Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2026-04-08
ECLI:NL:RBZWB:2026:3259
Civiel recht; Arbeidsrecht
Kort geding
3,962 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBZWB:2026:3259 text/xml public 2026-05-12T08:59:08 2026-04-21 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Zeeland-West-Brabant 2026-04-08 12013266 VV EXPL 25-55 (E) Uitspraak Kort geding NL Bergen op Zoom Civiel recht; Arbeidsrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:3259 text/html public 2026-05-08T11:06:23 2026-05-12 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBZWB:2026:3259 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 08-04-2026 / 12013266 VV EXPL 25-55 (E) Executie kort geding. Eiseres maakt niet aannemelijk dat zij heeft voldaan aan de veroordeling tot het verstrekken van correcte loonstroken en jaaropgaven. Eiseres is dwangsommen verschuldigd geworden. Het was gedaagde toegestaan daarvoor beslag te leggen. RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Civiel recht Kantonrechter Zittingsplaats Bergen op Zoom Zaaknummer: 12013266 \ VV EXPL 25-55 Vonnis in kort geding van 8 april 2026 in de zaak van [werkgever] B.V. , te [plaats 1], eisende partij, hierna te noemen: [werkgever], gemachtigde: mr. M.E. Smits, tegen [werknemer] , te [plaats 2], gedaagde partij, hierna te noemen: [werknemer], gemachtigde: mr. G. Bloem. 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - het dagvaarding met bijlagen 1 en 2; - de conclusie van antwoord met producties 1 tot en met 12; - de e-mail van mr. Oliemans, de vorige gemachtigde van [werkgever], van 12 januari 2026 met aantekeningen en producties A tot en met E; - de mondelinge behandeling van 16 januari 2026 en de door mr. Bloem overgelegde beschikking van deze rechtbank, team Familie- en Jeugdrecht, van 9 januari 2026. 1.2. Op de mondelinge behandeling zijn naast deze zaak ook de zaken 11834388 CV EXPL 25-2683 en 11866641 AZ VERZ 25-58 tussen partijen behandeld. 1.3. Na de mondelinge behandeling heeft de kantonrechter op verzoek van partijen de procedures aangehouden, zodat zij de mogelijkheden voor een minnelijke regeling konden beproeven. Bij e-mail van 11 februari 2026 heeft mr. Smits bericht dat partijen geen minnelijke regeling hebben getroffen. 1.4. Het vonnis is bepaald op vandaag. 2 De feiten 2.1. [werkgever] en [werknemer] hebben op 1 september 2013 een Arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd ondertekend op grond waarvan [werknemer] in dienst trad van [werkgever] in de functie van Secretarieel medewerkster. 2.2. Op 1 mei 2025 is [werknemer] tegen [werkgever] een kort gedingprocedure gestart bij de kantonrechter van deze rechtbank. Bij vonnis van 20 juni 2025 (hierna: het vonnis) heeft de kantonrechter [werkgever] veroordeeld tot betaling aan [werknemer] van € 7.341,11 netto aan eindejaarsuitkeringen, € 1.835,28 aan wettelijke verhoging en € 997,24 aan buitengerechtelijke incassokosten, vermeerderd met wettelijke rente. Daarnaast is [werkgever] veroordeeld tot afgifte aan [werknemer] van correcte loonstroken en jaaropgaven ten name van [werkgever] vanaf 1 september 2013, zulks binnen veertien dagen na betekening van het vonnis en onder verbeurte van een dwangsom. De kosten van de procedure zijn gecompenseerd tussen partijen. 2.3. Geen van partijen heeft rechtsmiddelen aangewend tegen het vonnis. 2.4. Op 26 juni 2025 heeft [werknemer] het vonnis aan [werkgever] laten betekenen en is bevel gedaan tot afgifte binnen veertien dagen van de correcte loonstroken en jaaropgaven ten name van [werkgever] vanaf 1 september 2013. 2.5. Bij e-mail van 7 juli 2025 heeft mevrouw [naam], werkzaam bij [werkgever], loonstroken en jaaropgaven van de jaren 2015 tot en met 2024 verstrekt. Zij heeft gemeld dat volgens de salarisadministratie oudere loonstroken en jaaropgaven niet beschikbaar zijn. 2.6. Bij e-mail van 8 juli 2025 heeft mr. Bloem bericht dat er fouten in de loonstroken staan en dat [werkgever] ook de oudere loonstroken moet verstrekken. 