Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2026-04-30
ECLI:NL:RBZWB:2026:3466
Bestuursrecht; Belastingrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
3,925 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBZWB:2026:3466 text/xml public 2026-05-11T09:00:23 2026-04-28 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Zeeland-West-Brabant 2026-04-30 BRE 25/2861 t/m 25/2863 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig Verzet NL Breda Bestuursrecht; Belastingrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:3466 text/html public 2026-05-08T12:27:33 2026-05-11 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBZWB:2026:3466 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 30-04-2026 / BRE 25/2861 t/m 25/2863 8:55 Verzet ongegrond. De rechtbank overweegt dat belanghebbende een niet-natuurlijk persoon is en zonder een uittreksel uit het handelsregister niet kan worden beoordeeld of de persoon die stelt op te treden namens belanghebbende bevoegd is om namens belanghebbende beroep in te stellen. De rechtbank beoordeelt deze vertegenwoordigingsbevoegdheid zelf en gaat niet uit van correspondentie van de Belastingdienst. Om die reden heeft de griffier het uittreksel uit het handelsregister bij brieven van 17 juni 2025 en 18 juli 2025 opgevraagd. Belanghebbende heeft ter zitting verklaard dat deze brieven in het digitaal dossier stonden, maar dat hij ze te laat heeft gezien. De rechtbank heeft het uittreksel pas bij het verzetschrift van 19 februari 2026, en dus te laat, ontvangen. In tegenstelling tot hetgeen gemachtigde stelt, is de rechtbank van oordeel dat bij het niet voldoen aan enig bij de wet gesteld vereiste voor het in behandeling nemen van het beroep, het beroep wegens dit verzuim niet-ontvankelijk verklaard kan worden en dat dat verzuim in verzet niet kan worden hersteld. Hieraan kan niet worden voorbijgegaan op grond van coulance of om de reden dat een niet-ontvankelijkverklaring onevenredige gevolgen zou hebben. RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Zittingsplaats Breda Belastingrecht zaaknummers: BRE 25/2861 t/m 25/2863 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 30 april 2026 op het verzet van [belanghebbende] B.V., uit [plaats] , belanghebbende (gemachtigde: [gemachtigde] ), tegen de uitspraak van de rechtbank van 23 januari 2026 in het geding tussen belanghebbende en de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur. Inleiding 1. Deze uitspraak op het verzet van belanghebbende gaat over de uitspraak van de rechtbank van 23 januari 2026 waarin de rechtbank de beroepen van belanghebbende niet-ontvankelijk heeft verklaard. De beroepen zien op de naheffingsaanslag omzetbelasting over de tijdvakken gelegen in de periode 1 januari 2020 tot en met 31 december 2021 met aanslagnummer [aanslagnummer] F.01.1501, de navorderingsaanslag vennootschapsbelasting over het jaar 2020 met aanslagnummer [aanslagnummer] V.07.0112 en de aanslag vennootschapsbelasting 2021 met aanslagnummer [aanslagnummer] V.16.0112. 1.1. De rechtbank heeft het verzet op 16 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: gemachtigde en namens de inspecteur mr. [inspecteur 1] en mr. [inspecteur 2] . Beoordeling door de rechtbank 2. De rechtbank beoordeelt in deze uitspraak uitsluitend of in de uitspraak van 23 januari 2026 terecht is geoordeeld dat buiten redelijke twijfel is dat de beroepen niet-ontvankelijk zijn, omdat geen uittreksel uit het handelsregister van de Kamer van Koophandel is overgelegd. Zij doet dit aan de hand van de gronden van het verzet. 2.1. Gemachtigde voert aan dat hij niet handelt op grond van een volmacht, maar op grond van de wettelijke vertegenwoordigingsbevoegdheid. Hij heeft daarbij in verzet een uittreksel uit het handelsregister van de Kamer van Koophandel overgelegd waaruit blijkt dat hij de bevoegd bestuurder is van belanghebbende. Gemachtigde is van mening dat het verzuim hiermee is hersteld dan wel verschoonbaar is en vindt een niet-ontvankelijkverklaring wegens dit verzuim onevenredig zwaar. Gemachtigde verwijst tevens naar de uitspraak op bezwaar die aan hem persoonlijk is gericht, waardoor volgens hem voldoende vaststond dat hij bevoegd was belanghebbende te vertegenwoordigen. 2.2. De rechtbank komt tot het oordeel dat het verzet ongegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. 