Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2026-04-21
ECLI:NL:RBZWB:2026:3245
Bestuursrecht; Belastingrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
10,489 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBZWB:2026:3245 text/xml public 2026-04-29T15:48:19 2026-04-21 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Zeeland-West-Brabant 2026-04-21 22/3491 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Breda Bestuursrecht; Belastingrecht Rechtspraak.nl Viditax (FutD) 2026042905 http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:3245 text/html public 2026-04-29T09:13:28 2026-04-29 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBZWB:2026:3245 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 21-04-2026 / 22/3491 WVAD RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Zittingsplaats Breda Belastingrecht zaaknummer: BRE 22/3491 uitspraak van de meervoudige belastingkamer van 21 april 2026 in de zaak tussen [belanghebbende] B.V., gevestigd in [plaats] , belanghebbende (gemachtigde: mr. D.N.N. Jansen), en de inspecteur van de Douane, de inspecteur, en de Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid). Inleiding 1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 6 mei 2021. 1.1. De inspecteur heeft aan belanghebbende over de tijdvakken gelegen in de periode 1 augustus 2011 tot en met 31 december 2014 een naheffingsaanslag verbruiksbelasting van alcoholvrije dranken van € 320.705,56 opgelegd. 1.2. Gelijktijdig met de vaststelling van de naheffingsaanslag heeft de inspecteur belanghebbende € 45.938 belastingrente in rekening gebracht (de belastingrentebeschikking). Tevens is aan belanghebbende over de tijdvakken in 2012 een verzuimboete van € 4.920 en over de tijdvakken in 2013 een verzuimboete van € 4.920 opgelegd. 1.3. De inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard. 1.4. Op 26 januari 2024 heeft de rechtbank het verzet van belanghebbende tegen de vereenvoudigde afdoening van de zaak door de rechtbank gegrond verklaard. Daarbij is een proceskostenvergoeding van € 875 aan belanghebbende toegekend. 1.5. De rechtbank heeft het beroep op 10 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van belanghebbende, namens de inspecteur mr. [inspecteur 1] en mr. [inspecteur 2] , en namens de ontvanger [persoon] . Beoordeling door de rechtbank 2. De rechtbank beoordeelt of de naheffingsaanslag verbruiksbelasting terecht en niet tot een te hoog bedrag is opgelegd. Ook beoordeelt de rechtbank of de verzuimboeten terecht en niet tot een te hoog bedrag zijn opgelegd. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende. 2.1. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de inspecteur de verplichting om alle op de zaak betrekking hebbende stukken over te leggen geschonden. De rechtbank verbindt daar bewijsconsequenties aan. De rechtbank komt tot het oordeel dat de naheffingsaanslag in strijd met het Unierechtelijk verdedigingsbeginsel is opgelegd en moet worden vernietigd. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Feiten 3. Belanghebbende handelt in koffie, thee en frisdranken. Belanghebbende heeft een vergunning inrichting voor de opslag van verbruiksbelastinggoederen (IVV) . De frisdranken worden voornamelijk verkocht aan Duitse afnemers. 3.1. De inspecteur heeft een boekenonderzoek ingesteld bij belanghebbende. Het onderzoek betrof de naleving van de voorwaarden met betrekking tot de aan haar verleende vergunningen en de juistheid van de in het kader van deze vergunningen gedane aangiften in de periode 1 augustus 2011 tot en met 31 december 2014. 3.2. Naar aanleiding van de uitkomst van het boekenonderzoek heeft de inspecteur het standpunt ingenomen dat belanghebbende in 2012 en 2013 alcoholvrije dranken heeft verkocht aan afnemers in een andere lidstaat maar dat zij niet kan aantonen dat de zendingen hun bestemming hebben bereikt. Er is dan volgens de inspecteur sprake van uitslag waarover verbruiksbelasting is verschuldigd. 3.3. Op 10 februari 2017 is het controlerapport van het boekenonderzoek uitgebracht. Een afschrift van het definitieve controlerapport behoort tot het zaaksdossier. 3.4. Bij brief van 9 maart 2017 heeft de inspecteur belanghebbende een “ toelichting naheffingsaanslag accijns ” toegezonden. In de brief is opgenomen het bedrag van de verschuldigde verbruiksbelasting over 2012 en 2013, de boetebedragen en de belastingrente. Een afschrift van de brief behoort tot het zaaksdossier. 3.5. Het aanslagbiljet is gedagtekend 22 maart 2017. Overwegingen Vooraf: afwijzing verdagingsverzoek 4. De inspecteur heeft verzocht om verdaging van de behandeling van het beroep op de zitting van 10 maart 2026 omdat hij verhinderd was. De rechtbank heeft in het licht van een goede procesgang en voortgang van de zaken besloten de zitting door te laten gaan en daaraan voorrang te geven boven het belang van de inspecteur om de behandeling van de zaken te laten plaatsvinden op een ander moment. Bij deze beslissing heeft de rechtbank meegewogen dat inspecteur zich bij verhindering kan laten vervangen en dat geen andere of bijkomende bijzondere omstandigheden ter onderbouwing van het verdagingsverzoek zijn gesteld. Artikel 8:42 Awb 5. Belanghebbende stelt dat de inspecteur niet alle op de zaak betrekking hebbende stukken heeft ingebracht en daarmee artikel 8:42 van de Awb heeft geschonden. Ter zitting heeft de inspecteur verklaard dat een map met zaakstukken abusievelijk niet is overgelegd. Omdat dit pas kort voor de zitting is opgemerkt en de douane niet digitaal procedeert zijn de stukken naar de rechtbank en de gemachtigde gemaild. 