Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2026-04-23
ECLI:NL:RBZWB:2026:3325
Bestuursrecht; Omgevingsrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
4,061 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBZWB:2026:3325 text/xml public 2026-04-30T08:48:46 2026-04-23 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Zeeland-West-Brabant 2026-04-23 26/985 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Breda Bestuursrecht; Omgevingsrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:3325 text/html public 2026-04-30T08:48:27 2026-04-30 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBZWB:2026:3325 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 23-04-2026 / 26/985 NTB bezwaar omgevingsrecht, samenhangende zaken RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Bestuursrecht zaaknummer: BRE 26/985 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 23 april 2026 in de zaak tussen [eiseres] B.V., uit [plaats] , eiseres, (gemachtigde: mr. F.K. van den Akker), en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Altena. Inleiding 1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep dat eiseres heeft ingesteld, omdat het college volgens haar niet op tijd heeft beslist op haar bezwaar van 28 juli 2025 tegen het besluit van 16 juni 2025, verzonden op 20 juni 2025, inhoudende de weigering van een door eiseres aangevraagde omgevingsvergunning voor het realiseren van kleinschalige huisvesting voor arbeidsmigranten op het [adres] in [plaats] . 1.1. Omdat het beroep kennelijk gegrond is doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. Beoordeling door de rechtbank 2. Als een bestuursorgaan niet op tijd beslist op een aanvraag of bezwaarschrift, kan de betrokkene daartegen in beroep gaan. Voordat hij beroep kan instellen, moet de betrokkene per brief aan het bestuursorgaan laten weten dat binnen twee weken alsnog beslist moet worden op zijn aanvraag of bezwaar (de zogenoemde ingebrekestelling). Als er na die twee weken nog steeds geen besluit is, dan kan de betrokkene beroep instellen. Is het beroep kennelijk gegrond? 3. Het beroep is kennelijk gegrond. Eiseres heeft het bezwaarschrift ingediend op 28 juli 2025. Het college moet binnen zes weken beslissen, gerekend vanaf het moment waarop de bezwaartermijn voorbij is. Omdat er een adviescommissie is, geldt in dit geval een termijn van twaalf weken. Het college heeft de termijn verlengd met zes weken. Het college had dus uiterlijk op 5 december 2025 moeten beslissen. De termijn waarbinnen het college moet beslissen is inmiddels voorbij. Eiseres heeft het college op 13 januari 2026 in gebreke gesteld, dit is door het college niet betwist, en sindsdien zijn twee weken voorbij gegaan. Welke beslistermijn moet aan het college worden opgelegd? 4. Omdat het college nog geen besluit heeft genomen, bepaalt de rechtbank dat het college dit alsnog moet doen. 4.1. Op grond van artikel 8:55d, eerste lid, van de Awb moet het college dit doen binnen twee weken na het verzenden van deze uitspraak. In bijzondere gevallen of als dit vanwege een wettelijk voorschrift nodig is, kan de rechtbank op grond van het derde lid een andere termijn geven of een andere voorziening treffen. 4.2. Het college heeft uitgelegd dat het, net als in de zaak BRE 26/986 [naam] , tot 30 juni 2026 nodig heeft omdat het voor het nemen van een besluit op bezwaar nog aanvullende informatie van eiseres nodig heeft. Deze aanvullende informatie heeft het college op 23 maart 2026 opgevraagd bij eiseres. Eiseres heeft, gelet op de grote hoeveelheid aanvullende informatie, tot en met 4 mei 2026 de tijd gekregen om deze aanvullende informatie aan te leveren. Daarna moet aan de hand van deze aanvullende informatie een besluit door het college zelf genomen worden (met bijbehorend collegevoorstel), dit kan niet in mandaat, omdat het besluit afwijkt van het advies van de Vaste commissie voor advies van bezwaarschriften. De rechtbank vindt dat een goede reden en sluit dan ook aan bij de termijn die het heeft opgelegd in de uitspraak van 3 april 2026 in de zaak BRE 26/986 [naam] . Het college moet daarom uiterlijk 30 juni 2026 een besluit op bezwaar bekendmaken. De