2.3. De rechtbank overweegt dat belanghebbende een niet-natuurlijk persoon is en zonder een uittreksel uit het handelsregister niet kan worden beoordeeld of de persoon die stelt op te treden namens belanghebbende bevoegd is om namens belanghebbende beroep in te stellen. De rechtbank beoordeelt deze vertegenwoordigingsbevoegdheid zelf en gaat niet uit van correspondentie van de Belastingdienst. Om die reden heeft de griffier het uittreksel uit het handelsregister bij brieven van 17 juni 2025 en 18 juli 2025 opgevraagd. Belanghebbende heeft ter zitting verklaard dat deze brieven in het digitaal dossier stonden, maar dat hij ze te laat heeft gezien. De rechtbank heeft het uittreksel pas bij het verzetschrift van 19 februari 2026, en dus te laat, ontvangen. 2.4. In tegenstelling tot hetgeen gemachtigde stelt, is de rechtbank van oordeel dat bij het niet voldoen aan enig ander bij de wet gesteld vereiste voor het in behandeling nemen van het beroep, het beroep wegens dit verzuim niet-ontvankelijk verklaard kan worden en dat dat verzuim in verzet niet kan worden hersteld. Hieraan kan niet worden voorbijgegaan op grond van coulance of om de reden dat een niet-ontvankelijkverklaring onevenredige gevolgen zou hebben. Het verzet is ongegrond. Conclusie en gevolgen 3. De gronden van het verzet slagen niet. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding anders te oordelen dan in de uitspraak van 23 januari 2026. Het verzet is ongegrond. Dat betekent dat die uitspraak in stand blijft. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De rechtbank verklaart het verzet ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. S.A.J. Bastiaansen, rechter, in aanwezigheid van mr.W. Dekkers, griffier. griffier rechter De uitspraak is openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl. De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld. Bent u het niet eens met deze uitspraak? Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de datum bekendmaking beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl. Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag . Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl). Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen: 1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd; 2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn; 3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden: a. de naam en het adres van de indiener; b. de dagtekening; c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht; d. de gronden van het beroep in cassatie. Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten. Dit volgt uit artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Vergelijk Hoge Raad, 10 januari 2014, ECLI:NL:HR:2014:2.
Volledig
ECLI:NL:RBZWB:2026:3466 text/xml public 2026-05-11T09:00:23 2026-04-28 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Zeeland-West-Brabant 2026-04-30 BRE 25/2861 t/m 25/2863 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig Verzet NL Breda Bestuursrecht; Belastingrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:3466 text/html public 2026-05-08T12:27:33 2026-05-11 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBZWB:2026:3466 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 30-04-2026 / BRE 25/2861 t/m 25/2863 8:55 Verzet ongegrond. De rechtbank overweegt dat belanghebbende een niet-natuurlijk persoon is en zonder een uittreksel uit het handelsregister niet kan worden beoordeeld of de persoon die stelt op te treden namens belanghebbende bevoegd is om namens belanghebbende beroep in te stellen. De rechtbank beoordeelt deze vertegenwoordigingsbevoegdheid zelf en gaat niet uit van correspondentie van de Belastingdienst. Om die reden heeft de griffier het uittreksel uit het handelsregister bij brieven van 17 juni 2025 en 18 juli 2025 opgevraagd. Belanghebbende heeft ter zitting verklaard dat deze brieven in het digitaal dossier stonden, maar dat hij ze te laat heeft gezien. De rechtbank heeft het uittreksel pas bij het verzetschrift van 19 februari 2026, en dus te laat, ontvangen. In tegenstelling tot hetgeen gemachtigde stelt, is de rechtbank van oordeel dat bij het niet voldoen aan enig bij de wet gesteld vereiste voor het in behandeling nemen van het beroep, het beroep wegens dit verzuim niet-ontvankelijk verklaard kan worden en dat dat verzuim in verzet niet kan worden hersteld. Hieraan kan niet worden voorbijgegaan op grond van coulance of om de reden dat een niet-ontvankelijkverklaring onevenredige gevolgen zou hebben. RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Zittingsplaats Breda Belastingrecht zaaknummers: BRE 25/2861 t/m 25/2863 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 30 april 2026 op het verzet van [belanghebbende] B.V., uit [plaats] , belanghebbende (gemachtigde: [gemachtigde] ), tegen de uitspraak van de rechtbank van 23 januari 2026 in het geding tussen belanghebbende en de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur. Inleiding 1. Deze uitspraak op het verzet van belanghebbende gaat over de uitspraak van de rechtbank van 23 januari 2026 waarin de rechtbank de beroepen van belanghebbende niet-ontvankelijk heeft verklaard. De beroepen zien op de naheffingsaanslag omzetbelasting over de tijdvakken gelegen in de periode 1 januari 2020 tot en met 31 december 2021 met aanslagnummer [aanslagnummer] F.01.1501, de navorderingsaanslag vennootschapsbelasting over het jaar 2020 met aanslagnummer [aanslagnummer] V.07.0112 en de aanslag vennootschapsbelasting 2021 met aanslagnummer [aanslagnummer] V.16.0112. 