5.1. Het is aan de inspecteur om alle op de zaak betrekking hebbende stukken over te leggen. De rechter moet toezien op de naleving van artikel 8:42 van de Awb. Zoals ter zitting ook is medegedeeld, zijn de kort voor de zitting per e-mail verzonden stukken in deze zaak niet in behandeling genomen, aangezien die indienwijze volgens het Procesreglement bestuursrecht rechtbanken niet is toegestaan. In deze zaak staat dan ook vast dat de inspecteur over meer op de zaak betrekking hebbende stukken beschikt dan zijn overgelegd. Dat houdt een schending van de verplichting van artikel 8:42 van de Awb in. De vraag komt dan op hoe met deze schending van artikel 8:42 Awb moet worden omgegaan. De rechtbank stelt vast dat deze beroepsprocedure in 2022 is gestart. De inspecteur is (in ieder geval) na de uitspraak op verzet in de gelegenheid gesteld om de zaakstukken over te leggen, waarvoor – om verschillende redenen – diverse malen uitstel is verleend. De stukken die de inspecteur niet heeft ingestuurd, stonden al geruime tijd ter beschikking van de inspecteur. De rechtbank vindt het onzorgvuldig dat de inspecteur heeft verzaakt deze stukken over te leggen op het moment dat hij daarover beschikte, pas drie dagen voor de zitting reageert op de stellingen van belanghebbende over het ontbreken van stukken en er vervolgens voor kiest de stukken te verzenden op een wijze die niet is toegestaan. Desgevraagd ter zitting heeft de inspecteur verklaard dat bij een door de rechtbank geconstateerde schending van artikel 8:42 van de Awb, de rechtbank daar de gevolgen aan moet verbinden die haar geraden voorkomen. Ook belanghebbende heeft verklaard dat zij de stukken niet nogmaals in het geding gebracht wil hebben maar dat de rechtbank daaraan consequenties moet verbinden in geval van een schending van artikel 8:42 van de Awb. Alles overwegende zal de rechtbank de inspecteur niet in de gelegenheid stellen de nog niet verstrekte zaakstukken alsnog op de juiste wijze te overleggen. Dit acht de rechtbank ondanks de taak die op de rechter rust een passende werkwijze in deze procedure. 5.2. Aan de schending van artikel 8:42 van de Awb zal de rechtbank dan ook de gevolgtrekkingen verbinden die haar geraden voorkomen. Dat zal in dit geval een bewijssanctie zijn zoals hierna wordt overwogen. Unierechtelijk verdedigingsbeginsel 5.3. Belanghebbende heeft betoogd dat de naheffingsaanslag moet worden vernietigd omdat het Unierechtelijke verdedigingsbeginsel is geschonden. Volgens de inspecteur is het Unierechtelijke verdedigingsbeginsel niet van toepassing op de WVAD. 5.4. De heffing van verbruiksbelasting ter zake van de uitslag en invoer van alcoholvrije dranken is gebaseerd op de WVAD. 5.5.
Volledig
ECLI:NL:RBZWB:2026:3245 text/xml public 2026-04-29T15:48:19 2026-04-21 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Zeeland-West-Brabant 2026-04-21 22/3491 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Breda Bestuursrecht; Belastingrecht Rechtspraak.nl Viditax (FutD) 2026042905 http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:3245 text/html public 2026-04-29T09:13:28 2026-04-29 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBZWB:2026:3245 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 21-04-2026 / 22/3491 WVAD RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Zittingsplaats Breda Belastingrecht zaaknummer: BRE 22/3491 uitspraak van de meervoudige belastingkamer van 21 april 2026 in de zaak tussen [belanghebbende] B.V., gevestigd in [plaats] , belanghebbende (gemachtigde: mr. D.N.N. Jansen), en de inspecteur van de Douane, de inspecteur, en de Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid). Inleiding 1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 6 mei 2021. 1.1. De inspecteur heeft aan belanghebbende over de tijdvakken gelegen in de periode 1 augustus 2011 tot en met 31 december 2014 een naheffingsaanslag verbruiksbelasting van alcoholvrije dranken van € 320.705,56 opgelegd. 1.2. Gelijktijdig met de vaststelling van de naheffingsaanslag heeft de inspecteur belanghebbende € 45.938 belastingrente in rekening gebracht (de belastingrentebeschikking). Tevens is aan belanghebbende over de tijdvakken in 2012 een verzuimboete van € 4.920 en over de tijdvakken in 2013 een verzuimboete van € 4.920 opgelegd. 1.3. De inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard. 1.4. Op 26 januari 2024 heeft de rechtbank het verzet van belanghebbende tegen de vereenvoudigde afdoening van de zaak door de rechtbank gegrond verklaard. Daarbij is een proceskostenvergoeding van € 875 aan belanghebbende toegekend. 1.5. De rechtbank heeft het beroep op 10 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van belanghebbende, namens de inspecteur mr. [inspecteur 1] en mr. [inspecteur 2] , en namens de ontvanger [persoon] . Beoordeling door de rechtbank 2. De rechtbank beoordeelt of de naheffingsaanslag verbruiksbelasting terecht en niet tot een te hoog bedrag is opgelegd. Ook beoordeelt de rechtbank of de verzuimboeten terecht en niet tot een te hoog bedrag zijn opgelegd. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende. 2.1. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de inspecteur de verplichting om alle op de zaak betrekking hebbende stukken over te leggen geschonden. De rechtbank verbindt daar bewijsconsequenties aan. De rechtbank komt tot het oordeel dat de naheffingsaanslag in strijd met het Unierechtelijk verdedigingsbeginsel is opgelegd en moet worden vernietigd. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Feiten 3. Belanghebbende handelt in koffie, thee en frisdranken. Belanghebbende heeft een vergunning inrichting voor de opslag van verbruiksbelastinggoederen (IVV) . De frisdranken worden voornamelijk verkocht aan Duitse afnemers. 3.1. De inspecteur heeft een boekenonderzoek ingesteld bij belanghebbende. Het onderzoek betrof de naleving van de voorwaarden met betrekking tot de aan haar verleende vergunningen en de juistheid van de in het kader van deze vergunningen gedane aangiften in de periode 1 augustus 2011 tot en met 31 december 2014. 3.2. Naar aanleiding van de uitkomst van het boekenonderzoek heeft de inspecteur het standpunt ingenomen dat belanghebbende in 2012 en 2013 alcoholvrije dranken heeft verkocht aan afnemers in een andere lidstaat maar dat zij niet kan aantonen dat de zendingen hun bestemming hebben bereikt. Er is dan volgens de inspecteur sprake van uitslag waarover verbruiksbelasting is verschuldigd. 3.3. Op 10 februari 2017 is het controlerapport van het boekenonderzoek uitgebracht. Een afschrift van het definitieve controlerapport behoort tot het zaaksdossier. 3.4. Bij brief van 9 maart 2017 heeft de inspecteur belanghebbende een “ toelichting naheffingsaanslag accijns ” toegezonden. In de brief is opgenomen het bedrag van de verschuldigde verbruiksbelasting over 2012 en 2013, de boetebedragen en de belastingrente. Een afschrift van de brief behoort tot het zaaksdossier. 3.5. Het aanslagbiljet is gedagtekend 22 maart 2017. Overwegingen Vooraf: afwijzing verdagingsverzoek 4. De inspecteur heeft verzocht om verdaging van de behandeling van het beroep op de zitting van 10 maart 2026 omdat hij verhinderd was. De rechtbank heeft in het licht van een goede procesgang en voortgang van de zaken besloten de zitting door te laten gaan en daaraan voorrang te geven boven het belang van de inspecteur om de behandeling van de zaken te laten plaatsvinden op een ander moment. Bij deze beslissing heeft de rechtbank meegewogen dat inspecteur zich bij verhindering kan laten vervangen en dat geen andere of bijkomende bijzondere omstandigheden ter onderbouwing van het verdagingsverzoek zijn gesteld. Artikel 8:42 Awb 5. Belanghebbende stelt dat de inspecteur niet alle op de zaak betrekking hebbende stukken heeft ingebracht en daarmee artikel 8:42 van de Awb heeft geschonden. Ter zitting heeft de inspecteur verklaard dat een map met zaakstukken abusievelijk niet is overgelegd. Omdat dit pas kort voor de zitting is opgemerkt en de douane niet digitaal procedeert zijn de stukken naar de rechtbank en de gemachtigde gemaild. 5.1. Het is aan de inspecteur om alle op de zaak betrekking hebbende stukken over te leggen. De rechter moet toezien op de naleving van artikel 8:42 van de Awb. Zoals ter zitting ook is medegedeeld, zijn de kort voor de zitting per e-mail verzonden stukken in deze zaak niet in behandeling genomen, aangezien die indienwijze volgens het Procesreglement bestuursrecht rechtbanken niet is toegestaan. In deze zaak staat dan ook vast dat de inspecteur over meer op de zaak betrekking hebbende stukken beschikt dan zijn overgelegd. Dat houdt een schending van de verplichting van artikel 8:42 van de Awb in. De vraag komt dan op hoe met deze schending van artikel 8:42 Awb moet worden omgegaan. De rechtbank stelt vast dat deze beroepsprocedure in 2022 is gestart. De inspecteur is (in ieder geval) na de uitspraak op verzet in de gelegenheid gesteld om de zaakstukken over te leggen, waarvoor – om verschillende redenen – diverse malen uitstel is verleend. De stukken die de inspecteur niet heeft ingestuurd, stonden al geruime tijd ter beschikking van de inspecteur. De rechtbank vindt het onzorgvuldig dat de inspecteur heeft verzaakt deze stukken over te leggen op het moment dat hij daarover beschikte, pas drie dagen voor de zitting reageert op de stellingen van belanghebbende over het ontbreken van stukken en er vervolgens voor kiest de stukken te verzenden op een wijze die niet is toegestaan. Desgevraagd ter zitting heeft de inspecteur verklaard dat bij een door de rechtbank geconstateerde schending van artikel 8:42 van de Awb, de rechtbank daar de gevolgen aan moet verbinden die haar geraden voorkomen. Ook belanghebbende heeft verklaard dat zij de stukken niet nogmaals in het geding gebracht wil hebben maar dat de rechtbank daaraan consequenties moet verbinden in geval van een schending van artikel 8:42 van de Awb. Alles overwegende zal de rechtbank de inspecteur niet in de gelegenheid stellen de nog niet verstrekte zaakstukken alsnog op de juiste wijze te overleggen. Dit acht de rechtbank ondanks de taak die op de rechter rust een passende werkwijze in deze procedure. 5.2. Aan de schending van artikel 8:42 van de Awb zal de rechtbank dan ook de gevolgtrekkingen verbinden die haar geraden voorkomen. Dat zal in dit geval een bewijssanctie zijn zoals hierna wordt overwogen. Unierechtelijk verdedigingsbeginsel 5.3. Belanghebbende heeft betoogd dat de naheffingsaanslag moet worden vernietigd omdat het Unierechtelijke verdedigingsbeginsel is geschonden. Volgens de inspecteur is het Unierechtelijke verdedigingsbeginsel niet van toepassing op de WVAD. 5.4. De heffing van verbruiksbelasting ter zake van de uitslag en invoer van alcoholvrije dranken is gebaseerd op de WVAD. 5.5.
