Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2026-03-24
ECLI:NL:RBZWB:2026:3344
Civiel recht
Rekestprocedure
6,589 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBZWB:2026:3344 text/xml public 2026-05-06T11:28:13 2026-04-24 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Zeeland-West-Brabant 2026-03-24 C/02/445570 / JE RK 26-351 Uitspraak Rekestprocedure NL Breda Civiel recht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:3344 text/html public 2026-05-06T11:26:43 2026-05-06 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBZWB:2026:3344 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 24-03-2026 / C/02/445570 / JE RK 26-351 Ondertoezichtstelling en machtiging uithuisplaatsing. Minderjarige verblijft in perspectiefbiedend pleeggezin. Vrijwillig kader niet langer voldoende. RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Familie- en Jeugdrecht Locatie Breda Zaaknummer: C/02/445570 / JE RK 26-351 Datum uitspraak: 24 maart 2026 Beschikking van de kinderrechter over een ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing in de zaak van Raad voor de Kinderbescherming , Regio Zeeland–West-Brabant, locatie Breda, hierna te noemen de Raad, over [minderjarige] , geboren op [geboortedag] 2020 in [geboorteplaats] , hierna te noemen [minderjarige] . De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan: [de moeder] , hierna te noemen de moeder, wonende in [plaats 1] , advocaat mr. A.Ch. Osté uit Oosterhout, [de vader] , hierna te noemen de vader, wonende op een bij de rechtbank bekend adres, advocaat mr. A.Ch. Osté uit Oosterhout, [pleegouders] hierna te noemen de pleegouders, wonende in [plaats 2] . De kinderrechter merkt als informant aan: de gecertificeerde instelling William Schrikker Jeugdbescherming & Jeugdreclassering , gevestigd te Amsterdam, hierna te noemen de GI. 1 Het verloop van de procedure 1.1. De kinderrechter neemt mee in de beoordeling: - het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op27 februari 2026. 1.2. De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 24 maart 2026. Daarbij waren aanwezig: - de vader en de moeder met hun advocaat; - de pleegouders; - een vertegenwoordiger van de Raad; - een vertegenwoordiger van de GI. Aan mevrouw [persoon] , begeleider van pleegouders vanuit [zorgaanbieder] , is bijzondere toegang verleend om de zitting bij te wonen. Zij is niet gehoord. 2 De feiten 2.1. De ouders zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] . 2.2. [minderjarige] verblijft in het gezin van de pleegouders. 3 Het verzoek 3.1. De Raad verzoekt [minderjarige] onder toezicht te stellen van de GI voor de duur van een jaar. Ook verzoekt de Raad om de GI een machtiging te verlenen tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg, te weten haar huidige pleeggezin vanuit [zorgaanbieder] , voor de duur van een jaar. De Raad verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. 4 De standpunten 4.1. Ter onderbouwing van het verzoek heeft de Raad aangevoerd dat er ernstige, langdurige en structurele, zorgen zijn rondom [minderjarige] . Deze zorgen zijn vooral gelegen in de spanningen tussen de ouders en de pleegouders en het verschil van mening over waar [minderjarige] verder op gaat groeien. De ouders hebben de wens dat [minderjarige] weer bij hen komt wonen. De Raad meent dat hiervan geen sprake kan zijn. Deze conclusie is ook naar voren gekomen in het onderzoek naar het perspectief van [minderjarige] door [praktijk] . De Raad is niet voornemens om (nogmaals) onderzoek naar het perspectief van [minderjarige] te doen, te meer nu dit al twee keer is onderzocht. De conclusie van de Raad zal niet anders zijn. De grootste zorgen betreffen de blijvende onduidelijkheid over het opvoedperspectief en de emotionele belasting van [minderjarige] als gevolg van de spanningen tussen de ouders en de pleegouders. Wanneer de duidelijkheid over het opgroeiperspectief voor [minderjarige] ontbreekt, bestaat het risico dat er onvoldoende stabiliteit is in de opvoedingsomgeving om [minderjarige] te behandelen voor haar mogelijke kindeigen problematiek. De Raad acht het van belang dat binnen de verzochte maatregelen met de ouders zal worden gewerkt aan de acceptatie van het feit dat het perspectief van [minderjarige] niet bij hen is en om de relatie tussen de ouders en de pleegouders te herstellen. 