Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2026-03-24
ECLI:NL:RBZWB:2026:3341
Civiel recht; Personen- en familierecht
Rekestprocedure
4,064 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBZWB:2026:3341 text/xml public 2026-05-04T11:42:22 2026-04-24 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Zeeland-West-Brabant 2026-03-24 C/02/446010 / JE RK 26-435 Uitspraak Rekestprocedure NL Breda Civiel recht; Personen- en familierecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:3341 text/html public 2026-05-04T11:41:33 2026-05-04 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBZWB:2026:3341 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 24-03-2026 / C/02/446010 / JE RK 26-435 Verlenging machtiging tot uithuisplaatsing bij oma - moeder heeft een psychotische kwetsbaarheid en is opgenomen geweest bij de GGZ - zij dient eerst een langere periode stabiliteit te kunnen laten zien - kinderrechter ondersteunt perspectiefonderzoek. RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Familie- en Jeugdrecht Locatie Breda Zaaknummer: C/02/446010 / JE RK 26-435 Datum uitspraak: 24 maart 2026 Beschikking van de kinderrechter over een verlenging machtiging tot uithuisplaatsing in de zaak van STICHTING JEUGDBESCHERMING BRABANT , locatie Etten-Leur, hierna te noemen: de gecertificeerde instelling (GI), over [minderjarige] , geboren op [geboortedag] 2025 in [geboorteplaats] , hierna te noemen: [minderjarige] . De kinderrechter merkt als belanghebbende aan: [de moeder] , hierna te noemen: de moeder, wonende op een bij de rechtbank bekend adres, advocaat: mr. W.J. Jurgers te Bergen op Zoom. De kinderrechter merkt als informant aan: [de oma mz] , hierna te noemen: de oma (moederzijde), wonende te [plaats] . 1 Het verloop van de procedure 1.1. De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling: - het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 12 maart 2026; 1.2. De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 24 maart 2026. Daarbij waren aanwezig en zijn gehoord: de moeder, bijgestaan door zijn advocaat; de oma; - een vertegenwoordigster van de GI. 1.3. De moeder en de oma zijn beiden bijgestaan door een tolk in de Engelse taal. 2 De feiten 2.1. De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] . 2.2. Bij beschikking van de kinderrechter van deze rechtbank van 30 juni 2025 is [minderjarige] onder toezicht gesteld van de GI met ingang van 9 juli 2025 tot 9 juli 2026. Daarnaast is een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in voorziening voor pleegzorg (bij de oma) verleend met ingang van 9 juli 2025 tot 9 december 2025. 2.3. Nadat er is ingezet op een stapsgewijze terugplaatsing van [minderjarige] bij de moeder, verbleef [minderjarige] sinds 9 december 2025 weer volledig bij de moeder. 2.4. Bij beschikking van 20 januari 2026 heeft de kinderrechter [minderjarige] met spoed, uit huis geplaatst in een voorziening voor pleegzorg (bij de oma) voor de duur van twee weken, tot 3 februari 2026. Vervolgens, heeft de kinderrechter de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] verlengd met ingang van 3 februari 2026 en tot 3 april 2026. 2.5. Op basis van voormelde machtiging verblijft [minderjarige] bij de oma. 3 Het verzoek 3.1. De GI verzoekt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een pleeggezin (te weten bij oma moederzijde) te verlengen voor de duur van de ondertoezichtstelling, zijnde tot 9 juli 2026. 3.2. De GI verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. 4 Het standpunt van de GI 4.1. Ter onderbouwing van en in aanvulling op het verzoek voert de GI, samengevat, het volgende aan. [minderjarige] is in haar korte leven in twee periodes uit huis geplaatst bij de oma. Kort na haar geboorte is [minderjarige] bij de oma geplaatst, nadat de moeder, die bekend is met psychotische klachten en het gebruik van snus, onder invloed en verward met [minderjarige] thuis is aangetroffen. Bij [minderjarige] werd een zwelling op haar hoofd geconstateerd, waarna de kinderarts het advies heeft gegeven om de route strafbare kindermishandeling te starten. 