Volledig
Op basis van de Accijnsrichtlijn zijn de lidstaten bevoegd belastingen in te stellen of te handhaven op andere producten dan minerale oliën, alcoholhoudende dranken en tabaksfabrikanten, mits deze belastingen in het handelsverkeer tussen de lidstaten geen aanleiding geven tot formaliteiten die verband houden met het overschrijden van een grens. Uit de memorie van toelichting bij de invoering van de WVAD volgt dat de voorloper van de WVAD kan worden gehandhaafd, mits deze in het handelsverkeer geen aanleiding geeft tot formaliteiten die verband houden met het overschrijden van de intra-grenzen, en dat een heffingssysteem moet worden vastgesteld dat voldoet aan de eisen van de horizontale richtlijn. De rechtbank leidt hieruit af dat de verbruiksbelasting van alcoholvrije dranken binnen het toepassingsgebied van het Unierecht valt. Anders dan de inspecteur betoogt, zijn in die situatie de algemene rechtsbeginselen van Unierecht, waaronder het Unierechtelijke verdedigingsbeginsel, naar het oordeel van de rechtbank wel van toepassing. De inspecteur was dus bij het opleggen van de naheffingsaanslag gehouden tot naleving van het Unierechtelijke verdedigingsbeginsel. 5.6. De rechtbank neemt voor de beoordeling of het Unierechtelijk verdedigingsbeginsel is geschonden de overwegingen uit het arrest van de Hoge Raad 13 juni 2025 (het arrest van 13 juni 2025) als uitgangspunt. 5.7. De inspecteur heeft gesteld dat hij bij brief van 16 juni 2016 met de titel “ voorgenomen correctie ” aan belanghebbende kenbaar heeft gemaakt dat hij op basis van het tot dan toe verrichte onderzoek een voornemen tot het opleggen van een naheffingsaanslag had opgevat. Als bijlage bij die brief is het concept controlerapport toegezonden, zodat het belanghebbende duidelijk was welke naheffing hem kon worden opgelegd, aldus de inspecteur. 5.8. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de inspecteur niet aannemelijk gemaakt dat hij in lijn met het arrest van 13 juni 2025 heeft gehandeld. De rechtbank overweegt allereerst dat de inspecteur heeft verzuimd aan te duiden waar in het procesdossier de brief van 16 juni 2016 te vinden is. De rechtbank heeft die niet gezien. Niet uit te sluiten valt – gelet op de omstandigheid dat niet alle zaakstukken zijn overgelegd – dat het stuk wel bestaat maar niet is overgelegd. Aangezien rechtbank aan het niet overleggen van zaakstukken in deze zaak de consequenties dient te verbinden die zij geraden acht, komt zij tot het oordeel dat de inspecteur niet aannemelijk heeft gemaakt dat de brief van 16 juni 2016 is gestuurd. Dat brengt ook mee dat de inspecteur niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij heeft gehandeld in de zin van het arrest van 13 juni 2025. Hieraan kan niet afdoen dat tijdens het boekenonderzoek aan belanghebbende het voornemen kenbaar is gemaakt om een deel van de zendingen naar Duitsland aan te merken als uitslag, dat belanghebbende de gelegenheid is geboden op dit voornemen te reageren, dat belanghebbende inhoudelijk heeft gereageerd en dat zij inzage in de stukken heeft gehad. Die omstandigheden laten namelijk onverlet dat ook dan belanghebbende de gelegenheid moet worden geboden te reageren op een definitief standpunt van de inspecteur of op een definitief element van de naheffingsaanslag, voor zover dat standpunt of dat element was gegrond op feiten en omstandigheden die de inspecteur tijdens het boekenonderzoek heeft bevonden en aan de naheffingsaanslag ten gronde wilde leggen. In de latere brief van 9 maart 2017 heeft de inspecteur weliswaar een toelichting gegeven op de naheffingsaanslag en de verschuldigde bedragen verbruiksbelasting meegedeeld maar is belanghebbende niet meer de laatste gelegenheid geboden om haar zienswijze op het voornemen tot deze concrete naheffingsaanslag te geven. De inspecteur heeft het Unierechtelijke verdedigingsbeginsel geschonden. 