2.7. [werknemer] heeft aanspraak gemaakt op dwangsommen. Zij heeft op 14 november 2025 derdenbeslag laten leggen onder de Coöperatieve Rabobank U.A. ten laste van [werkgever]. Het beslag heeft doel getroffen voor een bedrag van € 15.345,76. Dat bedrag is gestort op de derdengeldenrekening van mr. Bloem. 3 Het geschil 3.1. [werkgever] vordert bij vonnis, bij wege van voorlopige voorziening, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad te verklaren: primair: - te bepalen dat sprake is van een onterecht gelegd beslag en [werknemer] te veroordelen om binnen 24 uur na het in deze te wijzen vonnis het op de derdengeldenrekening van haar advocaat gestorte bedrag van € 15.345,76 terug te storten op rekening van [werkgever] en voor zover enige inhouding uit hoofde van dat beslag heeft plaatsgevonden, [werknemer] eveneens te veroordelen tot terugbetaling van het ingehouden bedrag aan [werkgever]; subsidiair: - indien de kantonrechter van oordeel is dat wel een dwangsom is verschuldigd door [werkgever] deze in redelijkheid en billijkheid te matigen; primair en subsidiair: - met veroordeling van [werknemer] in de kosten van dit geding. 3.2. [werkgever] legt aan de vordering ten grondslag dat zij aan de veroordelingen in het vonnis heeft voldaan. 3.3. [werknemer] voert verweer. 3.4. Op de standpunten van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan. 4 De beoordeling Spoedeisend belang 4.1. Gelet op de aard van de vordering van [werkgever] is het spoedeisend belang voor dit kort geding gegeven. Zij is daarmee ontvankelijk in haar vordering. Toetsingskader 4.2. In dit kort geding dient te worden beoordeeld of het bestaan van de vordering van [werkgever] voldoende aannemelijk is en dat het, mede gelet op de belangen van partijen over en weer, gerechtvaardigd is op de toewijzing daarvan in een bodemprocedure vooruit te lopen door het treffen van de gevorderde voorziening. Gelet op het karakter van een kort geding past daarbij geen uitgebreid onderzoek en is er geen plaats voor nadere bewijsvoering. Veroordeling 4.3. Het gaat om de vraag of voldoende aannemelijk is dat [werkgever] heeft voldaan aan de veroordelingen in het vonnis. 4.4. In punt 5.4. van het vonnis heeft de kantonrechter beslist: “veroordeelt [werkgever] tot afgifte aan [werknemer] van correcte loonstroken en jaaropgaven ten name van [werkgever] vanaf 1 september 2013, zulks binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis en onder verbeurte van een dwangsom van € 150,00 per dag dat [werkgever] hiermee in gebreke blijft, met een maximum van € 15.000,00,” 4.5. [werknemer] voert aan dat de door [werkgever] verstrekte jaaropgave van 2021 niet correct is. Daarin staat namelijk een jaarloon van € 17.381,00 bruto (bijlage 2 van [werkgever]). De kantonrechter overweegt dat uitgaande van alleen al het basisloon waarmee [werknemer] is gestart in 2013 – zonder indexering en emolumenten waarover partijen van mening verschillen en een procedure voeren in de zaak 11834388 CV EXPL 25-2683 – van € 1.500,00 netto per maand, vermeerderd met 8% vakantietoeslag, het netto jaarloon uitkomt op € 19.440,00 (€ 1.500,00 * 1,08 * 12 maanden). Dat is een hoger nettoloon dan het brutoloon van € 17.381,00 in de jaaropgave. Het komt de kantonrechter voorshands voor dat dit niet correct is. Een nadere toelichting van [werkgever] hoe zij tot het brutoloon in de jaaropgave is gekomen en dat die jaaropgave correct is, was op zijn plaats geweest. Die toelichting heeft zij niet gegeven. 4.6. [werknemer] voert ook aan dat de verstrekte jaaropgave van 2022 niet correct is. Daarin staat een jaarloon van € 19.975,00 bruto (bijlage 2 van [werkgever]). De kantonrechter overweegt dat dit slechts € 535,00 meer is dan voormeld netto jaarloon van € 19.440,00. Voorshands komt het de kantonrechter voor dat een dergelijk beperkt verschil in bruto/netto gelet op de hoogte van het jaarloon niet correct is. Een nadere toelichting van [werkgever] daarop was op zijn plaats geweest. Die heeft zij niet gegeven. 4.7. Zonder nadere, toereikende toelichting van [werkgever] op de jaaropgaven van 2021 en 2022 is de kantonrechter voorshands van oordeel dat die jaaropgaven niet correct zijn.