rechtbank ziet geen aanleiding om op voorhand te bepalen dat deze termijn wordt opgeschort indien eiseres niet tijdig alle benodigde informatie heeft aangeleverd. Dat is een onzekere toekomstige gebeurtenis. Welke dwangsom wordt aan het college opgelegd? Over de rechterlijke dwangsom overweegt de rechtbank het volgende. Bezwaarschriften kunnen inhoudelijk zodanig met elkaar samenhangen, dat een redelijke toepassing van artikel 8:55d, tweede lid, van de Awb met zich brengt dat het bestuursorgaan slechts één rechterlijke dwangsom kan verbeuren. De rechtbank overweegt dat deze zaak inhoudelijk zodanig samenhangt met de zaak BRE 26/986 [naam] , waarin de rechtbank op 3 april 2026 uitspraak heeft gedaan. Dat beroep zag namelijk op het niet op tijd beslissen op eiseres haar bezwaar van 28 juli 2025 tegen het besluit van 16 juni 2025, verzonden op 20 juni 2025, inhoudende de weigering van een door eiseres aangevraagde omgevingsvergunning voor het realiseren van huisvesting voor seizoensarbeidsmigranten op het [adres] in [plaats] . Dit beroep ziet op het realiseren van kleinschalige huisvesting voor arbeidsmigranten. De rechtbank overweegt hierbij dat de aanvragen in beide zaken, die op hetzelfde perceel zien en waarvoor toetsing plaatsvindt op basis van dezelfde regelgeving, gelijktijdig zijn gedaan, dat de besluiten op dezelfde dag zijn genomen en verzonden en dat de bezwaren tegen de weigeringen van de omgevingsvergunningen op dezelfde dag zijn ingediend en dat deze bezwaren nagenoeg identiek zijn aan elkaar. Verder overweegt de rechtbank nog dat de bezwaren gelijktijdig zijn behandeld en dat voor beide bezwaren dezelfde aanvullende informatie is opgevraagd in één brief van 23 maart 2026. Op basis hiervan legt de rechtbank in deze uitspraak geen rechterlijke dwangsom op aan het college. Wel bepaalt de rechtbank dat de rechterlijke dwangsom die is opgelegd in de uitspraak van 3 april 2026 in zaak BRE 26 / 986 [naam] pas stopt met lopen als op beide bezwaren (in BRE 26/985 [naam] en BRE 26/986 [naam] ) is beslist. Conclusie en gevolgen 5. Het beroep is kennelijk gegrond. Dat betekent dat eiseres gelijk krijgt, het college de onder 4.2. genoemde termijn krijgt om alsnog een besluit te nemen en aan het college in deze uitspraak geen rechterlijke dwangsom wordt opgelegd. 6. Omdat het beroep gegrond is moet het college het griffierecht aan eiseres vergoeden. Het college heeft verzocht om het verzoek om proceskosten af te wijzen, nu het -mede- aan eiseres ligt dat niet kan worden beslist op het bezwaarschrift. De rechtbank ziet hier geen aanleiding voor. De beslistermijn was al op 5 december 2025 verstreken en het college heeft eiseres, pas na het instellen van het beroep op 4 februari 2026, bij brief van 23 maart 2026 verzocht om aanvullende informatie aan te leveren. Wel ziet de rechtbank aanleiding om de zaken BRE 26/985 [naam] en BRE 26/986 [naam] aan te merken als samenhangende zaken als bedoeld in artikel 3, tweede lid, van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb), zodat zij voor de bepaling van de hoogte van de te vergoeden kosten worden beschouwd als één zaak. De rechtsbijstand in de zaken BRE 26/985 [naam] en BRE 26/986 [naam] is namelijk verleend door dezelfde gemachtigde, de zaken zijn door de rechtbank nagenoeg gelijktijdig behandeld en de werkzaamheden in deze zaken zijn nagenoeg identiek. Aangezien de rechtbank in de zaak BRE 26/986 [naam] al een proceskostenvergoeding heeft toegekend, kent de rechtbank in deze zaak geen proceskostenvergoeding toe. Beslissing De rechtbank: verklaart het beroep gegrond; vernietigt het, met een besluit gelijk te stellen, niet tijdig nemen van een besluit; draagt het college op om uiterlijk 30 juni 2026 alsnog een besluit op bezwaar bekend te maken; bepaalt dat de rechterlijke dwangsom die is opgelegd in de uitspraak van de rechtbank van 3 april 2026 in zaak BRE 26 / 986 [naam] pas stopt met lopen als op beide bezwaren (in BRE 26/ 985 [naam] en BRE 26 / 986 [naam] ) is beslist; bepaalt dat het college het griffierecht van € 397,- aan eiseres moet vergoeden. Deze uitspraak is gedaan door mr. S.A.M.L. van de Sande, rechter, in aanwezigheid van mr. M.R.
