Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2026-03-26
ECLI:NL:RBZWB:2026:3393
Civiel recht; Personen- en familierecht
Rekestprocedure
6,975 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBZWB:2026:3393 text/xml public 2026-05-07T16:15:48 2026-04-26 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Zeeland-West-Brabant 2026-03-26 C/02/412388 FA RK 23-3611 Uitspraak Rekestprocedure NL Breda Civiel recht; Personen- en familierecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:3393 text/html public 2026-05-07T09:27:09 2026-05-07 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBZWB:2026:3393 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 26-03-2026 / C/02/412388 FA RK 23-3611 Afwijzen verzoek vaststelling omgangsregeling RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Team Familie- en Jeugdrecht Breda Zaaknummer: C/02/412388 FA RK 23-3611 26 maart 2026 nadere beschikking betreffende omgang in de zaak van [de vrouw] , wonende te [plaats] , hierna te noemen de vrouw, advocaat mr. C. Bayrak, en [de man] , wonende aan de [adres] , hierna te noemen de man, voorheen advocaat mr. J.B. de Bree, nu zonder advocaat. 1 Het verdere procesverloop 1.1 Dit blijkt uit de volgende stukken: - de in deze zaak op 22 mei 2025 door de rechtbank gegeven beschikking en alle daarin vermelde stukken; - de brief van mr. De Bree van 24 november 2025 met bijlage; - de brief van mr. De Bree van 20 januari 2026 waarin zij zich heeft onttrokken als advocaat van de man. 1.2 De zaak is behandeld op de mondelinge behandeling van 26 februari 2026. Bij die gelegenheid zijn verschenen de vrouw, bijgestaan door haar advocaat, en de man. Tevens was aanwezig een vertegenwoordiger van de Raad voor de Kinderbescherming, Zeeland-West-Brabant, locatie Breda, hierna te noemen de Raad. 1.3 Na te noemen minderjarigen zijn gelet op hun leeftijd in de gelegenheid gesteld hun mening kenbaar te maken tijdens een zogenoemd kindgesprek. Zij hebben hiervan geen gebruik gemaakt. 2 De feiten 2.1 In voormelde beschikking van 22 mei 2025 is bepaald dat de vrouw voortaan alleen het gezag heeft over de minderjarigen: - [minderjarige 1] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 1] 2016 (hierna: [minderjarige 1] ); - [minderjarige 2] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 2] 2018 (hierna: [minderjarige 2] ). Verder is bepaald dat de man en genoemde minderjarigen, voor zover nu nog van belang, voorlopig recht hebben op omgang met elkaar: - iedere maandag, dinsdag en donderdag, waarbij de minderjarigen door de man om 8.00 uur bij de vrouw thuis worden opgehaald om vervolgens [minderjarige 1] om 8.15 uur en [minderjarige 2] om 8.30 uur op school af te zetten en dat de man de minderjarigen na schooltijd op school ophaalt en bij de vrouw thuis afzet; - de ene week op zaterdag en de andere week op zondag van 11.00 uur tot 19.00 uur, ook tijdens vakanties, tenzij de vrouw met de minderjarigen op vakantie is. De verdere behandeling van de zaak is aangehouden in afwachting van de onderbouwde informatie van de advocaat van de man over het verloop van de behandeling van de man bij [zorglocatie] en de mate waarin de man in staat is om omgang met de minderjarigen te hebben. 3 De verzoeken 3.1 De vrouw verzoekt een omgangsregeling vast te stellen, waarbij de minderjarigen: - om de week een weekend van vrijdagmiddag tot maandagochtend bij de man verblijven, waarbij de man de minderjarigen van school haalt en naar school brengt, - doordeweeks door de man van school worden gehaald en bij de vrouw worden afgezet, - gedurende de helft van de vakanties en feestdagen (inclusief de islamitische feestdagen) bij de man verblijven, een en ander onder verbeurte van een direct opeisbare dwangsom van € 100,= per dag of gedeelte daarvan dat de man weigerachtig is om aan de regeling te voldoen, met een maximum van € 25.000,=. 3.2 De man verzoekt de voorlopige omgangsregeling, zoals door de rechtbank als provisionele voorziening is bepaald in de beschikking van 30 augustus 2023, om te zetten in een definitieve regeling. 