5.9. De schending van het Unierechtelijke verdedigingsbeginsel leidt alleen tot vernietiging van het bezwarende besluit als het besluitvormingsproces van de inspecteur zonder die schending een andere afloop had kunnen hebben. Voor dit oordeel is het voldoende te bewijzen dat wanneer de schending niet had plaatsgevonden, degene tot wie dat besluit is gericht een inbreng had kunnen leveren die voor het vaststellen van dat besluit van belang was en waarvan niet kon uitgesloten dat deze tot een besluitvormingsproces met een andere afloop had kunnen leiden. Gelet op de omstandigheid dat niet alle zaakstukken zijn overgelegd, beschikt de rechtbank niet over een volledig inzicht in het verloop van de procedure en in de stukken die belanghebbende in de bezwaarfase heeft ingebracht. De rechtbank komt tot het oordeel dat in dit geval de inbreng van belanghebbende tot een andere afloop had kunnen leiden. Redengevend hiervoor is de schending van artikel 8:42 van de Awb door de inspecteur, waaraan de rechtbank op grond van artikel 8:31 van de Awb de gevolgtrekking kan verbinden die haar geraden voorkomen. In deze zaak acht de rechtbank het een passend gevolg dat het door de rechtbank gegeven bewijsoordeel in het voordeel van belanghebbende uitvalt. Dit brengt mee dat de naheffingsaanslag moet worden vernietigd, en dat dus ook de boetebeschikkingen en de belastingrentebeschikking moeten worden vernietigd. De overige gronden hoeven geen behandeling. Immateriëleschadevergoeding 6. Belanghebbende maakt aanspraak op een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn waarbinnen de geschillen beslecht hadden moeten zijn. De Hoge Raad heeft als uitgangspunt bepaald dat een redelijke behandeltermijn voor de bezwaar- en beroepsfase in eerste aanleg een periode van twee jaar bedraagt. Indien deze termijn wordt overschreden, is er aanleiding voor een vergoeding van immateriële schade. Voor de schadevergoeding geldt als uitgangspunt dat een tarief wordt gehanteerd van € 500 per half jaar waarmee die termijn is overschreden. 6.1. De rechtbank ziet geen aanleiding om de termijn te verlengen omdat een poos geen fysieke hoorzitting gehouden kon worden in verband met de uitbraak van het coronavirus. De rechtbank overweegt daartoe dat niet is gesteld of gebleken dat in de periode waarin geen fysieke hoorzitting gehouden kon worden, er een uitnodiging voor een hoorzitting is gestuurd. De inspecteur heeft gesteld dat de termijn ook moet worden verlengd omdat de reactie van belanghebbende op de voorlopige beschouwing vier maanden heeft geduurd terwijl een termijn van vier weken redelijk was geweest. De rechtbank ziet ook hierin geen aanleiding om de redelijke termijn te verlengen omdat de inspecteur hierover kennelijk geen concrete afspraken met belanghebbende had gemaakt. 6.2. De inspecteur heeft het bezwaarschrift ontvangen op 31 maart 2017. De rechtbank doet uitspraak op 21 april 2026, en dus (afgerond) 109 maanden na de indiening van het bezwaarschrift. De rechtbank acht geen bijzondere omstandigheden aanwezig die verlenging van de redelijke termijn rechtvaardigen. De redelijke termijn voor behandeling in bezwaar en beroep is daarom met afgerond 85 maanden overschreden. Belanghebbende heeft dus recht op een schadevergoeding van € 7.500. Omdat de bezwaarfase afgerond 56 maanden heeft geduurd en daarmee afgerond 56 maanden te lang, komt de schadevergoeding voor € 4.941,18 voor rekening van de inspecteur en voor € 2.558,82 voor rekening van de Staat. 6.3. Deze procedure betreft zowel een belastingaanslag als twee daarmee samenhangende verzuimboetes. Dan worden de hiervoor opgenomen schadevergoeding, en de boetevermindering of schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn met betrekking tot de boetes, zo nodig naast elkaar toegepast. 6.4. De rechtbank houdt aan dat belanghebbende eerst met het controlerapport van 10 februari 2017 bekend werd met het feit dat er ook een boeteverwijt werd gemaakt. Dat is daarom het startpunt van de redelijke termijn voor wat betreft de boetezaken. De rechtbank constateert dat er sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn voor de behandeling van de boetezaken in eerste feitelijke instantie. De rechtbank doet uitspraak op 21 april 2026.