Volledig
ECLI:NL:RBZWB:2026:3325 text/xml public 2026-04-30T08:48:46 2026-04-23 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Zeeland-West-Brabant 2026-04-23 26/985 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Breda Bestuursrecht; Omgevingsrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:3325 text/html public 2026-04-30T08:48:27 2026-04-30 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBZWB:2026:3325 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 23-04-2026 / 26/985 NTB bezwaar omgevingsrecht, samenhangende zaken RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Bestuursrecht zaaknummer: BRE 26/985 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 23 april 2026 in de zaak tussen [eiseres] B.V., uit [plaats] , eiseres, (gemachtigde: mr. F.K. van den Akker), en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Altena. Inleiding 1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep dat eiseres heeft ingesteld, omdat het college volgens haar niet op tijd heeft beslist op haar bezwaar van 28 juli 2025 tegen het besluit van 16 juni 2025, verzonden op 20 juni 2025, inhoudende de weigering van een door eiseres aangevraagde omgevingsvergunning voor het realiseren van kleinschalige huisvesting voor arbeidsmigranten op het [adres] in [plaats] . 1.1. Omdat het beroep kennelijk gegrond is doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. Beoordeling door de rechtbank 2. Als een bestuursorgaan niet op tijd beslist op een aanvraag of bezwaarschrift, kan de betrokkene daartegen in beroep gaan. Voordat hij beroep kan instellen, moet de betrokkene per brief aan het bestuursorgaan laten weten dat binnen twee weken alsnog beslist moet worden op zijn aanvraag of bezwaar (de zogenoemde ingebrekestelling). Als er na die twee weken nog steeds geen besluit is, dan kan de betrokkene beroep instellen. Is het beroep kennelijk gegrond? 3. Het beroep is kennelijk gegrond. Eiseres heeft het bezwaarschrift ingediend op 28 juli 2025. Het college moet binnen zes weken beslissen, gerekend vanaf het moment waarop de bezwaartermijn voorbij is. Omdat er een adviescommissie is, geldt in dit geval een termijn van twaalf weken. Het college heeft de termijn verlengd met zes weken. Het college had dus uiterlijk op 5 december 2025 moeten beslissen. De termijn waarbinnen het college moet beslissen is inmiddels voorbij. Eiseres heeft het college op 13 januari 2026 in gebreke gesteld, dit is door het college niet betwist, en sindsdien zijn twee weken voorbij gegaan. Welke beslistermijn moet aan het college worden opgelegd? 4. Omdat het college nog geen besluit heeft genomen, bepaalt de rechtbank dat het college dit alsnog moet doen. 4.1. Op grond van artikel 8:55d, eerste lid, van de Awb moet het college dit doen binnen twee weken na het verzenden van deze uitspraak. In bijzondere gevallen of als dit vanwege een wettelijk voorschrift nodig is, kan de rechtbank op grond van het derde lid een andere termijn geven of een andere voorziening treffen. 4.2. Het college heeft uitgelegd dat het, net als in de zaak BRE 26/986 [naam] , tot 30 juni 2026 nodig heeft omdat het voor het nemen van een besluit op bezwaar nog aanvullende informatie van eiseres nodig heeft. Deze aanvullende informatie heeft het college op 23 maart 2026 opgevraagd bij eiseres. Eiseres heeft, gelet op de grote hoeveelheid aanvullende informatie, tot en met 4 mei 2026 de tijd gekregen om deze aanvullende informatie aan te leveren. Daarna moet aan de hand van deze aanvullende informatie een besluit door het college zelf genomen worden (met bijbehorend collegevoorstel), dit kan niet in mandaat, omdat het besluit afwijkt van het advies van de Vaste commissie voor advies van bezwaarschriften. De rechtbank vindt dat een goede reden en sluit dan ook aan bij de termijn die het heeft opgelegd in de uitspraak van 3 april 2026 in de zaak BRE 26/986 [naam] . Het college moet daarom uiterlijk 30 juni 2026 een besluit op bezwaar bekendmaken. De rechtbank ziet geen aanleiding om op voorhand te bepalen dat deze termijn wordt opgeschort indien