Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2026-04-30
ECLI:NL:RBZWB:2026:3468
Bestuursrecht; Belastingrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
3,065 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBZWB:2026:3468 text/xml public 2026-05-08T11:15:21 2026-04-28 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Zeeland-West-Brabant 2026-04-30 BRE 25/2360 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig Verzet NL Breda Bestuursrecht; Belastingrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:3468 text/html public 2026-05-08T11:15:12 2026-05-08 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBZWB:2026:3468 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 30-04-2026 / BRE 25/2360 8:55 Verzet ongegrond. De rechtbank overweegt dat belanghebbende aannemelijk dient te maken dat de machtiging is verzonden. Gemachtigde heeft ter zitting verklaard dat hij niet over bewijs beschikt van de verzending van de brief van 15 augustus 2025. Aangezien gemachtigde de verzending van de brief niet aannemelijk heeft kunnen maken, gaat de rechtbank er van uit dat de machtiging pas bij het verzetschrift op 30 januari 2026 – en dus te laat – is ingediend. In tegenstelling tot hetgeen gemachtigde stelt, is de rechtbank van oordeel dat bij het niet voldoen aan enig ander bij de wet gesteld vereiste voor het in behandeling nemen van het beroep, het beroep wegens dit verzuim niet-ontvankelijk verklaard kan worden en dat dat verzuim in verzet niet kan worden hersteld. RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Zittingsplaats Breda Belastingrecht zaaknummer: BRE 25/2360 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 30 april 2026 op het verzet van [belanghebbende] , uit Indonesië, belanghebbende (gemachtigde: [persoon] ), tegen de uitspraak van de rechtbank van 18 december 2025 in het geding tussen belanghebbende en de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur. Inleiding 1. Deze uitspraak op het verzet van belanghebbende gaat over de uitspraak van de rechtbank van 18 december 2025 waarin de rechtbank het beroep van belanghebbende niet-ontvankelijk heeft verklaard. Het beroep ziet op de aanslag inkomstenbelasting 2022 met aanslagnummer [nummer] . 1.1. De rechtbank heeft het verzet op 16 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan heeft de gemachtigde van belanghebbende deelgenomen. Beoordeling door de rechtbank 2. De rechtbank beoordeelt in deze uitspraak uitsluitend of in de uitspraak van 18 december 2025 terecht is geoordeeld dat buiten redelijke twijfel is dat het beroep niet-ontvankelijk is, omdat gemachtigde geen machtiging heeft overgelegd. Zij doet dit aan de hand van de gronden van het verzet. 2.1. Gemachtigde voert aan dat hij de ontbrekende machtiging op 15 augustus 2025 per post aan de rechtbank heeft verzonden. Bij het verzetschrift is de machtiging alsnog ingediend. Gemachtigde stelt zich op het standpunt dat de machtiging ook op een later moment in de procedure kan worden ingediend. 2.2. De rechtbank komt tot het oordeel dat het verzet ongegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. 2.3. De rechtbank overweegt dat belanghebbende aannemelijk dient te maken dat de machtiging is verzonden. Gemachtigde heeft ter zitting verklaard dat hij niet over bewijs beschikt van de verzending van de brief van 15 augustus 2025. Aangezien gemachtigde de verzending van de brief niet aannemelijk heeft kunnen maken, gaat de rechtbank er van uit dat de machtiging pas bij het verzetschrift op 30 januari 2026 – en dus te laat – is ingediend. 2.4. In tegenstelling tot hetgeen gemachtigde stelt, is de rechtbank van oordeel dat bij het niet voldoen aan enig ander bij de wet gesteld vereiste voor het in behandeling nemen van het beroep, het beroep wegens dit verzuim niet-ontvankelijk verklaard kan worden en dat dat verzuim in verzet niet kan worden hersteld. Het verzet is ongegrond. Conclusie en gevolgen 3. De gronden van het verzet slagen niet. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding anders te oordelen dan in de uitspraak van 18 december 2025. Het verzet is ongegrond. Dat betekent dat die uitspraak in stand blijft. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De rechtbank verklaart het verzet ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. S.A.J. Bastiaansen, rechter, in aanwezigheid van mr.W. Dekkers, griffier. griffier rechter De uitspraak is openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl. De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld. Bent u het niet eens met deze uitspraak? Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de datum bekendmaking beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl. Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag . Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl). Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen: 1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd; 2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn; 3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden: a. de naam en het adres van de indiener; b. de dagtekening; c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht; d. de gronden van het beroep in cassatie. Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten. Dit volgt uit artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Vergelijk Hoge Raad, 10 januari 2014, ECLI:NL:HR:2014:2.