Volledig
Op basis van de Accijnsrichtlijn zijn de lidstaten bevoegd belastingen in te stellen of te handhaven op andere producten dan minerale oliën, alcoholhoudende dranken en tabaksfabrikanten, mits deze belastingen in het handelsverkeer tussen de lidstaten geen aanleiding geven tot formaliteiten die verband houden met het overschrijden van een grens. Uit de memorie van toelichting bij de invoering van de WVAD volgt dat de voorloper van de WVAD kan worden gehandhaafd, mits deze in het handelsverkeer geen aanleiding geeft tot formaliteiten die verband houden met het overschrijden van de intra-grenzen, en dat een heffingssysteem moet worden vastgesteld dat voldoet aan de eisen van de horizontale richtlijn. De rechtbank leidt hieruit af dat de verbruiksbelasting van alcoholvrije dranken binnen het toepassingsgebied van het Unierecht valt. Anders dan de inspecteur betoogt, zijn in die situatie de algemene rechtsbeginselen van Unierecht, waaronder het Unierechtelijke verdedigingsbeginsel, naar het oordeel van de rechtbank wel van toepassing. De inspecteur was dus bij het opleggen van de naheffingsaanslag gehouden tot naleving van het Unierechtelijke verdedigingsbeginsel. 5.6. De rechtbank neemt voor de beoordeling of het Unierechtelijk verdedigingsbeginsel is geschonden de overwegingen uit het arrest van de Hoge Raad 13 juni 2025 (het arrest van 13 juni 2025) als uitgangspunt. 5.7. De inspecteur heeft gesteld dat hij bij brief van 16 juni 2016 met de titel “ voorgenomen correctie ” aan belanghebbende kenbaar heeft gemaakt dat hij op basis van het tot dan toe verrichte onderzoek een voornemen tot het opleggen van een naheffingsaanslag had opgevat. Als bijlage bij die brief is het concept controlerapport toegezonden, zodat het belanghebbende duidelijk was welke naheffing hem kon worden opgelegd, aldus de inspecteur. 5.8. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de inspecteur niet aannemelijk gemaakt dat hij in lijn met het arrest van 13 juni 2025 heeft gehandeld. De rechtbank overweegt allereerst dat de inspecteur heeft verzuimd aan te duiden waar in het procesdossier de brief van 16 juni 2016 te vinden is. De rechtbank heeft die niet gezien. Niet uit te sluiten valt – gelet op de omstandigheid dat niet alle zaakstukken zijn overgelegd – dat het stuk wel bestaat maar niet is overgelegd. Aangezien rechtbank aan het niet overleggen van zaakstukken in deze zaak de consequenties dient te verbinden die zij geraden acht, komt zij tot het oordeel dat de inspecteur niet aannemelijk heeft gemaakt dat de brief van 16 juni 2016 is gestuurd. Dat brengt ook mee dat de inspecteur niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij heeft gehandeld in de zin van het arrest van 13 juni 2025. Hieraan kan niet afdoen dat tijdens het boekenonderzoek aan belanghebbende het voornemen kenbaar is gemaakt om een deel van de zendingen naar Duitsland aan te merken als uitslag, dat belanghebbende de gelegenheid is geboden op dit voornemen te reageren, dat belanghebbende inhoudelijk heeft gereageerd en dat zij inzage in de stukken heeft gehad. Die omstandigheden laten namelijk onverlet dat ook dan belanghebbende de gelegenheid moet worden geboden te reageren op een definitief standpunt van de inspecteur of op een definitief element van de naheffingsaanslag, voor zover dat standpunt of dat element was gegrond op feiten en omstandigheden die de inspecteur tijdens het boekenonderzoek heeft bevonden en aan de naheffingsaanslag ten gronde wilde leggen. In de latere brief van 9 maart 2017 heeft de inspecteur weliswaar een toelichting gegeven op de naheffingsaanslag en de verschuldigde bedragen verbruiksbelasting meegedeeld maar is belanghebbende niet meer de laatste gelegenheid geboden om haar zienswijze op het voornemen tot deze concrete naheffingsaanslag te geven. De inspecteur heeft het Unierechtelijke verdedigingsbeginsel geschonden. 5.9. De schending van het Unierechtelijke verdedigingsbeginsel leidt alleen tot vernietiging van het bezwarende besluit als het besluitvormingsproces van de inspecteur zonder die schending een andere afloop had kunnen hebben. Voor dit oordeel is het voldoende te bewijzen dat wanneer de schending niet had plaatsgevonden, degene tot wie dat besluit is gericht een inbreng had kunnen leveren die voor het vaststellen van dat besluit van belang was en waarvan niet kon uitgesloten dat deze tot een besluitvormingsproces met een andere afloop had kunnen leiden. Gelet op de omstandigheid dat niet alle zaakstukken zijn overgelegd, beschikt de rechtbank niet over een volledig inzicht in het verloop van de procedure en in de stukken die belanghebbende in de bezwaarfase heeft ingebracht. De rechtbank komt tot het oordeel dat in dit geval de inbreng van belanghebbende tot een andere afloop had kunnen leiden. Redengevend hiervoor is de schending van artikel 8:42 van de Awb door de inspecteur, waaraan de rechtbank op grond van artikel 8:31 van de Awb de gevolgtrekking kan verbinden die haar geraden voorkomen. In deze zaak acht de rechtbank het een passend gevolg dat het door de rechtbank gegeven bewijsoordeel in het voordeel van belanghebbende uitvalt. Dit brengt mee dat de naheffingsaanslag moet worden vernietigd, en dat dus ook de boetebeschikkingen en de belastingrentebeschikking moeten worden vernietigd. De overige gronden hoeven geen behandeling. Immateriëleschadevergoeding 6. Belanghebbende maakt aanspraak op een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn waarbinnen de geschillen beslecht hadden moeten zijn. De Hoge Raad heeft als uitgangspunt bepaald dat een redelijke behandeltermijn voor de bezwaar- en beroepsfase in eerste aanleg een periode van twee jaar bedraagt. Indien deze termijn wordt overschreden, is er aanleiding voor een vergoeding van immateriële schade. Voor de schadevergoeding geldt als uitgangspunt dat een tarief wordt gehanteerd van € 500 per half jaar waarmee die termijn is overschreden. 