4.2. Door en namens de ouders is samengevat aangevoerd dat zij het fijn zouden vinden als [minderjarige] thuis kan wonen, maar dat dit niet hun doel is. Zij zien in dat [minderjarige] bij de pleegouders woont, dat zij daar gehecht is en dat zij niet meer thuiskomt. Daarnaast geven de ouders hun emotionele toestemming voor het verblijf van [minderjarige] bij de pleegouders. Dit hebben zij echter nooit specifiek naar [minderjarige] uitgesproken. In hun rol als ouders van [minderjarige] zijn zij echter van mening dat de omgang met [minderjarige] heel beperkt is. De ouders zouden graag zien dat gekeken wordt naar mogelijkheden om de huidige omgangsfrequentie van zes uur per twee weken (exclusief reistijd) uit te breiden, binnen de grenzen van wat [minderjarige] aankan. Zij voelen zich nu aan de zijlijn staan terwijl zij juist een band met [minderjarige] willen opbouwen. De ouders betwisten dat hun relatie met de pleegouders onder druk staat. Gelet op hun problematiek kunnen de ouders zich minder goed uitdrukken richting de pleegouders. Met name de moeder kan zich dan wat onbegrepen voelen. Concluderend staan de ouders achter het verzoek en hopen zij dat er doelen bereikt kunnen worden. 4.3. Van de zijde van de pleegouders heeft de pleegmoeder samengevat aangegeven dat de onderlinge verhouding met de ouders in haar ogen niet verstoord is. De moeder en zij hebben altijd goed met elkaar overweg gekund. De pleegmoeder stelt dat zij de moeder op enig moment als één van haar dochters zag. Sinds pleegzorg heeft gevraagd om wat meer afstand te bewaren lopen de verhoudingen minder lekker, maar dat is niet gericht aan de ouders. De pleegmoeder heeft ook niet het gevoel dat de ouders zich minder goed kunnen uitdrukken, dat is meer het gevoel van de moeder. Wel kunnen bepaalde uitspraken van de ouders het contact wat lastig maken. De pleegmoeder hoopt dat er rust komt voor met name [minderjarige] . De bezoeken zijn voor [minderjarige] heel belastend, vooral omdat zij nu vijf dagen per week naar school gaat, zij sensitief is en het niet fijn vindt om mee naar de kerk te gaan. Van belang is dat gekeken wordt naar wat [minderjarige] nodig heeft en aankan. 4.4. De vertegenwoordiger van de GI heeft samengevat naar voren gebracht dat de maatregelen bij toewijzing daarvan direct uitvoerbaar zijn. Zij kan direct als vaste jeugdbeschermer starten. Met de ouders en de pleegouders zal in gesprek gegaan worden over hoe (weer) nader tot elkaar kan worden gekomen. Voor de ouders is er nu veel onduidelijkheid. Van belang is dat er voor de ouders duidelijke afspraken gemaakt worden. 5 De beoordeling 5.1. Op het verzoek van de Raad tot ondertoezichtstelling is artikel 1:255 van het Burgerlijk Wetboek (BW) van toepassing. Hierin staat kort gezegd dat de kinderrechter een minderjarige onder toezicht kan stellen als hij/zij ernstig in zijn/haar ontwikkeling wordt bedreigd en die ontwikkelingsbedreiging niet (voldoende) kan worden weggenomen met vrijwillige hulpverlening. 5.2. Op het verzoek van de Raad tot het verlenen van een machtiging tot uithuisplaatsing is artikel 1:265b BW van toepassing. Hierin staat kort gezegd dat de kinderrechter een machtiging tot uithuisplaatsing van een minderjarige kan verlenen als dat in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige noodzakelijk is. 5.3. De kinderrechter is gelet op de stukken en hetgeen tijdens de zitting besproken is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een ondertoezichtstelling is voldaan. De kinderrechter legt hieronder uit waarom. 5.4. De ontwikkeling van [minderjarige] wordt ernstig bedreigd. [minderjarige] groeit sinds haar geboorte op bij de pleegouders in het kader van een vrijwillige uithuisplaatsing. De ouders hebben hieraan steeds hun medewerking verleend. Ook hebben zij meerdere keren meegewerkt aan onderzoeken om te kijken welk toekomstperspectief in het belang van [minderjarige] is. Uit deze onderzoeken is gebleken dat [minderjarige] het beste kan opgroeien bij de pleegouders.
