komende dwang, drang of kracht, waaraan de verdachte redelijkerwijs geen weerstand kon en ook niet behoefde te bieden. In de door de raadsman beschreven voorgeschiedenis vindt de rechtbank onvoldoende aanknopingspunten voor het bestaan van psychische overmacht. Weliswaar zal verdachte zijn geschrokken van het schietincident, maar zijn zoon en hij hadden op dat moment niet door hoe ernstig de situatie was. Dat bleek hen pas de volgende ochtend. Daarom is niet aangetoond dat de wilsvrijheid op het moment van de vernielingen zo ver was aangetast dat zijn handelen verontschuldigbaar zou zijn. Evenmin is gebleken dat van verdachte redelijkerwijs niet gevergd kon worden weerstand te bieden aan die gemoedsbeweging. Conclusie: Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op. Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit. 6 De strafoplegging 6.1. De vordering van de officier van justitie Gelet op de betoogde vrijspraak dient geen straf te worden opgelegd. 6.2. Het standpunt van de verdediging Gelet op de verweren dient geen straf te worden opgelegd. 6.3. Het oordeel van de rechtbank Strafmaatoverwegingen: Verdachte heeft op 14 mei 2022 in [plaats] openlijk en in vereniging geweld gepleegd tegen goederen. Het gaat om spullen die de benadeelde partij [benadeelde] toebehoren. Er is grof geweld gebruikt waarbij een bedrijfsvoertuig, een personenauto en meerdere woningruiten zijn beschadigd. Dit moet voor [benadeelde] een onthutsende en angstaanjagende ervaring geweest zijn. De verdachten hebben met hun handelen aangetoond geen respect op te kunnen brengen voor andermans persoonlijk eigendom. Het hier aan de orde zijnde geweld draagt ook bij aan gevoelens van angst en onveiligheid in de samenleving. Verdachte heeft ter zitting spijt betuigd voor zijn handelen en de verantwoordelijkheid genomen door zijn aandeel toe te geven. Hij komt hierin authentiek en oprecht op de rechtbank over. De rechtbank heeft rekening gehouden met de straffen die plegen te worden opgelegd in soortgelijke zaken en de rechterlijke oriëntatiepunten voor straftoemeting en LOVS-afspraken. Het uitgangspunt bij een dergelijk delict is een taakstraf voor de duur van 60 uren. Uit het uittreksel uit de Justitiële Documentatie van verdachte blijkt dat hij niet eerder voor openlijk geweld met justitie in aanraking is gekomen en dus, in zoverre, als first offender moet worden beschouwd. Uit het reclasseringsrapport dat omtrent verdachte is opgemaakt komt een positief beeld naar voren. Verdachte functioneert stabiel op de leefgebieden en het recidiverisico wordt als laag ingeschat. Er wordt vanuit de reclassering geen interventie- of hulpverleningstraject geadviseerd. Uit het dossier en het verhandelde ter zitting is gebleken wat de gevolgen van de confrontatie met [benadeelde] voor één van de medeverdachten, de zoon van verdachte, heeft betekend. Hij is met een vuurwapen beschoten en levensgevaarlijk gewond geraakt. Dit weegt voor de rechtbank zwaar. Redelijke termijn De rechtbank stelt voorop dat in artikel 6 van het EVRM het recht van iedere verdachte is gewaarborgd om binnen een redelijke termijn te worden berecht. Die termijn vangt aan op het moment dat vanwege de Nederlandse staat tegenover de betrokkene een handeling is verricht, waaraan de verdachte in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat tegen hem voor een bepaald strafbaar feit door het Openbaar Ministerie strafvervolging zal worden ingesteld. Het uitgangspunt is dat de behandeling op zitting moet zijn afgerond met een eindvonnis binnen twee jaar nadat de redelijke termijn is aangevangen, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden, zoals de ingewikkeldheid van een zaak, de invloed van de verdediging op het procesverloop of de wijze waarop de zaak door de bevoegde autoriteiten is behandeld. De rechtbank stelt vast dat verdachte op 27 september 2022 voor het eerst als verdachte is verhoord. Hij is bij dit verhoor gewezen op zijn rechten en geconfronteerd met de verdenking die op hem rust. De redelijke termijn heeft dus op die datum aanvang genomen. Er zijn volgens de rechtbank geen bijzondere omstandigheden, die ertoe leiden dat niet binnen twee jaar een einduitspraak is gevolgd. De berechting in onderhavige strafzaak heeft hierdoor onnodig vertraging opgelopen. Volgens de rechtbank is na twee jaar, dus op 27 september 2024, de redelijke termijn verstreken. De rechtbank zal op 29 april 2026 uitspraak doen. De redelijke termijn is daardoor met meer dan 19 maanden overschreden. De rechtbank is van oordeel dat deze overschrijding een matiging van de hierna te vermelden op te leggen straf tot gevolg moet hebben. Straftoemeting: Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat aan verdachte een taakstraf moet worden opgelegd voor de duur van 40 uren subsidiair 20 dagen hechtenis. 