6.1. De rechtbank ziet geen aanleiding om de termijn te verlengen omdat een poos geen fysieke hoorzitting gehouden kon worden in verband met de uitbraak van het coronavirus. De rechtbank overweegt daartoe dat niet is gesteld of gebleken dat in de periode waarin geen fysieke hoorzitting gehouden kon worden, er een uitnodiging voor een hoorzitting is gestuurd. De inspecteur heeft gesteld dat de termijn ook moet worden verlengd omdat de reactie van belanghebbende op de voorlopige beschouwing vier maanden heeft geduurd terwijl een termijn van vier weken redelijk was geweest. De rechtbank ziet ook hierin geen aanleiding om de redelijke termijn te verlengen omdat de inspecteur hierover kennelijk geen concrete afspraken met belanghebbende had gemaakt. 6.2. De inspecteur heeft het bezwaarschrift ontvangen op 31 maart 2017. De rechtbank doet uitspraak op 21 april 2026, en dus (afgerond) 109 maanden na de indiening van het bezwaarschrift. De rechtbank acht geen bijzondere omstandigheden aanwezig die verlenging van de redelijke termijn rechtvaardigen. De redelijke termijn voor behandeling in bezwaar en beroep is daarom met afgerond 85 maanden overschreden. Belanghebbende heeft dus recht op een schadevergoeding van € 7.500. Omdat de bezwaarfase afgerond 56 maanden heeft geduurd en daarmee afgerond 56 maanden te lang, komt de schadevergoeding voor € 4.941,18 voor rekening van de inspecteur en voor € 2.558,82 voor rekening van de Staat. 6.3. Deze procedure betreft zowel een belastingaanslag als twee daarmee samenhangende verzuimboetes. Dan worden de hiervoor opgenomen schadevergoeding, en de boetevermindering of schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn met betrekking tot de boetes, zo nodig naast elkaar toegepast. 6.4. De rechtbank houdt aan dat belanghebbende eerst met het controlerapport van 10 februari 2017 bekend werd met het feit dat er ook een boeteverwijt werd gemaakt. Dat is daarom het startpunt van de redelijke termijn voor wat betreft de boetezaken. De rechtbank constateert dat er sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn voor de behandeling van de boetezaken in eerste feitelijke instantie. De rechtbank doet uitspraak op 21 april 2026.
Volledig
De redelijke termijn van twee jaar is met afgerond 87 maanden overschreden. Nu de rechtbank de boetes integraal vernietigt, kan compensatie voor deze schending niet gevonden worden in een vermindering van de boetes. Belanghebbende heeft daarom recht op schadevergoedingen van in totaal € 15.000 (€ 7.500 per boete). Omdat de bezwaarfase afgerond 63 maanden heeft geduurd en daarmee afgerond 57 maanden te lang, komen de schadevergoedingen voor € 9.827,59 voor rekening van de inspecteur en voor € 5.172,41 voor rekening van de Staat. Conclusie en gevolgen 7. Het beroep is gegrond. Omdat het beroep gegrond is, moet de inspecteur het griffierecht aan belanghebbende vergoeden en krijgt belanghebbende ook een vergoeding van haar proceskosten. De inspecteur moet deze vergoeding betalen. 7.1. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt belanghebbende een vast bedrag per proceshandeling. In bezwaar heeft elke proceshandeling een waarde van € 666. In beroep heeft elke proceshandeling een waarde van € 934. Belanghebbende heeft in bezwaar gevraagd om vergoeding van de proceskosten. Opvolgende gemachtigden hebben een bezwaarschrift ingediend, de hoorzitting bijgewoond, een beroepschrift ingediend en aan de zitting van de rechtbank deelgenomen. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 3.200. Beslissing De rechtbank: - verklaart het beroep gegrond; - vernietigt de uitspraak op bezwaar; - vernietigt de naheffingsaanslag, de boetebeschikkingen en de belastingrentebeschikking; - veroordeelt de inspecteur tot het betalen van vergoedingen van immateriële schade aan belanghebbende tot een bedrag van € 14.768,76; veroordeelt de Staat tot het betalen van vergoedingen van immateriële schade aan belanghebbende tot een bedrag van € 7.731,24; - bepaalt dat de inspecteur het griffierecht van € 365 aan belanghebbende moet vergoeden; - veroordeelt de inspecteur tot betaling van € 3.200 aan proceskosten aan belanghebbende. Deze uitspraak is gedaan door mr. S.A.J. Bastiaansen, voorzitter, en mr. J.A. den Braber-Riemens en mr. S.B. Cornielje, leden, in aanwezigheid van mr. M.J. van Balkom, griffier. griffier voorzitter De uitspraak is openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl. De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld. Aan deze uitspraak hoeft eerst uitvoering te worden gegeven als de uitspraak onherroepelijk is geworden. De uitspraak is onherroepelijk als niet binnen zes weken na verzending van de uitspraak een rechtsmiddel is aangewend of onherroepelijk op het aangewende rechtsmiddel is beslist. Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt. Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch. Rechtbank Zeeland-West-Brabant 26 januari 2024, ECLI:NL:RBZWB:2024:386. Zoals bedoeld in artikel 14 van de Wet op de verbruiksbelasting van alcoholvrije dranken (WVAD). Artikel 1 van de WVAD. Hoge Raad 23 oktober 2020, ECLI:NL:HR:2020:1670 Artikel 1.7b van het Procesreglement bestuursrecht rechtbanken Gelet ook op conclusie van Advocaat-Generaal Koopman van 28 februari 2025, ECLI:PHR:2025:265, r.o. 4.32 t/m 4.35. Ten tijde van de invoering van de WAVB betrof dit artikel 3, lid 3 van de richtlijn van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 25 februari 1992, betreffende de algemene regeling voor accijnsproducten, het voorhanden hebben en het verkeer daarvan en de controles daarop, nr. 92/12/EEG, Publicatieblad 1992, nr. L 76. Deze mogelijkheid is thans opgenomen in artikel 1, derde lid, onderdeel a van Richtlijn van 19 december 2019 houdende een algemene regeling inzake accijns, (EU) 2020/262. Kamerstukken II, 1992/1993, 22 843, nr. 3, onder meer p. 2 en p. 5. Hoge Raad 13 juni 2025, ECLI:NL:HR:2025:903. Hoge Raad, 7 juli 2023, ECLI:NL:HR:2023:1053. Hoge Raad 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252. Vgl. Hoge Raad 27 mei 2022, ECLI:NL:HR:2022:752, r.o. 3.4.1 en 3.4.2 Hoge Raad, 14 juni 2024, ECLI:NL:HR:2024:853, r.o. 3.2.1. Vgl. Hoge Raad 20 februari 2026, ECLI:NL:HR:2026:279. Artikel 27h, derde lid, en artikel 28, zevende lid, van de AWR.