Volledig
ECLI:NL:RBZWB:2026:3259 text/xml public 2026-05-12T08:59:08 2026-04-21 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Zeeland-West-Brabant 2026-04-08 12013266 VV EXPL 25-55 (E) Uitspraak Kort geding NL Bergen op Zoom Civiel recht; Arbeidsrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:3259 text/html public 2026-05-08T11:06:23 2026-05-12 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBZWB:2026:3259 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 08-04-2026 / 12013266 VV EXPL 25-55 (E) Executie kort geding. Eiseres maakt niet aannemelijk dat zij heeft voldaan aan de veroordeling tot het verstrekken van correcte loonstroken en jaaropgaven. Eiseres is dwangsommen verschuldigd geworden. Het was gedaagde toegestaan daarvoor beslag te leggen. RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Civiel recht Kantonrechter Zittingsplaats Bergen op Zoom Zaaknummer: 12013266 \ VV EXPL 25-55 Vonnis in kort geding van 8 april 2026 in de zaak van [werkgever] B.V. , te [plaats 1], eisende partij, hierna te noemen: [werkgever], gemachtigde: mr. M.E. Smits, tegen [werknemer] , te [plaats 2], gedaagde partij, hierna te noemen: [werknemer], gemachtigde: mr. G. Bloem. 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - het dagvaarding met bijlagen 1 en 2; - de conclusie van antwoord met producties 1 tot en met 12; - de e-mail van mr. Oliemans, de vorige gemachtigde van [werkgever], van 12 januari 2026 met aantekeningen en producties A tot en met E; - de mondelinge behandeling van 16 januari 2026 en de door mr. Bloem overgelegde beschikking van deze rechtbank, team Familie- en Jeugdrecht, van 9 januari 2026. 1.2. Op de mondelinge behandeling zijn naast deze zaak ook de zaken 11834388 CV EXPL 25-2683 en 11866641 AZ VERZ 25-58 tussen partijen behandeld. 1.3. Na de mondelinge behandeling heeft de kantonrechter op verzoek van partijen de procedures aangehouden, zodat zij de mogelijkheden voor een minnelijke regeling konden beproeven. Bij e-mail van 11 februari 2026 heeft mr. Smits bericht dat partijen geen minnelijke regeling hebben getroffen. 1.4. Het vonnis is bepaald op vandaag. 2 De feiten 2.1. [werkgever] en [werknemer] hebben op 1 september 2013 een Arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd ondertekend op grond waarvan [werknemer] in dienst trad van [werkgever] in de functie van Secretarieel medewerkster. 2.2. Op 1 mei 2025 is [werknemer] tegen [werkgever] een kort gedingprocedure gestart bij de kantonrechter van deze rechtbank. Bij vonnis van 20 juni 2025 (hierna: het vonnis) heeft de kantonrechter [werkgever] veroordeeld tot betaling aan [werknemer] van € 7.341,11 netto aan eindejaarsuitkeringen, € 1.835,28 aan wettelijke verhoging en € 997,24 aan buitengerechtelijke incassokosten, vermeerderd met wettelijke rente. Daarnaast is [werkgever] veroordeeld tot afgifte aan [werknemer] van correcte loonstroken en jaaropgaven ten name van [werkgever] vanaf 1 september 2013, zulks binnen veertien dagen na betekening van het vonnis en onder verbeurte van een dwangsom. De kosten van de procedure zijn gecompenseerd tussen partijen. 2.3. Geen van partijen heeft rechtsmiddelen aangewend tegen het vonnis. 2.4. Op 26 juni 2025 heeft [werknemer] het vonnis aan [werkgever] laten betekenen en is bevel gedaan tot afgifte binnen veertien dagen van de correcte loonstroken en jaaropgaven ten name van [werkgever] vanaf 1 september 2013. 2.5. Bij e-mail van 7 juli 2025 heeft mevrouw [naam], werkzaam bij [werkgever], loonstroken en jaaropgaven van de jaren 2015 tot en met 2024 verstrekt. Zij heeft gemeld dat volgens de salarisadministratie oudere loonstroken en jaaropgaven niet beschikbaar zijn. 2.6. Bij e-mail van 8 juli 2025 heeft mr. Bloem bericht dat er fouten in de loonstroken staan en dat [werkgever] ook de oudere loonstroken moet verstrekken. 2.7. [werknemer] heeft aanspraak gemaakt op dwangsommen. Zij heeft op 14 november 2025 derdenbeslag laten leggen onder de Coöperatieve Rabobank U.A. ten laste van [werkgever]. Het beslag heeft doel getroffen voor een bedrag van € 15.345,76. Dat bedrag is gestort op de derdengeldenrekening van mr. Bloem. 