4 De nadere beoordeling 4.1 In de door de (voormalige) advocaat van de man bij voormelde brief van 24 november 2025 overgelegde afsluitbrief van [zorglocatie] van 30 september 2025 is het volgende vermeld. De man is door de huisarts naar [zorglocatie] verwezen in verband met PTSS en vermoedens van trauma- en stressorgerelateerde stoornissen. Hij beschrijft dat zijn voornaamste klacht is dat hij niet te lang in zijn woning kan verblijven, omdat hij dan het idee heeft dat de muren op hem afkomen. Hij voelt op deze momenten een agressieve uitbarsting opkomen richting materiaal en voorkomt dit door zijn huis uit te gaan totdat de spanning weer afzakt. Bij uitvragen blijken er geen intrusies voortkomend uit trauma, maar heeft de man door zijn jarenlange detentie, waarbij hij mogelijk onterecht veroordeeld werd, een negatief wereldbeeld ontwikkeld, waarbij anderen niet te vertrouwen zijn en hij zich niet kwetsbaar wil tonen. Dit heeft ervoor gezorgd dat hij minder goed kan omgaan met spanningen en negatieve emoties, namelijk door vooral veel afleiding te zoeken. Daarnaast is hij wantrouwend richting anderen, waardoor hij zijn problemen niet met anderen bespreekbaar maakt. Sociale contacten geven hem spanning. De man werkt gemiddeld 48 uur per week, slaapt gemiddeld 3 à 4 uur per nacht, heeft een klein sociaal netwerk en vindt nergens echt ontspanning in. Hierdoor is zijn spanningsniveau altijd hoog. Gevoelens van onrecht en boosheid zorgen ervoor dat zijn spanning nog verder toeneemt, wat uiteindelijk leidt tot een agressieve uitbarsting. De vrouw heeft de wens dat de kinderen ook bij de man kunnen overnachten, maar de man houdt dit tegen uit angst dat een agressieve uitbarsting omhoog komt als de kinderen bij hem zijn en hij deze uitbarsting niet kan tegenhouden omdat hij thuis moet blijven voor de kinderen (in plaats van naar buiten gaan om de uitbarsting te voorkomen). De rechtszaak tussen partijen zorgt er ook voor dat de man met momenten meer stress ervaart. In april 2025 zijn de agressiedoorbraken verminderd en ervaart de man meer inzicht en grip op deze doorbraken. Deze hangen met name samen met het ervaren van onrecht in combinatie met een al hoge mate van spanning. De man is geadviseerd zijn behandeling verder te richten op zijn vermijdende coping stijl. Hij is geneigd om problemen weg te stoppen en afleiding te zoeken, waardoor spanning alleen maar meer oploopt. De man is echter niet gemotiveerd hieraan mee te werken. Hij ervaart op dit moment te weinig lijdensdruk en is bang voor meer agressiedoorbraken wanneer hij zijn vermijding doorbreekt. In overleg is besloten de behandeling af te sluiten. Kort daarna laat de man weten dat zijn agressiedoorbraken weer zijn toegenomen. Na een gesprek blijkt echter nog steeds onvoldoende draagvlak bij de man om aan zijn vermijdende coping te werken. 4.2 De man heeft op de zitting het volgende aangegeven. Op de bankpas van [minderjarige 2] heeft hij gezien dat de achternaam van [minderjarige 2] is veranderd in de achternaam van de vrouw. Toen hij de vrouw hiernaar op 29 september 2025 vroeg, gaf de vrouw aan dat hij zich daar niet druk over moest maken omdat de kinderen hem toch niet willen zien. Een dag later wilde hij de kinderen bij de vrouw ophalen, maar toen was er niemand thuis. Op dat moment heeft hij besloten zich terug te trekken en de omgangsregeling niet meer na te komen. De vrouw doet alsof zij altijd alles perfect doet, maar dat is niet zo. De man wil wel weer contact met de kinderen hebben, maar nu niet. Op dit moment heeft hij te veel stress en te veel privé problemen die hij moet oplossen. Hij durft de verantwoordelijkheid nu niet aan om omgang met de kinderen te hebben. Hij wil de kinderen beschermen. Hij kan niet toezeggen wanneer hij de kinderen wel weer kan zien. Als hij weer klaar is voor contact, zal hij dit via de broers van de vrouw aan de vrouw te laten weten. Rechtstreeks contact met de vrouw wil hij niet. Hij kan zich vinden in het voorstel van de Raad om de kinderen dan eerst een paar keer mee te nemen naar [restaurant] , maar daarna wil hij de nu geldende omgangsregeling voor wat betreft de weekenden weer oppakken. 4.3 De vrouw heeft ter zitting het volgende naar voren gebracht. De door de rechtbank vastgelegde voorlopige omgangsregeling is nimmer door de man nagekomen. De man heeft steeds naar eigen inzicht gehandeld.