4.2. Vervolgens is in stappen gewerkt aan een terugplaatsing van [minderjarige] bij de moeder. Per 9 december 2025 is [minderjarige] weer bij de moeder gaan wonen. Voorafgaand aan deze terugplaatsing is zeer intensieve ambulante hulpverlening ingezet in de vorm van een ‘Goed Genoeg Ouderschapstraject’ en zijn er veiligheidsafspraken gemaakt. Gezien werd dat de moeder zich openstelde, zij in samenwerking was en zij goed in contact was met de GI en GGZ. Begin januari 2026 namen de zorgen over de moeder toe. Het vermoeden bestaat dat zij haar medicatie niet of onjuist innam. Op 19 januari 2026 heeft de moeder de GI verzocht om [minderjarige] bij haar op te halen. Dit heeft geleid tot een spoedverzoek van de GI. Sindsdien is [minderjarige] opnieuw bij de oma geplaatst, waar zij nu nog verblijft. 4.3. De moeder heeft een zorgmachtiging en is na haar terugval in januari langdurig opgenomen geweest bij een GGZ-instelling. Op 11 maart 2026 is de moeder met ontslag gegaan. Op dit moment krijgt zij depotmedicatie. Eerder gebruikte zij orale medicatie, maar daarmee is zij meerdere keren gestopt, waardoor psychotische klachten toenamen. 4.4. Op dit moment heeft [minderjarige] begeleid contact met haar moeder, driemaal per week voor de duur van drie uur, begeleid door de Centrale Zorggroep. De wens van de moeder om ook contactmomenten bij haar thuis te organiseren zal de GI bekijken. Bij de moeder is ambulante hulpverlening van GGZ betrokken (FACT) alsook ambulante opvoedondersteuning. Bij de oma zijn [jeugdhulp] en [hulpverlening] betrokken. Gesignaleerd wordt dat de oma fors overbelast is nu zij, naast drie andere kinderen van de moeder, ook weer de zorg voor [minderjarige] draagt. Om de oma te ontlasten wordt bezien of kinderopvang ingezet kan worden. 4.5. De GI heeft twijfels in hoeverre het haalbaar is dat [minderjarige] gaat opgroeien bij de moeder. Er is bij de moeder een patroon te zien van een afwisseling van stabiele periodes en terugvallen in psychoses. De moeder blijft de wens uitspreken om uiteindelijk zonder medicatie te kunnen functioneren. Dit baart de GI zorgen. In de komende periode wil de GI onderzoeken hoe alle betrokken hulpverlening, alsook de moeder en de oma, de situatie betreft de toekomst van [minderjarige] zien. Daarna wil de GI een perspectiefbesluit nemen, zeker nu er ook zorgen bestaan over de plaatsing van [minderjarige] bij de oma. 5 Het standpunt van belanghebbende en informant 5.1. Door en namens de moeder wordt, samengevat, aangevoerd dat zij zich niet tegen het verzoek zal verzetten. De moeder heeft tijd nodig om weer een (vertrouwens)band met [minderjarige] op te kunnen bouwen. In dat kader vindt de moeder het belangrijk dat de huidige begeleide contactregeling verder wordt uitgebreid. Het zou goed zijn voor [minderjarige] om ook contact te hebben bij de moeder thuis, zodat zij weer aan die omgeving kan wennen. 5.2. De oma brengt, samengevat, naar voren dat zij zich in het verzoek kan vinden. De oma kan [minderjarige] blijven verzorgen. Belangrijk daarbij is wel dat er afspraken worden gemaakt over de kinderopvang en de (begeleide) contacten met de moeder worden uitgebreid en deze contacten ook plaatsvinden bij de moeder thuis. 6 De beoordeling Wat zegt de wet? 6.1. Op grond van artikel 1:265b lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechter de GI, die belast is met de uitvoering van de ondertoezichtstelling, op haar verzoek machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid. 6.2. Volgens artikel 1:265c lid 2 BW kan de rechter, mits aan de grond, bedoeld in artikel 1:265b lid 1 BW is voldaan, de duur van de machtiging uithuisplaatsing telkens verlengen met ten hoogste een jaar. Inhoudelijke beoordeling 6.3. Uit de overgelegde stukken en de zitting is gebleken dat de situatie rondom de moeder erg pril en kwetsbaar is. De moeder is bekend met een psychische kwetsbaarheid waarvoor zij in het kader van een zorgmachtiging gedwongen zorg kan ontvangen. Inmiddels is de moeder niet langer bij GGZ opgenomen. Zij is weer thuis, gebruikt (depot)medicatie en krijgt ambulante zorg vanuit GGZ FACT.