3 Het geschil 3.1. [werkgever] vordert bij vonnis, bij wege van voorlopige voorziening, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad te verklaren: primair: - te bepalen dat sprake is van een onterecht gelegd beslag en [werknemer] te veroordelen om binnen 24 uur na het in deze te wijzen vonnis het op de derdengeldenrekening van haar advocaat gestorte bedrag van € 15.345,76 terug te storten op rekening van [werkgever] en voor zover enige inhouding uit hoofde van dat beslag heeft plaatsgevonden, [werknemer] eveneens te veroordelen tot terugbetaling van het ingehouden bedrag aan [werkgever]; subsidiair: - indien de kantonrechter van oordeel is dat wel een dwangsom is verschuldigd door [werkgever] deze in redelijkheid en billijkheid te matigen; primair en subsidiair: - met veroordeling van [werknemer] in de kosten van dit geding. 3.2. [werkgever] legt aan de vordering ten grondslag dat zij aan de veroordelingen in het vonnis heeft voldaan. 3.3. [werknemer] voert verweer. 3.4. Op de standpunten van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan. 4 De beoordeling Spoedeisend belang 4.1. Gelet op de aard van de vordering van [werkgever] is het spoedeisend belang voor dit kort geding gegeven. Zij is daarmee ontvankelijk in haar vordering. Toetsingskader 4.2. In dit kort geding dient te worden beoordeeld of het bestaan van de vordering van [werkgever] voldoende aannemelijk is en dat het, mede gelet op de belangen van partijen over en weer, gerechtvaardigd is op de toewijzing daarvan in een bodemprocedure vooruit te lopen door het treffen van de gevorderde voorziening. Gelet op het karakter van een kort geding past daarbij geen uitgebreid onderzoek en is er geen plaats voor nadere bewijsvoering. Veroordeling 4.3. Het gaat om de vraag of voldoende aannemelijk is dat [werkgever] heeft voldaan aan de veroordelingen in het vonnis. 4.4. In punt 5.4. van het vonnis heeft de kantonrechter beslist: “veroordeelt [werkgever] tot afgifte aan [werknemer] van correcte loonstroken en jaaropgaven ten name van [werkgever] vanaf 1 september 2013, zulks binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis en onder verbeurte van een dwangsom van € 150,00 per dag dat [werkgever] hiermee in gebreke blijft, met een maximum van € 15.000,00,” 4.5. [werknemer] voert aan dat de door [werkgever] verstrekte jaaropgave van 2021 niet correct is. Daarin staat namelijk een jaarloon van € 17.381,00 bruto (bijlage 2 van [werkgever]). De kantonrechter overweegt dat uitgaande van alleen al het basisloon waarmee [werknemer] is gestart in 2013 – zonder indexering en emolumenten waarover partijen van mening verschillen en een procedure voeren in de zaak 11834388 CV EXPL 25-2683 – van € 1.500,00 netto per maand, vermeerderd met 8% vakantietoeslag, het netto jaarloon uitkomt op € 19.440,00 (€ 1.500,00 * 1,08 * 12 maanden). Dat is een hoger nettoloon dan het brutoloon van € 17.381,00 in de jaaropgave. Het komt de kantonrechter voorshands voor dat dit niet correct is. Een nadere toelichting van [werkgever] hoe zij tot het brutoloon in de jaaropgave is gekomen en dat die jaaropgave correct is, was op zijn plaats geweest. Die toelichting heeft zij niet gegeven. 4.6. [werknemer] voert ook aan dat de verstrekte jaaropgave van 2022 niet correct is. Daarin staat een jaarloon van € 19.975,00 bruto (bijlage 2 van [werkgever]). De kantonrechter overweegt dat dit slechts € 535,00 meer is dan voormeld netto jaarloon van € 19.440,00. Voorshands komt het de kantonrechter voor dat een dergelijk beperkt verschil in bruto/netto gelet op de hoogte van het jaarloon niet correct is. Een nadere toelichting van [werkgever] daarop was op zijn plaats geweest. Die heeft zij niet gegeven. 4.7. Zonder nadere, toereikende toelichting van [werkgever] op de jaaropgaven van 2021 en 2022 is de kantonrechter voorshands van oordeel dat die jaaropgaven niet correct zijn.