Volledig
ECLI:NL:RBZWB:2026:3393 text/xml public 2026-05-07T16:15:48 2026-04-26 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Zeeland-West-Brabant 2026-03-26 C/02/412388 FA RK 23-3611 Uitspraak Rekestprocedure NL Breda Civiel recht; Personen- en familierecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:3393 text/html public 2026-05-07T09:27:09 2026-05-07 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBZWB:2026:3393 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 26-03-2026 / C/02/412388 FA RK 23-3611 Afwijzen verzoek vaststelling omgangsregeling RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Team Familie- en Jeugdrecht Breda Zaaknummer: C/02/412388 FA RK 23-3611 26 maart 2026 nadere beschikking betreffende omgang in de zaak van [de vrouw] , wonende te [plaats] , hierna te noemen de vrouw, advocaat mr. C. Bayrak, en [de man] , wonende aan de [adres] , hierna te noemen de man, voorheen advocaat mr. J.B. de Bree, nu zonder advocaat. 1 Het verdere procesverloop 1.1 Dit blijkt uit de volgende stukken: - de in deze zaak op 22 mei 2025 door de rechtbank gegeven beschikking en alle daarin vermelde stukken; - de brief van mr. De Bree van 24 november 2025 met bijlage; - de brief van mr. De Bree van 20 januari 2026 waarin zij zich heeft onttrokken als advocaat van de man. 1.2 De zaak is behandeld op de mondelinge behandeling van 26 februari 2026. Bij die gelegenheid zijn verschenen de vrouw, bijgestaan door haar advocaat, en de man. Tevens was aanwezig een vertegenwoordiger van de Raad voor de Kinderbescherming, Zeeland-West-Brabant, locatie Breda, hierna te noemen de Raad. 1.3 Na te noemen minderjarigen zijn gelet op hun leeftijd in de gelegenheid gesteld hun mening kenbaar te maken tijdens een zogenoemd kindgesprek. Zij hebben hiervan geen gebruik gemaakt. 2 De feiten 2.1 In voormelde beschikking van 22 mei 2025 is bepaald dat de vrouw voortaan alleen het gezag heeft over de minderjarigen: - [minderjarige 1] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 1] 2016 (hierna: [minderjarige 1] ); - [minderjarige 2] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 2] 2018 (hierna: [minderjarige 2] ). Verder is bepaald dat de man en genoemde minderjarigen, voor zover nu nog van belang, voorlopig recht hebben op omgang met elkaar: - iedere maandag, dinsdag en donderdag, waarbij de minderjarigen door de man om 8.00 uur bij de vrouw thuis worden opgehaald om vervolgens [minderjarige 1] om 8.15 uur en [minderjarige 2] om 8.30 uur op school af te zetten en dat de man de minderjarigen na schooltijd op school ophaalt en bij de vrouw thuis afzet; - de ene week op zaterdag en de andere week op zondag van 11.00 uur tot 19.00 uur, ook tijdens vakanties, tenzij de vrouw met de minderjarigen op vakantie is. De verdere behandeling van de zaak is aangehouden in afwachting van de onderbouwde informatie van de advocaat van de man over het verloop van de behandeling van de man bij [zorglocatie] en de mate waarin de man in staat is om omgang met de minderjarigen te hebben. 3 De verzoeken 3.1 De vrouw verzoekt een omgangsregeling vast te stellen, waarbij de minderjarigen: - om de week een weekend van vrijdagmiddag tot maandagochtend bij de man verblijven, waarbij de man de minderjarigen van school haalt en naar school brengt, - doordeweeks door de man van school worden gehaald en bij de vrouw worden afgezet, - gedurende de helft van de vakanties en feestdagen (inclusief de islamitische feestdagen) bij de man verblijven, een en ander onder verbeurte van een direct opeisbare dwangsom van € 100,= per dag of gedeelte daarvan dat de man weigerachtig is om aan de regeling te voldoen, met een maximum van € 25.000,=. 3.2 De man verzoekt de voorlopige omgangsregeling, zoals door de rechtbank als provisionele voorziening is bepaald in de beschikking van 30 augustus 2023, om te zetten in een definitieve regeling. 