Volledig
ECLI:NL:RBZWB:2026:3341 text/xml public 2026-05-04T11:42:22 2026-04-24 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Zeeland-West-Brabant 2026-03-24 C/02/446010 / JE RK 26-435 Uitspraak Rekestprocedure NL Breda Civiel recht; Personen- en familierecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:3341 text/html public 2026-05-04T11:41:33 2026-05-04 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBZWB:2026:3341 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 24-03-2026 / C/02/446010 / JE RK 26-435 Verlenging machtiging tot uithuisplaatsing bij oma - moeder heeft een psychotische kwetsbaarheid en is opgenomen geweest bij de GGZ - zij dient eerst een langere periode stabiliteit te kunnen laten zien - kinderrechter ondersteunt perspectiefonderzoek. RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Familie- en Jeugdrecht Locatie Breda Zaaknummer: C/02/446010 / JE RK 26-435 Datum uitspraak: 24 maart 2026 Beschikking van de kinderrechter over een verlenging machtiging tot uithuisplaatsing in de zaak van STICHTING JEUGDBESCHERMING BRABANT , locatie Etten-Leur, hierna te noemen: de gecertificeerde instelling (GI), over [minderjarige] , geboren op [geboortedag] 2025 in [geboorteplaats] , hierna te noemen: [minderjarige] . De kinderrechter merkt als belanghebbende aan: [de moeder] , hierna te noemen: de moeder, wonende op een bij de rechtbank bekend adres, advocaat: mr. W.J. Jurgers te Bergen op Zoom. De kinderrechter merkt als informant aan: [de oma mz] , hierna te noemen: de oma (moederzijde), wonende te [plaats] . 1 Het verloop van de procedure 1.1. De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling: - het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 12 maart 2026; 1.2. De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 24 maart 2026. Daarbij waren aanwezig en zijn gehoord: de moeder, bijgestaan door zijn advocaat; de oma; - een vertegenwoordigster van de GI. 1.3. De moeder en de oma zijn beiden bijgestaan door een tolk in de Engelse taal. 2 De feiten 2.1. De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] . 2.2. Bij beschikking van de kinderrechter van deze rechtbank van 30 juni 2025 is [minderjarige] onder toezicht gesteld van de GI met ingang van 9 juli 2025 tot 9 juli 2026. Daarnaast is een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in voorziening voor pleegzorg (bij de oma) verleend met ingang van 9 juli 2025 tot 9 december 2025. 2.3. Nadat er is ingezet op een stapsgewijze terugplaatsing van [minderjarige] bij de moeder, verbleef [minderjarige] sinds 9 december 2025 weer volledig bij de moeder. 2.4. Bij beschikking van 20 januari 2026 heeft de kinderrechter [minderjarige] met spoed, uit huis geplaatst in een voorziening voor pleegzorg (bij de oma) voor de duur van twee weken, tot 3 februari 2026. Vervolgens, heeft de kinderrechter de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] verlengd met ingang van 3 februari 2026 en tot 3 april 2026. 2.5. Op basis van voormelde machtiging verblijft [minderjarige] bij de oma. 3 Het verzoek 3.1. De GI verzoekt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een pleeggezin (te weten bij oma moederzijde) te verlengen voor de duur van de ondertoezichtstelling, zijnde tot 9 juli 2026. 3.2. De GI verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. 4 Het standpunt van de GI 4.1. Ter onderbouwing van en in aanvulling op het verzoek voert de GI, samengevat, het volgende aan. [minderjarige] is in haar korte leven in twee periodes uit huis geplaatst bij de oma. Kort na haar geboorte is [minderjarige] bij de oma geplaatst, nadat de moeder, die bekend is met psychotische klachten en het gebruik van snus, onder invloed en verward met [minderjarige] thuis is aangetroffen. Bij [minderjarige] werd een zwelling op haar hoofd geconstateerd, waarna de kinderarts het advies heeft gegeven om de route strafbare kindermishandeling te starten. 