Volledig
ECLI:NL:RBZWB:2026:3344 text/xml public 2026-05-06T11:28:13 2026-04-24 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Zeeland-West-Brabant 2026-03-24 C/02/445570 / JE RK 26-351 Uitspraak Rekestprocedure NL Breda Civiel recht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:3344 text/html public 2026-05-06T11:26:43 2026-05-06 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBZWB:2026:3344 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 24-03-2026 / C/02/445570 / JE RK 26-351 Ondertoezichtstelling en machtiging uithuisplaatsing. Minderjarige verblijft in perspectiefbiedend pleeggezin. Vrijwillig kader niet langer voldoende. RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Familie- en Jeugdrecht Locatie Breda Zaaknummer: C/02/445570 / JE RK 26-351 Datum uitspraak: 24 maart 2026 Beschikking van de kinderrechter over een ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing in de zaak van Raad voor de Kinderbescherming , Regio Zeeland–West-Brabant, locatie Breda, hierna te noemen de Raad, over [minderjarige] , geboren op [geboortedag] 2020 in [geboorteplaats] , hierna te noemen [minderjarige] . De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan: [de moeder] , hierna te noemen de moeder, wonende in [plaats 1] , advocaat mr. A.Ch. Osté uit Oosterhout, [de vader] , hierna te noemen de vader, wonende op een bij de rechtbank bekend adres, advocaat mr. A.Ch. Osté uit Oosterhout, [pleegouders] hierna te noemen de pleegouders, wonende in [plaats 2] . De kinderrechter merkt als informant aan: de gecertificeerde instelling William Schrikker Jeugdbescherming & Jeugdreclassering , gevestigd te Amsterdam, hierna te noemen de GI. 1 Het verloop van de procedure 1.1. De kinderrechter neemt mee in de beoordeling: - het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op27 februari 2026. 1.2. De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 24 maart 2026. Daarbij waren aanwezig: - de vader en de moeder met hun advocaat; - de pleegouders; - een vertegenwoordiger van de Raad; - een vertegenwoordiger van de GI. Aan mevrouw [persoon] , begeleider van pleegouders vanuit [zorgaanbieder] , is bijzondere toegang verleend om de zitting bij te wonen. Zij is niet gehoord. 2 De feiten 2.1. De ouders zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] . 2.2. [minderjarige] verblijft in het gezin van de pleegouders. 3 Het verzoek 3.1. De Raad verzoekt [minderjarige] onder toezicht te stellen van de GI voor de duur van een jaar. Ook verzoekt de Raad om de GI een machtiging te verlenen tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg, te weten haar huidige pleeggezin vanuit [zorgaanbieder] , voor de duur van een jaar. De Raad verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. 4 De standpunten 4.1. Ter onderbouwing van het verzoek heeft de Raad aangevoerd dat er ernstige, langdurige en structurele, zorgen zijn rondom [minderjarige] . Deze zorgen zijn vooral gelegen in de spanningen tussen de ouders en de pleegouders en het verschil van mening over waar [minderjarige] verder op gaat groeien. De ouders hebben de wens dat [minderjarige] weer bij hen komt wonen. De Raad meent dat hiervan geen sprake kan zijn. Deze conclusie is ook naar voren gekomen in het onderzoek naar het perspectief van [minderjarige] door [praktijk] . De Raad is niet voornemens om (nogmaals) onderzoek naar het perspectief van [minderjarige] te doen, te meer nu dit al twee keer is onderzocht. De conclusie van de Raad zal niet anders zijn. De grootste zorgen betreffen de blijvende onduidelijkheid over het opvoedperspectief en de emotionele belasting van [minderjarige] als gevolg van de spanningen tussen de ouders en de pleegouders. Wanneer de duidelijkheid over het opgroeiperspectief voor [minderjarige] ontbreekt, bestaat het risico dat er onvoldoende stabiliteit is in de opvoedingsomgeving om [minderjarige] te behandelen voor haar mogelijke kindeigen problematiek. De Raad acht het van belang dat binnen de verzochte maatregelen met de ouders zal worden gewerkt aan de acceptatie van het feit dat het perspectief van [minderjarige] niet bij hen is en om de relatie tussen de ouders en de pleegouders te herstellen. 