4 De nadere beoordeling 4.1 In de door de (voormalige) advocaat van de man bij voormelde brief van 24 november 2025 overgelegde afsluitbrief van [zorglocatie] van 30 september 2025 is het volgende vermeld. De man is door de huisarts naar [zorglocatie] verwezen in verband met PTSS en vermoedens van trauma- en stressorgerelateerde stoornissen. Hij beschrijft dat zijn voornaamste klacht is dat hij niet te lang in zijn woning kan verblijven, omdat hij dan het idee heeft dat de muren op hem afkomen. Hij voelt op deze momenten een agressieve uitbarsting opkomen richting materiaal en voorkomt dit door zijn huis uit te gaan totdat de spanning weer afzakt. Bij uitvragen blijken er geen intrusies voortkomend uit trauma, maar heeft de man door zijn jarenlange detentie, waarbij hij mogelijk onterecht veroordeeld werd, een negatief wereldbeeld ontwikkeld, waarbij anderen niet te vertrouwen zijn en hij zich niet kwetsbaar wil tonen. Dit heeft ervoor gezorgd dat hij minder goed kan omgaan met spanningen en negatieve emoties, namelijk door vooral veel afleiding te zoeken. Daarnaast is hij wantrouwend richting anderen, waardoor hij zijn problemen niet met anderen bespreekbaar maakt. Sociale contacten geven hem spanning. De man werkt gemiddeld 48 uur per week, slaapt gemiddeld 3 à 4 uur per nacht, heeft een klein sociaal netwerk en vindt nergens echt ontspanning in. Hierdoor is zijn spanningsniveau altijd hoog. Gevoelens van onrecht en boosheid zorgen ervoor dat zijn spanning nog verder toeneemt, wat uiteindelijk leidt tot een agressieve uitbarsting. De vrouw heeft de wens dat de kinderen ook bij de man kunnen overnachten, maar de man houdt dit tegen uit angst dat een agressieve uitbarsting omhoog komt als de kinderen bij hem zijn en hij deze uitbarsting niet kan tegenhouden omdat hij thuis moet blijven voor de kinderen (in plaats van naar buiten gaan om de uitbarsting te voorkomen). De rechtszaak tussen partijen zorgt er ook voor dat de man met momenten meer stress ervaart. In april 2025 zijn de agressiedoorbraken verminderd en ervaart de man meer inzicht en grip op deze doorbraken. Deze hangen met name samen met het ervaren van onrecht in combinatie met een al hoge mate van spanning. De man is geadviseerd zijn behandeling verder te richten op zijn vermijdende coping stijl. Hij is geneigd om problemen weg te stoppen en afleiding te zoeken, waardoor spanning alleen maar meer oploopt. De man is echter niet gemotiveerd hieraan mee te werken. Hij ervaart op dit moment te weinig lijdensdruk en is bang voor meer agressiedoorbraken wanneer hij zijn vermijding doorbreekt. In overleg is besloten de behandeling af te sluiten. Kort daarna laat de man weten dat zijn agressiedoorbraken weer zijn toegenomen. Na een gesprek blijkt echter nog steeds onvoldoende draagvlak bij de man om aan zijn vermijdende coping te werken. 4.2 De man heeft op de zitting het volgende aangegeven. Op de bankpas van [minderjarige 2] heeft hij gezien dat de achternaam van [minderjarige 2] is veranderd in de achternaam van de vrouw. Toen hij de vrouw hiernaar op 29 september 2025 vroeg, gaf de vrouw aan dat hij zich daar niet druk over moest maken omdat de kinderen hem toch niet willen zien. Een dag later wilde hij de kinderen bij de vrouw ophalen, maar toen was er niemand thuis. Op dat moment heeft hij besloten zich terug te trekken en de omgangsregeling niet meer na te komen. De vrouw doet alsof zij altijd alles perfect doet, maar dat is niet zo. De man wil wel weer contact met de kinderen hebben, maar nu niet. Op dit moment heeft hij te veel stress en te veel privé problemen die hij moet oplossen. Hij durft de verantwoordelijkheid nu niet aan om omgang met de kinderen te hebben. Hij wil de kinderen beschermen. Hij kan niet toezeggen wanneer hij de kinderen wel weer kan zien. Als hij weer klaar is voor contact, zal hij dit via de broers van de vrouw aan de vrouw te laten weten. Rechtstreeks contact met de vrouw wil hij niet. Hij kan zich vinden in het voorstel van de Raad om de kinderen dan eerst een paar keer mee te nemen naar [restaurant] , maar daarna wil hij de nu geldende omgangsregeling voor wat betreft de weekenden weer oppakken. 4.3 De vrouw heeft ter zitting het volgende naar voren gebracht. De door de rechtbank vastgelegde voorlopige omgangsregeling is nimmer door de man nagekomen. De man heeft steeds naar eigen inzicht gehandeld.