7 De vordering van de benadeelde partij [benadeelde] De vordering De benadeelde partij [benadeelde] vordert een vergoeding van € 9.500 als gevolg van de schade die door het tenlastegelegde feit is ontstaan. Dit bedrag bestaat voor € 2.500 uit materiële schade en voor € 7.000 uit immateriële schade. Daarnaast is verzocht om de wettelijke rente van toepassing te laten zijn en de schadevergoedingsmaatregel op te leggen. De vordering is voorzien van een toelichting en een onderbouwing met bijlagen. Het standpunt van de procespartijen Het Openbaar Ministerie heeft, gelet op de gevorderde vrijspraak, zich ten aanzien van de vordering op het standpunt gesteld dat [benadeelde] niet-ontvankelijk moet worden verklaard. De verdediging heeft primair verzocht om de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren en subsidiair om de vordering aanzienlijk te matigen en deels af te wijzen. Het oordeel van de rechtbank over het materiële deel van de vordering Er is namens de benadeelde partij een vergoeding gevorderd voor de herinrichting van een nieuw bedrijfsvoertuig en meer specifiek voor laadruimtebescherming en een ladesysteem. De rechtbank is van oordeel dat voldoende verband met het bewezenverklaarde handelen van verdachte ontbreekt, zodat geen sprake is van schade die rechtstreeks is toegebracht door het bewezenverklaarde feit. De rechtbank kan immers alleen vaststellen dat er door het openlijk geweld schade is ontstaan aan de carrosserie, beglazing, zijspiegel en koplamp van de bus. De reparatiekosten hiervan zijn al door de verzekering vergoed.
Volledig
De bewezenverklaring De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte Primair: op 14 mei 2022 te [plaats] , op of aan de openbare weg, te weten [adres 2] , in vereniging geweld heeft gepleegd tegen - goederen, te weten een bedrijfsvoertuig, een personenauto en ruiten, welk in vereniging gepleegde geweld bestond uit het slaan met voorwerpen en/of het trappen met geschoeide voet tegen die goederen; Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad. De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken. 5 De strafbaarheid 5.1 Standpunt verdediging Namens verdachte is een beroep gedaan op psychische overmacht. Er was sprake van een van buiten komende drang die tot het handelen van verdachte leidde na het neerschieten van zijn zoon. Hij raakte daardoor zo in paniek dat hij daarna vernielingen pleegde. 5.2 Het standpunt van de rechtbank De rechtbank stelt voorop dat voor het slagen van een beroep op psychische overmacht sprake moet zijn van een van buiten komende drang die zo sterk is dat de verdachte daaraan redelijkerwijze geen weerstand kon en ook niet hoefde te bieden. Aan het beroep op psychische overmacht legt de verdediging ten grondslag dat het handelen van verdachte voorkwam uit een heftige gemoedsbeweging als gevolg van het feit dat Een beroep op psychische overmacht kan slechts slagen, indien aannemelijk is geworden dat het handelen van de verdachte het onmiddellijk gevolg is geweest van een van buiten komende dwang, drang of kracht, waaraan de verdachte redelijkerwijs geen weerstand kon en ook niet behoefde te bieden. In de door de raadsman beschreven voorgeschiedenis vindt de rechtbank onvoldoende aanknopingspunten voor het bestaan van psychische overmacht. Weliswaar zal verdachte zijn geschrokken van het schietincident, maar zijn zoon en hij hadden op dat moment niet door hoe ernstig de situatie was. Dat bleek hen pas de volgende ochtend. Daarom is niet aangetoond dat de wilsvrijheid op het moment van de vernielingen zo ver was aangetast dat zijn handelen verontschuldigbaar zou zijn. Evenmin is gebleken dat van verdachte redelijkerwijs niet gevergd kon worden weerstand te bieden aan die gemoedsbeweging. Conclusie: Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op. Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit. 6 De strafoplegging 6.1. De vordering van de officier van justitie Gelet op de betoogde vrijspraak dient geen straf te worden opgelegd. 6.2. Het standpunt van de verdediging Gelet op de verweren dient geen straf te worden opgelegd. 