4.2. Door en namens de ouders is samengevat aangevoerd dat zij het fijn zouden vinden als [minderjarige] thuis kan wonen, maar dat dit niet hun doel is. Zij zien in dat [minderjarige] bij de pleegouders woont, dat zij daar gehecht is en dat zij niet meer thuiskomt. Daarnaast geven de ouders hun emotionele toestemming voor het verblijf van [minderjarige] bij de pleegouders. Dit hebben zij echter nooit specifiek naar [minderjarige] uitgesproken. In hun rol als ouders van [minderjarige] zijn zij echter van mening dat de omgang met [minderjarige] heel beperkt is. De ouders zouden graag zien dat gekeken wordt naar mogelijkheden om de huidige omgangsfrequentie van zes uur per twee weken (exclusief reistijd) uit te breiden, binnen de grenzen van wat [minderjarige] aankan. Zij voelen zich nu aan de zijlijn staan terwijl zij juist een band met [minderjarige] willen opbouwen. De ouders betwisten dat hun relatie met de pleegouders onder druk staat. Gelet op hun problematiek kunnen de ouders zich minder goed uitdrukken richting de pleegouders. Met name de moeder kan zich dan wat onbegrepen voelen. Concluderend staan de ouders achter het verzoek en hopen zij dat er doelen bereikt kunnen worden. 4.3. Van de zijde van de pleegouders heeft de pleegmoeder samengevat aangegeven dat de onderlinge verhouding met de ouders in haar ogen niet verstoord is. De moeder en zij hebben altijd goed met elkaar overweg gekund. De pleegmoeder stelt dat zij de moeder op enig moment als één van haar dochters zag. Sinds pleegzorg heeft gevraagd om wat meer afstand te bewaren lopen de verhoudingen minder lekker, maar dat is niet gericht aan de ouders. De pleegmoeder heeft ook niet het gevoel dat de ouders zich minder goed kunnen uitdrukken, dat is meer het gevoel van de moeder. Wel kunnen bepaalde uitspraken van de ouders het contact wat lastig maken. De pleegmoeder hoopt dat er rust komt voor met name [minderjarige] . De bezoeken zijn voor [minderjarige] heel belastend, vooral omdat zij nu vijf dagen per week naar school gaat, zij sensitief is en het niet fijn vindt om mee naar de kerk te gaan. Van belang is dat gekeken wordt naar wat [minderjarige] nodig heeft en aankan. 4.4. De vertegenwoordiger van de GI heeft samengevat naar voren gebracht dat de maatregelen bij toewijzing daarvan direct uitvoerbaar zijn. Zij kan direct als vaste jeugdbeschermer starten. Met de ouders en de pleegouders zal in gesprek gegaan worden over hoe (weer) nader tot elkaar kan worden gekomen. Voor de ouders is er nu veel onduidelijkheid. Van belang is dat er voor de ouders duidelijke afspraken gemaakt worden. 5 De beoordeling 5.1. Op het verzoek van de Raad tot ondertoezichtstelling is artikel 1:255 van het Burgerlijk Wetboek (BW) van toepassing. Hierin staat kort gezegd dat de kinderrechter een minderjarige onder toezicht kan stellen als hij/zij ernstig in zijn/haar ontwikkeling wordt bedreigd en die ontwikkelingsbedreiging niet (voldoende) kan worden weggenomen met vrijwillige hulpverlening. 5.2. Op het verzoek van de Raad tot het verlenen van een machtiging tot uithuisplaatsing is artikel 1:265b BW van toepassing. Hierin staat kort gezegd dat de kinderrechter een machtiging tot uithuisplaatsing van een minderjarige kan verlenen als dat in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige noodzakelijk is. 5.3. De kinderrechter is gelet op de stukken en hetgeen tijdens de zitting besproken is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een ondertoezichtstelling is voldaan. De kinderrechter legt hieronder uit waarom. 5.4. De ontwikkeling van [minderjarige] wordt ernstig bedreigd. [minderjarige] groeit sinds haar geboorte op bij de pleegouders in het kader van een vrijwillige uithuisplaatsing. De ouders hebben hieraan steeds hun medewerking verleend. Ook hebben zij meerdere keren meegewerkt aan onderzoeken om te kijken welk toekomstperspectief in het belang van [minderjarige] is. Uit deze onderzoeken is gebleken dat [minderjarige] het beste kan opgroeien bij de pleegouders.