Volledig
Na de zomervakantie van 2025 heeft hij de kinderen nog één keer opgehaald en sindsdien hebben de vrouw en de kinderen geen contact meer met hem gehad. De vrouw ontkent dat de achternaam van de kinderen is gewijzigd in haar achternaam. Toen de man haar hierover bevroeg, heeft zij enkel aangegeven dat de man zich meer druk zou moeten maken over het contact met de kinderen. Zij heeft niet gezegd dat de kinderen de man niet willen zien. [minderjarige 1] wil de man graag zien en heeft nog via Whatsapp berichten naar de man gestuurd, maar de man heeft hierop niet gereageerd. [minderjarige 1] heeft veel last van het ontbreken van contact. Zij denkt dat de man boos is op haar. [minderjarige 2] heeft autisme en een taalontwikkelingsstoornis. [minderjarige 2] gaf de laatste keren al aan niet naar de man te willen gaan. Het lijkt hem weinig te doen dat hij geen contact met de man heeft, maar de vrouw weet niet wat er daadwerkelijk in zijn hoofd omgaat. De vrouw heeft er alles aan gedaan om omgang tussen de man en de kinderen tot stand te brengen. Zij realiseert zich nu dat zij niets meer kan doen om de houding van de man te veranderen. De man laat zich tot niets dwingen. Onder deze omstandigheden kiest de vrouw ervoor om haar verzoek in te trekken. Wanneer de man wel weer contact met de kinderen wil, zal zij dit contact niet tegenhouden. De man heeft allerlei mogelijkheden om in contact met de kinderen te komen. Hij kan hiervoor de vrouw, haar broers of de kinderen benaderen. Hoe langer er geen contact tussen de man en de kinderen plaatsvindt, hoe moeilijker het echter zal worden om dit contact te herstellen. 4.4 De Raad heeft ter zitting het volgende aangegeven. De Raad ziet nu geen andere mogelijkheid dan geen omgangsregeling tussen de man en de kinderen vast te leggen. De man geeft heel duidelijk aan dat hij nu geen omgang met de kinderen kan hebben. Kennelijk spelen er in zijn leven allerlei dingen die maken dat hij geen omgangsregeling kan nakomen. Onduidelijk is waaraan dit ligt of wanneer omgang wel mogelijk is, maar de Raad heeft er voldoende vertrouwen in dat er verschillende wegen kunnen worden bewandeld om omgang tussen de man en de kinderen tot stand te brengen als de man daar weer toe in staat is. De Raad geeft de man wel mee dat de minderjarigen mogelijk niet toe zijn aan omgang met hem als de minderjarigen al enige tijd geen contact met hem hebben gehad. De Raad vindt het verder belangrijk dat de kinderen, eventueel met inzet van hulpverlening, wordt uitgelegd waarom er nu geen contact met de man is. Er moet worden voorkomen dat zij zichzelf hiervan de schuld gaan geven. Daarnaast is het belangrijk dat de man in de beleving van de minderjarigen een neutrale positie behoudt om de minderjarigen open te laten staan voor contactherstel. 4.5 De rechtbank overweegt als volgt. De afgelopen jaren is er onderzoek gedaan naar de mogelijkheden om een omgangsregeling tussen de man en de kinderen tot stand te brengen en zijn alle mogelijkheden daartoe benut. Ter zitting is duidelijk geworden dat de door de rechtbank vastgelegde voorlopige omgangsregeling vanaf het begin niet naar behoren is nagekomen en sinds de zomer van 2025 helemaal niet meer wordt uitgevoerd. Hoewel de vrouw altijd als doel heeft gehad om de man in de levens van de kinderen te betrekken en zij nog steeds achter omgang tussen de man en de kinderen staat, heeft zij aan het einde van de zitting, gelet op de verklaring van de man ter zitting, besloten haar omgangsverzoek in te trekken. De man heeft geen advocaat meer en zijn omgangsverzoek ligt dus nog voor, maar hij stelt nu geen omgangsregeling te kunnen nakomen. 