1.1. De rechtbank heeft het verzet op 16 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: gemachtigde en namens de inspecteur mr. [inspecteur 1] en mr. [inspecteur 2] . Beoordeling door de rechtbank 2. De rechtbank beoordeelt in deze uitspraak uitsluitend of in de uitspraak van 23 januari 2026 terecht is geoordeeld dat buiten redelijke twijfel is dat de beroepen niet-ontvankelijk zijn, omdat geen uittreksel uit het handelsregister van de Kamer van Koophandel is overgelegd. Zij doet dit aan de hand van de gronden van het verzet. 2.1. Gemachtigde voert aan dat hij niet handelt op grond van een volmacht, maar op grond van de wettelijke vertegenwoordigingsbevoegdheid. Hij heeft daarbij in verzet een uittreksel uit het handelsregister van de Kamer van Koophandel overgelegd waaruit blijkt dat hij de bevoegd bestuurder is van belanghebbende. Gemachtigde is van mening dat het verzuim hiermee is hersteld dan wel verschoonbaar is en vindt een niet-ontvankelijkverklaring wegens dit verzuim onevenredig zwaar. Gemachtigde verwijst tevens naar de uitspraak op bezwaar die aan hem persoonlijk is gericht, waardoor volgens hem voldoende vaststond dat hij bevoegd was belanghebbende te vertegenwoordigen. 2.2. De rechtbank komt tot het oordeel dat het verzet ongegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. 2.3. De rechtbank overweegt dat belanghebbende een niet-natuurlijk persoon is en zonder een uittreksel uit het handelsregister niet kan worden beoordeeld of de persoon die stelt op te treden namens belanghebbende bevoegd is om namens belanghebbende beroep in te stellen. De rechtbank beoordeelt deze vertegenwoordigingsbevoegdheid zelf en gaat niet uit van correspondentie van de Belastingdienst. Om die reden heeft de griffier het uittreksel uit het handelsregister bij brieven van 17 juni 2025 en 18 juli 2025 opgevraagd. Belanghebbende heeft ter zitting verklaard dat deze brieven in het digitaal dossier stonden, maar dat hij ze te laat heeft gezien. De rechtbank heeft het uittreksel pas bij het verzetschrift van 19 februari 2026, en dus te laat, ontvangen. 2.4. In tegenstelling tot hetgeen gemachtigde stelt, is de rechtbank van oordeel dat bij het niet voldoen aan enig ander bij de wet gesteld vereiste voor het in behandeling nemen van het beroep, het beroep wegens dit verzuim niet-ontvankelijk verklaard kan worden en dat dat verzuim in verzet niet kan worden hersteld. Hieraan kan niet worden voorbijgegaan op grond van coulance of om de reden dat een niet-ontvankelijkverklaring onevenredige gevolgen zou hebben. Het verzet is ongegrond. Conclusie en gevolgen 3. De gronden van het verzet slagen niet. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding anders te oordelen dan in de uitspraak van 23 januari 2026. Het verzet is ongegrond. Dat betekent dat die uitspraak in stand blijft. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De rechtbank verklaart het verzet ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. S.A.J. Bastiaansen, rechter, in aanwezigheid van mr.W. Dekkers, griffier. griffier rechter De uitspraak is openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl. De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld. Bent u het niet eens met deze uitspraak? Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de datum bekendmaking beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl. Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag . Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl). Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen: 1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd; 2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn; 3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden: a. de naam en het adres van de indiener; b. de dagtekening; c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht; d. de gronden van het beroep in cassatie. Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten. Dit volgt uit artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Vergelijk Hoge Raad, 10 januari 2014, ECLI:NL:HR:2014:2.