Volledig
Hierdoor is onzekerheid, spanning en onduidelijkheid ontstaan bij alle volwassenen om [minderjarige] heen over haar toekomst en over hun rol. Dit is van invloed op de ontwikkeling van [minderjarige] . Ook bij [minderjarige] bestaat onrust en onduidelijkheid over waar zij zal opgroeien. Zo zoekt zij bevestiging, is zij onzeker en zijn de contactmomenten met de ouders op dit moment belastend voor haar. Hoewel de ouders en de pleegmoeder ter zitting hebben aangegeven dat hun band goed is, heeft dit alles invloed op de onderlinge samenwerking en communicatie. Zo is ter zitting ook duidelijk geworden dat de verhoudingen tussen de ouders en de pleegouders veranderd zijn en dat de ouders uitspraken hebben gedaan die het contact bemoeilijken. Dit alles belemmert [minderjarige] in haar ontwikkeling. Daarnaast is er mogelijk sprake van kindeigen problematiek bij [minderjarige] . Dit afgezet tegen de onrust en onduidelijkheid over haar opgroeiperspectief, creëert het risico dat er onvoldoende stabiliteit is om onderzoek naar en behandeling van die mogelijke problematiek aan te kunnen gaan. 5.5. De ernstige ontwikkelingsbedreiging kan niet of onvoldoende worden weggenomen met vrijwillige hulpverlening. De ouders staan open voor hulpverlening maar de langdurige in het vrijwillige kader geboden ondersteuning is onvoldoende gebleken om de noodzakelijke veranderingen te realiseren en de zorgen bij de ouders weg te nemen. Daarnaast krijgt [minderjarige] in het vrijwillige kader onvoldoende duidelijkheid over haar toekomst en lukt het niet om passende hulpverlening in dit kader in te zetten voor haar mogelijke kindeigen problematiek. 5.6. De ondertoezichtstelling is daarom in dit geval nodig. De kinderrechter stelt [minderjarige] onder toezicht voor de duur van een jaar. Dit is naar het oordeel van de kinderrechter een passende termijn. In de komende periode moet blijken of het de ouders samen met de in te zetten hulpverlening lukt om [minderjarige] duidelijkheid en daarmee rust te geven. Daarvoor is noodzakelijk dat zij in staat zijn om de situatie van [minderjarige] in het pleeggezin te accepteren en haar intrinsiek emotionele toestemming te geven om bij de pleegouders te mogen verblijven. Hiervoor is de nodige tijd en intensieve ondersteuning nodig. Dit proces hangt ook samen met het opnieuw creëren van een passende en prettige communicatie en samenwerking tussen de ouders en de pleegouders. Dit zal de nodige rust geven, vooral voor [minderjarige] . Verder is het voor de ouders van belang dat er duidelijkheid komt over hun ouderrol. De ouders willen zich graag gehoord voelen. Zo kan gekeken worden naar de mogelijkheden voor uitbreiding van het contact tussen de ouders en [minderjarige] binnen de grenzen van wat [minderjarige] aankan. Ook is voor de ouders belangrijk dat zij ervaren betrokken te worden bij de ontwikkeling en het leven van [minderjarige] . 5.7. Gelet op het voorgaande is de kinderrechter van oordeel dat de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding. De plaatsing van [minderjarige] in het pleeggezin in het vrijwillig kader is niet meer voldoende. Het is in het belang van [minderjarige] dat het huidige stabiele en voorspelbare opvoedklimaat binnen het pleeggezin gewaarborgd blijft. 5.8. Binnen de ondertoezichtstelling dient te worden gewerkt aan de volgende doelen: - [minderjarige] heeft de emotionele toestemming van haar ouders om in het pleeggezin op te groeien. - De communicatie en samenwerking tussen ouders en pleegouders is verbeterd. - [minderjarige] ontvangt passende hulpverlening gericht op haar emotionele ontwikkeling en kindeigen problematiek. - [minderjarige] heeft een omgangsregeling met haar ouders en broer die aansluit bij haar behoeften en draagkracht. 5.9. De kinderrechter zal de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat. 6 De beslissing De kinderrechter: 6.1. stelt [minderjarige] onder toezicht van William Schrikker Jeugdbescherming en Jeugdreclassering met ingang van 24 maart 2026 tot 24 maart 2027; 6.2. verleent een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg, zijnde het huidige pleeggezin, met ingang van 24 maart 2026 tot 24 maart 2027; 6.3. verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad. Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 24 maart 2026 door mr. Pellikaan, kinderrechter, in aanwezigheid van Dekkers als griffier, en op schrift gesteld op 2 april 2026. Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen: degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak; andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.