4.6 De rechtbank constateert dat het op dit moment niet mogelijk is om een omgangsregeling vast te stellen die past bij het belang van de kinderen en waaraan de man zich kan houden. Het wordt in ieder geval niet in het belang van de kinderen geacht om nu een omgangsregeling vast te stellen waarvan de man zelf kan bepalen wanneer hij deze gaat uitvoeren. Op dit moment kan immers niet worden ingeschat welke omgangsregeling tegen die tijd bij de wensen en behoeften van de kinderen aansluit. De rechtbank ziet daarom geen andere optie dan het te laten bij de huidige feitelijke situatie waarin er geen omgang tussen de man en de kinderen plaatsvindt. Wanneer de man klaar is voor contact met de kinderen en zijn privé problemen zijn opgelost, is het aan hem om contact op te nemen met de broers van de vrouw. Zoals door de Raad is voorgesteld kan de man de kinderen dan bijvoorbeeld eerst een aantal keer meenemen naar [restaurant] . Vervolgens kunnen partijen, eventueel met begeleiding van derden uit hun netwerk of met hulpverlening, bekijken hoe het contact en de omgang tussen de man en de kinderen verder kan worden vormgegeven. Gelet op het voorgaande zullen de verzoeken betreffende de omgangsregeling tussen de man en de kinderen worden afgewezen en zal de procedure worden afgedaan. 5 De beslissing wijst de verzoeken van de vrouw en de man tot vaststelling van een omgangsregeling tussen de man en de minderjarigen [minderjarige 1] en [minderjarige 2] af. Deze beschikking is gegeven door mr. Oomes, en, in tegenwoordigheid van mr. De Wit, griffier, in het openbaar uitgesproken op 26 maart 2026. Mededeling van de griffier : Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld: door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak, door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden. Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch.
Volledig
Na de zomervakantie van 2025 heeft hij de kinderen nog één keer opgehaald en sindsdien hebben de vrouw en de kinderen geen contact meer met hem gehad. De vrouw ontkent dat de achternaam van de kinderen is gewijzigd in haar achternaam. Toen de man haar hierover bevroeg, heeft zij enkel aangegeven dat de man zich meer druk zou moeten maken over het contact met de kinderen. Zij heeft niet gezegd dat de kinderen de man niet willen zien. [minderjarige 1] wil de man graag zien en heeft nog via Whatsapp berichten naar de man gestuurd, maar de man heeft hierop niet gereageerd. [minderjarige 1] heeft veel last van het ontbreken van contact. Zij denkt dat de man boos is op haar. [minderjarige 2] heeft autisme en een taalontwikkelingsstoornis. [minderjarige 2] gaf de laatste keren al aan niet naar de man te willen gaan. Het lijkt hem weinig te doen dat hij geen contact met de man heeft, maar de vrouw weet niet wat er daadwerkelijk in zijn hoofd omgaat. De vrouw heeft er alles aan gedaan om omgang tussen de man en de kinderen tot stand te brengen. Zij realiseert zich nu dat zij niets meer kan doen om de houding van de man te veranderen. De man laat zich tot niets dwingen. Onder deze omstandigheden kiest de vrouw ervoor om haar verzoek in te trekken. Wanneer de man wel weer contact met de kinderen wil, zal zij dit contact niet tegenhouden. De man heeft allerlei mogelijkheden om in contact met de kinderen te komen. Hij kan hiervoor de vrouw, haar broers of de kinderen benaderen. Hoe langer er geen contact tussen de man en de kinderen plaatsvindt, hoe moeilijker het echter zal worden om dit contact te herstellen. 