eiseres niet tijdig alle benodigde informatie heeft aangeleverd. Dat is een onzekere toekomstige gebeurtenis. Welke dwangsom wordt aan het college opgelegd? Over de rechterlijke dwangsom overweegt de rechtbank het volgende. Bezwaarschriften kunnen inhoudelijk zodanig met elkaar samenhangen, dat een redelijke toepassing van artikel 8:55d, tweede lid, van de Awb met zich brengt dat het bestuursorgaan slechts één rechterlijke dwangsom kan verbeuren. De rechtbank overweegt dat deze zaak inhoudelijk zodanig samenhangt met de zaak BRE 26/986 [naam] , waarin de rechtbank op 3 april 2026 uitspraak heeft gedaan. Dat beroep zag namelijk op het niet op tijd beslissen op eiseres haar bezwaar van 28 juli 2025 tegen het besluit van 16 juni 2025, verzonden op 20 juni 2025, inhoudende de weigering van een door eiseres aangevraagde omgevingsvergunning voor het realiseren van huisvesting voor seizoensarbeidsmigranten op het [adres] in [plaats] . Dit beroep ziet op het realiseren van kleinschalige huisvesting voor arbeidsmigranten. De rechtbank overweegt hierbij dat de aanvragen in beide zaken, die op hetzelfde perceel zien en waarvoor toetsing plaatsvindt op basis van dezelfde regelgeving, gelijktijdig zijn gedaan, dat de besluiten op dezelfde dag zijn genomen en verzonden en dat de bezwaren tegen de weigeringen van de omgevingsvergunningen op dezelfde dag zijn ingediend en dat deze bezwaren nagenoeg identiek zijn aan elkaar. Verder overweegt de rechtbank nog dat de bezwaren gelijktijdig zijn behandeld en dat voor beide bezwaren dezelfde aanvullende informatie is opgevraagd in één brief van 23 maart 2026. Op basis hiervan legt de rechtbank in deze uitspraak geen rechterlijke dwangsom op aan het college. Wel bepaalt de rechtbank dat de rechterlijke dwangsom die is opgelegd in de uitspraak van 3 april 2026 in zaak BRE 26 / 986 [naam] pas stopt met lopen als op beide bezwaren (in BRE 26/985 [naam] en BRE 26/986 [naam] ) is beslist. Conclusie en gevolgen 5. Het beroep is kennelijk gegrond. Dat betekent dat eiseres gelijk krijgt, het college de onder 4.2. genoemde termijn krijgt om alsnog een besluit te nemen en aan het college in deze uitspraak geen rechterlijke dwangsom wordt opgelegd. 6. Omdat het beroep gegrond is moet het college het griffierecht aan eiseres vergoeden. Het college heeft verzocht om het verzoek om proceskosten af te wijzen, nu het -mede- aan eiseres ligt dat niet kan worden beslist op het bezwaarschrift. De rechtbank ziet hier geen aanleiding voor. De beslistermijn was al op 5 december 2025 verstreken en het college heeft eiseres, pas na het instellen van het beroep op 4 februari 2026, bij brief van 23 maart 2026 verzocht om aanvullende informatie aan te leveren. Wel ziet de rechtbank aanleiding om de zaken BRE 26/985 [naam] en BRE 26/986 [naam] aan te merken als samenhangende zaken als bedoeld in artikel 3, tweede lid, van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb), zodat zij voor de bepaling van de hoogte van de te vergoeden kosten worden beschouwd als één zaak. De rechtsbijstand in de zaken BRE 26/985 [naam] en BRE 26/986 [naam] is namelijk verleend door dezelfde gemachtigde, de zaken zijn door de rechtbank nagenoeg gelijktijdig behandeld en de werkzaamheden in deze zaken zijn nagenoeg identiek. Aangezien de rechtbank in de zaak BRE 26/986 [naam] al een proceskostenvergoeding heeft toegekend, kent de rechtbank in deze zaak geen proceskostenvergoeding toe. Beslissing De rechtbank: verklaart het beroep gegrond; vernietigt het, met een besluit gelijk te stellen, niet tijdig nemen van een besluit; draagt het college op om uiterlijk 30 juni 2026 alsnog een besluit op bezwaar bekend te maken; bepaalt dat de rechterlijke dwangsom die is opgelegd in de uitspraak van de rechtbank van 3 april 2026 in zaak BRE 26 / 986 [naam] pas stopt met lopen als op beide bezwaren (in BRE 26/ 985 [naam] en BRE 26 / 986 [naam] ) is beslist; bepaalt dat het college het griffierecht van € 397,- aan eiseres moet vergoeden. Deze uitspraak is gedaan door mr. S.A.M.L. van de Sande, rechter, in aanwezigheid van mr. M.R.