Volledig
De redelijke termijn van twee jaar is met afgerond 87 maanden overschreden. Nu de rechtbank de boetes integraal vernietigt, kan compensatie voor deze schending niet gevonden worden in een vermindering van de boetes. Belanghebbende heeft daarom recht op schadevergoedingen van in totaal € 15.000 (€ 7.500 per boete). Omdat de bezwaarfase afgerond 63 maanden heeft geduurd en daarmee afgerond 57 maanden te lang, komen de schadevergoedingen voor € 9.827,59 voor rekening van de inspecteur en voor € 5.172,41 voor rekening van de Staat. Conclusie en gevolgen 7. Het beroep is gegrond. Omdat het beroep gegrond is, moet de inspecteur het griffierecht aan belanghebbende vergoeden en krijgt belanghebbende ook een vergoeding van haar proceskosten. De inspecteur moet deze vergoeding betalen. 7.1. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt belanghebbende een vast bedrag per proceshandeling. In bezwaar heeft elke proceshandeling een waarde van € 666. In beroep heeft elke proceshandeling een waarde van € 934. Belanghebbende heeft in bezwaar gevraagd om vergoeding van de proceskosten. Opvolgende gemachtigden hebben een bezwaarschrift ingediend, de hoorzitting bijgewoond, een beroepschrift ingediend en aan de zitting van de rechtbank deelgenomen. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 3.200. Beslissing De rechtbank: - verklaart het beroep gegrond; - vernietigt de uitspraak op bezwaar; - vernietigt de naheffingsaanslag, de boetebeschikkingen en de belastingrentebeschikking; - veroordeelt de inspecteur tot het betalen van vergoedingen van immateriële schade aan belanghebbende tot een bedrag van € 14.768,76; veroordeelt de Staat tot het betalen van vergoedingen van immateriële schade aan belanghebbende tot een bedrag van € 7.731,24; - bepaalt dat de inspecteur het griffierecht van € 365 aan belanghebbende moet vergoeden; - veroordeelt de inspecteur tot betaling van € 3.200 aan proceskosten aan belanghebbende. Deze uitspraak is gedaan door mr. S.A.J. Bastiaansen, voorzitter, en mr. J.A. den Braber-Riemens en mr. S.B. Cornielje, leden, in aanwezigheid van mr. M.J. van Balkom, griffier. griffier voorzitter De uitspraak is openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl. De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld. Aan deze uitspraak hoeft eerst uitvoering te worden gegeven als de uitspraak onherroepelijk is geworden. De uitspraak is onherroepelijk als niet binnen zes weken na verzending van de uitspraak een rechtsmiddel is aangewend of onherroepelijk op het aangewende rechtsmiddel is beslist. Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt. Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch. Rechtbank Zeeland-West-Brabant 26 januari 2024, ECLI:NL:RBZWB:2024:386. Zoals bedoeld in artikel 14 van de Wet op de verbruiksbelasting van alcoholvrije dranken (WVAD). Artikel 1 van de WVAD. Hoge Raad 23 oktober 2020, ECLI:NL:HR:2020:1670 Artikel 1.7b van het Procesreglement bestuursrecht rechtbanken Gelet ook op conclusie van Advocaat-Generaal Koopman van 28 februari 2025, ECLI:PHR:2025:265, r.o. 4.32 t/m 4.35. Ten tijde van de invoering van de WAVB betrof dit artikel 3, lid 3 van de richtlijn van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 25 februari 1992, betreffende de algemene regeling voor accijnsproducten, het voorhanden hebben en het verkeer daarvan en de controles daarop, nr. 92/12/EEG, Publicatieblad 1992, nr. L 76. Deze mogelijkheid is thans opgenomen in artikel 1, derde lid, onderdeel a van Richtlijn van 19 december 2019 houdende een algemene regeling inzake accijns, (EU) 2020/262. Kamerstukken II, 1992/1993, 22 843, nr. 3, onder meer p. 2 en p. 5. Hoge Raad 13 juni 2025, ECLI:NL:HR:2025:903. Hoge Raad, 7 juli 2023, ECLI:NL:HR:2023:1053. Hoge Raad 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252. Vgl. Hoge Raad 27 mei 2022, ECLI:NL:HR:2022:752, r.o. 3.4.1 en 3.4.2 Hoge Raad, 14 juni 2024, ECLI:NL:HR:2024:853, r.o. 3.2.1. Vgl. Hoge Raad 20 februari 2026, ECLI:NL:HR:2026:279. Artikel 27h, derde lid, en artikel 28, zevende lid, van de AWR.