Volledig
Hierdoor is onzekerheid, spanning en onduidelijkheid ontstaan bij alle volwassenen om [minderjarige] heen over haar toekomst en over hun rol. Dit is van invloed op de ontwikkeling van [minderjarige] . Ook bij [minderjarige] bestaat onrust en onduidelijkheid over waar zij zal opgroeien. Zo zoekt zij bevestiging, is zij onzeker en zijn de contactmomenten met de ouders op dit moment belastend voor haar. Hoewel de ouders en de pleegmoeder ter zitting hebben aangegeven dat hun band goed is, heeft dit alles invloed op de onderlinge samenwerking en communicatie. Zo is ter zitting ook duidelijk geworden dat de verhoudingen tussen de ouders en de pleegouders veranderd zijn en dat de ouders uitspraken hebben gedaan die het contact bemoeilijken. Dit alles belemmert [minderjarige] in haar ontwikkeling. Daarnaast is er mogelijk sprake van kindeigen problematiek bij [minderjarige] . Dit afgezet tegen de onrust en onduidelijkheid over haar opgroeiperspectief, creëert het risico dat er onvoldoende stabiliteit is om onderzoek naar en behandeling van die mogelijke problematiek aan te kunnen gaan. 5.5. De ernstige ontwikkelingsbedreiging kan niet of onvoldoende worden weggenomen met vrijwillige hulpverlening. De ouders staan open voor hulpverlening maar de langdurige in het vrijwillige kader geboden ondersteuning is onvoldoende gebleken om de noodzakelijke veranderingen te realiseren en de zorgen bij de ouders weg te nemen. Daarnaast krijgt [minderjarige] in het vrijwillige kader onvoldoende duidelijkheid over haar toekomst en lukt het niet om passende hulpverlening in dit kader in te zetten voor haar mogelijke kindeigen problematiek. 5.6. De ondertoezichtstelling is daarom in dit geval nodig. De kinderrechter stelt [minderjarige] onder toezicht voor de duur van een jaar. Dit is naar het oordeel van de kinderrechter een passende termijn. In de komende periode moet blijken of het de ouders samen met de in te zetten hulpverlening lukt om [minderjarige] duidelijkheid en daarmee rust te geven. Daarvoor is noodzakelijk dat zij in staat zijn om de situatie van [minderjarige] in het pleeggezin te accepteren en haar intrinsiek emotionele toestemming te geven om bij de pleegouders te mogen verblijven. Hiervoor is de nodige tijd en intensieve ondersteuning nodig. Dit proces hangt ook samen met het opnieuw creëren van een passende en prettige communicatie en samenwerking tussen de ouders en de pleegouders. Dit zal de nodige rust geven, vooral voor [minderjarige] . Verder is het voor de ouders van belang dat er duidelijkheid komt over hun ouderrol. De ouders willen zich graag gehoord voelen. Zo kan gekeken worden naar de mogelijkheden voor uitbreiding van het contact tussen de ouders en [minderjarige] binnen de grenzen van wat [minderjarige] aankan. Ook is voor de ouders belangrijk dat zij ervaren betrokken te worden bij de ontwikkeling en het leven van [minderjarige] . 5.7. Gelet op het voorgaande is de kinderrechter van oordeel dat de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding. De plaatsing van [minderjarige] in het pleeggezin in het vrijwillig kader is niet meer voldoende. Het is in het belang van [minderjarige] dat het huidige stabiele en voorspelbare opvoedklimaat binnen het pleeggezin gewaarborgd blijft. 5.8. Binnen de ondertoezichtstelling dient te worden gewerkt aan de volgende doelen: - [minderjarige] heeft de emotionele toestemming van haar ouders om in het pleeggezin op te groeien. - De communicatie en samenwerking tussen ouders en pleegouders is verbeterd. - [minderjarige] ontvangt passende hulpverlening gericht op haar emotionele ontwikkeling en kindeigen problematiek. - [minderjarige] heeft een omgangsregeling met haar ouders en broer die aansluit bij haar behoeften en draagkracht. 5.9. De kinderrechter zal de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat. 6 De beslissing De kinderrechter: 6.1. stelt [minderjarige] onder toezicht van William Schrikker Jeugdbescherming en Jeugdreclassering met ingang van 24 maart 2026 tot 24 maart 2027; 6.2. verleent een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg, zijnde het huidige pleeggezin, met ingang van 24 maart 2026 tot 24 maart 2027; 6.3. verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad. Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 24 maart 2026 door mr. Pellikaan, kinderrechter, in aanwezigheid van Dekkers als griffier, en op schrift gesteld op 2 april 2026. Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen: degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak; andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.