6.3. Het oordeel van de rechtbank Strafmaatoverwegingen: Verdachte heeft op 14 mei 2022 in [plaats] openlijk en in vereniging geweld gepleegd tegen goederen. Het gaat om spullen die de benadeelde partij [benadeelde] toebehoren. Er is grof geweld gebruikt waarbij een bedrijfsvoertuig, een personenauto en meerdere woningruiten zijn beschadigd. Dit moet voor [benadeelde] een onthutsende en angstaanjagende ervaring geweest zijn. De verdachten hebben met hun handelen aangetoond geen respect op te kunnen brengen voor andermans persoonlijk eigendom. Het hier aan de orde zijnde geweld draagt ook bij aan gevoelens van angst en onveiligheid in de samenleving. Verdachte heeft ter zitting spijt betuigd voor zijn handelen en de verantwoordelijkheid genomen door zijn aandeel toe te geven. Hij komt hierin authentiek en oprecht op de rechtbank over. De rechtbank heeft rekening gehouden met de straffen die plegen te worden opgelegd in soortgelijke zaken en de rechterlijke oriëntatiepunten voor straftoemeting en LOVS-afspraken. Het uitgangspunt bij een dergelijk delict is een taakstraf voor de duur van 60 uren. Uit het uittreksel uit de Justitiële Documentatie van verdachte blijkt dat hij niet eerder voor openlijk geweld met justitie in aanraking is gekomen en dus, in zoverre, als first offender moet worden beschouwd. Uit het reclasseringsrapport dat omtrent verdachte is opgemaakt komt een positief beeld naar voren. Verdachte functioneert stabiel op de leefgebieden en het recidiverisico wordt als laag ingeschat. Er wordt vanuit de reclassering geen interventie- of hulpverleningstraject geadviseerd. Uit het dossier en het verhandelde ter zitting is gebleken wat de gevolgen van de confrontatie met [benadeelde] voor één van de medeverdachten, de zoon van verdachte, heeft betekend. Hij is met een vuurwapen beschoten en levensgevaarlijk gewond geraakt. Dit weegt voor de rechtbank zwaar. Redelijke termijn De rechtbank stelt voorop dat in artikel 6 van het EVRM het recht van iedere verdachte is gewaarborgd om binnen een redelijke termijn te worden berecht. Die termijn vangt aan op het moment dat vanwege de Nederlandse staat tegenover de betrokkene een handeling is verricht, waaraan de verdachte in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat tegen hem voor een bepaald strafbaar feit door het Openbaar Ministerie strafvervolging zal worden ingesteld. Het uitgangspunt is dat de behandeling op zitting moet zijn afgerond met een eindvonnis binnen twee jaar nadat de redelijke termijn is aangevangen, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden, zoals de ingewikkeldheid van een zaak, de invloed van de verdediging op het procesverloop of de wijze waarop de zaak door de bevoegde autoriteiten is behandeld. De rechtbank stelt vast dat verdachte op 27 september 2022 voor het eerst als verdachte is verhoord. Hij is bij dit verhoor gewezen op zijn rechten en geconfronteerd met de verdenking die op hem rust. De redelijke termijn heeft dus op die datum aanvang genomen. Er zijn volgens de rechtbank geen bijzondere omstandigheden, die ertoe leiden dat niet binnen twee jaar een einduitspraak is gevolgd. De berechting in onderhavige strafzaak heeft hierdoor onnodig vertraging opgelopen. Volgens de rechtbank is na twee jaar, dus op 27 september 2024, de redelijke termijn verstreken. De rechtbank zal op 29 april 2026 uitspraak doen. De redelijke termijn is daardoor met meer dan 19 maanden overschreden. De rechtbank is van oordeel dat deze overschrijding een matiging van de hierna te vermelden op te leggen straf tot gevolg moet hebben. Straftoemeting: Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat aan verdachte een taakstraf moet worden opgelegd voor de duur van 40 uren subsidiair 20 dagen hechtenis. 7 De vordering van de benadeelde partij [benadeelde] De vordering De benadeelde partij [benadeelde] vordert een vergoeding van € 9.500 als gevolg van de schade die door het tenlastegelegde feit is ontstaan. Dit bedrag bestaat voor € 2.500 uit materiële schade en voor € 7.000 uit immateriële schade. Daarnaast is verzocht om de wettelijke rente van toepassing te laten zijn en de schadevergoedingsmaatregel op te leggen. De vordering is voorzien van een toelichting en een onderbouwing met bijlagen. Het standpunt van de procespartijen Het Openbaar Ministerie heeft, gelet op de gevorderde vrijspraak, zich ten aanzien van de vordering op het standpunt gesteld dat [benadeelde] niet-ontvankelijk moet worden verklaard. De verdediging heeft primair verzocht om de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren en subsidiair om de vordering aanzienlijk te matigen en deels af te wijzen. Het oordeel van de rechtbank over het materiële deel van de vordering Er is namens de benadeelde partij een vergoeding gevorderd voor de herinrichting van een nieuw bedrijfsvoertuig en meer specifiek voor laadruimtebescherming en een ladesysteem. De rechtbank is van oordeel dat voldoende verband met het bewezenverklaarde handelen van verdachte ontbreekt, zodat geen sprake is van schade die rechtstreeks is toegebracht door het bewezenverklaarde feit. De rechtbank kan immers alleen vaststellen dat er door het openlijk geweld schade is ontstaan aan de carrosserie, beglazing, zijspiegel en koplamp van de bus. De reparatiekosten hiervan zijn al door de verzekering vergoed.