4.4 De Raad heeft ter zitting het volgende aangegeven. De Raad ziet nu geen andere mogelijkheid dan geen omgangsregeling tussen de man en de kinderen vast te leggen. De man geeft heel duidelijk aan dat hij nu geen omgang met de kinderen kan hebben. Kennelijk spelen er in zijn leven allerlei dingen die maken dat hij geen omgangsregeling kan nakomen. Onduidelijk is waaraan dit ligt of wanneer omgang wel mogelijk is, maar de Raad heeft er voldoende vertrouwen in dat er verschillende wegen kunnen worden bewandeld om omgang tussen de man en de kinderen tot stand te brengen als de man daar weer toe in staat is. De Raad geeft de man wel mee dat de minderjarigen mogelijk niet toe zijn aan omgang met hem als de minderjarigen al enige tijd geen contact met hem hebben gehad. De Raad vindt het verder belangrijk dat de kinderen, eventueel met inzet van hulpverlening, wordt uitgelegd waarom er nu geen contact met de man is. Er moet worden voorkomen dat zij zichzelf hiervan de schuld gaan geven. Daarnaast is het belangrijk dat de man in de beleving van de minderjarigen een neutrale positie behoudt om de minderjarigen open te laten staan voor contactherstel. 4.5 De rechtbank overweegt als volgt. De afgelopen jaren is er onderzoek gedaan naar de mogelijkheden om een omgangsregeling tussen de man en de kinderen tot stand te brengen en zijn alle mogelijkheden daartoe benut. Ter zitting is duidelijk geworden dat de door de rechtbank vastgelegde voorlopige omgangsregeling vanaf het begin niet naar behoren is nagekomen en sinds de zomer van 2025 helemaal niet meer wordt uitgevoerd. Hoewel de vrouw altijd als doel heeft gehad om de man in de levens van de kinderen te betrekken en zij nog steeds achter omgang tussen de man en de kinderen staat, heeft zij aan het einde van de zitting, gelet op de verklaring van de man ter zitting, besloten haar omgangsverzoek in te trekken. De man heeft geen advocaat meer en zijn omgangsverzoek ligt dus nog voor, maar hij stelt nu geen omgangsregeling te kunnen nakomen. 4.6 De rechtbank constateert dat het op dit moment niet mogelijk is om een omgangsregeling vast te stellen die past bij het belang van de kinderen en waaraan de man zich kan houden. Het wordt in ieder geval niet in het belang van de kinderen geacht om nu een omgangsregeling vast te stellen waarvan de man zelf kan bepalen wanneer hij deze gaat uitvoeren. Op dit moment kan immers niet worden ingeschat welke omgangsregeling tegen die tijd bij de wensen en behoeften van de kinderen aansluit. De rechtbank ziet daarom geen andere optie dan het te laten bij de huidige feitelijke situatie waarin er geen omgang tussen de man en de kinderen plaatsvindt. Wanneer de man klaar is voor contact met de kinderen en zijn privé problemen zijn opgelost, is het aan hem om contact op te nemen met de broers van de vrouw. Zoals door de Raad is voorgesteld kan de man de kinderen dan bijvoorbeeld eerst een aantal keer meenemen naar [restaurant] . Vervolgens kunnen partijen, eventueel met begeleiding van derden uit hun netwerk of met hulpverlening, bekijken hoe het contact en de omgang tussen de man en de kinderen verder kan worden vormgegeven. Gelet op het voorgaande zullen de verzoeken betreffende de omgangsregeling tussen de man en de kinderen worden afgewezen en zal de procedure worden afgedaan. 5 De beslissing wijst de verzoeken van de vrouw en de man tot vaststelling van een omgangsregeling tussen de man en de minderjarigen [minderjarige 1] en [minderjarige 2] af. Deze beschikking is gegeven door mr. Oomes, en, in tegenwoordigheid van mr. De Wit, griffier, in het openbaar uitgesproken op 26 maart 2026. Mededeling van de griffier : Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld: door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak, door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden. Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch.