Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2026-04-20
ECLI:NL:RBZWB:2026:3229
Bestuursrecht; Belastingrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
4,019 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBZWB:2026:3229 text/xml public 2026-04-28T15:51:42 2026-04-20 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Zeeland-West-Brabant 2026-04-20 24/7609 en 24/7610 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Breda Bestuursrecht; Belastingrecht Rechtspraak.nl Viditax (FutD) 2026042808 http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:3229 text/html public 2026-04-28T11:09:18 2026-04-28 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBZWB:2026:3229 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 20-04-2026 / 24/7609 en 24/7610 IB/PVV; de onderlinge verhouding van de gemeenschappelijke inkomensbestanddelen RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Belastingrecht zaaknummers: BRE 24/7609 en 24/7610 uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 20 april 2026 in de zaken tussen [belanghebbende 1] , de heer [achternaam] , en de erven van [echtgenote van belanghebbende] , de erven hierna samen ook te noemen belanghebbenden, (gemachtigde: [gemachtigde] ), en de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur. Inleiding 1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank de beroepen van belanghebbenden tegen de uitspraken op bezwaar van de inspecteur van 23 oktober 2024. 1.1. De inspecteur heeft aan belanghebbenden voor het jaar 2021 aanslagen inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) opgelegd. 1.2. De inspecteur heeft de verzoeken om ambtshalve vermindering van de aanslagen IB/PVV 2021 en wijziging van de onderlinge verhouding van de gemeenschappelijke inkomensbestanddelen afgewezen. De inspecteur heeft de daartegen gerichte bezwaren van belanghebbenden ongegrond verklaard. 1.3. De rechtbank heeft het beroep op 9 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen namens de inspecteur, [inspecteur 1] en mr. [inspecteur 2] . De gemachtigde van belanghebbenden heeft via videoverbinding deelgenomen. Feiten 2. De heer [achternaam] en mevrouw [echtgenote van belanghebbende] (mevrouw [achternaam] ) waren in het jaar 2021 getrouwd. Mevrouw [achternaam] verbleef in het jaar 2021 in een verzorgingstehuis. 2.1. Op 11 april 2022 worden de aangiften IB/PVV 2021 ingediend namens belanghebbenden. In de aangifte zijn de volgende inkomensbestanddelen als volgt toegerekend aan de heer en mevrouw [achternaam] : De heer [achternaam] Mevrouw [achternaam] Totaal Inkomsten eigen woning € 0 € 317 € 317 Grondslag sparen en beleggen € 56.520 € 64.300 € 120.820 Rendementsgrondslag € 103.300 € 117.518 € 220.820 2.2. Met dagtekening 15 juli 2022 is aan belanghebbenden een brief verstuurd waarin staat dat de aanslag IB/PVV 2021 later wordt vastgesteld vanwege de uitspraak van de Hoge Raad van 24 december 2021 (het kerstarrest) . 2.3. De definitieve aanslag IB/PVV 2021 is voor de heer [achternaam] vastgesteld op 18 oktober 2022 overeenkomstig de ingediende aangifte. Het belastbaar inkomen uit sparen en beleggen is vastgesteld op € 655. 2.4. De definitieve aanslag IB/PVV 2021 voor mevrouw [achternaam] is vastgesteld op 20 oktober 2022 overeenkomstig de ingediende aangifte. Het belastbaar inkomen uit sparen en beleggen is vastgesteld op € 745. 2.5. Op 23 januari 2023 heeft gemachtigde ten name van de heer en mevrouw [achternaam] digitaal een herziene aangifte IB/PVV 2021 ingediend. Daarbij zijn de inkomensbestanddelen als volgt toegerekend aan de heer en mevrouw [achternaam] : De heer [achternaam] Mevrouw [achternaam] Totaal Inkomsten eigen woning € 317 € 0 € 317 Grondslag sparen en beleggen € 120.820 € 0 € 120.820 Rendementsgrondslag € 220.820 € 0 € 220.820 2.6. De inspecteur heeft de herziene aangifte als verzoeken om ambtshalve vermindering van de aanslagen IB/PVV 2021 behandeld. Met dagtekening 14 november 2023 zijn deze verzoeken en de verzoeken tot herverdeling van de gezamenlijke inkomensbestanddelen afgewezen. Beoordeling door de rechtbank 3. De rechtbank beoordeelt of de herverdeling van de gemeenschappelijke inkomstenbestanddelen nog mogelijk is tussen belanghebbenden en of het belastbaar inkomen uit sparen en beleggen niet te hoog is vastgesteld. Zij doet dat aan de hand van de argumenten van belanghebbende, de beroepsgronden. 4. De rechtbank oordeelt dat het belastbaar inkomen uit sparen en beleggen te hoog is vastgesteld . De herverdeling van gemeenschappelijke inkomstenbestanddelen is niet meer mogelijk. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Motivering Vooraf 4.1. Tussen partijen is in geschil de herverdeling van de gemeenschappelijke inkomensbestanddelen alsmede de omvang van de rendementsgrondslag en de hoogte van het werkelijk rendement. De rechtbank stelt voorop dat ook voor de heer [achternaam] procesbelang bestaat bij deze procedure, nu per saldo is verzocht om vermindering van het belastbaar inkomen uit sparen en beleggen. Rendementsgrondslag en werkelijk rendement 4.2. Tussen partijen is niet meer in geschil dat in de aangiften ten onrechte een vordering van € 45.000 is opgenomen als bezitting. De grondslag sparen en beleggen en de rendementsgrondslag moeten daarom worden verminderd naar € 75.820 respectievelijk € 175.820. Belanghebbenden hebben verder verzocht om een heffing op basis van het werkelijk rendement. Partijen zijn het eens dat het werkelijk rendement € 28 bedraagt en lager is dan het forfaitair berekende rendement. Op basis van de verdeling zoals destijds in de (eerste) aangifte is gekozen, dient het belastbaar inkomen uit sparen en beleggen als volgt te worden vastgesteld: De heer [achternaam] Mevrouw [achternaam] Totaal Grondslag sparen en beleggen € 35.469 € 40.351 € 75.820 Rendementsgrondslag € 82.249 € 93.571 € 175.820 Belastbaar inkomen uit sparen en beleggen € 13 € 15 € 28 Herverdeling van gemeenschappelijke inkomstenbestanddelen. 4.3. Belanghebbenden hebben verzocht om ambtshalve vermindering van de aanslagen omdat het Centraal Administratie Kantoor (CAK) op 13 januari 2023 de eigen bijdrage heeft vastgesteld. Dit vormde voor belanghebbenden aanleiding om de inkomensbestanddelen anders te willen verdelen. Ook voeren belanghebbenden aan dat als zij bij het indienen van de aangifte meteen het werkelijk rendement hadden kunnen aangeven voor de heffing over het belastbaar inkomen uit sparen en beleggen, zij toen hadden gekozen voor een andere verdeling. 4.4. Uit artikel 2.17 van de Wet inkomstenbelasting 2001 volgt dat het inkomen uit eigen woning en sparen en beleggen als gemeenschappelijke inkomensbestanddelen kunnen worden toegerekend aan belanghebbenden in de verhouding die zij daarvoor kiezen. De keuze kan worden herzien tot het moment waarop de aanslagen van beide partners onherroepelijk vaststaan, mits het verzoek tot herziening door beide partners gezamenlijk wordt gedaan. 4.5. Hoewel de belastingplichtige de inspecteur kan verzoeken om de aanslag ambtshalve (verder) te verminderen, ontstaan daardoor geen extra mogelijkheden om de reeds onherroepelijk vaststaande onderlinge verdeling van inkomensbestanddelen alsnog te wijzigen. De mogelijkheid van ambtshalve vermindering ontneemt aan die aanslagen namelijk niet het definitieve karakter ervan. 4.6. Vaststaat dat de aanslagen van belanghebbenden onherroepelijk zijn geworden op 29 november 2022 en 1 december 2022. Dit betekent dat nadien geen wijziging meer kan plaatsvinden in de onderlinge toerekening van gemeenschappelijke inkomensbestanddelen. 4.7. De omstandigheid dat belanghebbenden pas na de brief van het CAK belang hebben gekregen bij een andere verdeling, kan er niet toe leiden dat van de wet moet worden afgeweken. Verder was reeds in 2021 het zogenoemde kerstarrest gewezen, waarin is uitgegaan van het werkelijk rendement in plaats van het forfaitaire rendement. Binnen de bezwaartermijn hadden belanghebbenden derhalve kunnen verzoeken om heffing op basis van het werkelijk rendement en een andere verdeling. Het verzoek van belanghebbenden om de verdeling te herzien is daarom terecht afgewezen. De verdeling zoals deze is gemaakt in de (eerste) aangiften blijft in stand. Conclusie en gevolgen 5. De beroepen zijn gegrond. Dat betekent dat de uitspraken op bezwaar worden vernietigd.
Volledig
ECLI:NL:RBZWB:2026:3229 text/xml public 2026-04-28T15:51:42 2026-04-20 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Zeeland-West-Brabant 2026-04-20 24/7609 en 24/7610 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Breda Bestuursrecht; Belastingrecht Rechtspraak.nl Viditax (FutD) 2026042808 http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:3229 text/html public 2026-04-28T11:09:18 2026-04-28 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBZWB:2026:3229 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 20-04-2026 / 24/7609 en 24/7610 IB/PVV; de onderlinge verhouding van de gemeenschappelijke inkomensbestanddelen RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Belastingrecht zaaknummers: BRE 24/7609 en 24/7610 uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 20 april 2026 in de zaken tussen [belanghebbende 1] , de heer [achternaam] , en de erven van [echtgenote van belanghebbende] , de erven hierna samen ook te noemen belanghebbenden, (gemachtigde: [gemachtigde] ), en de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur. Inleiding 1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank de beroepen van belanghebbenden tegen de uitspraken op bezwaar van de inspecteur van 23 oktober 2024. 1.1. De inspecteur heeft aan belanghebbenden voor het jaar 2021 aanslagen inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) opgelegd. 1.2. De inspecteur heeft de verzoeken om ambtshalve vermindering van de aanslagen IB/PVV 2021 en wijziging van de onderlinge verhouding van de gemeenschappelijke inkomensbestanddelen afgewezen. De inspecteur heeft de daartegen gerichte bezwaren van belanghebbenden ongegrond verklaard. 1.3. De rechtbank heeft het beroep op 9 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen namens de inspecteur, [inspecteur 1] en mr. [inspecteur 2] . De gemachtigde van belanghebbenden heeft via videoverbinding deelgenomen. Feiten 2. De heer [achternaam] en mevrouw [echtgenote van belanghebbende] (mevrouw [achternaam] ) waren in het jaar 2021 getrouwd. Mevrouw [achternaam] verbleef in het jaar 2021 in een verzorgingstehuis. 2.1. Op 11 april 2022 worden de aangiften IB/PVV 2021 ingediend namens belanghebbenden. In de aangifte zijn de volgende inkomensbestanddelen als volgt toegerekend aan de heer en mevrouw [achternaam] : De heer [achternaam] Mevrouw [achternaam] Totaal Inkomsten eigen woning € 0 € 317 € 317 Grondslag sparen en beleggen € 56.520 € 64.300 € 120.820 Rendementsgrondslag € 103.300 € 117.518 € 220.820 2.2. Met dagtekening 15 juli 2022 is aan belanghebbenden een brief verstuurd waarin staat dat de aanslag IB/PVV 2021 later wordt vastgesteld vanwege de uitspraak van de Hoge Raad van 24 december 2021 (het kerstarrest) . 2.3. De definitieve aanslag IB/PVV 2021 is voor de heer [achternaam] vastgesteld op 18 oktober 2022 overeenkomstig de ingediende aangifte. Het belastbaar inkomen uit sparen en beleggen is vastgesteld op € 655. 2.4. De definitieve aanslag IB/PVV 2021 voor mevrouw [achternaam] is vastgesteld op 20 oktober 2022 overeenkomstig de ingediende aangifte. Het belastbaar inkomen uit sparen en beleggen is vastgesteld op € 745. 2.5. Op 23 januari 2023 heeft gemachtigde ten name van de heer en mevrouw [achternaam] digitaal een herziene aangifte IB/PVV 2021 ingediend. Daarbij zijn de inkomensbestanddelen als volgt toegerekend aan de heer en mevrouw [achternaam] : De heer [achternaam] Mevrouw [achternaam] Totaal Inkomsten eigen woning € 317 € 0 € 317 Grondslag sparen en beleggen € 120.820 € 0 € 120.820 Rendementsgrondslag € 220.820 € 0 € 220.820 2.6. De inspecteur heeft de herziene aangifte als verzoeken om ambtshalve vermindering van de aanslagen IB/PVV 2021 behandeld. Met dagtekening 14 november 2023 zijn deze verzoeken en de verzoeken tot herverdeling van de gezamenlijke inkomensbestanddelen afgewezen. Beoordeling door de rechtbank 3. De rechtbank beoordeelt of de herverdeling van de gemeenschappelijke inkomstenbestanddelen nog mogelijk is tussen belanghebbenden en of het belastbaar inkomen uit sparen en beleggen niet te hoog is vastgesteld. Zij doet dat aan de hand van de argumenten van belanghebbende, de beroepsgronden. 4. De rechtbank oordeelt dat het belastbaar inkomen uit sparen en beleggen te hoog is vastgesteld . De herverdeling van gemeenschappelijke inkomstenbestanddelen is niet meer mogelijk. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Motivering Vooraf 4.1. Tussen partijen is in geschil de herverdeling van de gemeenschappelijke inkomensbestanddelen alsmede de omvang van de rendementsgrondslag en de hoogte van het werkelijk rendement. De rechtbank stelt voorop dat ook voor de heer [achternaam] procesbelang bestaat bij deze procedure, nu per saldo is verzocht om vermindering van het belastbaar inkomen uit sparen en beleggen. Rendementsgrondslag en werkelijk rendement 4.2. Tussen partijen is niet meer in geschil dat in de aangiften ten onrechte een vordering van € 45.000 is opgenomen als bezitting. De grondslag sparen en beleggen en de rendementsgrondslag moeten daarom worden verminderd naar € 75.820 respectievelijk € 175.820. Belanghebbenden hebben verder verzocht om een heffing op basis van het werkelijk rendement. Partijen zijn het eens dat het werkelijk rendement € 28 bedraagt en lager is dan het forfaitair berekende rendement. Op basis van de verdeling zoals destijds in de (eerste) aangifte is gekozen, dient het belastbaar inkomen uit sparen en beleggen als volgt te worden vastgesteld: De heer [achternaam] Mevrouw [achternaam] Totaal Grondslag sparen en beleggen € 35.469 € 40.351 € 75.820 Rendementsgrondslag € 82.249 € 93.571 € 175.820 Belastbaar inkomen uit sparen en beleggen € 13 € 15 € 28 Herverdeling van gemeenschappelijke inkomstenbestanddelen. 4.3. Belanghebbenden hebben verzocht om ambtshalve vermindering van de aanslagen omdat het Centraal Administratie Kantoor (CAK) op 13 januari 2023 de eigen bijdrage heeft vastgesteld. Dit vormde voor belanghebbenden aanleiding om de inkomensbestanddelen anders te willen verdelen. Ook voeren belanghebbenden aan dat als zij bij het indienen van de aangifte meteen het werkelijk rendement hadden kunnen aangeven voor de heffing over het belastbaar inkomen uit sparen en beleggen, zij toen hadden gekozen voor een andere verdeling. 4.4. Uit artikel 2.17 van de Wet inkomstenbelasting 2001 volgt dat het inkomen uit eigen woning en sparen en beleggen als gemeenschappelijke inkomensbestanddelen kunnen worden toegerekend aan belanghebbenden in de verhouding die zij daarvoor kiezen. De keuze kan worden herzien tot het moment waarop de aanslagen van beide partners onherroepelijk vaststaan, mits het verzoek tot herziening door beide partners gezamenlijk wordt gedaan. 4.5. Hoewel de belastingplichtige de inspecteur kan verzoeken om de aanslag ambtshalve (verder) te verminderen, ontstaan daardoor geen extra mogelijkheden om de reeds onherroepelijk vaststaande onderlinge verdeling van inkomensbestanddelen alsnog te wijzigen. De mogelijkheid van ambtshalve vermindering ontneemt aan die aanslagen namelijk niet het definitieve karakter ervan. 4.6. Vaststaat dat de aanslagen van belanghebbenden onherroepelijk zijn geworden op 29 november 2022 en 1 december 2022. Dit betekent dat nadien geen wijziging meer kan plaatsvinden in de onderlinge toerekening van gemeenschappelijke inkomensbestanddelen. 4.7. De omstandigheid dat belanghebbenden pas na de brief van het CAK belang hebben gekregen bij een andere verdeling, kan er niet toe leiden dat van de wet moet worden afgeweken. Verder was reeds in 2021 het zogenoemde kerstarrest gewezen, waarin is uitgegaan van het werkelijk rendement in plaats van het forfaitaire rendement. Binnen de bezwaartermijn hadden belanghebbenden derhalve kunnen verzoeken om heffing op basis van het werkelijk rendement en een andere verdeling. Het verzoek van belanghebbenden om de verdeling te herzien is daarom terecht afgewezen. De verdeling zoals deze is gemaakt in de (eerste) aangiften blijft in stand. Conclusie en gevolgen 5. De beroepen zijn gegrond. Dat betekent dat de uitspraken op bezwaar worden vernietigd.