Volledig
ECLI:NL:RBZWB:2026:3468 text/xml public 2026-05-08T11:15:21 2026-04-28 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Zeeland-West-Brabant 2026-04-30 BRE 25/2360 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig Verzet NL Breda Bestuursrecht; Belastingrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:3468 text/html public 2026-05-08T11:15:12 2026-05-08 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBZWB:2026:3468 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 30-04-2026 / BRE 25/2360 8:55 Verzet ongegrond. De rechtbank overweegt dat belanghebbende aannemelijk dient te maken dat de machtiging is verzonden. Gemachtigde heeft ter zitting verklaard dat hij niet over bewijs beschikt van de verzending van de brief van 15 augustus 2025. Aangezien gemachtigde de verzending van de brief niet aannemelijk heeft kunnen maken, gaat de rechtbank er van uit dat de machtiging pas bij het verzetschrift op 30 januari 2026 – en dus te laat – is ingediend. In tegenstelling tot hetgeen gemachtigde stelt, is de rechtbank van oordeel dat bij het niet voldoen aan enig ander bij de wet gesteld vereiste voor het in behandeling nemen van het beroep, het beroep wegens dit verzuim niet-ontvankelijk verklaard kan worden en dat dat verzuim in verzet niet kan worden hersteld. RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Zittingsplaats Breda Belastingrecht zaaknummer: BRE 25/2360 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 30 april 2026 op het verzet van [belanghebbende] , uit Indonesië, belanghebbende (gemachtigde: [persoon] ), tegen de uitspraak van de rechtbank van 18 december 2025 in het geding tussen belanghebbende en de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur. Inleiding 1. Deze uitspraak op het verzet van belanghebbende gaat over de uitspraak van de rechtbank van 18 december 2025 waarin de rechtbank het beroep van belanghebbende niet-ontvankelijk heeft verklaard. Het beroep ziet op de aanslag inkomstenbelasting 2022 met aanslagnummer [nummer] . 1.1. De rechtbank heeft het verzet op 16 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan heeft de gemachtigde van belanghebbende deelgenomen. Beoordeling door de rechtbank 2. De rechtbank beoordeelt in deze uitspraak uitsluitend of in de uitspraak van 18 december 2025 terecht is geoordeeld dat buiten redelijke twijfel is dat het beroep niet-ontvankelijk is, omdat gemachtigde geen machtiging heeft overgelegd. Zij doet dit aan de hand van de gronden van het verzet. 2.1. Gemachtigde voert aan dat hij de ontbrekende machtiging op 15 augustus 2025 per post aan de rechtbank heeft verzonden. Bij het verzetschrift is de machtiging alsnog ingediend. Gemachtigde stelt zich op het standpunt dat de machtiging ook op een later moment in de procedure kan worden ingediend. 2.2. De rechtbank komt tot het oordeel dat het verzet ongegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. 2.3. De rechtbank overweegt dat belanghebbende aannemelijk dient te maken dat de machtiging is verzonden. Gemachtigde heeft ter zitting verklaard dat hij niet over bewijs beschikt van de verzending van de brief van 15 augustus 2025. Aangezien gemachtigde de verzending van de brief niet aannemelijk heeft kunnen maken, gaat de rechtbank er van uit dat de machtiging pas bij het verzetschrift op 30 januari 2026 – en dus te laat – is ingediend. 2.4. In tegenstelling tot hetgeen gemachtigde stelt, is de rechtbank van oordeel dat bij het niet voldoen aan enig ander bij de wet gesteld vereiste voor het in behandeling nemen van het beroep, het beroep wegens dit verzuim niet-ontvankelijk verklaard kan worden en dat dat verzuim in verzet niet kan worden hersteld. Het verzet is ongegrond. Conclusie en gevolgen 3. De gronden van het verzet slagen niet. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding anders te oordelen dan in de uitspraak van 18 december 2025. Het verzet is ongegrond. Dat betekent dat die uitspraak in stand blijft. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De rechtbank verklaart het verzet ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. S.A.J. Bastiaansen, rechter, in aanwezigheid van mr.W. Dekkers, griffier. griffier rechter De uitspraak is openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl. De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld. Bent u het niet eens met deze uitspraak? Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de datum bekendmaking beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl. Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag . Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl). Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen: 1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd; 2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn; 3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden: a. de naam en het adres van de indiener; b. de dagtekening; c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht; d. de gronden van het beroep in cassatie. Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten. Dit volgt uit artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Vergelijk Hoge Raad, 10 januari 2014, ECLI:NL:HR:2014:2.