4.2. Vervolgens is in stappen gewerkt aan een terugplaatsing van [minderjarige] bij de moeder. Per 9 december 2025 is [minderjarige] weer bij de moeder gaan wonen. Voorafgaand aan deze terugplaatsing is zeer intensieve ambulante hulpverlening ingezet in de vorm van een ‘Goed Genoeg Ouderschapstraject’ en zijn er veiligheidsafspraken gemaakt. Gezien werd dat de moeder zich openstelde, zij in samenwerking was en zij goed in contact was met de GI en GGZ. Begin januari 2026 namen de zorgen over de moeder toe. Het vermoeden bestaat dat zij haar medicatie niet of onjuist innam. Op 19 januari 2026 heeft de moeder de GI verzocht om [minderjarige] bij haar op te halen. Dit heeft geleid tot een spoedverzoek van de GI. Sindsdien is [minderjarige] opnieuw bij de oma geplaatst, waar zij nu nog verblijft. 4.3. De moeder heeft een zorgmachtiging en is na haar terugval in januari langdurig opgenomen geweest bij een GGZ-instelling. Op 11 maart 2026 is de moeder met ontslag gegaan. Op dit moment krijgt zij depotmedicatie. Eerder gebruikte zij orale medicatie, maar daarmee is zij meerdere keren gestopt, waardoor psychotische klachten toenamen. 4.4. Op dit moment heeft [minderjarige] begeleid contact met haar moeder, driemaal per week voor de duur van drie uur, begeleid door de Centrale Zorggroep. De wens van de moeder om ook contactmomenten bij haar thuis te organiseren zal de GI bekijken. Bij de moeder is ambulante hulpverlening van GGZ betrokken (FACT) alsook ambulante opvoedondersteuning. Bij de oma zijn [jeugdhulp] en [hulpverlening] betrokken. Gesignaleerd wordt dat de oma fors overbelast is nu zij, naast drie andere kinderen van de moeder, ook weer de zorg voor [minderjarige] draagt. Om de oma te ontlasten wordt bezien of kinderopvang ingezet kan worden. 4.5. De GI heeft twijfels in hoeverre het haalbaar is dat [minderjarige] gaat opgroeien bij de moeder. Er is bij de moeder een patroon te zien van een afwisseling van stabiele periodes en terugvallen in psychoses. De moeder blijft de wens uitspreken om uiteindelijk zonder medicatie te kunnen functioneren. Dit baart de GI zorgen. In de komende periode wil de GI onderzoeken hoe alle betrokken hulpverlening, alsook de moeder en de oma, de situatie betreft de toekomst van [minderjarige] zien. Daarna wil de GI een perspectiefbesluit nemen, zeker nu er ook zorgen bestaan over de plaatsing van [minderjarige] bij de oma. 5 Het standpunt van belanghebbende en informant 5.1. Door en namens de moeder wordt, samengevat, aangevoerd dat zij zich niet tegen het verzoek zal verzetten. De moeder heeft tijd nodig om weer een (vertrouwens)band met [minderjarige] op te kunnen bouwen. In dat kader vindt de moeder het belangrijk dat de huidige begeleide contactregeling verder wordt uitgebreid. Het zou goed zijn voor [minderjarige] om ook contact te hebben bij de moeder thuis, zodat zij weer aan die omgeving kan wennen. 5.2. De oma brengt, samengevat, naar voren dat zij zich in het verzoek kan vinden. De oma kan [minderjarige] blijven verzorgen. Belangrijk daarbij is wel dat er afspraken worden gemaakt over de kinderopvang en de (begeleide) contacten met de moeder worden uitgebreid en deze contacten ook plaatsvinden bij de moeder thuis. 6 De beoordeling Wat zegt de wet? 6.1. Op grond van artikel 1:265b lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechter de GI, die belast is met de uitvoering van de ondertoezichtstelling, op haar verzoek machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid. 6.2. Volgens artikel 1:265c lid 2 BW kan de rechter, mits aan de grond, bedoeld in artikel 1:265b lid 1 BW is voldaan, de duur van de machtiging uithuisplaatsing telkens verlengen met ten hoogste een jaar. Inhoudelijke beoordeling 6.3. Uit de overgelegde stukken en de zitting is gebleken dat de situatie rondom de moeder erg pril en kwetsbaar is. De moeder is bekend met een psychische kwetsbaarheid waarvoor zij in het kader van een zorgmachtiging gedwongen zorg kan ontvangen. Inmiddels is de moeder niet langer bij GGZ opgenomen. Zij is weer thuis, gebruikt (depot)medicatie en krijgt ambulante zorg vanuit GGZ FACT.